Zo boven, zo beneden en geestkunde


Spreuk uit de Tafel van Smaragd van Hermes Trismegistos (Tabula Smaragdina Hermetis)

Deze serie van acht onderwerpen is bedoeld om te laten zien hoe vanuit het gezichtspunt van geestkunde deze grote geesten, uit verschillende culturen en tijdperken, met elkaar samenhangen. Tijdens mijn vergelijkende godsdienststudie zocht ik naar eenheid in de verscheidenheid. Dat is de reden waarom ik zo vrij ben geweest, weliswaar met schroom, hun teksten in te delen naar geestkundige aandachtspunten, om zo een vergelijking mogelijk te maken.
Wetenschap is een menselijk streven naar het verwerven van betrouwbare kennis door onderzoek te doen naar waarneembare zaken en daar toetsbare gedachten over te vormen, die door anderen kunnen worden getest. Die 'anderen' zijn in het geval van mystiek de mystici uit het verleden. Komen hun bevindingen overeen met die van mij, dan is er sprake van mystieke wetenschap.

Volgens de hermetische spreuk 'Zo boven, zo beneden' komen de eigenschappen van de geestelijke wereld, als de oorzaak ervan, tot uitdrukking in de eigenschappen van de stoffelijke wereld. Het gaat om de wet van de overeenstemming: de schepper brengt eigenschappen van zichzelf in zijn schepping tot uitdrukking.
Deze stelling uit de Oudheid wordt bevestigd door het antropisch principe (zie het menu): de mogelijkheid dat de mens in de stoffelijke schepping kan bestaan, is de bedoeling van een wijze, maar hier onzichtbare schepper, die er de oorzaak is, dat het heelal een tehuis is voor de mens... de mens is het beginsel ervan en het heelal is in overeenstemming met de noden van de mens...
Deze overeenstemming is het onderwerp van de volgende punten.

Inhoud

1. De Tafel van Smaragd, vertalingen
2. De Tafel van Smaragd in het licht van geestkunde
3. Zo de geest uit de algeest, zo het lichaam uit het heelal - het antropisch principe
4. 'Zo boven, zo beneden' en de uitstraling van de geest en de zon
5. 'Zo boven, zo beneden' en het hexagram
6. Overeenkomsten met de Indiase esoterische literatuur
7. 'Zo boven, zo beneden' en de pythagoreeërs
8. De overeenkomst met Plato's Ideeënleer
9. Overeenkomsten in de Westerse esoterische literatuur
10. 'Zo boven, zo beneden' als kunstwerk
11. Einsteins speciale relativiteitstheorie: E= mc²
12. De Schrödinger vergelijking (kwantummechanica)
13. De geesteshand (boven) en neuronale plasticiteit (beneden)
14. De geestgedaante en de zenuwcel
15. De godservaring en de kwantumveldentheorie
16. Het hologram en geestkunde
17. De godheid als 'al het goddelijke': het goddelijke gezin

1. De Tafel van Smaragd, vertalingen
De Tafel van Smaragd is een kort hermetisch (alchemistisch) tractaat dat wordt toegeschreven aan de legendarische Egyptische wijze Hermes Trismegistos (De Drievoudig Grote Hermes) uit de 3e eeuw. Het is een korte, kernachtige samenvatting van de hermetische (alchemistische) wereldbeschouwing in drie punten.
De oudste vindplaats van de tekst is in de werken van de Arabische geleerde Jabir ibn Hayyan (8ste eeuw, Alexandrië). Deze tekst is vertaald in het Grieks en van daaruit in het Latijn door o.a. Marsilio Ficino (1433-1499, o.a. leider van de Platoonse Academie in Florence) en Chrysogonus Polydorus (1498-1552). Zij had een hoog aanzien en is in de Middeleeuwen en daarna door heel Europa verspreid geweest.


Tabula Smaragdina, Heinrich Kuhnrath, 1606
Bron: A. Roob, Alchemie en mystiek
De Engelse natuurkundige Isaac Newton was naast natuurwetenschapper ook alchemist. Hij maakte een uitgebreide studie van de tekst met het doel "een nauwkeurige kennis van de werking van de Godheid bij het organiseren en belevendigen van de inerte deeltjes der materie in de microkosmos te verkrijgen." Een van zijn uitspraken was dat: "Alle materie die naar behoren gevormd is, gaat gepaard met tekenen van leven."
Newton ging er met andere woorden van uit dat geestelijke eigenschappen in de stof tot uitdrukking komen: 'Zo boven, zo beneden'.

De tekst van de Tabula Smaragdina met daaronder een van de mogelijke vertalingen.
(Bron: Wikipedia, toevoegingen tussen haakjes van de vertaler)

Verum, sine mendacio, certum et verissimum:
(Het volgende is) waar, ongelogen, zeker en zeer waar:
Quod est inferius est sicut quod est superius
Wat lager is, is zoals wat hoger is en wat hoger is, is zoals wat lager is;
et quod est superius est sicut quod est inferius ad perpetranda miracula rei unius.
(Denk hieraan) bij het verrichten van de wonderen van de ene zaak (het Grote Werk).
Et sicut res omnes fuerunt ab uno, meditatione unius,
En zoals alle dingen zijn ontstaan uit het ene, door bezinning van het ene,
sic omnes res natae ab hac una re adaptatione.
zo (zijn) alle dingen geboren uit deze ene substantie door middel van aanpassing.
Pater eius est Sol, mater eius est Luna.
De vader ervan is de Zon, de moeder ervan is de Maan.
Portavit illud ventus in ventre suo.
De wind heeft het gedragen in zijn buik.
Nutrix eius terra est, pater omnis telesmi totius mundi est hic.
De voedster ervan is de aarde, deze is de vader (...) van de gehele wereld.
Virtus eius integra est.
De kracht ervan is volkomen.
Si versa fuerit in terram, separabis terram ab igne, subtile ab spisso suaviter.
Als deze kracht op aarde gegoten is, moet je voorzichtig aarde van vuur scheiden, het fijne van het grove.
Magno cum ingenio ascendit a terra in coelum,
(Als je te werk gaat) met groot verstand, stijgt (deze kracht) van de aarde op naar de hemel,
iterumque descendit in terram et recipit vim superiorum et inferiorum.
daalt weer af naar de aarde en ontvangt energie van de hogere en de lagere (regionen).
Sic habebis gloriam totius mundi. Ideo fugiet a te omnis obscuritas.
Zo zul je de glorie van de hele wereld verwerven. Daardoor zal alle duisternis van je wegvluchten.
Haec est totius fortitudinis fortitudo fortis,
Dit is de kracht in zijn meest geconcentreerde vorm,
quia vincet omnem rem subtilem omnemque solidam penetrabit. Sic mundus creatus est.
omdat (deze kracht) elke ijle en vaste stof zal doordringen. Zo is de wereld geschapen.
Hinc erunt adaptationes mirabiles, quarum modus est hic.
Op de wijze die hier beschreven is, zullen hieruit wonderlijke aanpassingen voortkomen.
Itaque vocatus sum Hermes Trismegistus, habens tres partes philosophiae totius mundi.
Daarom word ik Hermes Trismegistus genoemd, omdat ik de drie delen van de filosofie van de gehele wereld bezit.
Completum est quod dixi de operatione solis.
Dit is wat ik te zeggen had over de werking van de Zon.

terug naar de Inhoud

2. De Tafel van Smaragd in het licht van geestkunde
Door de reeks van vertalingen uit de Arabische oertekst weten wij niet zeker hoe de oorspronkelijke tekst eruit heeft gezien. Iedere vertaler beoordeelt de betekenis van de Latijnse tekst ook op zijn eigen wijze. Klik hier om twee andere vertalingen in te zien.
Ieder die deze tekst leest, kan er ook zijn eigen oordeel over uitspreken. Ik neem hierbij de vrijheid De Tafel van Smaragd vanuit geestkundig oogpunt te bezien door die tussen haakjes in de tekst te zetten. Het blijkt dan dat deze oude tekst - die algemeen wordt gezien als kernachtige samenvatting van de hermetische, alchemistische levensbeschouwing - de drie kernpunten van geestkunde beschrijft:

De Smaragden Tafel van Hermes Trismegistus (De Drievoudig Grote Hermes) met daarin de uitspraak: Zo boven, zo beneden.

Het volgende is waar, ongelogen, zeker en zeer waar:

1. (De overeenstemming)
Wat lager is (de menselijke geest, verdichting uit de algeest), is zoals wat hoger is (de algeest) en wat hoger is, is zoals wat lager is. Denk hieraan bij het verrichten van de wonderen van het Grote Werk (het alchemistische werk van de zelfverwerkelijking: de omvorming van de eigen geestesgesteldheid).

