Het 'ik' en het 'zelf'... of 'ben ik het zelf'?

Over de aanname van een gespleten zelfbeeld

Wie het Al denkt te kennen, maar niet zichzelf, blijft volkomen in gebreke.
   Thomas, logion 67
"De geest weet zelf niet wat de geest is."
Cicero, Romeinse filosoof (106-43 v.Chr.)

Inleiding

Het oog dat kijkt, ziet alles, maar niet zichzelf;
dat is het beeld van de geest, die nog onbewust is van zichzelf en daardoor niet zichzelf, maar alleen déze stoffelijke wereld ziet.

In die toestand is de waarnemende geest met al zijn aandacht bij de omgéving...
maar niet bij zichzelf als de wáárnemer ervan.
In die toestand is de denkende geest met al zijn aandacht bij de gevormde gedáchten: zoals de gedachte 'het ik' of 'het zelf'...
maar niet bij 'zichzelf' als de bedénker ervan ... 'ikzelf'.

Deze toestand van onbewustheid wordt bestendigd door op een afstandelijke, schijnwetenschappelijke wijze over zichzélf te blijven spreken als: 'hét ik' en 'hét zelf', enzovoort, alsof dat zelfstandigheden zouden zijn.
Doordat het echter slechts denkbeelden zijn, komt men er niet verder mee dan als gespreksonderwerp - waar men zo veilig en daardoor eindeloos over kan blijven filosoferen - en tracht men vanuit dit denkbeeld op kunstmatige wijze menselijk gedrag te verklaren.

Spreken over 'het zelf' enzovoort is echter onbewuste zelfmisleiding.
De beeldspraak 'het ik', 'het zelf', 'het ego' enzovoort is de moderne vorm van het aloude veelgodendom: het is eenzelfde objectivering door onbewuste overdracht van innerlijke inhouden, van gedachten, zoals in de oudheid gebeurde.

Door deze afstándelijke, gespleten spreekwijze misleidt men zichzelf en verhindert de zelfbewústwording van zichzelf als zelfstandige geest: als de 'ik-zegger'. De zelfstandige geest, de persoon, is de enige die het woordje 'ik' in zichzelf kan vormen en die zichzelf met dat woordje 'ik' kan aanduiden.

Zelfbewustwording ontstaat door de aandacht in te keren in zichzelf en in zichzelf de werkzaamheid van de vermogens te ervaren;
zo kan men tot het besef komen zélf de werkzame bron te zijn van het wóórd 'ik' en het wóórd 'zelf', en zich zo bewust te worden: "Ik ben het zélf... de vermogende, werkzame geest."

Hieronder de opvattingen van twee denkers die deze verhouding nog zuiver zagen:

"Ik ben en ik weet en ik wil.
Ik ben wetende en willende.
Ik weet dat ik ben en wil.
Ik wil zijn en weten."

Augustinus, 'Belijdenissen', Boek XIII, XI.12
(M.a.w. ik ben mij bewust en ik ben wilskracht:
ik ben de geest als een bewust kracht.)
"Ik denk na,
dus: ik besta."

Een zeer betekenisvol puntdicht

René Descartes
uit: Discours de la méthode, deel IV
('cogito, ergo sum')

terug naar de 'annihilatie van het zelf'


Inhoud van deze pagina

Freud en Jung
Wie ben ik?
De overdracht
De oorzaak van de verpersoonlijking van het woord 'ik' tot 'het ik'
Misleidende spreekvorm
De menselijke geest als eenheid
De geestelijke omvorming
De Fenix als oerbeeld van geestelijke omvorming
De oorzaak van de verpersoonlijking van het woord 'zelf' tot 'het zelf'
Het onderscheid tussen 'eigendom' en 'bezit'
Het oog dat al ziende zichzelf níet ziet.

Freud en Jung
De mens kan er op een gegeven ogenblik toe komen zichzelf de meest wezenlijke vraag te stellen: "Wie ben ik?" Aangezien op dat ogenblik wordt aangevoeld dat dat woordje 'ik' hierbij in het middelpunt staat, maar de bron van dat woordje - de menselijke geest - nog niet in zicht is, kan het licht gebeuren dat dan aan dat woordje 'ik' de waarde wordt toegekend, die eigenlijk aan de geest toekomt... de geest als de uit zichzelf werkzame levenskracht, de bron waaruit dat woordje 'ik' voortkomt en waarmee de geest alleen maar terug kan verwijzen naar zichzelf.
Vóórdat de mens zich bewust is geworden van zichzelf als de éne geest, kan het licht gebeuren dat dan datgene, waarvan men een vermoeden heeft gekregen dat dat het wezenlijke van de mens is, met de kunstmatige vorm 'het ik' of 'het zelf' wordt aangeduid.
Dat is wat er heeft plaatsgevonden.

Gesteund door het werk van Freud, Jung en Assagioli is er daardoor een bepaalde spreekwijze in zwang gekomen met uitdrukkingen als 'het ik', 'het ego', het 'lagere ego', het 'hogere zelf', de 'lagere ego delen' en 'lagen' in de ziel, zoals het 'onbewuste' en het 'onderbewuste' waaruit 'inhouden oprijzen' (Freud had bijna ook nog een 'voorbewuste' ingevoerd, maar heeft daar later toch van afgezien).
Daarnaast is er blijkbaar ook nog een zelfstandige eenheid in het spel die met 'jij' of 'wij', of in het algemeen met 'de mens' wordt aangeduid en die meestal 'iets moet' met dat 'lagere ego' en dat 'hogere zelf'. Deze zelfstandige persoon (in geestkunde de menselijke geest) speelt daardoor een belangrijke rol, maar door welke eigenschappen díe wordt gekenmerkt, wordt nergens vermeld.
Freud en Jung waren echter wetenschappers die zichzelf moesten bewijzen in een wetenschappelijke wereld, waar het materialisme steeds meer invloed kreeg en waar Freud en zeker Jung op latere leeftijd, toen hij zich met alchemie bezighield, met argwaan werden bekeken. Zij zijn nu beiden uit de academische wereld verdwenen. Vandaar dat zij zich toentertijd in een wetenschappelijk aandoende taal moesten uitdrukken om zich te kunnen handhaven. Maar zo'n wetenschappelijk taalgebruik is verstandelijk en daardoor afstandelijk; het is zakelijk en onpersoonlijk.

De spreekwijze 'het ik' is een (schijnwetenschappelijke) objectivering van zichzelf. Dit taalgebruik leidt tot gespletenheid. De mens maakt zo van zichzelf een object en dat leidt noodzakelijk tot een vervreemding van zichzelf als het levende wezen.

In dit taalgebruik wordt niet de mens op persoonlijke wijze aangesproken, zoals bijvoorbeeld tijdens een therapeutisch gesprek van mens tot mens, maar er wordt op een afstandelijke wijze over de persoon gesproken doordat woorden als 'het ego' en 'het zelf' worden gebruikt, wat immers zelfstandige naamwoorden zijn; daardoor lijkt het alsof deze zaken los staan van de persoon zelf.
Door deze gespleten spreekwijze te gebruiken, krijgt de mens ook een gespleten beeld van zichzelf.

