Geoffrey Barborka - Het goddelijke plan deel 1 De Engelen (Dhyani-Chohans)

Uitg. der Theosofische Vereniging, Amsterdam, 1973

HOOFDSTUK III De leer van de hiërarchieën Dhyani-Chohans (blz. 85)

Inhoud

Atmagita - het lied van Atman (de menselijke geest)
Inleiding - De goddelijke wetten
1. De Wet van de Wezenlijke Eenheid
2. 'De Hemelse Hiërarchie'
3. De Kabbalistische Hiërarchie - de Sephiroth
4. Het Hiërarchische Getallenstelsel van Pythagoras
5. Het Syrische Schema van de Hiërarchische Opbouw van het Heelal
6. De Hiërarchische Opbouw van de Aarde
7. Verklaring van de schematische weergave van de Levensladder
8. De Hiërarchische Levensladder
9. De Dhyani-Chohans
10. De Hiërarchen van het Stelsel
11. Een schematische voorstelling van de Hiërarchie van mededogen
12. De Hiërarchie van Mededogen
13. Eindeloze Reeksen van Hiërarchieën

Atmagita - het lied van Atman (de menselijke geest)

Uit de Oneindige Bron van het Al - de Bron van het Zijn -
Kwam ik, aeonen geleden,
Sprong ik tevoorschijn als een Vonk uit het Inwezen van de Vlam,
Mij van niets bewust dan van allerhoogste zaligheid.
Zo begon een cyclische reis, door onberekenbare tijdperken,
Afdalend uit de gebieden van sterrenglans -
Verwant aan hun stralende luister, vrij van alle omhulsels van vorm -
Kon ik overal gaan, snel door de eindeloze Ruimte:
Door zonnestelsels of melkweg heelallen, zonder gevoelen of bewustzijn,
Maar steeds verder neerwaarts gedreven,
Onweerstaanbaar aangetrokken door de gebieden van dichtheid -
Steeds verder afdalend, stadium na stadium, aangetrokken tot de rijken van Vorm.
Daar verzamelde ik mij hulsels uit de Rijken van Vuur, Lucht, Water en Aarde,
Verbleef een aeon in elk Rijk, immer zoekend naar een blijvend tehuis.
Tenslotte verliet ik de ijle rijken en werd ik geopenbaard in een stoffelijke vorm,
Gevat in een kristallijn omhulsel,
Waarin de zuivere schittering van de Vlam zelf weerspiegeld werd.
Na lange aeonen en cycli kreeg ik nieuwe bekleedselen:
Waardoor duurzame juwelen en stralende brillianten verwisseld werden
Voor schoonheid en symmetrie van vorm en kleur en geur,
Waarin het warme zonlicht een verlangen opriep
Om terug te keren naar het ouderhuis - hoger, steeds hoger.
Met het verstrijken van meerdere aeonen betrad ik een nieuw Rijk,
Nu kon ik mij van plek tot plek bewegen en mij weer op vleugelen verheffen;
Toen kwam, met het aannemen van warmbloedige voertuigen,
De nieuwe gewaarwording van toewijding, opoffering en liefde.
Tenslotte ontwaakte ik als één in de Schare van het Mensenrijk,
Leerde over de veredelende kracht van de liefde,
Waarvan de harteklop in harmonie is met het Goddelijke Plan.
Nu, onder de heerschappij van de Verheven Ah-hi, *)
Kan ik bewust omhoog streven, trachtend mij kennis te verwerven van Atman:
Zoals de vonk tracht terug te keren tot de Vlam waaruit zij voortkwam.
Steeds verder opwaarts, hoger zelfs dan de wervelende Paleizen van de Planetaire Lhas, **)
Tot aan de Zeven Oer-Zonen van het Licht,
Voorbij vlammende zonnen en kometen met staarten,
Voorbij melkwegstelsels en eiland heelallen,
Tot aan de Centrale Geestelijke Zon ...
Want ik heb geleerd te zeggen: Aham eva Parabrahma. ***)

*) Ah-hi - Minasaputras - Zonen van het Verstand - ‘Opwekkers der Mensheid’.
**) Planetaire Lhas - Planeet Heersers, Wachters of Logoi.
***) Aham eva Parabrahma: ‘Ik ben in waarheid het Grenzenloze’.

terug naar de Inhoud

Inleiding - De goddelijke wetten
Wanneer men peinst over de enorme uitgestrektheden waarover men zijn gedachten kan laten dwalen, zodat men zich miljoenen sterren voor de geest kan halen zonder dat er ergens in deze oneindige ruimte een grens is, dan wordt men onvermijdelijk bezield door de gedachte dat de oneindigheid geregeerd wordt door wetten en orde - dat er waarlijk een Goddelijk Plan bestaat. Werelden, zonnen, nevelvlekken, melkwegstelsels, heelal-eilanden, alles maakt deel nit van dit Plan. Alle wezens, die die werelden bevolken, zijn ook onderdelen van dit Plan.
Het heelal bestaat omdat het de uitvoering is van dat grote Ontwerp. Andere heelallen openbaren op dezelfde wijze de werking van het Goddelijke Plan. Het Goddelijke Plan is een openbaring van de Goddelijke Wet. Zoals de zon ontelbare stralen uitzendt die hetzelfde inwezen hebben als de bron waaruit zij zijn voortgekomen, zo zendt ook de Goddelijke Wet stralen uit, die van dezelfde essentie zijn als hun Bron; daarom zijn deze stralen Goddelijke wetten. Zij houden het Goddelijk Plan in stand.