2. (De algeest)
Zoals alle dingen zijn ontstaan uit het Ene (de algeest, die boven is), door bezinning van het Ene (de bezinning van de algeest op de eigenschappen van zichzelf), zo zijn alle dingen geboren uit de substantie van deze Ene door middel van de omvorming (de omvorming door de algeest van zichzelf door middel van verdichting: wat schepping is).

De vader van alle dingen is de Zon (goud, vuur, de dag, de lichtende warmte ¹)), de moeder ervan is de Maan (zilver, water, de nacht, de donkere koelte ¹)). De wind heeft het gedragen in zijn buik. De voedster ervan is de aarde, deze is de vader van de gehele wereld.
De kracht ervan is volkomen. (de kracht van het vuur (willen), het water (voelen), de lucht (denken) en de aarde (waarnemen): de kracht van de geestelijke vermogens, die afkomstig zijn van eigenschappen van de algeest ²))
---------------
¹) zie boek Geestkunde, hoofdstuk 1; ²) idem, hoofdstuk 2)

3. (De menselijke geest en zijn ontwikkeling)
Als deze kracht (de menselijke geest) op aarde (in een lichaam) gegoten is (de in een lichaam geboren menselijke geest: de mens, die beneden is), moet je voorzichtig aarde (lichaam) van vuur (geest) scheiden (onderscheiden: bewust worden), het grove van het fijne.
Als je zo te werk gaat met geestelijk inzicht, stijgt deze kracht (de geest) van de aarde op naar de hemel (de geestelijke hereniging), daalt weer af naar de aarde en ontvangt levenskracht van de hogere en lagere werelden (door het verwerken van opgedane ervaringen).

Zo zul je de glorie van de hele schepping verwerven (het doel van de schepping bereiken). Daardoor zal alle duisternis van je wegvluchten (zelfbewustwording en albewustwording).
Dit is de kracht (geestkracht) in zijn meest ontwikkelde vorm, omdat deze kracht elke ijle en vaste stof zal doordringen.
Daarvoor is de wereld (als geestelijke leerschool) geschapen. Op de wijze die hier beschreven is, zullen wonderlijke omvormingen (geestelijke zelfverwerkelijking en hereniging) geschieden.

Daarom word ik Hermes Trismegistus genoemd, omdat ik de drie delen van de filosofie van de gehele wereld bezit. Dit is wat ik te zeggen had over de werking van de Zon.

De geestelijke werkelijkheid voor jou die de betekenis van deze woorden nu tot zich door laat dringen, is:
  • ik ben in wezen een menselijke geest, de eeuwige, vermogende levenskracht,
  • door verdichting als een geestvonk voortgekomen uit de goddelijke algeest;
  • ik doorloop in dit tijdelijke bestaan eenzaam een moeizame leerschool
  • met het doel zélf mijn geestelijke zelfstandigheid te verwerkelijken,
  • door al mijn levenservaringen zélf te verwerken
  • met behulp van mijn geestelijke vermogens.
terug naar de Inhoud

3. Zo de geest uit de algeest, zo het lichaam uit het heelal - het antropisch principe
Wat ik in de geestelijke wereld in het algeheugen heb mogen zien, is de ontstaansgeschiedenis van de menselijke geest.
Nadat de beweging en zijn lichtende warmte zich had verenigd met de rust en haar donkere koelte, was de algeest voor mij zichtbaar geworden als de zee van licht en warmte in de eeuwige oneindigheid van de goddelijke algeest. ¹) Daarna ontstond voor mijn geestesoog de menselijke geest als een verdichting van het licht en de warmte van de algeest: de geboorte van de menselijke geest uit en in de goddelijke algeest.
Later ontstond door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens rondom de menselijke geest de ziel als uitstraling van die werkzaamheid; en daarna door de ontwikkeling van de vermogens de geestgedaante, de geestelijke, menselijke gestalte.

De stoffelijke schepping is ruim 13 miljard jaar oud. In die tijd hebben er een aantal kringlopen plaatsgevonden waarbij herhaaldelijk uit wolken waterstofgas grote sterren werden gevormd, die ten slotte door hun eigen gewicht instortten en daarna ontploften. Door de krachten die daarbij vrijkwamen, werden alle scheikundige elementen gevormd die nu het heelal uitmaken en die als sterrestof de ruimte in werden geblazen.
In ons tijdperk konden door de verdichting van al die elementen en van de moleculen die zich daaruit hadden gevorm, de zon en de planeten worden gevormd, zoals onze aarde. Gelijktijdig met de ontwikkeling van de geestgedaante in de geestelijke wereld, ontwikkelden zich op aarde de soorten als de stoffelijke levensvormen die een uitdrukking zijn van hun geestgedaante, waardoor de geest vanaf het begin erin kon neerdalen om op aarde levenservaring op te doen.

Zoals de menselijke geest door verdichting uit de algeest is ontstaan, zo is het lichaam door vormgeving van sterrestof uit het heelal op aarde tot ontwikkeling gekomen als een uitdrukking van de geestgedaante.
Zie voor een uitgebreide behandeling van het antropisch principe het menu van deze website.
---------------
¹) Geestkunde, Hoofdstuk 1

terug naar de Inhoud

4. 'Zo boven, zo beneden' en de uitstraling van de geest en die van de zon
Als de menselijke geest als bolvormige wolk van licht en warmte in zichzelf werkzaam wordt met zijn geestelijke vermogens, dan straalt die geest een lichtkrans om zich heen uit: de ziel of 'aura' (Latijn: 'uitstraling'). De ziel is zevenvoudig door de eigenschappen van de geest, de vermogens: het waarnemen van de dingen, het overdenken en doorvoelen ervan, en er vervolgens iets mee willen doen; deze werkzaamheid kan de geest naar buiten keren door de uitgekeerde instelling en naar binnen door de ingekeerde instelling; bovendien is er de geest zelf als zevende die de eenheid en samenhang van de zes vermogens bewaart.
In de ziel die bij het waarnemen (w) hoort, wordt kennis bewaard, in die van het denken (d) de gedachten ('geheugen' betekent oorspronkelijke: geheel van gedachten), in die van het voelen (v) de ervaringen met een gevoelslading en in die van het willen (w) de wilsbesluiten. Met de inhouden van zijn eigen ziel staat de geest voortdurend in verbinding, er is spraken van een wisselwerking tussen geest en ziel.
Eenzelfde uitstraling is er op de zon, zichtbaar tijdens een zonsverduistering: de corona (Latijn: 'kroon'); maar ook massa in de vorm van waterstofgas wordt voortdurend langs magnetische krachtlijnen door de zon uitgestoten, die vervolgens weer in de zon terugvalt.
De uitstraling van de mens werd in vroeger tijden, toen wij nog min of meer helderziende waren, ook gezien bij hen die geestelijk krachtig en werkzaam waren: koningen en priesters in de vorm van hun ziel (het gewone volk had die uitstraling veel minder). Dit is de oorzaak van het verschijnsel dat veel koningen 'Zoon van de Zon' werden genoemd, zoals de Egyptische farao's en de Inca-koningen, en een kroon ('corona') droegen als teken van hun waardigheid.


terug naar de Inhoud

5. 'Zo boven, zo beneden' en het hexagram

Het zinnebeeld dat met de spreuk 'Zo boven, zo beneden' samenhangt, is het hexagram, de zespuntige sterveelhoek. Het is een zinnebeeld voor de eenheid van wat zich als een tweeheid voordoet: de eenheid der tegendelen.
In die zin is het ook een weergave van: 'Zo boven, zo beneden'; het verbeeldt de eenheid van wat boven en wat beneden is, het geestelijke en stoffelijke.
In de alchemie stond de rechtopstaande gelijkzijdige driehoek voor mannelijkheid en vuur (omhoogstijgend), de omgekeerde driehoek voor vrouwelijkheid en water (neerstromend), en hun innige verstrengeling. Het hexagram gold daar als 'het belangrijkste teken van het hele universum'.
Het is het teken van de hereniging, dat in de Indiase literatuur (Tantra yoga) bekend staat als de Shri Yantra, de volledige doordringing van elkaar van de beide geslachten.
Het hexagram komt in allerlei culturen over de hele wereld voor (ook in Peru). In de I Tjing komt het overeen met de eenheid van jin en jang.
Pas in de tijd van de koningen Salomo en David werd het met Israël vereenzelvigd als het Salomonszegel of de Davidster.
Dat het hexagram een kosmische betekenis heeft, toont niet alleen dit graancirkelhexagram dat vanuit de geestelijke wereld in een graanveld is afgedrukt, maar ook het geheimzinnige hexagram in de straalstroom om de noordpool van de planeet Saturnus.

terug naar de Inhoud

6. Overeenkomsten met de Indiase esoterische literatuur
In de esoterische literatuur zijn meer vindplaatsen waar de uitspraak 'Zo boven, zo beneden' in tot uitdrukking komt. Ondermeer in de Indiase literatuur:

Tsjandogya oepanisjad
3.14.4 Die Atman (de menselijke geest) van Mij in het hart is Brahman (de goddelijke algeest).
6.8.7 Dat, wat dat ijle is, dat is de Geest van de gehele wereld (Brahman). Dat is de werkelijkheid, dat is de Atman (de menselijke geest). Dat zijt gij (Sanskriet 'tat twam asi'), oh Sjwetaketoe (de geestelijke leerling).
(Dit is de kern van de Hindoeleer)

Kathaka oepanisjad
3.11 Hoger dan de Poeroesja (de Atman, de menselijke geest) is er niets. Dat is het einddoel. Dat is de hoogste weg.
6.12 Hoe kan hij (de Atman, de geest) anders worden begrepen dan door te zeggen: "Hij is"? ('Jahweh')
6.13 Ja, hij kan worden begrepen door te zeggen: "Hij is". Wanneer hij begrepen is door te denken "Hij is", openbaart zich zijn ware wezen.

