Wie ben ik?


Tijdens de ontwikkelingsgang over je levensweg kun je je op een zeker tijdstip gaan afvragen, wie je nu eigenlijk bent. Deze vraag: "Wie ben ik?" is de meest wezenlijke en ook meest noodzakelijke levensvraag die je je kunt stellen. Het is op je levensweg het keerpunt tussen de inwikkeling in het stoffelijke bestaan en de ontwikkeling van je geestelijke zelfstandigheid daaruit, en een aanwijzing voor een beginnende zelfbewustwording.
Het verschijnsel op zich dat deze vraagstelling mogelijk is, wordt veroorzaakt doordat je als de menselijke geest door de onbewuste vereenzelviging met het stoffelijke bestaan in de schijnbaar afgescheiden toestand verkeert, afgescheiden van je oorsprong. In die toestand ben je jezelf als het ware kwijt geraakt, ben je je nog niet bewust van jezelf als geestelijke zelfstandigheid, maar alleen van het zelfbeeld dat je vanuit je huidige levenservaring over jezelf hebt gevormd. Dat beeld is echter niet meer dan het denkbeeld over jezelf dat zich als een gedachte in de binnenwereld van je ziel bevindt; het hangt alleen samen met je tijdelijke aanwezigheid in dit bestaan. Alleen door de vereenzelviging ermee en de overdracht daarop kan dat beeld van jezelf een bepaalde waarde hebben voor de op zichzelf eeuwige, maar zich toch nog niet van zichzelf bewuste geest, die je in wezen bent.

Die onbewustheid van jezelf ontstaat, doordat jij als de menselijke geest het levende bent - de eeuwige levenskracht - die zich bij de geboorte en later bij het ontwaken moet verbinden met het stoffelijke lichaam, dat het 'niet levende' is, de op zichzelf dode stof. Doordat de geest als het levende zich met de stof als het niet levende verbindt, kan de geest zichzelf niet meer zijn en wordt in de stof onbewust van zichzelf.

Doordat het zelfbeeld alleen een gedachte is, kan het door allerlei invloeden worden gevormd en vervormd. Het besef wat je als mens 'zelf' bent, het zelfbesef, wordt het 'identiteitsbesef' genoemd, samenhangend met het Latijnse 'idem': 'dezelfde'. Het vertrouwen in je zelfbeeld kan door bepaalde levenservaringen en invloeden van buitenaf bij tijden worden gekenmerkt door een 'identiteitscrisis'. De (op zich eeuwige) geest die je bent en die door de veranderlijkheid en betrekkelijkheid van dat zelfbeeld op een gegeven ogenblik aan 'de waarde van zichzelf' begint te twijfelen, is door die onzekere toestand echter eindelijk in de gelegenheid gekomen zich de wezenlijke vraag "Wie ben ik?" te stellen.

Je vraagt met die vraag naar het wezen van datgene in jezelf, wat 'ik' zegt. De vraag "Wie ben ik?" verwijst immers naar de bron van het woord 'ik'. Het woord 'ik' is een heel bijzonder woord, want daarmee kun jij als menselijke geest in feite alleen jezélf aanduiden: alleen de géést is de 'ik-zegger'.
Als jij als de menselijke geest aan anderen duidelijk wil maken, 'zelf' iets te willen zeggen, dan gebruik je het woord 'ik'. Jij die dit woord uitspreekt, wijst daarmee onmiddellijk terug naar 'jezelf' als de scheppende bron van dit woord.

Met het woord 'ik' kan niet iets anders worden aangeduid dan alleen de geest die je zelf bent, die immers het beeld van dit woord in zichzelf heeft gevormd, net vóór het ogenblik dat je het eerst in je eigen binnenwereld en daarna in de buitenwereld uitspreekt.
Ook Gods heilige geest, die als de mens Jezus bij de mensheid op aarde is geweest, duidde zichzelf met dit bijzondere woord aan. Het woord is afkomstig van het Oudindische 'acham' en het Gotische en Oudnederfrankische 'ik', een heel oud woord.


terug naar het overzicht






^