De Goddelijke Wetten zijn de grondslagen van al wat bestaat; zij waren werkzaam voor het heelal tot aanzijn kwam; zij blijven functioneren zolang het heelal in een toestand van openbaring verkeert en zij zullen nog steeds hun uitwerking hebben wanneer het heelal op zal houden te bestaan. Daar deze wetten van kracht blijven of er al dan niet een mens, een planeet, een zon of zelfs een heelal in een toestand van openbaring is, zijn zij Goddelijke Wetten, omdat zij buiten ruimte en tijd liggen (in de zin waarin wij gewoon zijn over ruimte en tijd te denken).
Daar het Heelal tot aanzien kwam doordat het door wetten geregeerd wordt, moet alles wat zich binnen dat Heelal bevindt onder de heerschappij van dezelfde wetten staan en deel hebben aan dat Goddelijke Plan, aangezien de delen hetzelfde patroon moeten volgen als het geheel. Daaruit volgt dat u zelf ook een deel bent van dat Plan. Trekt u dit in twijfel? Vraagt u zich af of u een deel bent van de Godheid? Zoals de Schrift zegt: ‘Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont?’ (I Corinthiërs, 3,16). God is in werkelijkheid het zelfde als het Goddelijke - één met de Goddelijke Geest - het Goddelijke Plan. Zekerheid zal echter de plaats van twijfel kunnen innemen wanneer de Goddelijke Wetten uiteengezet en ter overdenking aan u voorgelegd worden. U zult dan zien hoe u past in het Grote Ontwerp, hoe u en elke andere entiteit in de kosmos bestaat door dit Goddelijke Plan en door de Goddelijke Wetten waardoor het beheerst wordt.
Het zal u misschien toeschijnen dat er helemaal geen Goddelijk Plan in werking is, dat de wereld in een toestand van wanorde verkeert en in tijden van onrust zelfs helemaal ondersteboven wordt gehaald wanneer gewapende conflicten uitbreken - in dat geval geeft u toe dit boek nodig te hebben. Want het heeft tot doel u uit te leggen dat er een Goddelijk Plan bestaat en dat Goddelijke Wetten tegelijk daarmee bestaan en erin van kracht zijn.
Wat betreft de onvolkomenheden die u voor ogen staan: deze zijn het gevolg van de handelingen van onvolmaakte wezens. Zolang er onvolmaakte wezens zijn, of ze nu betrokken zijn bij de gebeurtenissen in de wereld of dat zij heersen in de Kosmos, zullen er onvolkomenheden zijn. Hiermee wordt niet beweerd dat volmaaktheid bestaat en evemnin dat de Kosmos een openbaring is van volmaaktheid. De reden waarom wij deze gedachte niet aanhangen is het feit dat de Kosmos zelf evolueert, tracht een betere Kosmos te worden, tot een grotere harmonie met het Goddelijke Plan te komen.
Dit is zo, omdat de Kosmos de openbaring is van een Groot Wezen, hoe hoog verheven dit ook mag zijn. Er bestaat een benamingvoor een dergelijk Groot Wezen; het wordt met een technisch woord de Logos of ‘Wachter’ van een cosmisch stelsel genoemd. De Kosmos staat dus onder de heerschappij van een Kosmische Logos, die omringd is door lagere Wezens, die op hun beurt de Wetten, die binnen zijn invloedssfeer van kracht zijn, uitvoeren.
Deze lagere Wezens, die op een veel hoger niveau van evolutie staan dan de mens, Worden Dhyani- Chohans genoemd - letterlijk de ‘Heren van Overpeinzing’ - goddelijke, denkende wezens. Daar het werk van de Dhyani-Chohans bestaat uit het uitvoeren van de Goddelijke Wetten, is hun voornaamste krachtsinspanning erop gericht hun taak steeds efficiënter uit te voeren, opdat zij betere uitvoerders van het Plan mogen worden. En bovendien vervolgen deze verheven Wezens - hoe ongelooflijk hoog hun evolutieniveau ook moge zijn in vergelijking met dat van de mens - zelf het pad van evolutie om nog verhevener en meer ervaren te worden, zodat zij de Goddelijke Wetten op nog volmaakter wijze en in nog groter harmonie met het Goddelijk Plan zullen kunnen uitvoeren.
En zoals zij hun evolutionaire ontwikkeling doormaken, zo is dat het geval met alle andere wezens, die zich in hun veld van werkzaamheid bevinden, afgezien van het evolutieniveau dat deze lagere wezens hebben bereikt. Ieder wezen heeft een aangeboren drang tot het pogen in groter harmonie te komen met de werking van het Goddelijke Plan en streeft er voortdurend naar een betere uitvoerder van de Wetten daarvan te worden, al zal het soms lijken dat hij zijn krachten op een verkeerde manier aanwendt en zo de Goddelijke Wetten tegenwerkt. Maar zelfs in dat geval komt zo’n wezen onder de werking van een van de Wetten, die hem weer op het rechte spoor moet ibrengen, zodat hij te zijner tijd zal leren in harmonie te werken met de Grote Wet in plaats van er tegen in te gaan.

Nu er gesteld is dat er Goddelijke Wetten bestaan, is de volgende stap om aan te tonen dat zij ook van kracht zijn. Dit zullen wij doen aan de hand van uiteenzettingen over leringen, die uitgekozen werden om als voorbeeld te dienen van de werking van deze Wetten. Deze leerstellingen geven de leringen weer van de Oude Wijsheid of de Esoterische Wijsbegeerte (Gupta-Vidya luidt het Sanskrit woord hiervoor), zoals die in het boek De Geheime Leer gegeven worden. Maar eerst volgt hier een opsomming van de Wetten en de daarmee verbonden leerstellingen, zodat men bekend zal zijn met de volgorde waarin zij worden behandeld, terwijl men tegelijker tijd een inzicht krijgt in de aard en de omvang van dit werk.

De wet van periodiciteit. Deze wordt uiteen gezet in het axioma, dat er op elke periode van werkzaamheid een periode van rust volgt, die in de natuur is waar te nemen als dag en nacht, eb en vloed, de processen van waken en slapen, geboorte en dood, en zo voort. Eén aspect van deze Wet openbaart zich als de Wet van Voortdurende Vernieuwing, waarin de noodzaak van wedergeboorte of wederbelichaming wordt aangetoond. De leerstelling die als voorbeeld dient van de Wet van Periodiciteit, wordt daarom de Leer van Voortdurende Vernieuwing genoemd.

De wet van het herstel van evenwicht. Aangezien harmonie het natuurlijke gevolg is van het zich ontvouwen van het Goddelijke Plan, moet er, wanneer zich een storing voordoet, een correctie worden aangebracht om het verstoorde evenwicht te herstellen. Het woord dat de werking van deze Wet weergeeft, is zeer bekend, het wordt in feite zelfs de Wet van Karma genoemd. De uiteenzetting over de Wet van Karma wordt gegeven onder de Leer van Evenwicht en Harmonie.

De wet van wezenlijke eenheid. Deze Wet is werkelijk een illustratie van de werking van het Goddelijke Plan: iedere entiteit leeft zijn leven binnen het veld of de sfeer van een groter wezen; het grotere wezen houdt de sfeer voor de kleinere wezens in stand. De Leer van de Hiërarchieën is de naam die gekozen werd voor de leerstelling die als voorbeeld dient van de Wet van Wezenlijke Eenheid. ‘Rangvolging van wezens’ is in dit geval de definitie voor het woord ‘hiërarchieën’. Er zijn er ontelbaar vele. De wezens die het heelal vormen en erin leven zijn allen met elkaar verbonden door een gemeenschappelijke oorsprong, geheel in overeenstemming met de Wet.