Sjwetasjwatara oepanisjad
1.12 Dat eeuwige moet men in de geest aanwezig weten; waarlijk, hoger dan dit te kennen, is er niet.
1.15 De Atman wordt in zichzelf gevonden door wie hem zoekt in ware zelfbeheersing.
1.16 De Atman is geworteld in zelfkennis en zelfbeheersing.
3.9 De Geest (Brahman) vult de gehele wereld.
3.19 Hij wordt de eerstgeboren Geest genoemd.
3.20 Als kleinste van het kleinste, grootste van het grootste, woont Hij zelf in het hart van ieder schepsel.
6.13 Wie dit oerwezen (Atman) door onderzoek en toewijding erkent als God (Brahman), wordt vrij van alle banden.
6.19 Het is de hoogste brug tot de onsterfelijkheid.

Bhagavad gita
6:30 Hij, die Mij ziet in alles en alles ziet in Mij, hem zal Ik nooit verliezen en hij zal Mij nooit verliezen.
7:6 Ik ben de bron, waaruit het gehele heelal tevoorschijn komt en tevens de plaats, waarin het verzinkt.
7:18 De wijze, één geworden met het Zelf, is gegrondvest in Mij, het hoogste pad.
9:4 Alle schepselen zijn geworteld in Mij, Ik niet in hen.
9:17 Ik ben de Vader van het Al, de Moeder, de Instandhouder, de heilige syllabe OM.
9:29 Voor alle schepselen ben Ik dezelfde, voor niemand koester Ik voorliefde, noch afkeer. Maar zij, die Mij aanbidden, zij zijn in Mij en Ik in hen.
9:34 Ik ben uw hoogste doel.
10:20 Ik ben het Zelf, tronend in het hart van alle schepselen; Ik ben het begin, het midden en ook het einde van alle wezens.
10:32 Van de scheppingen ben Ik het begin en het einde, en ook het midden. Van de wetenschappen ben Ik de wetenschap van het Zelf.
10:39 Ik ben het zaad van al wat leeft.
10:42 Dit hele universum doordrongen hebbend met een uiterst klein deel van Mijzelf, blijf Ik die Ik ben.
13:16 Ongedeeld in de schepselen en toch in elk afzonderlijk gezeten.
14:3 Het grote Brahman is de moederschoot, waarin Ik de kiem des levens breng.
14:4 Het grote Brahman is de moederschoot en Ik de Vader, die hen verwekt.
15:7 Een eeuwig deeltje van Mij Zelf, in de wereld der levenden omgevormd in een levende geest.

terug naar de Inhoud

7. 'Zo boven, zo beneden' en de pythagoreeërs
De pythagoreeërs is de groep van leerlingen van Pythagoras, die een school vormden met de leringen en gedragsregels van Pythagoras als uitgangspunt; zo waren man en vrouw bij hen gelijkwaardig en aten zij vegetarisch. Deze school heeft een aantal eeuwen in Zuid-Italië bestaan.
Zij streefden ernaar in de buurt van een vulkaan te wonen, want zij zagen een vulkaan als een beeld van de menselijke geest. Het vuur dat uit de donkere diepte van de aarde door de berg naar buiten kwam, vergeleken zij met de werkzaamheid van de menselijke geest. Die is onzichtbaar werkzaam in het verborgene van het stoffelijke lichaam, maar wordt naar buiten toe kenbaar in de vorm van uitspraken en handelingen. Een voorbeeld van 'zo boven (de geest), zo beneden (de aarde)'.

Met dat voorbeeld kwam de betekenis van de 'lotus' overeen in de Indiase literatuur. De plant zelf leeft in de koele, duistere wereld van een modderige vijverbodem, maar van daaruit strekt de plant zijn prachtige, witte bloemen uit in het warme zonlicht boven het wateroppervlak: het beeld van de mens die zich vanuit zijn geestelijke duisternis opwerkt naar het licht.
Zie ook het gedicht 'De Waterlelie' van Frederik van Eeden op de pagina Gedichten in het menu.

Op IJsland zagen de Noordse landverhuizers warme springbronnen, die met enige regelmaat werkzaam werden en dan als een fontein spoten, en daarna weer tot rust kwamen. Deze springbronnen noemden zij 'geysir', een woord dat etymologisch samenhangt met de Germaanse woordstam 'ghei-', met de betekenis: 'werkzaam zijn', 'in beweging zetten', en van daaruit met 'geest'. Zij herkenden in die springbronnen geestelijke eigenschappen: innerlijke, geestelijke werkzaamheid die zich met enige regelmaat uit in spreken en handelen, en daarna weer tot rust komt.

terug naar de Inhoud

8. De overeenkomst met Plato's Ideeënleer
Plato (Grieks 'platoon': de 'brede', de filosoof met brede schouders) zet in Timaios zijn 'Ideeënleer' uiteen. Het woord 'idee' komt van het Griekse 'idea', dat 'gestalte' of 'aanblik' betekent. Plato gebruikt ook wel het woord 'eidos': 'vorm'. Hij had het zelf daarom over een 'vormenleer'.
Plato's vormenleer zegt, dat in de geestelijke wereld de oerbeelden bestaan als voorbeelden, waarnaar in de stoffelijke wereld alle daar aanwezige vormen zijn gevormd. Ook menselijke eigenschappen bestaan als Ideeën in de vorm van grondbegrippen; het hoogste Idee of grondbegrip is het Goede.
Latere platonisten noemen het Idee van het Goede: God. Doordat zij ervan uitgaan dat de oerbeelden als denkbeelden of gedachten in de goddelijke geest (de algeest) bestaan doordat zij door God zijn gedacht, kreeg het Griekse woord 'idea' later ook nog de betekenis 'denkbeeld', 'gedachte'.

vormbaar zelfvormend
licht waarnemen denken
warmte voelen willen
Hoe de geest zich in de stof uitdrukt.
1. Aan mij werd getoond dat de menselijke geest een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte is, die beide in een vormbare en zelfvormende toestand kunnen verkeren. Met die eigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen: waarnemen, denken, voelen en willen. Waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte, willen zelfvormende warmte.
2. Als de vermogens binnen de bolvormige wolk werkzaam worden, stralen zij een licht om de geest uit, waarin de voortbrengselen van de vermogens (kennis, gedachten, gevoelens en wilsbesluiten) worden bewaard (het geestelijke geheugen). Deze uitstraling om de geest heen is de ziel (van Gotisch 'salida': woonruimte, zaal; m.a.w. de geest woont in zijn eigen uitstraling, de ziel).
3. Deze uitstraling is in de loop van de miljoenen jaren durende ontwikkeling gevormd naar de éigenschappen van de vermogens (zie het boek Geestkunde, hoofdstuk 4), de 'geestgedaante', de menselijke gestalte. Deze geestgedaante is het geestelijke oerbeeld, het 'idee', waarnaar in de stoffelijke wereld het menselijke lichaam is gevormd.
4. Nadat ik als geestvonk in de vorm van een bolvormige wolk door verdichting uit de algeest was gevormd, werd ik als geest door een innige liefde vanuit de algeest doorstroomd (zie Geestkunde, hoofdstuk 2). Door die doordringing met liefde kwam ik, de geest als de bolvormige wolk, tot leven. Op dat ogenblik zag ik niet alleen Plato's Idee als vorm van de geest, de bolvormige wolk, maar ervoer ik ook Gods liefde als Plato's 'grondbegrip' van het Goede.
De liefde die je op aarde kunt ervaren, is een flauwe afspiegeling van Gods liefde in de geestelijke wereld.
5. Mijn eigen geestelijke ervaringen, die ik in geestkunde heb uitgewerkt,
- zijn een bevestiging van de Ideeënleer van Plato (Athene, 427-347 v.Chr.)
- en van de uitspraak van Hermes Trismegistos (Alexandrië, 2e-3e eeuw n.Chr.):
'Zo boven, zo beneden'.