Freud bekeek als arts zijn patiënt inderdaad als een 'geval' en zijn taalgebruik was daar dan ook naar. Hij onderscheidde een 'das Ich', een 'Ueber Ich' en een 'das Es': het onbewuste en onbeheerste deel van de mens. (Als er een 'Ueber Ich' mogelijk zou zijn, dan toch ook een 'Unter Ich'.)
In het Nederlands is 'das Es' echter 'het Het'(?!)... en toch heeft men in academische kringen jarenlang op 'wetenschappelijke' wijze over dit raadsel 'het Het' gesproken. Jung behield alleen 'het ik' maar voegde aan zijn woordenlijst een 'het zelf' toe en bovendien een 'het Zelf' dat moest worden verwerkelijkt om de mens (dat is overigens terecht) een na te streven doel in de toekomst te geven.

Zoals een arts (zoals Freud en Jung) over de ziekte van een patiënt spreekt alsof het een daarvan losstaand 'geval' is, zo spreken 'het-ik'-sprekers over 'het ego' alsof ook dat een op zichzelf staand geval is.
Het woord 'ego' wordt in bepaalde levensbeschouwingen zoals 'New Age'-kringen, gebruikt voor de toestand, dat een persoon zich met een onjuist denkbeeld van zichzelf vereenzelvigt. Zo iemand heeft een zelfbeeld dat niet met de door anderen ervaarbare werkelijkheid van die persoon overeenkomt, maar dat door zelfoverschatting wordt gekenmerkt. Daarnaast wordt onder 'ego' een houding van zelfgerichtheid verstaan, de toestand dat een persoon zich van anderen onderscheidt en zich zelfzuchtig gedraagt.


Jungs opvatting over het wezen
en de structuur van de psyche
In deze gespleten spreekwijze of beeldspraak is 'de mens' een verschijnsel dat uit losse, zelfstandige, niet echt met elkaar samenhangende delen bestaat (want je kunt bijvoorbeeld 'je ego even opzijzetten' of 'je ego op de gang achterlaten'), maar het is daardoor wel de kunst om mens en zelf met elkaar te verbinden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de opmerking 'dat de mens zich moet vrijmaken van het ego om daarna in contact te kunnen treden met het ware Zelf'. Blijkbaar staan die drie los van elkaar.
Deze splijtende beeldspraak en de daarmee samenhangende afstandelijke denkwijze houdt de mens echter juist af van zichzelf. De betreffende persoon gaat namelijk over eigenschappen van zichzelf spreken alsof het om een andere persoon gaat, alsof het iets is wat je bezit en wat zich érgens bevindt, bijvoorbeeld een 'het ik', dat 'ergens' in de mens in een bepaalde 'laag' zit. Meestal bevinden 'lagere ego-delen' zich dan ergens beneden in een verondersteld 'onderbewustzijn', het 'zelf' ergens in het midden in het 'bewustzijn' en het 'hogere zelf' zou te vinden zijn in een geheimzinnig - welhaast onbereikbaar - verondersteld 'bovenbewustzijn'.
Jung maakte er ook werkelijk zo'n soort afbeelding van.
De term 'onderbewuste' is bedacht om de werkelijkheid van de geestelijke wereld en van onze geestelijke begeleiders, onze vrienden en vriendinnen die ons van daaruit begeleiden op ons pad door dit tijdelijke bestaan, niet te hoeven benoemen. Dat klinkt immers niet wetenschappelijk genoeg.
Dat heeft tot gevolg dat onze begeléiders worden benoemd met de uitdrukking: 'het onderbewuste'(!) Terwijl zij in werkelijkheid heel wat bewuster zijn dan wij hier in dit ondermaanse.

Met deze afstandelijke, gespleten spreekwijze hangt als voorbeeld het volgende voorval samen.
Stel twee personen ontmoeten elkaar en tijdens het gesprek doet de een zijn beklag over de last die hij heeft van 'mijn ego' (dat is: 'mijn ik': dus een persoon). Over dat 'ego' wordt gesproken alsof het een zelfstandige persoon is; daardoor doet de toestand zich voor dat er drie personen zijn, waarbij de eerste twee op afstandelijke wijze over de derde persoon aan het praten zijn... alsof hij er niet bij is.
Hoe moet die persoon die 'mijn ego' wordt genoemd zich dan wel voelen?! Het zou toch op z'n minst onwellevend zijn om in gezelschap hoorbaar en op afkeurende wijze over een andere persoon - die 'mijn ego' wordt genoemd - te spreken door allerlei onaardigheden op te sommen en dan toch net te doen alsof die persoon er niet bij staat.
Toch is dat de gespleten toestand waarin twee mensen verkeren die met elkaar 'mijn ego' (als 'ik' een zelfstandige persoon) als gespreksonderwerp hebben.

Op dezelfde wijze wordt er ook gesproken over het bestaan van 'het innerlijke kind', een denkbeeld dat ook afkomstig is uit het rijk der verbeelding. Wat met deze beeldspraak wordt bedoeld is een onverwerkte, kwetsende jeugdervaring. Vanuit het toegankelijke of ontoegankelijke geheugen kan die ervaring, doordat die nog onverwerkt is, nog steeds invloed uitoefenen op de menselijke geest in het huidige bestaan. Daardoor kan díe af en toe zelf in een geestestoestand komen te verkeren- en gedraagt zich er vervolgens ook naar - die doet denken aan die van het vroegere kind. Maar van het bestaan van 'een innerlijk kind' als zelfstandigheid, is geen sprake.
Deze spreekwijze is de verpersoonlijking van een geheugeninhoud, die een onjuist beeld geeft van de werkelijke verhouding tussen de geheugeninhouden in de ziel en de menselijke geest als de enige, zelfstandige persoon die in het midden van de binnenwereld, de ziel, van de mens aanwezig is. Om zich heen bevinden zich bepaalde geheugeninhouden, die de geest bij tijden ongunstig kunnen beïnvloeden en dan terug laten vallen in kinderlijk gedrag.

terug naar de Inhoud

Wie ben ik?
Tijdens de ontwikkelingsgang over je levensweg kun je je op een zeker tijdstip gaan afvragen, wie je nu eigenlijk bent. Deze vraag: "Wie ben ik?" is de meest wezenlijke en ook meest noodzakelijke levensvraag die je je kunt stellen. Het is op je levensweg het keerpunt tussen de inwikkeling in het stoffelijke bestaan en de ontwikkeling van je geestelijke zelfstandigheid daaruit, en een aanwijzing voor een beginnende zelfbewustwording.
Het verschijnsel op zich dat deze vraagstelling mogelijk is, wordt veroorzaakt doordat je als de menselijke geest door de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan in de schijnbaar afgescheiden toestand verkeert, afgescheiden van je oorsprong. In die toestand ben je jezelf als het ware kwijt geraakt, ben je je nog niet bewust van jezelf als geestelijke zelfstandigheid, maar alleen van het zelfbeeld dat je vanuit je huidige levenservaring over jezelf hebt gevormd. Dat beeld is echter niet meer dan het denkbeeld over jezelf dat zich als een gedachte in de binnenwereld van je ziel bevindt; het hangt alleen samen met je tijdelijke aanwezigheid in dit bestaan. Alleen door de vereenzelviging ermee en de overdracht daarop kan dat beeld van jezelf een bepaalde waarde hebben voor de op zichzelf eeuwige, maar zich toch nog niet van zichzelf bewuste geest, die je in wezen bent.
(Die onbewustheid van jezelf ontstaat, doordat jij als de menselijke geest het levende bent - de eeuwige levenskracht - die zich bij de geboorte en later bij het ontwaken moet verbinden met het stoffelijke lichaam, dat het 'niet levende' is, de op zichzelf dode stof. Doordat de geest als het levende zich met de stof als het niet levende verbindt, kan de geest zichzelf niet meer zijn en wordt in de stof onbewust van zichzelf.)
Doordat het zelfbeeld alleen een gedachte is, kan het door allerlei invloeden worden gevormd en vervormd. Het besef wat je als mens 'zelf' bent, het zelfbesef, wordt het 'identiteitsbesef' genoemd, samenhangend met het Latijnse 'idem': 'dezelfde'. Het vertrouwen in je zelfbeeld kan door bepaalde levenservaringen en invloeden van buitenaf bij tijden worden gekenmerkt door een 'identiteitscrisis'. De (op zich eeuwige) geest die je bent en die door de veranderlijkheid en betrekkelijkheid van dat zelfbeeld op een gegeven ogenblik aan 'de waarde van zichzelf' begint te twijfelen, is door die onzekere toestand echter eindelijk in de gelegenheid gekomen zich de wezenlijke vraag "Wie ben ik?" te stellen.