De wet van zelf-ontplooiing. Deze wordt aangetoond door de drang, die elke entiteit ertoe brengt zich uit te drukken overeenkomstig zijn fundamentele karaktereigenschappen. De leerstelling die met deze Wet verbonden is, wordt genoemd de Leer van Wezenlijke Gelijkwaardigheid.

De wet van beweging. Alles bewijst de werking van deze Wet, want er is niets wat geïsoleerd of statisch kan blijven. Er is altijd een kracht die het voortdrijft, steeds zoekend naar een hoger niveau. Het is een fundamentele wet in het occultisme, dat er in de Natuur geen rust of ophouden van Beweging kan zijn. Deze Beweging is er niet alleen tijdens de perioden van werkzaamheid, maar ook gedurende de perioden van rust. De Leer van Voortdurende Verandering kan als voorbeeld dienen voor de Wet van Voortdurende Beweging.

De zevenvoudige wet. Het veelvuldig voorkomen van het getal zeven - ons zo bekend in de zeven dagen van de week, de zeven kleuren van de regenboog, de zeven tonen van de toonladder - wijst erop dat er een dergelijke Wet van kracht is. Er wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de volgende ‘zevens’: de zeven Gebieden, de zeven Lokas en Talas, de zeven Tattvas of Element-principes, de zeven Kosmische Beginselen en de zevenvoudige samensteliing van de mens.
De beschouwing over de Zevenvoudige Wet wordt voortgezet in een reeks van drie hoofdstukken: De Leer van de Gebieden (verdeeld in zeven paragrafen); De Leer van de Volkeren; de Leer van de Ronden.
Na de Zevenvoudige Wet wordt de tweede fase van de Wet van Periodiciteit onder de loupe genomen onder de titel ‘De Toestanden na de Dood’, waarin een antwoord wordt gegeven op de vraag ‘Wat gebeurt er met de mens wanneer de dood intreedt?’
De wet van mededogen. Alhoewel in het gehele heelal aanwezig en een fundamentele noodzaak bij de uitvoering van het Goddelijke Plan, is de Leer van de Twee Paden een bijzonder goed voorbeeld van de werking van deze Wet.

De wet van ontstaan. De benaming, die voor deze Wet gekozen is, wil trachten dat diepe mysterie in de openbaring van het Leven dat elke entiteit, hetzij groot of klein, doordringt, in woorden te vangen. Alles is voortgekomen uit Akasa, gehoorzamend aan een wet van Beweging die aan alles eigen is en na een zeker bestaan sterft het weer. De naam die gekozen is voor de leerstelling, die verbonden is met deze Wet, luidt de Leer van Universele Kennis. Hoewel dit onderwerp geheel buiten het bereik ligt van de mens in zijn huidige stadium van ontwikkeling, aangezien zijn hogere vermogens nog niet ten volle ontwikkeld zijn, worden toch enkele van de meest verheven denkbeelden, die in De Geheime Leer naar voren worden gebracht, in dit laatste hoofdstuk behandeld.
Door het bestuderen van de Leringen die verbonden zijn met de Goddelijke Wetten, komt u in contact met een groot Continent van Gedachten, dat de Wijsheid van eeuwen vertegenwoordigt - het erfgoed van het mensdom. Moge dit u helpen, zoals het anderen die ermee in contact gekomen zijn, geholpen heeft, zodat uw visie grootser, uw begrip dieper, uw leven edeler moge worden, in steeds grotere harmonie met het Goddelijke Plan.

De Wet van Periodiciteit
De eerste Goddelijke Wet die we nader zullen bekijken, is de Wet van Periodiciteit. Deze is vervat in het axioma, dat er op elke periode van werkzaamheid een even grote periode van rust volgt; waarop een nieuwe tijd van werkzaamheid volgt, met een daarop volgende rustpauze; welke weer gevolgd zal worden door een nieuwe reeks, en zo voort. Een goed voorbeeld hiervan vinden we in het welbekende patroon van de dagen en nachten (veroorzaakt door het draaien van de aarde om de zon); de dag wordt gevolgd door een nacht en een nacht spoedt zich weg wanneer de dageraad een nieuwe dag aankondigt. En wanneer de zon ondergaat komt, naarmate de dag verdwijnt, een nieuwe nacht binnensluipen. Wij zeggen: elke zonsopgang brengt weer een dag - een nieuwe dag! Zeker, er is een voortdurende processie van nieuwe dagen, zoals er ook een aantal daarop volgende nieuwe nachten is. De dagen worden voortdurend vernieuwd; de nachten bieden onophoudelijk de gelegenheid voor vernieuwing.

Aan deze Wet van de Periodiciteit ligt een gedachte ten grondslag, die in ‘De Geheime Leer’ geformuleerd wordt als een stelling: de tweede van drie van dergelijke stellingen, die grondstellingen worden genoemd. Hiervan wordt gezegd, dat ze zo belangrijk zijn, dat het gehele stelsel van gedachten, dat in de delen van De Geheime Leer gegeven wordt, berust op een juist begrip van deze stellingen. Deze drie grondstellingen zullen echter afzonderlijk worden behandeld, elk tegen zijn eigen achtergrond, samen met de leringen waarvan zij een voorbeeld zijn en niet aan het begin van dit boek. Op deze wijze van elkaar gescheiden kunnen zij beter worden bestudeerd.
De Wet van de Periodiciteit wijst nadrukkelijk op de noodzaak van een voortdurende vernieuwing. Zonder deze vernieuwing zouden de krachten, die in stand moeten worden gehouden, zichzelf uitputten. Daarom wijst dit aspect van een voortdurend weer op krachten komen op een tijd van werkzaamheid - met een technisch woord een Manvantara genoemd, letterlijk een tijdperk tussen twee Manus, van het samengestelde Sanskrit woord: ‘manu’: een groot Goddelijk Wezen (waarvan er 14 zijn), dat wordt voorgesteld als Heerser over de Aarde, waarbij elke Manu regeert over een Groot Tijdperk; ‘antara’: tussen. In de Esoterische Wijsbegeerte wordt een Manvantara voorgesteld als een Uitademing van de Grote Adem. De Inademing wordt beschouwd als een rustperiode - met een tech- nische term Pralaya, wat letterlijk betekent een tijdperk van ontbinding: van het samengestelde Sanskrit woord ‘pra’, weg van; laya, van de werkwoordswortel li: ontbinden. Tocht heeft zelfs tijdens de periode van rust de Eeuwige Beweging niet opgehouden te bestaan.