terug naar de Inhoud

9. Teksten overeenkomend met 'Zo boven, zo beneden' in de Westerse esoterische literatuur

En God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, [...]
En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. Genesis 1:26-27

De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk van zijn handen; ... Psalm 19:2

Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen van de Allerhoogste. Psalm 82:6
(Het Hebreeuwse 'ben' betekent niet alleen 'zoon', maar ook 'hij of zij, die iemand toebehoort')

Uit de grootheid en de schoonheid van de schepselen wordt men door vergelijking hun Schepper gewaar. Wijsheid 13:5

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Dit was in den beginne bij God.
Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. Johannes 1:1-3
(Het Griekse woord 'logos' heeft de betekenis: 'denken', 'redeneren', 'gedachte', 'besluiten', 'woord', 'uitspraak'. Het betekent in feite: geestelijke werkzaamheid. De vertaling van 'logos' met alleen 'woord' doet ernstig afbreuk aan de oorspronkelijke betekenis ervan.)

Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sinds de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, ... Romeinen 1:20

H.P. Blavatsky - Geheime Leer Deel I Samenvatting (p. 301):
(6.) Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens - de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos - is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken.

De leer der overeenstemmingen

"Immers, in de geschapen, zichtbare dingen openbaart God de onzichtbare geestelijke dingen."
(Dit hoort Hildegard tegen zich zeggen door de Hemelse Stem, die uitleg geeft bij de visioenen die haar worden getoond.)
H. Boelaars OSB, Scivias van Hildegardis van Bingen, Boek 1, blz. 18

Er is een voortdurende overeenstemming tussen de dingen van het gemoed en het lichaam.
E. Swedenborg, Ware Christelijke Godsdienst, blz. 66
Er is overeenstemming tussen de dingen, die in de geestelijke wereld zijn en de dingen, die in de natuurlijke wereld zijn.
E. Swedenborg, Ware Christelijke Godsdienst, blz. 123
God is de liefde zelf en de wijsheid zelf en de aandoeningen van zijn wijsheid zijn oneindig en de gewaarwordingen van zijn wijsheid zijn oneindig, en daarvan zijn alle dingen in het heelal overeenstemmingen. De natuurlijke dingen zijn geschapen om de geestelijke dingen te bekleden.
E. Swedenborg, Ware Christelijke Godsdienst, blz. 131
Daar er bij de mens een overeenstemming is tussen de dingen, die op een natuurlijke en op een geestelijke wijze geschieden, ...
E. Swedenborg, Ware Christelijke Godsdienst, blz. 790

De geestelijke aandoening echter van het nut is inwendig en tevens uitwendig; en voor zoveel als zij uitwendig of natuurlijk is, is zij ook geestelijk, want het geestelijke vloeit in het natuurlijke en schikt dat tot overeenstemming, aldus tot zijn evenbeeld.
E. Swedenborg, Over de goddelijke liefde en de goddelijke wijsheid, blz. 30
Tot de overeenstemming van deze dingen zijn alle dingen geschapen die in de natuurlijke wereld verschijnen, waar derhalve eendere dingen ontstaan, met dit verschil dat deze dingen eender vanuit geestelijke oorsprong zijn, maar tevens vanuit natuurlijke oorsprong; de natuurlijke oorsprong is toegevoegd, opdat zij tevens stoffelijk zijn en vandaar vast, terwille van het einddoel, zijnde de voortschepping van het menselijke geslacht, hetgeen niet kan geschieden dan in de laatsten waar het volle is; en opdat vanuit het menselijke geslacht als een kweekplaats de bewoners der geestelijke wereld, zijnde de engelen, tot ontstaan komen: dit is het eerste en laatste einddoel der schepping.
E. Swedenborg, Over de goddelijke liefde en de goddelijke wijsheid, blz. 111

'Het is in de natuurlijke wereld een allerdiepste verborgenheid, terwijl niets in het andere leven meer bekend is aan iedere geest, dat alle dingen die in het menselijk lichaam zijn, een overeenstemming hebben met de dingen die in de hemel zijn.' Hemelse Verborgenheden 2996

Hemelse Verborgenheden 2996
Het is in deze wereld een allerdiepste verborgenheid, terwijl niets in het andere leven meer bekend is aan iedere geest, dat alle dingen die in het menselijk lichaam zijn, een overeenstemming hebben met de dingen die in de hemel zijn. Zelfs dermate dat er zelfs niet de kleinste bijzonderheid in het lichaam is, waarmee niet iets geestelijks en hemels overeenstemt, of, wat hetzelfde is, waarmee hemelse gezelschappen niet overeenstemmen. Want deze zijn overeenkomstig alle geslachten en soorten van hemelse en geestelijke dingen, en wel in zo'n orde, dat ze tezamen één mens vormen, en dit ten aanzien van alle dingen in het algemeen en in het bijzonder, zowel de innerlijke als de uiterlijke. Dit is de reden dat de gezamenlijke hemel ook de Grootste Mens wordt genoemd, en dit is de reden dat zo vaak gezegd wordt, dat het ene gezelschap behoort tot de ene streek van het lichaam en het andere gezelschap tot een ander gebied. De oorzaak hiervan is deze, dat de Heer de enige Mens is, en de hemel Hem uitbeeldt, en dat het goddelijk goede en ware dat van Hem komt datgene is wat de hemel maakt. Van de engelen die daarin zijn wordt dan ook gezegd dat zij in de Heer zijn. Zij die echter in de hel zijn, bevinden zich buiten deze Grootste Mens en stemmen overeen met vuiligheid en verder ook met ziekten en gebreken.

Hemelse Verborgenheden 2998
Dat er dergelijke overeenstemmingen zijn is mij door vele jaren heen zo vertrouwd geworden, dat nauwelijks iets meer vertrouwd kan zijn, ofschoon dit feit van dien aard is dat de mens niet weet dat het bestaat en niet gelooft dat hij enige verbinding met de geestelijke wereld heeft, terwijl toch alle verbinding juist uit deze overeenstemmingen voortkomt. Noch hijzelf, noch enig deel in hem zou zelfs niet een ogenblik kunnen bestaan zonder deze verbinding; zijn gehele bestaan komt er uit voort. Het is mij ook te weten gegeven welke gezelschappen van engelen tot welke streek in het lichaam behoren, en ook van welke aard zij zijn. Bijvoorbeeld welke gezelschappen en van welke aard behoren tot de streek van het hart; welke gezelschappen en van welke aard tot de streek van de longen, verder ook welke tot de streek van de lever behoren en welke tot de zintuigen, zoals tot het oog, tot de oren, tot de tong en tot de overige. Hierover zal door de goddelijke barmhartigheid van de Heer als een apart onderwerp worden gehandeld.

Hemelse Verborgenheden 3021
... Want alle delen van het menselijk lichaam stemmen overeen met geestelijke en hemelse dingen in de Grootste Mens, die de hemel is. Zoals de dijen en de lendenen overeenstemmen met de echtelijke liefde. Deze dingen waren de Oudsten bekend en daarom hadden ze veel gebruiken die hierop berustten, onder meer ook dit, dat ze de hand onder de dij legden wanneer ze tot iets goeds van de echtelijke liefde verplicht werden. De kennis van dergelijke dingen, die bij de Oudsten in de hoogste achting stond, en tot de voornaamste dingen van hun wetenschap en inzicht behoorden, is heden ten dage volledig verloren geraakt, en wel dermate, dat men zelfs niet eens meer weet dat er een overeenstemming bestaat. Vandaar zal het wellicht verwondering wekken dat dergelijk dingen door dit gebruik worden aangeduid ...
... Dat de dij de echtelijke liefde betekent, is zoals gezegd vanwege de overeenstemming, en kan ook uit andere plaatsen uit het Woord blijken, zoals uit de voorgeschreven procedure, wanneer een vrouw door haar man van echtbreuk beschuldigd werd, bij Mozes: 'De priester zal de vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot de vrouw zeggen: Jehovah zette u tot een vloek en tot een eed in het midden van het volk, wanneer Jehovah uw dij laat vervallen en uw buik laat zwellen. Als hij haar het water te drinken gegeven zal hebben, en het zal geschieden, indien zij bevlekt geworden is, en tegen haar man door overtreding overtreden heeft, en de wateren die vervloekt zijn, zullen in haar komen tot bitterheid, en haar buik zal zwellen en haar dij vervallen en de vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn', (Numeri 5:21-27). Dat de dij vervallen zal, betekent het boze van de echtelijke liefde of de echtbreuk. De overige bijzonderheden die in deze procedure vermeld worden, betekenden elk afzonderlijk bepaalde dingen, zodat er niet het minste is dat niet iets insluit, hoezeer de mens ook, die zonder enige voorstelling van het heilige, het Woord leest, verwonderd zal zijn, waarom er dergelijke dingen in voorkomen ...