Je vraagt met die vraag naar het wezen van datgene in jezelf, wat 'ik' zegt. De vraag "Wie ben ik?" verwijst immers naar de bron van het woord 'ik'. Het woord 'ik' is een heel bijzonder woord, want daarmee kun jij als menselijke geest in feite alleen jezélf aanduiden: alleen de géést is de 'ik-zegger'.
Als jij als de menselijke geest aan anderen duidelijk wil maken, 'zelf' iets te willen zeggen, dan gebruik je het woord 'ik'. Jij die dit woord uitspreekt, wijst daarmee onmiddellijk terug naar 'jezelf' als de scheppende bron van dit woord.
Met het woord 'ik' kan niet iets anders worden aangeduid dan alleen de geest die je zelf bent, die immers het beeld van dit woord in zichzelf heeft gevormd, net vóór het ogenblik dat je het eerst in je eigen binnenwereld en daarna in de buitenwereld uitspreekt.
Ook Gods heilige geest, die als de mens Jezus bij de mensheid op aarde is geweest, duidde zichzelf met dit bijzondere woord aan. Het woord is afkomstig van het Oudindische 'acham' en het Gotische en Oudnederfrankische 'ik', een heel oud woord.

terug naar de Inhoud

De overdracht
In de toestand van onbewuste vereenzelviging echter, vóórdat je als de menselijke geest door bezinning op jezelf je bewust kunt gaan worden van jezelf als die bron, ben je als de menselijke geest nog onbewust van jezelf. Je ervaart jezelf nog niet als de zelfstandigheid die eerst het begrip 'ik' in zichzelf vormt, waar het woord 'ik' vervolgens binnenin klinkt en er daarna uit wordt uitgesproken. Alles in jezelf waarvan je je niet bewust bent, wordt ook nog niet door jou beheerst en kan daardoor in een toestand van overdracht op de buitenwereld komen te verkeren. De leerzame aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met dit bestaan is de oorzaak van het overdrachtsverschijnsel.
Zolang deze vereenzelviging voortduurt, kan al datgene waarvan je je niet bewust bent in een toestand van overdracht komen te verkeren, als zich in de buitenwereld een geschikte overdrachtsdrager voordoet. Zo kun je bijvoorbeeld je wens om een geestelijk ontwikkeld mens te worden overdragen op een geestelijke leider, leraar of 'goeroe' ('hij die duisternis verdrijft') die in jouw ogen die toestand al heeft bereikt; een vorm van overdracht die niet weinig voorkomt en de oorzaak is van dweepzucht, van blinde verering.

De overdrachtsdrager is gewoonlijk datgene in de buitenwereld, wat met een bepaalde inhoud van je zíel (bijvoorbeeld een wens of beeld) overeenkomt en er daardoor een betrekking mee heeft. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging draag je die inhoud daar dan als het ware op over in de buitenwereld. In het geval van het begrip 'ik' is er echter geen overdrachtsdrager in de buitenwereld, maar wel in de binnenwereld van de ziel: het zelfbeeld. Het zelfbeeld is het denkbeeld dat een uitbeelding is van je tijdelijke, alledaagse persoonlijkheid, de leerpersoonlijkheid waarmee je deze keer naar de aarde bent gekomen om er je lessen mee te kunnen leren. Op dat zelfbeeld wordt het begrip 'ik' door jou als de geest, maar nu niet vanuit de ziel, maar vanuit jouzélf, overgedragen door de vereenzelviging van jouzelf met een denkbeeld in je binnenwereld (zoals bijvoorbeeld sommige mensen zich volkomen met hun functie vereenzelvigen).

terug naar de Inhoud

De oorzaak van de verpersoonlijking van het woord 'ik'
Door de tijdelijkheid, veranderlijkheid en onvolmaaktheid van dat zelfbeeld kan er evenwel op een gegeven ogenblik een vermoeden gaan groeien, dat er toch ook zoiets zou moeten zijn als een andere zelfstandigheid, een hoger staande eenheid, die het wezenlijke en duurzame van jezelf uitmaakt. Tijdens het begin van je geestelijke ontwikkeling groeit er naast het tijdelijke zelfbeeld langzamerhand een ermee samenhangend beeld van het blijvende en wezenlijke van jezelf, dat het veranderlijke zelfbeeld overstijgt.
Ook dat ontluikende vermoeden omtrent de ware en duurzame aard van jezelf is echter aanvankelijk, evenals het zelfbeeld, niet meer dan een denkbeeld; beide zijn denkbeelden die als inhouden van je ziel bestaan. Als gevolg van de onbewustheid van jezelf als geest, draag je het begrip van het woord 'ik' vanuit jezelf op beide beelden in de ziel over: op het tijdelijke zelfbeeld én op het vage beeld van het wezenlijke van jezelf. Van beide beelden wordt aangevoeld dat zij 'iets' met jezelf te maken hebben en beide denkbeelden in je ziel worden daardoor onbewust met het woord 'ik' verbonden.
Jij als de menselijke geest die zich ten slotte de vraag "Wie ben ik?" is gaan stellen, tracht niet alleen een bééld van jezelf te vormen, maar je hebt daarnaast ook een begin gemaakt over jezelf als een zelfstandigheid te spreken, hoewel het nog niet duidelijk is hoe je je daar een voorstelling (van jezelf als menselijke geest) van moet vormen. Door de dan toch nog steeds bestaande onbewústheid van jezelf en de daarmee samenhangende óverdracht, ga je als de - aan zijn ontwikkeling beginnende - geest er nu eerst toe over op die afstandelijke wijze over jezelf te spreken! Dit gebeurt door van het persoonlijke voornaamwoord 'ik' - waarmee de geest in feite alleen maar zichzélf kan aanduiden - toch op kunstmatige wijze een zelfstandig naamwoord te maken in de vorm van 'het ik'. Je beseft echter niet dat dat 'het ik' daardoor alleen een denkbeeldige zelfstandigheid wordt. Het is een beeld dat je zelf hebt bedacht om er met anderen over te kunnen spreken.