’Het verschijnen en verdwijnen van het Heelal worden voorgesteld als een uitademing en inademing van de ’Grote Adem’, die eeuwig is en die, daar hij Beweging is, een der drie aanzichten is van het Absolute; Abstracte Ruimte en Duur zijn de andere twee. Wanneer ode ’Grote Adem’ wordt uitgestoten, wordt hij de Goddelijke Adem genoemd en beschouwd als het ademhalen der Onkenbare Godheid - het Ene Bestaan - die als het ware een gedachte uitademt, die de Kosmos wordt, zo verdwijnt ook, wanneer de Goddelijke Adem ingeademd wordt, het Heelal weer in de schoot van de ’Grote Moeder’, die dan slaapt ‘gehuld in haar onzichtbare gewaden’.’ (Fr. I 37; Terw. I 90).

‘De Grote Moeder’ is hier gelijk aan de Grenzeloze Ruimte. Kosmos (met een k geschreven) is in ‘De Geheime Leer’ gelijk aan het Heelal; Kosmos (met een c) wordt gebruikt in de algemeen geldende betekenis van het woord: de wereld of ook wel het zonnestelsel. Daar het heelal in overeenstemming met het Goddelijke Plan deze ritmische harteklop volgt, moeten alle onderdelen van het heelal eveneens gehoorzamen aan dezelfde wet waaraan het heelal is onderworpen: wat het Geheel doet, doen de onderdelen daarvan. Daarom volgt de mens hetzelfde patroon gedurende zijn levenscyclus.
Bij dag staat hij op en begint een periode van werkzaamheid; bij nacht gaat hij slapen en ondergaat een periode van rust. Bij het ontwaken begint hij de volgende dag een nieuwe actieve periode; de daarop volgende nacht begeeft hij zich weer ter ruste. Tenslotte trekt hij zich geheel terug uit het actieve leven - hij verlaat het gebied van deze Aarde en gaat andere gebieden binnen, die voor ons onzichtbaar zijn. Daar heeft de mens een zeer lange rusttijd.
Niettemin moet hij overeenkomstig het Goddelijke Plan vroeger of later een nieuwe periode van werkzaamheid beginnen. Dit doet hij wanneer hij terugkeert naar de Aarde en weer geboren wordt als een klein kind, om weer een lange periode van werkzaamheid op zich te nemen - en deze lange periode, of levenscyclus, wordt weer verdeeld in kortere perioden van werkzaamheid en rust. De mens volgt deze cyclus van op aarde verschijnen en weer verdwijnen uit het rijk van de stof, omdat de Aarde waarop hij leeft, zich houdt aan hetzelfde patroon.
Niet alleen de Aarde, maar alle planeten van het zonnestelsel worden beheerst door dezelfde wet, omdat de regent van dit stelsel - de Zon - zich onderwerpt aan het zelfde cyclische verschijnen en verdwijnen: een zonne-manvantara wordt gevolgd door een zonne-pralaya. Op dezelfde wijze heeft het heelal zijn periode van werkzaamheid en zijn periode van rust. In ieder afzonderlijk geval - of het nu een mens, planeet, zon of heelal betreft - pulseert ieder in ritmische harmonie met het In- en Uitademen van de Grote Adem en openbaart daarbij de werkzaamheid van de Goddelijke Wet - het Goddelijke Plan.

terug naar de Inhoud

1. De Wet van de Wezenlijke Eenheid
De Wet van de Wezenlijke Eenheid is gekozen in verband met de derde leerstelling, waaraan we thans aandacht zullen besteden - de Leer van de Hiërarchieën. Deze wet geldt evenzeer voor alle werelden als voor alle wezens die die werelden bewonen. Hoewel het op het eerste gezicht vreemd mag lijken dat wezenlijke eenheid als een fundamentele Wet wordt beschouwd, kan alleen hierdoor de gedachte, die aan de Leer van de Hiërarchieën ten grondslag ligt, worden begrepen. Want wezenlijke eenheid is het grondpatroon van het heelal, ondanks het feit dat uiterlijkheden op het tegendeel schijnen te wijzen. Deze grondgedachte geeft een verduidelijking van de werking van het Goddelijk Plan, zoals in het geval van de Wet van het Herstel van Evenwicht (Karma) - die het ritme bewaart door het verstoorde evenwicht te herstellen - is aangetoond, dat deze de werking van het Goddelijk Plan openbaart.

Deze fundamentele wet wordt in De Geheime Leer door een prachtige passage ingeleid. De schoonheid van de hierin gebezigde taal en het inspirerende onderwerp maken het denkvermogen op de juiste wijze ontvankelijk voor het aanvaarden van deze wet. Deze passage is eigenlijk een citaat, want het is een Ooculte Cathechismus, waarin de student (Lanoe) onderwezen wordt door zijn Leraar (Gurudeva: goddelijke leraar) in de wezenlijke eenheid van het Al. Dit is een verheven thema, dat bijzonder geschikt is om een studie over de Leer van de Hiërarchieën mee te beginnen:

De catechismus doet de Meester aan de leerling vragen:
"Hef uw hoofd omhoog, O Lanoe, ziet gij een enkel licht of wel talloze lichten boven u branden aan de donkere hemel van middernacht?"
"Ik neem één Vlam waar, O Gurudeva, ik zie talloze ongescheiden vonken er in schijnen."
"Gij zegt het goed. En zie thans rond en in uzelf. Gevoelt gij, dat het licht, dat binnen in u brandt, op enigerlei wijze verschilt van het licht dat in uw menselijke Broeders schijnt?"
"Het is op geen enkele wijze verschillend, hoewel de gevangene door Karma in slavernij wordt gehouden en hoewel zijn uiterlijke gewaden, de onwetende misleidend, deze doen zeggen: "Uw Ziel en Mijn Ziel." (De Geheime Leer; Fr. I 95; Terw. I 175).