In zijn eeuwige orde heeft God gewild, dat de geesten die in de aarde in het gericht gevangen zijn, zich uit het kneedbare leem van de hen gevangen houdende aarde een lichaam zouden vormen in overeenstemming met hun geestelijke vorm.
Jakob Lorber, Grote Johannes Evangelie 1, blz. 349

De aardse vormen zijn vaten ter opname van het leven uit God en zij zijn er, reeds te beginnen met het gesteente, door alle rijken der mineralen naar het plantenrijk, door het gehele plantenrijk weer naar het dierenrijk en door dat rijk naar de mens.
Iedere vorm komt overeen met een zekere intelligentie (geestesgesteldheid). Hoe eenvoudiger de vorm is, des te eenvoudiger is ook de daarin aanwezige intelligentie; hoe ontwikkelder en complexer de vorm is, des te meer intelligentie zul je daarin ook vinden.
Jakob Lorber, Grote Johannes Evangelie 6, blz. 110

Er gebeurt op aarde eigenlijk niets op natuurlijke wijze helemaal op zichzelf, maar altijd in volle verbinding met het geestelijke, terwille van een geestelijk doel; want overal staat het geestelijke voortdurend nauw in verbinding met het stoffelijke en beide werken steeds op elkaar in...
Jakob Lorber, Grote Johannes Evangelie 6, blz. 157

terug naar de Inhoud


'Eenheid in veelheid'
Thea Teusink-Hettelingh,
Keramiek Atelier 'De Woeste Enk'
10. 'Zo boven, zo beneden'
in de vorm van een kunstwerk

Spiritueel kunstenares Thea Teusink maakte naar aanleiding van de lezing over het onderwerp 'Zo boven, zo beneden' van Hermes Trismegistos - in de vorm van een schaal - het toepasselijke kunstwerk hiernaast: 'Eenheid in veelheid'.

Linksboven begint de Ene als de Eenheid zich te vermenigvuldigen en wordt zo de bron van de veelheid rechtsonder. Toch zijn ook daar de eigenschappen van de bron herkenbaar: een kunstzinnige weergave van de spreuk 'Zo boven, zo beneden'.

De vanuit één punt uitwaaierende vorm is een treffende uitbeelding van het gedachtengoed van Hermes Trismegistos: de schepselen stemmen met de Schepper ervan overeen en blijven ermee verbonden.

naar de Inhoud

11. Einsteins speciale relativiteitstheorie: E= mc²
Volgens de speciale relativiteitstheorie (1905) van Albert Einstein zijn energie en massa verschillende uitdrukkingen van één en dezelfde oorzaak ('relativiteit' is 'betrekkelijkheid': de wijze waarop twee zaken op elkaar zijn betrokken). Het innige verband dat Einstein ontdekte tussen energie en massa, werd door hem uitgedrukt in de formule E=mc². De energie wordt aangeduid door E, de massa door m en c² is het kwadraat van de lichtsnelheid. De formule is getest en de waarde ervan is bewezen.

Energie en massa - en daarmee licht en materie - zijn gelijkwaardig. Licht blijkt een energietoestand te zijn die trilt in een bepaalde frequentie en in een bepaalde vorm. Deze vorm is het foton als een 'energiepakketje'. Fotonen kunnen worden ingekapseld en worden zo omgevormd in de vorm van waarneembare deeltjes met massa, die zich gedragen als materie. Zo wordt het begrijpelijk dat uit licht een stoffelijke schepping kan worden gevormd. Vanuit de geest gezien is materie een verdichte vorm van licht.

Met andere woorden, Albert Einstein schreef een formule: E=mc² (zo energie, zo materie, maar in een andere vorm) die een natuurkundige weergave is van de aloude uitspraak van Hermes Trismegistos: 'Zo boven, zo beneden'.

'Zo boven, zo beneden'  →  E = mc²  →  straling ~ stof  →  hemel ~ aarde

Dit is de eerste foto ooit die laat zien dat energie in massa kan worden omgezet.
Een foton, een lichtkwantum, dat een bepaalde hoeveelheid energie vertegenwoordigt, wordt hier omgezet in massa, in twee stoffelijke deeltjes materie. Door de annihilatie (vernietiging) door botsing van het licht'deeltje' dat onzichtbaar van beneden komt, worden twee massadeeltjes gevormd, die door de invloed van een magnetisch veld uit elkaar worden getrokken (de gele pijlen). Hun baan wordt zichtbaar door de condensatie van waterdamp in een nevelkamer of bellenvat.
De foto werd gemaakt door Irène en Frédéric Joliot-Curie in 1933 in Parijs.
Bij kernfusie (zoals op de zon) gebeurt het tegenovergestelde: daarbij wordt massa omgezet in energie, in de vorm van licht en warmte.

terug naar de Inhoud

12. De Schrödingervergelijking
Het is mij vergund geweest waar te mogen nemen, dat de menselijke geest door verdichting uit de goddelijke algeest voortkwam als een bolvormige wolk van geestelijk licht; later werd die wolk doorstroomd met geestelijke warmte - Gods liefde - waardoor ik, de menselijke geest, tot leven kwam als een bolvormige wolk van licht en warmte.
Zo zag de geest er uit in de ongevormde oertoestand. Later werd mij getoond dat de geest een ontwikkeling had doorgemaakt en dat de uitstraling van de geest - de ziel - daardoor de menselijke gestalte had verkregen: de geestgedaante. Volgens de esoterische literatuur heeft deze geestgedaante vele omvormingen achter de rug, die samenhangen met de levensvormen zoals die nu in het mineralen-, planten- en dierenrijk op aarde zijn te zien, doordat de menselijke geest al deze trappen van ontwikkeling heeft doorlopen.

In overeenstemming met de eenvoudigste vorm van de menselijke geest, de bolvorm, is ook de eerst mogelijke orbitaal van een elektron rondom een atoomkern - de s1 orbitaal - bolvormig.
(Orbitalen zijn de bijzondere vormen die de 'baan' van een elektron in een atoom kan aannemen. In het atoommodel van Bohr bevond een elektron zich in een baan in een 'schil' rondom de kern. In de kwantummechanica wordt de plaats van een elektron in een atoom echter juister beschreven door de golffunctie ψ van een elektron. Deze golffunctie, die ook de 'orbitaal' wordt genoemd, geeft de kansverdeling weer om het elektron op een bepaalde plaats rondom de kern aan te treffen. De orbitaal wordt gevormd door de plaatsen die samen een kans van 90% geven om het elektron er aan te treffen.)

Na de eerste bolvormige orbitaal hebben de orbitalen van de volgende elektronen in de reeks van elementen die voorkomen in het Periodiek Systeem, weer andere vormen (als het ware de 'geestgedaante' van het atoom). Deze vormen bepalen de eigenschappen van de elementen.

De Oostenrijkse natuurkundige Schrödinger stelde de wiskundige formule op waarmee deze orbitalen (de golffuncties) van de elektronen rondom de kern, kunnen worden berekend.
De Schrödingervergelijking, de basisvergelijking van de kwantummechanica, heeft als eerste uitkomst een bolvormige wolk van licht en warmte. Dat betekent dat de menselijke geest het voorbeeld is waarnaar de stof is gevormd!
Ook hier geldt het 'Zo boven, zo beneden': de s1 orbitaal is gevormd in overeenstemming met de oervorm van de menselijke geest: de bolvorm.
Zie voor dit natuurkundige onderwerp ook het boek van Giancoli in het Literatuuroverzicht.

terug naar de Inhoud

13. De geesteshand en neuronale plasticiteit
Als de menselijke geest als de bol van licht en warmte binnen zichzelf werkzaam wordt met zijn geestelijke vermogens (het waarnemen, denken, voelen en willen), straalt de geest een vormbare lichtuitstraling om zich heen uit: de ziel. In die uitstraling bewaart de geest de voortbrengselen van zijn werkzaamheid: kennis, gedachten, gevoelens en wilsbesluiten, door ze met de geesteshand daarin af te drukken. Dit is het blijvende, geestelijke deel van het geheugen; het tijdelijke, stoffelijke deel bevindt zich in bepaalde velden van de hersenschors (o.a. de hippocampus) in de vorm van neuronale netwerken.
Als de geest zich iets wil 'her-inneren', het zich weer 'te binnen wil brengen', dan strekt de geest de geesteshand uit naar die plaats in de ziel, waar de geest die geheugeninhoud heeft bewaard. Met de geesteshand verbindt de geest zich met die inhoud, haalt de inhoud uit het geheugen op, put uit zijn geheugen en plaatst die weer vóór en daarna ín zichzelf, zodat die inhoud wordt her-innerd, waardoor de geheugeninhoud een 'herinnering' wordt.