Toch is dit innerlijke gebeuren voor jou als de nog niet van zichzelf bewuste geest een noodzakelijkheid, doordat het zelfbeeld waarmee je je vereenzelvigt, door de overdracht van jezelf, voor je gevoel immers een zelfstandigheid móet zijn. Het is echter een zelfgevormd denkbeeld van jezelf, dat alleen in gedachten bestaat en in de binnenwereld van je ziel met je mee wordt gedragen.
Tegelijkertijd wordt door de onbewuste overdracht van het pas ontluikende werkelijkheidsbesef van jezelf als de ik-zeggende persoon, dat denkbeeld in de ziel verpersoonlijkt; ook daardoor wordt het als een zelfstandigheid aangevoeld. Door zowél de afstandelijke houding alsook door de onbewuste verpersoonlijking, wordt het woord 'ik' omgevormd tot 'het ik'; daardoor wordt het tot een denkbeeldige zelfstandigheid die voor je gevoel, zoals een werkelijke persoon, ook kan denken, voelen, beslissen en handelend optreden.

Deze verpersoonlijking strekt zich uit tot zowel je zelfbeeld alsook tot het besef van de aanwezigheid van een hogere, wezenlijke zelfstandigheid. Om toch tussen beide beelden een onderscheid te kunnen maken, spreek je vervolgens over 'het ik' en 'het Ik'. Doordat niemand de eigenschappen van dit 'ik' kan omschrijven, heeft iedereen er zo zijn eigen vage oordeel over en benoemt het ook anders, in een streven oorspronkelijk te zijn en de aandacht op zich te vestigen door zich van anderen te onderscheiden.
Zo is een reeks aanduidingen ontstaan zoals: het 'lagere ik' en 'hogere ik', het 'valse ik' en 'ware ik', het 'lagere wezen' en 'hogere wezen' of met de Latijnse woorden 'het ego', het 'psychische ego', 'het Ego', het 'ego-ik' en 'het Ware Ik-Ego'.
Een andere aanduiding voor 'het Ego' is: 'het alter ego' (het 'andere ik'). Ook komt het onderscheid tussen 'het reële Ik' en 'het ideële Ik' voor (Schuurman).
Waar het echter om gaat, is, dat jij als géést die zélf deze gedachte bedenkt en die zélf het woord 'ik' vormt en uitspreekt, niet wordt genoemd. De aandacht, die van de geest uitgaat, blijft steken bij de denkbeeldige voorstelling van zichzelf in de vorm van de gedachte 'het ik'.

Dat de verwarring groot is, blijkt uit het feit dat ik ergens las: "Kon ik m'n ego maar eens wat meer loslaten en de geest z'n werk laten doen." De sprekende maar onmachtige persoon duidt zichzelf met 'ik' aan (wat juist is), maar houdt tot zijn verdriet zijn 'ego' (Latijn voor 'ik') stevig vast, waardoor een ergens in de hoogte zwevende 'geest' helaas werkeloos moet toezien.
Uit deze zin blijkt duidelijk dat de sprekende persoon 'ik', 'ego' en 'geest' als losse, van elkaar verschillende zelfstandigheden ziet. De in het Latijn met het woord 'ego' aangeduidde 'ik' is het kwade, de heb- en heerszuchtige, de 'geest' is blijkbaar het goede en de spreker die hier zichzelf met het woord 'ik' aanduidt, is de onmachtige, die wel iets wil, maar dat niet kan en daardoor toch de zelfstandige kern is die in dit psychodrama de hoofdrol speelt.
Iets dergelijks is te lezen in het boek 'De innerlijke bloei' van dr. Han de Wit. Op bladzijde 75 schrijft hij: "De vierde mentale beweging is ... de beweging waarin we ons (ego) met ons zelfbeeld identificeren." Maar wie is dan die vage 'we' die toch de handelende zelfstandigheid is die blijkbaar een 'ego' en een 'zelfbeeld' bezit (want hij gebruikt het bezittelijke voornaamwoord 'ons') en die 'ons ego' met 'ons zelfbeeld' vereenzelvigt?!

terug naar de Inhoud

Misleidende spreekvorm
Taalkundig leidt de verzelfstandiging van 'ik' tot 'het ik' echter tot een ongerijmdheid. Als van het woord 'ik' als persoonlijk voornaamwoord een afgeleide vorm als 'het ik' mogelijk zou zijn, dan zouden 'het jij', 'het hij', 'het wij' enz. ook aanwijsbare zelfstandigheden moeten zijn. Dat dit niet het geval is, is een aanwijzing dat dit woordgebruik louter op denkbeeldigheid berust. Het mist iedere vorm van aantoonbaarheid en toetsbaarheid. Het blijven louter woorden, ademtochten. Dit verschijnsel is het gevolg van de vrijheid van je denkvermogen, waardoor je naar eigen willekeur gedachten kunt vormen - ook louter denkbeeldige die geen ervaarbare grondslag hebben, maar een gedachtenprobeersel zijn, een verzinsel, afkomstig uit het rijk der verbeelding. Je kunt je bijvoorbeeld heel goed een 'groene olifant' voorstellen die toch echt niet bestaat en iets dergelijks is de voorstelling 'het ik', 'het ego' of 'het zelf'.

In deze toestand van beginnende bewustwording en aanvang van geestelijke ontwikkeling handel je als menselijke geest als het kind, dat tijdens de groei naar bewustwording eerst enige tijd zichzelf met de eigen voornaam aanduidt. Het kind vereenzelvigt zich dan met de klank, die het in de buitenwereld hoort en waarvan het door de ervaring ermee vaag is gaan beseffen dat daarmee zichzelf wordt bedoeld. Door de overdracht daarop wordt die náám vervolgens verpersoonlijkt en het kind zegt argeloos en op afstandelijke wijze: "Jantje heeft het gedaan" - alsof het iemand ánders betrof.
Op dezelfde wijze is door de overdracht de waarde van jezelf als persoon, de menselijke geest, bij de persoonsnáám 'ik' komen te liggen; terwijl bij het daarop volgende gebruik van 'het ik' de waarde van jezelf als persoon op een denkbeeld in je eigen binnenwereld, het zelfbeeld, wordt overgedragen.
Het verschijnsel van het gebruik van de aanduiding 'het ik' duidt op die ontwikkelingstoestand, waarin je al wel een begin hebt gemaakt over jezelf na te denken als een benoembare zelfstandigheid, maar jezélf als denkende geest nog niet hebt waargenomen en ervaren. Daardoor moeten de denkbeelden over jezelf iedere vaste grondslag door persoonlijke ervaring van jezelf als geest nog ontberen en moet je je met misleidende kunstvormen als 'het ik' behelpen.
De gebrekkigheid van deze spreekvorm wordt onmiddellijk doorzien als je ooit door zelfbezinning jezelf als de denkende en woordvormende zelfstandigheid, de menselijke geest, hebt leren kennen.

terug naar de Inhoud

De menselijke geest als eenheid
De menselijke geest is in wezen een éénheid. In de geestelijke wereld doet de geest in de ongevormde toestand zich voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte, waarmee de geestelijke vermogens samenhangen: het waarnemen, denken, voelen en willen (zie het boek Geestkunde, Hoofdstuk 2). Binnen zichzelf is de geest met die vermogens werkzaam en in ontwikkelde toestand is de geest een eenheid van evenwichtig met elkaar samenhangende en elkaar aanvullende vermogens.
Door de werkzaamheid van de vermogens straalt de geest een lichtruimte om zich heen uit, de aura of ziel, waarin de voortbrengselen van de vermogens: kennis, gedachten en wilsbesluiten, worden bewaard in het geheugen. Maar doordat je je door de onbewuste vereenzelviging nog niet als deze geestelijke éénheid hebt leren kennen, kun je er nog toe overgaan over jezelf te spreken alsof er twee 'ikken' in jezelf zouden zijn in de vorm van 'het ik' en 'het Ik', 'het lagere ik' en 'het hogere ik', enzovoort; een beschrijving die leidt tot een beeld van innerlijke verdeeldheid.