Deze Wet wordt beschouwd als een fundamentele wet in het Occultisme, hetgeen moge blijken uit het volgende:
"De wortel-eenheid van het diepste inwezen van elk samenstellend deel van samengestelde dingen in de Natuur - van een Ster tot een mineraal atoom, van de hoogste Dhyan Chohan tot het kleinste infusiediertje, in de volste betekenis van het woord en toegepast op hetzij de geestelijke, verstandelijke, of stoffelijke wereld - die eenheid is de ene fundamentele wet in de Occulte Wetenschap.
"De Godheid is onbegrensde en oneindige uitzetting", zegt een Occult axioma." (Fr. I 95; Terw. I 175).

Een voorbeeld van deze wet is het hiërarchische stelsel, waaronder een Kosmos functioneert; elk wezen leeft namelijk zijn leven in het veld of de sfeer van een groter wezen - het grotere wezen verschaft het 'tehuis' voor het lagere wezen. We moeten er hier met nadruk op wijzen dat de eenheid niet alleen van toepassing is op geestelijke en verstandelijke werelden (zoals men zou mogen verwachten), maar ook op stoffelijke werelden, zoals in het volgende citaat aangegeven wordt:

"De leer van een gemeenschappelijke oorsprong voor alle hemellichamen en planeten, werd, zoals wij zien, voorgestaan door de Archaïsche sterrekundigen vóór Kepler, Newton, Leibnitz, Kant, Herschel en Laplace. Warmte (de Adem), aantrekking en afstoting - de drie grote factoren van Beweging - zijn de voorwaarden, waaronder alle leden van dit oorspronkelijke gezin geboren worden, zich ontwikkelen en sterven; om wedergeboren te worden na een 'Nacht van Brahma' gedurende welke de eeuwige stof periodiek tot haar oorspronkelijke, ongedifferentieerde toestand terugkeert." (Fr. I 82; Terw. I 156).

Een Nacht van Brahma is gelijk aan een Planetair Pralaya, dat even lang duurt als een Dag van Brahma of Manvantara - namelijk 4.320.000.000 jaar. De woorden 'de eeuwige stof' worden hier niet zonder reden gebruikt, want zij geven een fundamenteel axioma in de Esoterische Wijsbegeerte weer, dat in duidelijke bewoordingen uit wordt eengezet:
"De stof is Eeuwig. Zij is de Upadhi (de physische grondslag) waarop het Ene oneindige Universele Denkvermogen zijn ideaties (denkbeelden) opbouwt. Daarom houden de Esoterici vol, dat er in de natuur geen anorganische of dode stof bestaat; het onderscheid, dat de natuurwetenschap tussen de twee soorten van stof maakt, is even ongegrond als willekeurig en onredelijk. Wat de natuurwetenschap echter ook moge denken - en de exacte natuurwetenschap is een grillige dame, zoals wij allen uit ervaring weten - het Occultisme weet en leert het anders sedert onheuglijke tijiden." (Fr. I 214-215; Terw. I 361-362).

Elders wordt de betekenis, die wordt toegekend aan de woorden Aantrekking en Afstoting of de middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten (zoals zij in het Occultisme worden gebruikt) als volgt uitgelegd, hoewel ze worden aangeduid als de twee tegengestelde krachten:
"De actieve kracht, de 'Eeuwige beweging van de grote Adem' slechts wekt de Kosmos bij het dagen van elke nieuwe Tijdkring, brengt die in beweging door middel van de beide tegengestelde Krachten - de middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten, die mannelijk en vrouwelijk zijn, positief en negatief, stoffelijk en geestelijk, daar deze twee de éne Oorspronkelijke Kracht zijn - en doet hem aldus objectief worden op het gebied van Begoocheling (maya). Met andere woorden: deze tweevoudige beweging brengt de Kosmos van het gebied van het Eeuwige Ideële over naar dat der eindige openbaring of van het Noumenale gebied naar dat der verschijnselen." (Fr. I, 216-217; Terw. I, 363).

Van de twee voorgaande hoofdstukken over de Leer van Voortdurende Vernieuwing en de Leer van Evenwicht zou men kunnen zeggen dat ze het 'hoe en waarom' van de dingen behandelden, dat wil zeggen, deze leringen worden vanuit een algemeen standpunt bekeken, zonder af te dalen in details. Dit hoofdstuk zal gaan over het 'waaruit' van de dingen: waaruit het heelal is samengesteld, waaruit het is opgebouwd.
Men moet van het begin af goed begrijpen dat de Oude Wijsheid het heelal niet ziet als een groot vat waarin zich dingen bevinden (om het in gewone woorden uit te drukken, die misschien wel schilderachtig zijn, maar toch niet geheel toereikend). Integendeel, het heelal is het resultaat van de openbaring van wezens, die het bouwen en besturen. Daarom wordt er gezegd:
"De geheimenis van het gehele Heelal is gebouwd op de Hiërarchieën en de juiste getallen van deze Wezens, die (voor ons) meestal onzichtbaar zijn, behalve in zeer zeldzame gevallen." (Fr. I 72; Terw. I 141).
"... de Geheime Leer ... zegt, dat het ganse Heelal wordt bestuurd door onverstandelijke en halfverstandelijke Krachten en Machten." (Fr. I 219; Terw. I 368).

Die Machten zijn de drie grote Klassen of Hiërarchieën, die bekend staan onder de algemene benaming van Dhyani-Chohans, die de 'halfverstandelijke Krachten' besturen en leiden en deze worden op hun beurt met een algemene term aangeduid als de drie Klassen of Rijken van de Elementalen. Verder, met betrekking tot het bouwen van de wereld - meestal beschreven als de 'schepping' daarvan door een 'Schepper':
"In de Esoterische wijsbegeerte is de Demiurgos of Logos, als Schepper beschouwd, slechts een abstracte uitdrukking, een denkbeeld, evenals het woord 'leger'. Evenals dit laatste de alomvattende uitdrukking is voor een lichaam van actieve krachten of werkende eenheden - soldaten - evenzo is de Demiurgos het qualitatieve samenstel van een menigte Scheppers of Bouwers." (Fr. I 297; Terw. I 487).

Een nadere uitleg over de woorden Logos en Demiurgos:
"De Geheime Leer ... erkent een Logos of een Collectieve 'Schepper' van het Heelal; een Demi-urgos in de zin waarin men van een 'Bouwmeester' als van de 'Schepper' van een gebouw spreekt, hoewel die bouwmeester nooit een enkele steen ervan heeft aangeraakt; maar, terwijl hij het bouwplan heeft geleverd, alle handenarbeid aan de metselaars heeft overgelaten; in ons geval was het plan verstrekt door de Ideatie van het Heelal en was de arbeid van het bouwen overgelaten aan de Scharen van verstandelijke Machten en Krachten. Maar de Demiurgos is geen persoonlijke godheid - dat wil zeggen een onvolmaakte buitenKosmische god - maar slechts de samenvatting van de Dhyan-Chohans en de andere krachmen." (Fr. I, 214; Terw. I 360).