De geesteshand is een stroming van geestkracht die van de geest uitgaat. Het zijn uitstulpingen van zichzelf die overal om de geest heen kunnen worden gevormd en die ook weer in zichzelf worden teruggetrokken.

Deze geestelijke eigenschap komt in de stof tot uitdrukking door het verschijnsel dat neuronale plasticiteit wordt genoemd. Deze eigenschap van de hersencellen, de neuronen, houdt in, dat er nieuwe uitlopers vanuit de cel (dendrieten) kunnen worden gevormd wanneer de omstandigheden dat nodig maken. Dit treedt bijvoorbeeld op bij leerprocessen. Door iets nieuws te leren, ontstaan er nieuwe netwerken van hersencellen, doordat zij nieuwe uitlopers vormen die contact maken met andere cellen binnen het netwerk (het gaat om duizenden uitlopers).
Het contact vindt plaats d.m.v. zogenaamde 'synapsen'; tussen de uitloper en de tweede cel blijft een nauwe spleet open, waardoor heen de uitloper 'boodschappermoleculen' (neurotransmitters) naar de celwand van de tweede cel stuurt, die ze op zogenaamde 'receptoren' ontvangt. Op deze wijze worden gegevens van de ene op de andere hersencel overgebracht.
Als deze uitlopers enige tijd niet meer worden gebruikt, worden ze ook weer afgebroken.

De geestelijke werkzaamheid van de geest door uitstulpingen te vormen als die bijvoorbeeld iets nieuws leert en daarbij het geheugen gebruikt, komt tot uitdrukking in een werkzaamheid van hersencellen, doordat die door middel van het vormen van uitlopers nieuwe netwerken vormen. In de geest en zijn ziel is dit een levendig gebeuren, in de hersencel gaat dit gebeuren door de traagheid van de stof veel langzamer.

Ook in de hersenen als het orgaan van de geest (het woord 'orgaan' betekent 'werktuig'), komt 'zo boven' tot uitdrukking in 'zo beneden' door de neuronale plasticiteit van de hersencellen. De hersencel is een stoffelijke weergave van de geest in het klein, noodzakelijk om de geest de gelegenheid te geven zich met de hersenen te verbinden.

Klik hier om een artikel van Rick Hanson over het verband tussen meditatie en neuroplasticiteit uit het Tijdschrift voor Parapsychologie en Bewustzijnsonderzoek te lezen.
Niet alleen heeft de menselijke geest zélf invloed op de groei van de eigen hersenen zoals in het vorige artikel beschreven, ook van buitenaf door toedoen van een medemens kunnen delen van de hersenen groeien, getuige dit artikel in Scientias over de invloed van moederliefde op de ontwikkeling van de hersenen van een kind.

Het verschijnsel van de geesteshand bij de geest - een bolvormige wolk van licht en warmte met een uitstulping - doet zich ook voor bij bacteriën, amoeben en witte bloedlichaampjes.
Amoeben (van Grieks 'amoibe', zonder vaste vorm, maar steeds veranderend) zijn eencelligen die zich voeden met o.a. bacteriën. Zij bewegen zich voort en voeden zich met behulp van schijnvoetjes (pseudopodia). Dit zijn uitstulpsels die voortdurend worden uitgestoken en weer worden ingetrokken. Met zo'n uitstulpsel wordt een bacterie omhuld en zo ingesloten, waarna die wordt verteerd. Iets dergelijks doet zich ook voor bij bacteriën.
Onderzoek aan cellen in het algemeen heeft aangetoond, dat iedere cel in staat is van dit soort uitsteeksels te vormen, cytonemen genoemd; daar doorheen geeft de cel boodschapperstoffen door naar andere cellen, die zich wel tot 100 cellen verderop kunnen bevinden. Zij maken daarbij duidelijk de indruk nauwkeurig te weten bij welke andere cel ze moeten zijn. Aan het uiteinde van de buisjes vormen ze synapsen zoals bij neuronen. Klik hier voor een verslag van het onderzoek.

terug naar de Inhoud

14. De geestgedaante en de zenuwcel (het neuron)
Als de menselijke geest binnen zichzelf als de bolvormige wolk van licht en warmte werkzaam wordt met zijn geestelijke vermogens - het waarnemen, denken, voelen en willen - dan straalt de geest om zich heen de ziel uit. Ieder van de vermogens heeft een eigen aandeel daarin, waardoor er zeven uitstralingen zijn, die met elkaar samenhangen. In die uitstralingen worden de voorbrengselen van de geestelijke werkzaamheid bewaard: in de uitstraling van het waarnemen ervaringen en kennis, in die van het denken gedachten, in die van het voelen persoonlijke ervaringen met een gevoelslading en in die van het willen de beelden van wilsbesluiten.
In de loop van de miljoenen jaren durende ontwikkeling die de menselijke geest heeft meegemaakt, hebben ook de eigenschappen van de vermogens op de ziel als uitstraling van de geest ingewerkt en er vorm aan gegeven.
Het waarnemen is het opnemende vermogen, wat tot uitdrukking is gekomen in de vorm van het hoofd, waar niet alleen veel zintuiglijke gewaarwordingen worden opgenomen, maar ook voedsel, vocht en lucht. Het denken is tot uitdrukking gekomen in de organen van de buikholte, onder het middenrif. Al die organen hebben een ontledende en weer samenvoegende werking, zoals de darmen, de lever en de nieren, wat overeenkomt met de ontledende denkwerkzaamheid (van het verstand) en weer samenvoegende werkzaamheid (van de rede). Het voelen is tot uitdrukking gekomen in het hart en de bloedsomloop (die nauw samenhangt met de longen) in de borstkas. Het hart en de bloedsomloop verzorgen met toewijding alle cellen van het lichaam, wat een eigenschap is van het voelen. Het willen tenslotte als het vermogen waardoor de geest kan ondernemen, is tot uiting gekomen in de ledematen, waardoor de geest vorm kan geven aan de redelijke en zedelijke wilsbesluiten door handelingen en uitspraken.
Ook deze verhouding is een uitdrukking van 'Zo boven, zo beneden'.

De zenuwcel is vergeleken met andere lichaamscellen een heel bijzondere vanwege zijn bouw en de elektrobiochemische verschijnselen die zich in en om het membraan van de cel afspelen bij de prikkelgeleiding. De cel is opgebouwd uit een cellichaam met aan de ene kant de vele dendrieten, die prikkels naar de cel toevoeren en aan de andere kant het ene axon (of neuriet) dat prikkels doorzendt naar bijvoorbeeld de spieren, een orgaan of een hormoonklier.
De dendrieten zijn de kant van de zenuwcel waar prikkels worden opgenomen, wat met het waarnemen overeenkomt. Op het membraan van het cellichaam worden vervolgens alle binnenkomende prikkels opgeteld of afgetrokken. Er komen namelijk bevorderende en remmende prikkels binnen en de zenuwcel werkt als een rekenmachine. Het cellichaam verwerkt alle prikkels, wat met de werkzaamheid van het denken en voelen overeenkomt. Als aan het begin van het axon een bepaalde drempelwaarde is bereikt, zendt de cel tenslotte over het axon een prikkel naar een doelorgaan, dat in werking wordt gezet of wordt geremd. Dit komt met het willen overeen.


