Angelus Silezius - Zwerver tussen hemel en aarde

N. Kluwer, Deventer 1971 ISBN 90.202.4781.6


Angelus Silesius (1624-1677)
pseudoniem Johannes Scheffler
arts, mysticus en dichter
bron: arendlandman.nl
Ik ben de rank des Zoons, die Vader plant en voedt.
De vrucht die uit mij groeit, is God, de heilige Geest.

Ik ben Gods kind en zoon, ook hij is weer mijn kind:
hoe is het mogelijk toch, dat beiden beide zijn.

God is dat, wat hij is, en ik dat, wat ik ben;
maar als gij één slechts kent, dan kent gij mij én hem.

God past zich aan bij ons, is voor ons wat wij wensen.
Wee ons als wij voor hem, niet worden wat wij moeten.

Het hart dat zich tevreden stelt met plaats en tijd,
heeft waarlijk geen besef van zijn onmetelijkheid.

Geloof alleen is dood, het kan niet eerder leven,
dan dat ge het een ziel, de liefde, hebt gegeven.

Ach ziel, vertwijfel niet, weet ge u uit God geboren,
dan zijt ge in de eeuwigheid tot leven uitverkoren.

Ik ben een koninkrijk, mijn hart is er de troon,
mijn ziel de koningin, de koning is Gods Zoon.

Ik weet dat zonder mij, God geen moment kan leven,
houd ik op te bestaan, hij moet de geest zelf geven.

Men zegt: God is volmaakt, hij kan mijn gaven derven;
Maar waarom wil hij dan mijn arm hart verwerven?

God is in mij het vuur, ik ben in hem de schijn,
zo moeten wij elkaar wel zeer gemeenzaam zijn.

De druppel wordt tot zee, is hij in zee gekomen,
de mens wordt God, als hij in God is opgenomen.

Het bovenaardse licht, aanschouwt men in dit leven,
zodra men is bereid, het licht hier op te geven.

Niemand heeft waarlijk lief, als die zichzelf veracht;
hebt gij in liefde mens, het zover al gebracht?

De wezenlijke mens gelijkt de eeuwigheid,
die onaantastbaar is voor alle uitwendigheid.

Acht hier een mens zich kleiner nog dan klein,
hij zal in 't hemelrijk, de allergrootste zijn.

Ontbloei, bevroren ziel, de mei staat voor de deur,
gij blijft voor eeuwig dood, bloeit gij niet nu en hier.

Wat is, vraagt gij, mijn vriend, het allerhoogste leven?
Te sterven aan zichzelf, om zich aan God te geven.

Tijd is als eeuwigheid, en eeuwigheid als tijd.
Vat gij dit niet, van u slechts is het onderscheid.

Wie wat hij heeft, niet heeft, wie alles is gelijk,
hij is in rijkdom arm, in armoe is hij rijk.

Fel hekelt gij de dief en scheldt hem onverholen,
zwijg, gij hebt God veel meer, dan hij de mens ontstolen.

Het kruis op Golgotha verlost u van geen kwaad,
zo in uw eigen hart het niet geheven staat.

Gij jaagt de hemel na, weet dat hij in u is,
en zoekt gij elders hem, gij loopt hem aldoor mis.

Oh onbegrijpelijkheid! God heeft zichzelf verloren,
daarom wil hij opnieuw in mij worden geboren.

God moet, opdat gij leeft, het aardse leven derven,
hoe denkt gij zonder dood, zijn leven te beërven?

Wie had dit ooit gedacht: licht komt uit duisternis,
het leven uit de dood en uit het niets wat is.

Gij zelve maakt de tijd, het uurwerk zijn de zinnen,
zet gij de onrust stil, het eeuwig gaat beginnen.

Verhef u niet, oh mens, wees in uw ogen klein,
de hoogste wijsheid is, niet al te wijs te zijn.

God zelf bezit geen deugd, hij deelt de deugden mee,
als uit de zon het licht, het water uit de zee.

Der armoe eigendom is vrijheid allermeest,
daarom geen vrijer mens, dan die arm is van geest.

Roep niet tot God, de bron welt in u zelf tot leven,
zo gij die niet verstopt, blijft hij zijn water geven.

Sterf al voordat gij sterft, opdat gij niet zult sterven,
wanneer gij sterven moet, en eeuwig leven derven.

Ik ben een berg in God en moet mijzelf bestijgen,
wil ik het aanschijn Gods in mijn gezichtsveld krijgen.

Als God zich met de mens verenigt en verbindt,
dan ziet het oerbegin, dat het zijn einde vindt.

Gij vraagt, hoe denkt u God? Wel, schouw u zelve aan,
want wie zichzelve schouwt, schouwt God waarachtig aan.

Niets is dan ik en God, zijn wij niet meer gemeen,
God is niet langer God, de hemel stort ineen.

Kies u het middelpunt en gij weet tegelijk,
wat nu en dan gebeurt, en hier en in Gods rijk.

Noch God, noch schepsel, mens, kan u tot onrust dwingen,
gij zelf verliest uw rust, oh dwaasheid, door de dingen.

Werd Christus duizend maal in Bethlehem geboren
en niet in u, gij zijt dan toch verloren.

God is in alles bijeen; hij slaat de snaren aan,
hij zingt en speelt in ons: heb ik dan iets gedaan?

God is mijn midden, als ik hem in me sluit,
en mijn omgeving, als ik in hem opga.

Veel hebben maakt niet rijk, hij is een wijze man,
die alles wat hij heeft, gerust verliezen kan.

Wie maakt de lelies blank en goudgeel de narcissen?
Wil bij uw zorgen mens, u daarvan vergewissen.

Acht hier een mensengeest zich kleiner nog dan klein,
Hij zal in 't hemelrijk de allergrootste zijn.

Waarom de wijze man niet onder onheil lijdt?
Hij heeft zich lang daarvoor al op die gast bereid.

Keer tot u zelve in, want voor de steen der wijzen,
behoeft gij helemaal geen landen af te reizen.

Weet dat het ware licht, je dan pas onderkent,
als je van binnen zelf tot licht geworden bent.

Het licht der heerlijkheid schijnt midden in de nacht.
Wie kan het zien? Een hart dat ogen heeft en wacht.


terug naar het literatuuroverzicht






^