Hoewel dit thema voornamelijk het ontstaan van werelden behandelt, kan toch, daar het ook wijst op het hiërarchische stelsel, dat in de beginfase van een Kosmos aanwezig is, het volgende citaat hieraan toegevoegd worden, aangezien het verklaart hoe de Dhyani-Chohans het patroon waarnemen, dat zij nodig hebben bij het bouwen van de wereld:
"... zodra de Duisternis ... - in haar eigen gebied van eeuwig Licht verdwenen is, slechts haar goddelijke geopenbaarde Ideatie achter zich latend, wordt het begripsvermogen der scheppende Logoi geopend en zij zien in de ideële wereld (totnogtoe in de goddelijke gedachte verborgen) de oerbeelden van alles. Deze voorbeelden volgen zij en zij bouwen of vormen daarnaar vergankelijke en transcendentale vormen." (Fr. I 297; Terw. I 486-487).

Wat betreft het bouwen van vormen:
"Er zijn hiërarchieën van 'Bouwers van de vorm' en reeksen van vormen en graden, van de hoogste tot de laagste. Terwijl de hoogste vormen worden gemaakt onder de leiding van de 'bouwers', de goden 'Cosmocratores', worden de lagere gefatsoeneerd door de Elementalen of Natuurgeesten. Kijk bij voorbeeld naar de vreemdsoortige insecten, naar sommige reptielen en de ongewervelde schepselen, die zo precies bladeren, bloemen, mosbedekte takken en andere zogenaamde 'onbezielde' dingen weten te imiteren, niet alleen in kleur, maar ook in hun uiterlijke vorm." (Verhandelingen van de Blavatsky Loge, 64).

En over de 'vormen" zelf:
"Er wordt ons gezegd, dat elke vorm wordt opgebouwd overeenkomstig het in de Eeuwigheid ervoor ontworpen model, dat weerkaatst wordt in het Goddelijke Denkvermogen." (Idem, 64).

Het Goddelijke Denkvermogen is hetzelfde als de Goddelijke Ideatie ('beeldvorming'), die een aspect van het Goddelijk Plan weerspiegelt. Men dient echter in gedachten te houden dat het Goddelijke Denkvermogen of de Goddelijke Ideatie in de Esoterische Wijsbegeerte niet synoniem zijn met de Goddelijke Gedachte of Adi-Buddhi, want:
"In het Absolute of de Goddelijke Gedachte bestaat alles en er is nooit een tijd geweest dat het daar niet bestond; maar de Goddelijke Ideatie wordt begrensd door de Universele Manvantaras." (Idem, 46).

Maar laten wij terugkeren tot het onderwerp van de Hiërarchieën. Het woord 'hiërarchie' moet tot in details worden verklaard, aangezien het in de Theosofische literatuur zeer veelvuldig wordt gebruikt. Het is samengesteld uit twee Griekse woorden: 'hieros': heilig; en 'archon': van archein, heersen; dus authoriteit of heerschappij in heilige aangelegenheden.
Het woord is bekend uit het kerkelijke woordgebruik, waar het wordt gebezigd om het besturende lichaam van de kerk aan te duiden, met de verschillende waardigheidsbekleders en aan het hoofd daarvan een leider. In de wetenschap wordt het woord gebruikt om een reeks opeenvolgende klassen of groepen aan te duiden. In de zoölogie bijvoorbeeld, bestaat zo'n reeks uit een rijk, orde, sub-orde, familie, geslacht en soort. Het zelfde is van toepassing op de indeling van planten.

Een reeks van wezens, gerangschikt in graden, is de betekenis van het woord hiërarchie, zoals het gebruikt wordt in De Geheime Leer. Deze wezens zijn 'gerangschikt in graden' volgens hun stadium van evolutie en niet volgens enige inherente, bepalende factor. De top van een hiërarchie wordt de Hyparxis genoemd, hetgeen betekent de leider of het hoofd van dat stelsel, niet in de zin van een heerser of opperhoofd, maar meer als het meest geëvolueerde wezen van die hiërarchie. Dit Grote Wezen wordt in mystieke bewoordingen de Stille Wachter genoemd (er zijn nog andere benamingen voor, die in latere hoofdstukken zullen worden besproken).

terug naar de Inhoud

2. 'De Hemelse Hiërarchie'
Alhoewel het woord meestal wordt gebruikt met betrekking tot de wereldlijke regering van de kerk, is het idee van een reeks van wezens of een hiërarchie, die bij wijze van spreken verantwoordelijk is voor het raamwerk van onze Kosmos, een gedachte die we vinden in de kerkelijke literatuur en ook in de Bijbel. Het is gebaseerd op een stelsel dat zijn oorsprong vindt in de geschriften van iemand die bekend staat als Dionysius de Areopagiet, van wie men aanneemt dat hij een van de eerste bekeerlingen was die Paulus maakte, toen hij predikte op de Marsheuvel (de Areopagos) in Athene - aldus het Christelijke verhaal.
Deze geschriften worden genoemd 'De Hemelse Hiërarchie' en worden toegeschreven aan Dionysius en dus als christelijk beschouwd, hoewel zij afkomstig zijn uit Neo-Platonische bronnen (Proklos). Uit het feit dat er twee Hebreeuwse woorden worden gebruikt in de classificatie van deze hiërarchie kunnen we de conclusie trekken, dat de ideeën hieromtrent gangbaar waren in de tijd dat dit werk gecompileerd werd en dat deze werden aangehangen door verschillende scholen. Het werk is van grote invloed geweest op de christelijke theologie, zowel in de eerste eeuwen als tijdens de middeleeuwen.