Wat wel bestaat, is, dat er meerdere geestestóestanden kunnen zijn, die echter steeds één en dezélfde geest betreffen. Je kunt je dan in een meer, dan weer in een minder ontwikkelde toestand van bewustheid en beheerstheid bevinden en je overeenkomstig die geestestoestand beheerst of onbeheerst gedragen. Door over 'het lagere ik' te spreken, verzuim je de geestestoestand van onbeheerstheid een eigen naam te geven en met het duidelijke woord 'mijn zelfgerichtheid' of 'mijn onbeheerstheid' te benoemen.
De werkelijkheid is dat door de afgescheidenheid van de algeest en de vereenzelviging met het lichaam, je als menselijke geest in een zelfgerichte toestand verkeert. Die benoeming blijft echter bij de afstandelijke vorm 'het ik' steken, waarna iedereen er vervolgens een eigen vage betekenis aan hecht en waardoor het niet tot bewustwording van jezélf als de zelfgerichte en onbeheerste geest komt. Deze spreekwijze leidt je daardoor op een doodlopende weg en remt je groei naar geestelijke zelfstandigheid.

Maurits Cornelis Escher
Klimmen en dalen, litho, 1960
hoe de 'het ego'-denkers in
hun eigen gedachtenwereld
moeten blijven rondlopen
Op dezelfde wijze als Freud bleef steken in zijn therapeutische gesprekken die eindeloos duurden (zoals hij zelf opmerkte: tot zijn patiënt het niet meer kon betalen), blijf je ook steken in je groei als je je dit jargon eigen maakt en er in een kringetje in blijft rondraaien. Door deze gespleten spreekwijze te blijven gebruiken, kom je niet tot jezelf, de menselijke geest, maar blijf je steken in de gedachten over jezelf en kom je er niet verder mee dan als een eindeloos gespreksonderwerp (wat sommigen onder ons trouwens heerlijk vinden).

terug naar de Inhoud

(Klimmen en dalen. Lithografie 1960
De eindeloze trap die het hoofdmotief van deze afbeelding is, werd ontleend aan een artikel van L.S. Penrose in het februari-nummer 1958 van het British Journal of Psychology.
Een rechthoekige binnenplaats wordt begrensd door een gebouw, dat een eindeloze trap als dakbedekking heeft. De bewoners van dit huizencomplex zijn misschien wel monniken, leden van een onbekende sekte. Mogelijk is het hun rituele plicht om dagelijks enkele uren deze trap te beklimmen. Als ze moe zijn, mogen ze blijkbaar omkeren en afdalen in plaats van klimmen. Maar beide richtingen, hoewel zinvol, zijn rusteloos.
Twee weerspannige individuen weigeren vooralsnog aan deze oefening mee te doen. Zij denken er het hunne van, maar misschien zullen zij vroeg of laat hun dwaling inzien.
Uit M.C. Escher, Grafiek en tekeningen. Ingeleid en toegelicht door M.C. Escher
Uitgeverij Taco, ISBN 3-89268-061-2)

Ook zouden 'het ego-sprekers' zich de woorden van de joodse geloofsbeleidenis ter harte kunnen nemen, woorden die al in 1000 v.Chr. werden uitgesproken, het eerst in verband met Vader Abraham, die daarmee voor het joodse volk een einde maakte aan het veelgodendom:

4 Hoor, o Israël! De Heer, onze God, is Eén!
14 Gij zult de andere goden van de volken die rondom u zijn, niet navolgen.
Deuteronomium 6:4-14

In overeenstemming daarmee zou nu moeten worden gezegd:
Hoor, o geestelijke zoeker, de menselijke geest is Eén!
Gij zult u van die geest geen veelheid van beelden maken.


terug naar de Inhoud

De geestelijke omvorming
Wat er tijdens de geestelijke groei in jezelf plaatsvindt, is een ómvorming binnen de zelfstandige eenheid die je als de geest bent. Doordat deze omvorming door de onbewustheid van jezelf niet in jezelf wordt erváren, kan de afstandelijke uitspraak worden gedaan dat: "De mens(!) moet het ik omvormen tot het Ik." of: "Wij(!) moeten het lagere ik leren beheersen en 'ons' richten op het hogere ik." Op de vraag wie dan die 'de mens' of 'wij' en 'ons' zijn - blijkbaar nog een derde, onmisbare zelfstandigheid in dit geheel, die dit toch zo belangrijke werk moet doen - kan geen antwoord worden gegeven... want die derde zelfstandigheid is in deze wijze van redeneren de geest die nog onbewust is van zichzelf en zich daardoor met een afstandelijk 'de mens' of 'wij' aanduidt.
Ook het omvormingswerk, dat je als ontwikkelende geest bínnen jezelf moet voltrekken, is overgedragen en wel op een gebeuren dat zich denkbeeldig buiten jezelf voltrekt, doordat een onduidelijke 'mens' of 'wij' het 'lagere ik' moet leren beheersen en zich tot het 'hogere ik' moet richten. Echter: niet 'de mens moet het ik omvormen tot het Ik', maar heel eenvoudig: 'jij zélf, met andere woorden jij als de geest, moet zichzélf innerlijk, geestelijk omvormen' - wat evenwel de moeilijkste taak is die de mens op aarde kan volbrengen. Dat deze spreekwijze toch in zwang is geraakt, is een aanwijzing voor het bestaan van de onbewustheid van de geest van zichzelf.
(Jung beschreef hoe de oude alchemisten op dezelfde wijze hun eigen innerlijke omvorming overdroegen op de chemische processen die zij zagen gebeuren in hun retorten en kolommen.)

Cultuurhelden zoals Herakles, Mithras en de stier, en Sint Joris en de draak laten zien, dat de menselijke geest een éénheid is die zélf in zichzelf zijn eigen eigenschappen moet omvormen - en wel van een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid. Hebzucht moet worden omgevormd in vrijgevigheid, bemoeizucht in verdraagzaamheid, eigenliefde in medeleven en heerszucht in vrijlaten.

Een persoon die een ongeluk heeft veroorzaakt, kan zich niet aan zijn of haar verantwoordelijkheid onttrekken door eenvoudig te zeggen: "Ik heb het niet gedaan, maar mijn égo heeft het gedaan!"
Ook heeft nog nooit iemand in zijn of haar eigen binnenwereld een zelfstandigheid ontmoet, tegen wie je zou kunnen zeggen: "Zo, ben jij nou 'mijn ego'! Hoe gaat het ermee?"
Uit deze voorbeelden blijkt de denkbeeldigheid van dit benaderende, gespleten taalgebruik, deze begrippen zijn ontsproten aan de menselijke verbeelding. Zij zijn het gevolg van het feit dat door de onbewuste vereenzelviging met de omgeving - waaronder de inhouden van je ziel - alleen op een afstandelijke wijze naar het wezenlijke van jezelf kan worden gekeken en vervolgens worden benoemd als een 'het ik' of 'het zelf'.