Een werkzame zenuwcel die prikkels doorgeeft, vertoont in en op het membraan een elektrobiochemische toestandsverandering, een zogenaamde 'actiepotentiaal'. Daarbij stromen natriumionen door natriumionkanaaltjes naar binnen en kaliumionen door kaliumionkanaaltjes naar buiten, waardoor een zogenaamde 'depolarisatie' van het membraan optreedt. Enige milliseconden later worden de natriumionen weer naar buiten gepompt door een enzym (een biochemisch actief eiwit) en de kaliumionen weer naar binnen, waardoor de oorspronkelijk bestaande 'rustpotentiaal' weer wordt hersteld.
De natriumionkanaaltjes beschikken over een sensor, die gevoelig is voor veranderingen van de natriumionconcentratie in de omgeving. Daardoor geven de natriumionkanaaltjes een eenmaal opgewekte toestandverandering aan elkaar door. De prikkel begint in de dendrieten en wordt doorgegeven naar het cellichaam, en van daar naar het einde van het axon. Uiteindelijk komen de meeste prikkels aan in het centrale zenuwstelsel, in het bijzonder in de hersenschors; daar kan, door de ziel heen, de geest zich er bewust van worden.
Tijdens de depolarisatie stromen er elektrische ladingen (van de natrium- en kaliumionen) door de kanaaltjes. Dit is de plaats waar in de cel een elektrische stroom optreedt. Deze stroom van elektrische ladingen is de oorzaak van een magneetveld dat om de zenuwcel heen naar buiten toe uitstraalt. De werkzame zenuwcel heeft dezelfde kenmerken als de werkzame menselijke geest die om zich heen de ziel uitstraalt, waarin de kenmerken van de vermogens tot uitdrukking zijn gekomen.
Ook hier verschijnt een 'Zo boven, zo beneden' bij de werkzame geest en de zenuwcel. De zenuwcel met zijn magneetveldje is een stoffelijke weergave van de menselijke geest die de geestgedaante uitstraalt. Door middel van hun beider uitstralingen, die zich met elkaar kunnen vermengen en met elkaar kunnen meetrillen, is de wisselwerking tussen geest en stof mogelijk.
Zie hiervoor ook het onderwerp: De wisselwerking tussen geest en hersenen in het menu.


terug naar Zinnebeeld algeestvonk

terug naar de Inhoud


15. De godservaring en de kwantumveldentheorie

De veldentheorie
Tot de klassieke natuurkunde behoort de veldentheorie.
Het natuurkundige begrip 'veld' beschrijft een toestand waarin voorwerpen in een ruimte een kracht ondervinden, doordat er in die ruimte een kracht werkzaam is; daardoor is er sprake van een 'krachtveld'. Iedere natuurkundige kracht wordt in de veldentheorie beschreven door het erbij behorende veld: zo is er een zwaartekrachtsveld, een elektrisch en een magnetisch veld (het woord 'veld' is in feite misleidend, want het gaat om een ruimte).
Een krachtveld wordt veroorzaakt door een 'krachtbron' (bijv. een radiozender). Het daaruit voortkomende krachtveld kan een golfgedrag vertonen (straling, radiogolven) en plant zich door de ruimte voort langs bepaalde krachtlijnen, die van de krachtbron uitgaan. Met het begrip 'veld' wordt beschreven, hoe een krachtbron op een voorwerp in zijn omgeving inwerkt.
Een veld bevat een 'veldenergie', waardoor het energie kan overbrengen (bijv. van een radiozender naar een -ontvanger). De krachtbron kan middels het uitgestraalde veld in een ontvanger een werking uitoefenen.
Het elektrische en magnetische veld hebben de bijzondere eigenschap dat zij op elkaar kunnen inwerken (het elektromagnetische veld). Door die wederzijdse inwerking wekken zij elkaar afwisselend op en daardoor planten zij zich zelfstandig door de ruimte voort in de vorm van elektromagnetische straling: licht.

De kwantumveldentheorie
Nadat in de moderne natuurkunde de kwantummechanica (de de leer van 'deeltjesbeweging') tot ontwikkeling was gekomen, ontstond er ook een kwantumveldentheorie (de veldentheorie van een 'kwantum': een 'hoeveelheidje' of 'deeltje'); alle bekende deeltjes ontstaan vanuit de 'aangeslagen toestand' van hun veld (elektronen uit een elektronenveld, fotonen uit een elektromagnetisch veld, enz.).
In de bewoordingen van de kwantumtheorie verkeren al deze deeltjesvelden - velden waaruit deeltjes voortkomen - in een bepaalde 'energietoestand'; de laagste is de grondtoestand. Deze grondtoestand (a) kan door allerlei oorzaken 'worden aangeslagen' (worden geëxiteerd). Daardoor ontstaan ‘trillingstoestanden’ in het veld, die met een ‘energiepakketje’ (b, c) overeenkomen, dat zich aan de onderzoeker voordoet in de vorm van een ‘deeltje’ (d).

a golf in veld, b,c golfpakketje, d deeltje
de golf-deeltje dualiteit
deze veldtoestanden vormen een evenwicht
Het natuurkundige verschijnsel dat een deeltje wordt genoemd, is de aangeslagen toestand van zijn veld: het deeltje komt uit het veld voort! Velden zijn daardoor de grondslag van de deeltjes... en daardoor ook van de stoffelijke wereld.
Hiermee hangt ook de 'golf-deeltjedualiteit' (z.a.) van licht samen. Licht is als veld een elektromagnetische straling en als deeltje een foton... dat uit het veld voortkomt. Afhankelijk van de wijze van onderzoek doet licht zich de ene keer voor als straling (vastgesteld door Huygens) en de andere keer als deeltje (vastgesteld door Newton).

Het ontstaan van een deeltje kan als de plaatselijke verdichting (de term is: 'condensatie') van een veld worden beschreven. Dat komt volkomen overeen met mijn godservaring. De kwantumveldentheorie beschrijft de wijze, waarop God door verdichting deeltjes laat ontstaan en daarmee deze stoffelijke schepping schept.

De godservaring
Mijn godservaring is het eenvoudigst als volgt onder woorden te brengen: "Gods algeestvonk ben ik." De volgorde van die woorden is van belang. Want toentertijd, tijdens mijn gebed tot God, werd eerst aan mij getoond: God in de vorm van een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte - God als de algeest die zich onbegrensd uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.
Op dat moment waren er voor mij in de algeest nog geen vormen te onderscheiden.

Daarna werd aan mij in de algeest een lichtpunt getoond, waaromheen het goddelijke licht van de algeest zich verdichtte. Er ontstond een bolvormige wolk van geestelijk licht: een denkbeeld van zichzelf in het klein, dat de goddelijke algeest in het eigen licht vormde.
Daarna stroomde er uit de algeest geestelijke warmte naar die wolk van licht toe, die de wolk geheel doordrong en die samen met het licht in de wolk in een wervelende beweging kwam... waardoor die wolk van licht en warmte tot leven kwam.
God had met de liefde uit zichzelf als de algeest de gedachte die God eerst in zichzelf als de algeest had gevormd, tot leven gebracht.

Daarna drong tot mij, die in de geestelijke wereld deze gebeurtenis mocht aanschouwen, het besef door: ik ben getuige van de geboorte van mijzelf als een menselijke geest uit en in de goddelijke algeest; ik heb het ontstaan van mijzelf als de algeestvonk door Gods denken en innige liefde mogen zien en ervaren; ik ben een door liefde tot leven gebracht denkbeeld van God; en een grote vreugde maakte zich van mij meester.
De volgorde in het verloop van deze gebeurtenis wordt weergegeven door de meest wezenlijke zin voor iedere mens: "Gods algeestvonk ben ik." Want duidelijk werd mij getoond: wij als menselijke geest - de bewuste levenskracht die nú de betekenis van deze woorden tot zich door laat dringen - zijn door verdichting uit de goddelijke algeest voortgekomen.

Zo boven, zo beneden
Zoals beschreven zijn wij als menselijke geest door verdichting uit de goddelijke algeest voortgekomen en blijven wij er in wezen een eenheid mee vormen - waardoor wij ons uiteindelijk ook weer met God kunnen herenigen door onze goddelijke aanleg (de vier vermogens) tot ontwikkeling te brengen. Op dezelfde wijze kwamen later ook door verdichting de deeltjes uit hun - door God geschapen - velden tevoorschijn om daarmee deze stoffelijke wereld te vormen, die voor de menselijke geest een leerschool is voor geestelijke zelfstandigheid en hereniging met God.
De menselijke geest is a.h.w. een algeestdeeltje en op dezelfde wijze is een foton een elektromagnetisch velddeeltje en een elektron een elektronenvelddeeltje.
Ook hier is weer de aloude hermetische spreuk van toepassing: "Zo boven, zo beneden," alsook de Ideeënleer van Plato: de stoffelijke vorm is een uitdrukking van de geestelijke oervorm.


terug naar de Inhoud

16. Het hologram en geestkunde

Met behulp van laserlicht (monochromatisch licht, licht van één bepaalde golflengte) is de vorming van een ruimtelijk, driedimensionaal lichtbeeld of hologram mogelijk (Grieks 'holos': volledig en 'grafein': schrijven). Dit is op stoffelijke wijze een weergave van wat er in de ruimte van de menselijke geest gebeurt, wanneer die door te denken in zichzelf een lichtbeeld vormt in de vorm van een denkbeeld.