'De Hemelse Hiërarchie' stelt dat God onbeperkt is in zijn macht, hoewel deze macht voor een deel direct en voor een deel indirect wordt doorgegeven door lagere godheden. Zo wordt dan de Goddelijke Bron voorgesteld, zijn transcendente goddelijkheid uitstortend door middel van opeenvolgende wezens, zodat alle onderdelen worden onderhouden door de Goddelijke Bron en er daardoor nauw mee verbonden zijn.
De transcendentale bron, die ook de universele innerlijkheid is, wordt beschreven als de Drieënige God. Drie reeksen van triaden zijn verantwoordelijk voor het overbrengen van de Goddelijke Bron naar de mensheid: de eerste reeks van drie, die het dichtst bij God staat, kan de Goddelijke Bron weerspiegelen en deze doorgeven aan de tweede klasse of reeks van triaden, die op zijn beurt deze weer doorgeeft aan de derde klasse, die het ten slotte doorgeeft aan de mensheid.
Het woord Engel wordt gebruikt voor deze drie klasen van triaden van wezens, die optreden als dragers of boodschappers, wat de letterlijke betekenis is van het Griekse woord 'angelos': engel, hetgeen inhoudt een tussenfiguur tussen de hemelse rijken en de mensenwereld. De hemelse hiërarchie, die uit negen klassen bestaat, wordt van hoog naar laag als volgt opgesomd in drie groepen van triaden:
Eerste Triade: Seraphim, Cherubim, Tronen
Tweede Triade: Heerschappijen, Krachten, Machten
Derde Triade: Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen

Met inbegrip van de Hyparxis of top, 'God', bestaat deze hiërarchie uit tien klassen, die een tienvoudig stelsel omvatten. Vergelijk dit met Stanza IV, sloka 5 (van de Stanzas van Dzyan):
"De Stem van de Heer, Svabhavat, de Getallen, want hij is Eén en Negen."

Hieraan wordt een korte uitleg toegevoegd:
"Hetgeen tien is, of het volmaakte getal toegepast op de 'Schepper', de naam, die gegeven werd aan de gezamenlijke Scheppers, welke door de Monotheïsten tot Een werden samengesmolten." (Fr. I 78; Terw. I 150).
dat wil zeggen, samengevat in het woord 'God'.

In de Stanza komt het woord 'svabhavat" voor, een term uit het Noordelijke Buddhisme, die letterlijk kan worden vertaald als 'zelf-wording'. Dit is het zelfde als de mystieke term 'Vader-Moeder' uit de Stanzas en wordt gedefinieerd als 'het mystieke Inwezen, de kneedbare wortel van de stoffelijke Natuur" (Fr. I 79; Terw. I 151).
Wat betreft de Eén en Negen, zou men dit denkbeeld op de volgende manier kunnen omschrijven: de eerste openbaring of emanatie uit de Goddelijke Bron van het Al is de Ene, waaruit de Negen in afdalende trappen voortkomen en deze vormen de tien: "de Decade, die in zich het gehele Heelal bevat." (Fr. I 79; Terw. I 151).

terug naar de Inhoud

3. De Kabbalistische Hiërarchie - de Sephiroth
In de Kabbala wordt de openbaring van de Ene en de Negen, die samen Tien zijn, duidelijk aangetoond in het schema, dat wij kennen als de Boom der Sephiroth. Aangezien er in De Geheime Leer voortdurend op dit onderwerp wordt gezinspeeld (hoewel er niet verder over wordt uitgeweid), zullen wij er hier een schets van geven, daar het ook de Leer van de Hiërarchieën verduidelijkt.
In de onmetelijke uitgestrektheid van de Oneindigheid - het woord hiervoor in de Kabbala is 'Ain Soph', ook wel gespeld 'En soph', 'Eyn Suf', enz, letterlijk 'Geen Grens', geen einde en dus het Grenzeloze - verschijnt een brandpunt van Licht, Ain Soph Aur, letterlijk het 'Grenzeloze Licht'. Aan deze bundeling ontspringt een Glans - Sephira, als een stralend aureool, Kether.
(De Kabbalisten zijn het niet eens over de betekenis van het woord 'Sephira' (of Sefirah); sommigen voeren het terug tot de werkwoordswortel spr, tellen, rekenen. Misschien zou men Sephira kunnen vertalen met 'de kracht van getallen' - de 'kracht' duidt dan aan de Een en Negen = 10, en de mogelijkheid de negen te emaneren uit de één, hetgeen de tien vol maakt. 'Sephiroth' is de meervoudsvorm van het woord 'Sephira'.)

"Wanneer de tijd voor een werkzaam tijdperk gekomen was, werd er krachtens de eeuwige, onveranderlijke wet, een natuurlijke uitzetting van deze Goddelijke kernstof van binnen naar buiten teweeggebracht; en uit dit eeuwige, oneindige licht (dat voor ons duisternis is) werd een geestelijke substantie uitgestraald." (Idra Zutah, II [Zohar], aangehaald in Isis Ontsluierd, II, 253).

Toen zij begon te 'sepheren' (cijferen) - dat wil zeggen tellen of haar kracht ontvouwen - bracht de eerste Sephira, Kether, de tweede Sephira voort: Chokmah - Wijsheid.
De duade, de eerste en tweede Sephiroth, ontvouwde haar krachten verder en emaneerde de derde: Binah - Intelligentie, ook wel vertaald met Begrijpen.
De triade (de eerste, tweede en derde) bracht voort de vierde Sephira: Chesed - Genade, ook wel genoemd Liefde of Grootheid.
Het viertal (de eerste, tweede, derde en vierde) emaneerde de vijfde Sephira: Geburah - Macht, ook genoemd Gerechtigheid.
Dit vijftal Sephiroth (bestaande uit de eerste, tweede, derde, vierde en vijfde) bracht voort de zesde Sephira: Tiphereth - Schoonheid.
Het zestal (bestaande uit de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde Sephiroth) bracht voor de zevende Sephira: Netzah - Standvastigheid, ook wel Overwinning.
Uit dit zevental (de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende) kwam de achtste Sephira voort, Hod - Pracht.
Daarna bracht dit achttal (de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste) de negende Sephira, Jesod - Fundatie, voort.
Tenslotte emaneerden de negende Sephira plus de krachten van de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en de achtste Sephiroth, de tiende en laatste Sephira, namelijk Malkuth - Koninkrijk.

(Het stelsel van het afdalen van de Sephiroth, om de Kabbalistische zegswijze te gebruiken, hoewel het idee juister wordt weergegeven door de woorden 'het ontvouwen van elke Sephira door emanatie' - is hier in detail beschreven omdat het een van de hoofdleringen van de Esoterische Wijsbegeerte zo goed weergeeft, namelijk die van het tot aanzijn komen door emanatie. Het verschaft ons een sleutel tot het begrijpen van het zich ontvouwen van de zeven Element-Principes, de zeven Loka-Talas en ook de Zeven Beginselen van de Mens - het onderwerp van hoofdstuk VI.)