terug naar de Inhoud

De Fenix als oerbeeld van geestelijke omvorming

de zonnevogel Fenix
De mythologische zonnevogel Fenix (Grieks Phoenix: de schitterende) was een zinnebeeld van geestelijke groei, van geestelijke wedergeboorte. De vogel voerde als de offerende priester een brandoffer uit met zichzélf als offer.
Bij een brandoffer wordt iets, wat nog stoffelijk, nog zichtbaar is, door de werking van het vuur omgevormd tot iets, wat niet meer zichtbaar, maar geestelijk is. In overeenstemming daarmee verbrandde de Fenix zelf zijn oude lichaam in zijn nest van mirre in een boom, waardoor hij als geest van de stof vrijkwam; en uit de rook en de geur vormde hij daarna voor zichzelf - vanuit zichzelf als geest - het lichaam van een vernieuwde, verjongde vogel (de geurstof mirre had in de Oudheid een religieuze betekenis). Er was sprake van een willekeurige, zelf ondernomen ontstoffelijking en daarna van een bewust vanuit zichzelf als geest gewilde verstoffelijking.
Dit herhaalde zich in de loop van de tijd, als een zinnebeeld van de stapsgewijze, geestelijke ontwikkeling. Op oude afbeeldingen heeft de Fenix namelijk een zevenvoudige uitstraling om zich heen, een uitbeelding van de zeven stappen van geestelijke groei.

De vogel was verbonden met zonsondergang en -opgang, met het verloop van de jaargetijden, met eb en vloed en met cultuurhelden (Herakles deed hetzelfde als de Fenix); en door wedergeboorte en wederopstanding met Jezus.
Het beeld van deze mythologische, koninklijke vogel was niet alleen bekend bij de Grieken, maar ook bij de Egyptenaren (Benu: de rijzende), de Assyriërs (Fenix), de Perzen (simurgh), de Azteken en Maya’s (Quetzalcoatl), de Indiërs (Garuda), Chinezen (Fenghuang: mannelijk en vrouwelijk) en Japanners (Ho-o). In de Oudheid was dit besef van geestelijke groei door omvorming wereldwijd verbreid.
Doordat het om een vogel ging - op zichzelf al een zinnebeeld van de geest, zoals de heilige geest in de vorm van een duif - was de Fenix een zinnebeeld van geestelijke omvorming en geestelijke verjonging - en in die zin kwam het overeen met het beeld van Sint Joris en de draak.
(bron: o.a. Wikipedia)

De zinnebeeldige betekenis van de Fenix is dat geestelijke groei door omvorming wordt gekenmerkt. De menselijke geest als de persoon is één. Eén en dezelfde persoon, één en dezelfde geest - die zichzelf met het wordje 'ik' aanduidt - vormt zelf zijn of haar geestesgesteldheid om van een afgeleefde naar een vernieuwde, verjongde geestestoestand. De geestelijke omvorming betreft die van een geestestoestand van onbewustheid en onbeheerstheid naar een toestand van bewustheid en beheerstheid, van zelfgerichtheid naar naastenliefde.

terug naar de Inhoud

De verpersoonlijking van het woord 'zelf'
Een ander woord dat een met het woord 'ik' overeenkomende betekenis heeft, is het aanwijzende voornaamwoord 'zelf'. Taalkundig juist wordt het in de zin gebruikt om het onderwerp nadruk te geven. De zin: "Ik heb het zélf gedaan!" is een versterking van: "Ik heb het gedaan!" en betekent als het ware: "Ik, ík heb het gedaan!"
Op dezelfde wijze als met het woord 'ik' is gebeurd en ook door dezelfde oorzaak, is de menselijke geest in de begintoestand van zelfbewustwording ertoe overgegaan ook het woord 'zelf' als overdrachtsdrager te gebruiken. Ook met dit woord spreek je op afstandelijke wijze over jezelf als over 'het zelf' en 'het Zelf', het 'lagere zelf' en het 'hogere zelf', jeZelf en ook je(Zelf), enzovoort, enzovoort met dezelfde onderscheiding in taalvormen als bij 'ik'. Ook 'het zelf' is door de verpersoonlijking in gedachten een handelende zelfstandigheid geworden, die als zodanig ook in de literatuur wordt beschreven.
De taalkundige ongerijmdheid en willekeurigheid van de verzelfstandiging van het aanwijzende voornaamwoord 'zelf' wordt duidelijk door de overweging, dat evengoed het wederkerende voornaamwoord 'zich' zou kunnen worden gekozen. Ook dat verwijst immers evenals 'zelf' naar het handelende onderwerp in de zin. Bovendien hangt het woord 'zich' oorspronkelijk ook nog samen met het persoonlijke voornaamwoord 'zij'. De aanduiding 'het zich' of 'het Zich' heeft echter de verbeelding niet kunnen prikkelen en is nooit gebruikt. In tegenstelling tot 'das Es': 'het Het', dat als woord in deze vorm evenmin enige inhoud heeft doordat het in feite álles kan betekenen, maar toch enige tijd zelfs een wetenschappelijke status heeft gehad vanwege het aanvankelijke gezag van de bedenker van deze uitdrukking, Sigmund Freud.

terug naar de Inhoud

Het onderscheid tussen 'eigendom' en 'bezit'
Deze spreekwijze kon ontstaan en ook blijven voortbestaan, doordat het onderscheid tussen 'bezit' en 'eigendom' niet wordt ingezien. Een eigendom is iets, wat jou eigen is, dat onlosmakelijk bij jou hoort doordat het een 'eigenschap' van je is, bijvoorbeeld je denkvermogen; terwijl een bezit iets is, wat je letterlijk 'bezit', je 'zit erop', waardoor het los van jouzelf is en er een afstand bestaat. Wat je bezit, ben je níet zelf en je kunt het kwijtraken.
Klik hier voor een uitweiding over het onderwerp 'eigendom en bezit'.
Door over 'míjn hogere zelf' te spreken als over een bezit, doordat je het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' gebruikt, schep je een afstand, je brengt een toestand van gespletenheid aan in het denken over jezelf; het zou daardoor iets zijn wat je van een afstandje zou kunnen bekijken. In werkelijkheid ben jij als de persoon, de menselijke geest, een éénheid en al jouw eigenschappen zijn een onvervreemdbaar eigendom, geen bezit. Degene die 'ik' zegt, ben jij 'zelf', de menselijke geest als de bron waarin het woordje 'ik' wordt gevormd om daarmee juist alleen zichzelf aan te duiden!
Deze spreekwijze houdt een toestand van overdracht in stand: de menselijke geest, die hier onbewust is van zichzelf, draagt zichzelf over op een gespleten zelfbeeld, dat bestaat uit een 'ego' en een 'zelf', om maar eens een paar van dit soort uitdrukkingen te gebruiken.

Een ander verschijnsel dat zich voordoet, is, dat de ene keer het onderscheid wordt gemaakt tussen 'het ik' en 'het Ik', een andere keer tussen 'het zelf' en 'het Zelf', maar dat ook tussen 'het ik' en 'het Zelf', of 'het valse ik' en 'het ware zelf' onderscheid wordt gemaakt. Steiner meent in zijn boek 'Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden' dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen 'het lagere Zelf' en 'het hogere Zelf', beide met een hoofdletter.