Het hologram
Bij het maken van een film op de gewone wijze, neemt de lichtgevoelige laag van de film alleen de lichtsterkte op van licht, dat er in elk punt van die laag valt. Wanneer de film of het negatief daarna wordt bekeken, blijkt dat het opgenomen licht een tweedimensionale afbeelding op de film heeft gevormd.
Bij het maken van een film op holografische wijze wordt de afbeelding echter alleen gevormd door interferentie van lichtstralen.

Bij het vormen van een hologram wordt wel eerst met laserlicht een gewone film gemaakt, maar daarbij wordt de laserbundel door een halfverzilverde spiegel in twee delen opgesplitst. Een deel ervan gaat rechtstreeks door naar de film, maar het andere deel wordt afgebogen en gaat naar het te fotograferen voorwerp. Vanaf dat voorwerp wordt het erop gevallen licht weerkaatst, ook naar de film. Licht vanuit elk punt op het voorwerp bereikt zo ook elk punt op de film.
De interferentie van die twee bundels maakt het mogelijk om in elk punt van de film zowel de lichtsterkte alsook de relatieve fase van het licht vast te leggen. Een voorwaarde daarbij is dat het invallende licht in alle punten 'in fase is' ('coherent' is: de golven vallen met elkaar samen), reden waarom er van een laser gebruik moet worden gemaakt.

Nadat de film is ontwikkeld, wordt die vanaf meerdere punten op één plaats geprojecteerd, waardoor er een driedimensionale lichtafbeelding van het voorwerp wordt gevormd: een hologram. De wijze waarop dit lichtbeeld door interferentie wordt gevormd, is vrij ingewikkeld. Het oorspronkelijke beeld is opgebouwd uit talloze punten, waardoor een hologram als de afbeelding ervan een complex interferentiepatroon is.
Een dergelijke lichtbeeld kan vanaf verschillende kanten worden bekeken, alsof het het originele voorwerp was. Het is echter alleen een kopie in de vorm van een ruimtelijk lichtbeeld, dat niet kan worden aangeraakt, de vinger steekt er doorheen.
Het is als een virtueel beeld een nauwkeurige weergave van het oorspronkelijke voorwerp, waar omheen kan worden gelopen en dat volkomen natuurgetrouw zichtbaar is.
(Samenvatting uit: D.C. Giancoli - Natuurkunde, Deel 2 Hoofdstuk 39.10 Holografie)

De geest en lichtbeelden
De menselijke geest doet zich in de geestelijke wereld voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen zich in twee, tegenovergestelde toestanden voordoen: in een doordringbare toestand waarin dat licht en die warmte van buiten af vormbaar zijn en in een toestand waarin dat licht en die warmte van binnenuit zelfvormend werkzaam zijn en van daaruit doordringend.
Met deze eigenschapen hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Door waar te nemen stelt de geest het licht in zichzelf vormbaar open voor indrukken, door te denken vormt de geest uit zichzelf het eigen licht om tot lichtbeelden, denkbeelden, door te voelen stelt de geest de innerlijke warmte vormbaar open voor de omgeving en door te willen vormt de geest de eigen warmte, de eigen geestkracht zelf om tot een toestand van wilskracht, waardoor de geest in beweging kan komen of zichzelf tot rust brengt.

Het waarnemen en denken hangen samen met de vorming van innerlijke lichtbeelden in de ruimte van de geest. Door waar te nemen stelt de geest het licht open voor indrukken van buiten, waardoor de buitenwereld in zichzelf wordt opgenomen. Beelden uit de buitenwereld worden daardoor als zintuiglijke indrukken in de geest opgenomen, doordat de geest zich ervoor openstelt. De buitenwereld wordt daardoor omgevormd tot een innerlijk, geestelijk lichtbeeld in de geest en dat betekent: zich bewustworden van de gebeurtenissen in de buitenwwereld, doordat de buitenwereld als een kopie van zichzelf in de geest wordt afgedrukt.
Door over het waargenomene na te denken, vormt de geest zelfstandig gedachten daarover in de vorm van zelfgevormde lichtbeelden, wat dan denkbeelden zijn. Het denken is een zelfstandige, geestelijke werkzaamheid, waarbij de geest het licht in zichzelf omvormt tot lichtbeelden. Bij dat denken wordt het ene lichtbeeld omgevormd in het andere; deze reeks van lichtbeelden kan onder woorden worden gebracht die in de buitenwereld kunnen worden uitgesproken.

Op deze wijze is datgene wat er in het geestelijke licht gebeurt door de werkzaamheid van de vermogens een voorafbeelding van de vorming van een hologram in de aardse sfeer: 'zo boven, zo beneden'.
De gegevens die de bron zijn van het hologram, bevinden zich op een andere plaats dan het hologram zelf; op dezelfde wijze put de geest uit het geheugen de gegevens waarmee kan worden gedacht of neemt de geest eerst in de buitenwereld een onderwerp waar, dat de geest nader wil overdenken.


terug naar de Inhoud

17. De godheid als 'al het goddelijke': het goddelijke gezin

Het achtervoegsel '-heid' heeft als betekenis: al datgene wat ertoe behoort. Zo is de 'persoonlijkheid' al datgene, wat tot de 'persoon' behoort en is de 'godheid' al datgene, wat tot het 'goddelijke' behoort. Het was mij vergund de godheid in de geestelijke wereld te mogen aanschouwen op twee verschillende wijzen: in de ongevormde oertoestand en in de gevormde toestand.

In de ongevormde oertoestand toonde de vrouwelijke zijde van de godheid zich aan mij als een diepe, eeuwige rust, die zich aan mij voordeed als een aangename, 'donkere koelte'. Deze rust verbond zich met mij en liet mij delen in de vreugde van haar rust. Daarna kwam uit de rust een beweging voort die zich aan mij voordeed als een 'lichtende warmte'. Ook deze beweging verbond zich met mij en liet mij delen in de vreugde van zijn beweging. Daarna verenigden de rust met haar donkere koelte en de beweging met zijn lichtende warmte zich weer met elkaar, waarbij de rust en haar donkere koelte opging in de beweging met zijn lichtende warmte en waarbij zij elkaar temperden.
Er werd mij getoond dat tijdens hun vereniging ik als menselijke geest door verdichting van hun geestelijke licht uit hen werd 'geboren' als een bolvormige wolk van licht, die later door geestelijke warmte met liefde werd doorstroomd en zo tot leven kwam. Ik was getuige van de voortkomst van mijzelf als menselijke geest in de ongevormde toestand als een bolvormige wolk van licht en warmte uit de vereniging van de vrouwelijke en mannelijke zijde van de goddelijke algeest.


Hildegard van Bingen
Liber Divinorum Operum, visioen 2
God als man en vrouw, vader en moeder
zie voor vragen over de 'drie-eenheid'
de verklarende woordenlijst
Later was het mij in de gevormde toestand vergund het volgende te ervaren. Ik bevond mij nu in mijn geestgedaante, de menselijke gestalte, in het midden van een ruimte in de geestelijke wereld. De voorste helft van die ruimte was nu de lichtende warmte en daarin verscheen God als mijn vader, ook als een geestgedaante met dezelfde menselijke gestalte, schuin rechts vóór mij. Op mijn vraag waar God als mijn moeder was, moest ik mij omdraaien en ik zag dat zij schuin links achter mij stond. Ik stond als hun beider godenzoon in het midden tussen hen in.

Bij een andere gelegenheid kwamen zij in dezelfde ruimte vanuit schuin linksboven sierlijk naar mij toegezweefd. God als mijn vader ging voor mij staan - tussen hem en mij was een zekere bewegingsruimte; God als mijn moeder ging dicht achter mij staan, ik voelde haar aanwezigheid, haar armen beschermend om mij heen, zoals ook in het visioen van Hildegard is te zien.
Er werd mij duidelijk getoond: wij vormen het goddelijke gezin. Het goddelijke gezin is de godheid als al het goddelijke: God als vader, God als moeder en de menselijke geest, uit hen voortgekomen, als hun godenkind.

Het verschijnsel van het gezin op aarde is een afspiegeling van het goddelijke gezin in de geestelijke wereld: 'zo boven, zo beneden'.
Maar doordat de aarde een leerschool is voor geestelijke ontwikkeling door ervaringen te verwerken met de geestelijke vermogens - waardoor zij later uitgroeien tot het geweten en de deugden - is de toestand waarin het gezin op aarde verkeert een toestand van beproeving. Het is een toestand van ontwikkeling vanuit onbewustheid en onbeheerstheid naar bewustheid en beheerstheid. Het woord 'gezin' hangt samen met 'zenden' en betekent: de 'gezondenen' die gezamenlijk onderweg zijn naar een verheven doel.

naar de Inhoud






^