In de theosofie is men weer van mening dat 'het Hogere Zelf' het 'ongemanifesteerde Zelf' is. Het 'Hogere Zelf' is in deze opvatting iets, dat zich nog niet kenbaar heeft gemaakt, het heeft zich letterlijk 'nog niet vertoond', het is nog niet duidelijk zichtbaar geworden.
Dat is inderdaad het geval met de menselijke geest; want doordat de geest als de levenskracht, als 'het levende' zich door de indaling in het lichaam - in het stoffelijke voertuig voor deze wereld - met het lichaam verbindt, dan verbindt het levende zich met de niet levende, met de dode stof. De geest verbindt zich daardoor met het tegendeel van zichzelf ... en kan daardoor in dit stoffelijke bestaan zichzelf niet zijn. Daardoor wordt de geest hier onbewust van het bestaan van zichzelf als geest.
Daardoor ontstaat een toestand van overdracht, waarbij de geest het in de geestelijke wereld aanwezige zelfbesef op deze wereld overdraagt. Daardoor is de geest zich hier alleen bewust van deze wereld, daardoor lijkt alleen deze wereld werkelijk te zijn.
Niets herinnert hier de geest van zichzelf als geestelijk wezen. Deze geestestoestand wordt in de theosofie het 'ongemanifesteerde Zelf' genoemd.

Doordat al deze kunstvormen alleen een aanduiding zijn van denkbeelden, bestaat er geen eenduidige samenhang tussen de woorden en de ermee samenhangende begrippen, waardoor deze samenhang in iedere beschouwing over dit onderwerp volkomen persoonlijk en willekeurig kan zijn; iedere schrijver of levensbeschouwing kan wat dit betreft een eigen voorkeur in het gebruik ervan ontwikkelen en tot uitdrukking brengen.
Dat 'het-ik-zeggers' zelf in de war kunnen raken door hun eigen woordgebruik, blijkt uit deze uitspraak van de geleerde Dr. Ralph Blum (die overigens een uitstekend boek heeft geschreven over 'Het Orakel der Runen'): "Verder wordt hier [van u] de acrobatisch dansende energie van het evenwicht verlangd om het Hogere Zelf en het ego-zelf in balans te laten bengen." Nu moet dus het 'Hogere Zelf' in het 'ego-zelf' opgaan en moet 'u' [wie is hier dan die 'u'?] een 'balans' 'láten aanbrengen' (blijkbaar door nog weer iemand anders).
Nu blijkt er naast 'het Zelf' en 'het ego' ook nog eens een 'het ego-zelf' te bestaan! Het einde is zoek in het bedenken van dit soort kunstmatige uitdrukkingen en in zijn eigen boek vraagt de schrijver zich een keer zélf af of dit woordgebruik wel de werkelijkheid betreft!
Die prangende vraag wordt begrijpelijk als op één en dezelfde bladzijde van zijn boek de volgende zinnen zijn te lezen:
- "Wanneer u de Runen raadpleegt, vraagt u uw Hogere Zelf om raad." (het woordje 'uw' duidt hier op een bezit van degene die met 'u' wordt aangesproken, de lezer)
- "De drang om te veroveren (de Rune Teiwaz) is hier overheersend, speciaal de verovering van het Zelf."
- "Heden ten dage versterkt deze Rune (Teiwaz) uw besluit in de strijd van het Hogere Zelf met het zelf."
Eerst richt de 'u-zegger' (de menselijke geest als de persoon) zich met een vraag tot zijn 'Hogere Zelf'; vervolgens blijkt die 'u-zegger' het 'Zelf' te willen veroveren (hij bezit het toch al?); en tot slot blijkt er ook nog sprake te zijn van een innerlijke strijd, waarin de 'u-zegger' (de persoon) samenspant met het 'Hogere Zelf' tegen het 'zelf'...
Maar in een ander boek las ik weer: 'De interacties tussen 'ego en het Zelf' leiden tot wijsheid.'

Het wordt allemaal erg ingewikkeld als men in de klinische psychologie ook nog eens van mening is dat het juist noodzakelijk is om een 'stevig ego' te ontwikkelen!
Het wordt nog ingewikkelder als deze spreekwijze naar moderne neigingen ook nog wordt verweven met de kwantummechanica; want met voorliefde uit (nota bene) de natuurkunde geleende termen schijnen de betrouwbaarheid van uitspraken op welk gebied dan ook te versterken.
Waar Jung het nog overzichtelijk heeft over 'het ego' en 'het Zelf', meent de schrijver Amit Goswami dat een mens een EGO heeft (dat is: Redeneren, Continu, Gedetermineerd, Lineair, Lokaal, Persoonlijk en Klassiek-logisch) en een KWANTUMZELF (dat is: Creatief, Discontinu, Synchronistisch, Holistisch, Non-lokaal, Transpersoonlijk en Kwantumlogica).

Klik hier voor een gedeelte uit het boek 'Contemplatieve psychologie' van dr. Han de Wit, waarin hij 'het 'ik'-concept' (terecht) bespreekt als een 'imaginaire entiteit'. In zijn boek 'De verborgen bloei' beschrijft hij wel het ontstaan van 'ego', maar maakt daar dan weer een onderscheid tussen 'ego' en 'het ego'.
Tansley schrijft in 'De kosmische mens' dat de 'loutering van het laagste ik' een thema is in elke godsdienst... Maar dan moet er toch ook een 'hoogste ik' zijn.
Iedere schrijver heeft zo zijn eigen mening en daarbij behorende verzameling uitdrukkingen over dit onderwerp.

Bovendien is een hoofdletter een verschijnsel dat zich alleen voordoet in de schrijftaal: het bestaat alleen op papier. Een hoofdletter is alleen een taalkundige afspraak de letter aan het begin van de zin of bij eigennamen groter te schrijven. In de klánken van het woord die door de woordscheppende geest tijdens het spreken worden geuit, kan het onderscheid tussen kleine letter en hoofdletter niet worden gemaakt: de menselijke geest spreekt alleen in kleine letters.
Er zijn op aarde veel talen die geen hoofdletters kennen, bijvoorbeeld Aramees (Jezus' taal), Hebreeuws, Arabisch en Chinees - daar kan men dus dat onderscheid niet maken. In het Duits daarentegen worden álle zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter geschreven, daar is het altijd 'das Ich' en 'das Selbst'... in het Duits kent men niet een 'das ich' of 'das selbst'! Terwijl in het Engels het persoonlijke voornaamwoord 'ik' altijd met een hoofdletter wordt geschreven: 'I'. Ook daar kent men geen 'i' en kiest men noodgedwongen voor het Latijnse 'ego'.
Het is daardoor duidelijk dat het gegoochel met hoofdletters volkomen willekeurig is en zonder betekenis. Ook als een engel Gods de menselijke geest een boodschap ingeeft, gebeurt dat in kleine letters. De mening dat 'Liefde' iets verheveners zou zijn dan 'liefde' of het 'Zelf' iets hogers dan het 'zelf', is ook hierdoor louter denkbeeldig.

terug naar de Inhoud

Het oog dat al ziende zichzelf niet ziet.
Bij de beginnende bewustwording doet zich ook het verschijnsel voor, dat over 'mijn ik' en 'mijn zelf' wordt gesproken. Door het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' te gebruiken, geeft degene die dit uitspreekt aan, zélf de eigenaar van 'het ik' of 'het zelf' te zijn. De eigenaar is echter méér dan datgene, wat die eigenaar bezit; de eigenaar 'be-zit' het immers, kan desgewenst 'erop zitten'. De eigenaar is als de 'bezittende zelfstandigheid' het onderwerp en het bezit is het lijdende voorwerp: het 'wordt bezeten'.
In het geval van de uitspraak: 'mijn Zelf' wordt gewoonlijk bedoeld dat dat 'Zelf' iets 'verhevens' en 'hogers' is; maar er wordt niet beseft, dat de zelfstandigheid die dit uitspreekt en zegt dat het 'van mij' is, juist daardoor méér moet zijn dan dat 'Zelf' - dat door de toevoeging van het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' immers slechts een bezit is!
Ook wordt in deze toestand van beginnende bewustwording wel gesproken over 'mijn geest' of 'mijn psyche'. Het verschijnsel van het voorkomen van deze uitspraak is een duidelijke aanwijzing, dat je als menselijke geest in een toestand kunt verkeren onbewust te zijn van jezelf. Alleen daardoor kun je ertoe komen te menen dat de geest iets ánders is dan jezelf als degene, die deze uitspraak 'mijn geest' doet! Deze uitspraak laat zien dat de mening bestaat, dat de geest 'iets' buiten jezelf zou zijn en daardoor tot het bezit van jou als de sprekende persoon zou kunnen worden gerekend. Dat je alleen zélf als geest de enige bron van deze uitspraak kunt zijn, wordt door onbewustheid van jezelf als de menselijke geest, niet beseft.

De menselijke geest lijkt in deze toestand op het oog, dat, al ziende, zichzélf niet ziet. Door de overdracht van zichzelf op een inhoud, een gedachte in de ziel, in het bijzonder het zelfbeeld, ontstaat een geestesgesteldheid, die in wezen nog steeds overeenkomt met de geestesgesteldheid van de mens uit de oudheid. In die tijd was de menselijke geest ook onbewust van zichzelf en verkeerde ook in een toestand van overdracht, waarbij persoonlijkheidseigenschappen werden overgedragen op goden en godinnen, die zich ophielden op een hoge berg als de Olympos of in verre en onbereikbare hemelstreken zoals het Walhalla.
In deze tijd bevinden die oude goden, in de vorm van 'het ik' en 'het Zelf', zich in eveneens onbekende streken, die nu de namen 'het onderbewuste' en 'het bovenbewuste' hebben gekregen. Er is door de mensheid dus al wel een belangrijke stap gezet: wat vroeger veruiterlijkt was aan de hemel is nu verinnerlijkt in de eigen binnenwereld... maar nog wel in eenzelfde toestand van onbewustheid en verdeeldheid.

Door het door iedereen ervaarbare feit dat er een 'zich bewustzijn van de buitenwereld' bestaat, is de menselijke geest zich er vaag van bewust dat er toch wel íets moet zijn dat een onstoffelijke zelfstandigheid is. Door de onbewustheid van zichzelf moet de geest vervolgens zoeken naar woorden om er zichzelf mee aan te duiden.
Naast 'Ik' en 'Zelf' zijn er in de verschillende levensbeschouwingen en door filosofen woorden gebruikt als: 'praña' (yoga), 'ch'i' (taoïsme), 'fravashi' (Zarathustra), 'entelechie' (Aristoteles), 'monade' (theosofie), 'force active' (Leibniz), 'élan vital' (Bergson), 'vitaal principe' (Hahnemann), 'creativity' (Whitehead), 'morfogenetisch veld' (Sheldrake) en in het algemeen 'vitale kracht', 'psyche', 'odkracht', 'levenskracht', 'mind', 'spirit', 'bewustzijn' en 'energie'.
In geestkunde is het de geest die met behulp van zijn geestelijke vermogens een geestelijke ontwikkeling doormaakt naar hereniging met de algeest. Maar op het eenvoudige woord 'geest' rust blijkbaar een taboe. Het klinkt niet wetenschappelijk genoeg, het klinkt te godsdienstig.

Zoals Vader Abraham tegen zijn volk moest zeggen: "Hoor, oh Israël, de Heer onze God, de Heer is Eén!" (Deut. 6:4-14), zo moet er nu worden gezegd: "Hoor, oh zoekende mens, jij zelf als de menselijke geest, jij bent één, jij bent één menselijke geest!"

Voor de mens die zichzelf als de zelfstandige eenheid, de menselijke geest, heeft leren kennen door zich bewust te worden van de werkzaamheid van de geestelijke vermogens in zichzelf, is er niet meer zoiets als 'het ik' en 'het Zelf', maar de wetenschap: 'Ik ben het zelf'! 'Zelf' is een woord dat alleen maar kan verwijzen naar 'ik'; het is er de verdubbeling van: 'ik, ik'.
De verwarring van de verdeeldheid die samenhangt met de onbewuste vereenzelviging met de verdeeldheid die dit stoffelijke bestaan kenmerkt, heeft plaats gemaakt voor de vreugde in het hart de kern te hebben gevonden 'die ik zélf ben'! Die kern is de eenheid van de geest, de bolvormige wolk van licht en wamte, die in zichzelf de dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en er dan iets mee wil doen, hetzij in de eigen binnenwereld (ingekeerd) of in de buitenwereld (uitgekeerd).
Deze bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte is door verdichting voortgekomen uit de goddelijke algeest, is begonnen aan een weg door Gods schepping naar een zelfbewerkte zelfstandigheid en zal zich aan het einde van die weg bewust herenigen met zijn of haar oorsprong, God als die algeest.
Dan wordt duidelijk dat twee woorden heilig zijn voor de menselijke geest: 'ik' en 'God'. Het woord 'ik' heeft de betekenis, dat degene die het uitspreekt daarmee zichzelf aanduidt. Het woord 'ik' wordt in de geest gevormd en in de buitenwereld uitgesproken als een rechtstreekse terugverwijzing naar de bron - de werkzame geest - waarin dat woord een ogenblik ervoor is gevormd en geestelijk heeft geklonken.
Het woord 'ik' kan niet anders dan onmiddellijk terugwijzen naar de menselijke geest zelf. Aangezien die een algeestvonk is die door verdichting uit de goddelijke algeest is voortgekomen, wijst het woord 'ik' middels de menselijke geest ook terug naar de bron van die geest: God. Het woord 'ik' heeft daardoor een even verheven betekenis als het woord 'God'.


Opmerking 1. Doordat India een Britse kolonie was, zijn hindoeïstische en boeddhistische geschriften het eerst in het Engels vertaald (o.a. door de jurist(!) John Woodroff, alias Sir Arthur Avalon). Daardoor is het woord 'Atman' vertaald geworden met 'the self'; wat daarna door iedereen kritiekloos is overgenomen.
Het woord 'atman' hangt echter samen met het Sanskriet werkwoord 'an': ademen. 'Atman' is daarmee 'de ademende' en de kracht die de mens laat ademen, is de levenskracht, de geestkracht. De Atman is de menselijke geest.
In het Grieks en Latijn, talen die aan het Sanskriet verwant zijn, is 'adem': 'pneuma' en 'spiritus', woorden die - net als in het Sanskriet - zowel 'adem' als 'geest' als betekenis hebben.

Opmerking 2. In het Nederlands en Duits kan er wel over 'het ik' en 'das Ich' worden gesproken, de talen lenen zich daarvoor. Angel-Saksisch-sprekers doen dat echter nooit! Niemand zegt of schrijft in dat taalgebied 'the I'(!) Er wordt daar alleen gesproken over 'the ego', men kent daar niet een woord dat met 'het ik' of 'het Ik' overeenkomt en men kan daar dus níet een onderscheid maken tussen 'het ik' en 'het ego'.


terug naar het ego, in vraag en antwoord






^