Soms wordt de Boom der Sephiroth afgebeeld als drie zuilen, die elk uit een triade bestaan, met daarboven de eerste Sephira, de Kroon (Kether) en wel op de volgende wijze:

Kether - Kroon
Linkerzuil Middelste zuil Rechterzuil
Zuil van gerechtigheid Zuil van Genade
Binah - Begrijpen Tiphereth - Schoonheid Chochmah - Wijsheid
Geburah - Gerechtigheid (Macht) Jesod - Grondslag Chesed - Genade (Liefde)
Hod - Glans Malkuth - Koninkrijk Netzah - Standvastigheid
(Overwinning)

De namen of de betekenissen daarvan - die klaarblijkelijk verheven eigenschappen aanduiden - zijn op zich niet belangrijk, maar zij geven machten en krachten aan, die verantwoordelijk zijn voor het tot openbaring brengen van het heelal voor een periode van werkzaamheid.
"De Boom der Sephiroth is het Heelal en in het westen verpersoonlijkt Adam Kadmon dat, evenals Brahma in India." (Fr. I 274; Terw. I 450).

De Westerse Kabbalisten beschouwen Adam Kadmon als de Archetypische Mens of de 'Hemelse Mens' en plaatsen de tien Sephiroth op verschillende plaatsen van het menselijke lichaam. Een opvatting echter, meer in overeenstemming met de Oosterse Kabbala, zou zijn Adam Kadmon te beschouwen als de Derde Logos - de gedachte die in het Hindoe-stelsel in verband wordt gebracht met Brahma, zoals in bovenstaand citaat wordt gezegd. Verder zien we, wanneer we in gedachten houden dat alle Sephiroth met elkaar zijn verbonden doordat ze door emanatie zijn ontstaan, dat er een bewuste, voortdurende wisselwerking tussen hen is en op die manier wordt de wisselwerking aangegeven tussen alle graden van wezens in het geopenbaarde heelal.

terug naar de Inhoud

4. Het Hiërarchische Getallenstelsel van Pythagoras
Laten wij nu eens een ander stelsel bekijken, dat ook werkt met getallen, samengevat in de Tetraktys, de 'Heilige Vier' van de Pythagoreërs, die door hen zo hoog in ere gehouden werd, dat hij deel uitmaakte van hun heiligste eed. De Pythagorese School vertegenwoordigt een van de meest mystieke scholen die door de oude Grieken werden voortgebracht. Hun plechtige eed toont dit aan en deze bevat ook de sleutel tot de innerlijke betekenis van de Tetraktys: "Ja, bij de Tetraktys, die onze ziel de bron gegeven heeft, die de wortels van de immer-stromende natuur bevat."
De resultante van de heilige Tetraktys geeft de mystieke Decade: eerst het punt, dan de lijn, dan het vlak, dan de kubus of het vierkant: 1+2+3+4=10. Dit kan worden aangetoond door de manier waarop de Tetraktys werd afgebeeld, speciaal betekenisvol wanneer ze in de driehoek werd geplaatst: eerst het punt, alleen aan de top van de driehoek, die de Ene, de Monade, symboliseerde; gevolgd door de duade (de lijn), twee afzonderlijke punten; dan de triade (het vlak) in drie afzonderlijke punten; en tenslotte het viertal, vier afzonderlijke punten:1+2+3+4=10.

De wortels van de immer-vloeiende natuur symboliseren het in de openbaring komen van het heelal. Het Tetragrammaton, het heillige woord, bestaande uit vier letters, dat door de Kabbalisten werd gebruikt om de Godheid aan te duiden, werd op een dergelijke wijze weergegeven: in plaats van het punt of de stip werd de 'heilige' Hebreeuwse letter jod gebruikt:
"De Tetraktys symboliseert het Heelal in de beroemde Pythagorese Decade. Het bovenste enkele punt is een Monade en stelt een Eenheids-Punt voor, dat de Eenheid is, waaruit alles voortkomt en alles is van hetzelfde inwezen als zij. Terwijl de tien punten binnen de driehoek de wereld der verschijnselen voorstellen, zijn de drie zijden van de gelijkzijdige driehoek, welke de pyramide van punten omvatten, de slagbomen van de noumenale Stof of Substantie, die haar van de wereld der Gedrachte scheiden." (Fr. I 508; Terw. I 793).

Het is zeker waar dat de volledige betekenis van het Pythagorese stelsel niet voor de hand ligt en de oplossing is nooit vrijgegeven. De reden hiervoor, als ook de betekenis van het getal 10, wordt in de volgende zin gegeven:
"De 10 was als heilig getal van het heelal geheim en esoterisch." (Fr. I 280; Terw. I 461).

Het zelfde kan worden gezegd van het Kabbalistische stelsel dat hier vóór het Pythagorese gegeven werd: alleen de uiterlijke vorm, de emanaties van de Sephiroth en hun namen werden naar buiten toe vrijgegeven. De innerlijke betekenis blijft nog steeds verborgen en geheime kennis. Dat neemt niet weg dat in deze schets verborgen aspecten van Chaldeeuwse wijsheid bewaard zijn gebleven. Het zal nu dus duidelijk zijn, dat er achter deze twee sleutels veel meer steekt dan men er oppervlakkig beschouwd aan ziet, al bekijkt elk stelsel de hiërarchische opbouw van het heelal vanuit een ander standpunt. Er is nog een citaat, dat zal aantonen, dat er nog een andere manier is om de Pythagorese Tetraktys te bezien, dan die reeds werd gegeven:
"Van het eerste begin der Aeonen af - in de tijd en de ruimte van onze Ronde en Bol - zijn de Geheimenissen der Natuur (in elk geval die, waarvan de kennis voor onze volkeren oorbaar is) door de leerlingen van diezelfde thans onzichtbare 'hemelse mensen' in meetkundige figuren en symbolen opgetekend. De sleutels daarvan zijn van het ene geslacht van 'wijze mannen' op het andere overgegaan. Enkele van deze symbolen zijn aldus van het oosten naar het westen overgegaan, uit het oosten meegebracht door Pythagoras, die niet de uitvinder van zijn vermaarde 'Driehoek' was.
De laatste figuur, zomede het vlak, de kubus en de cirkel zijn welsprekender en wetenschappelijker beschrijvingen van de orde der evolutie van zowel het geestelijke en psychische als stoffelijk Heelal, dan boekdelen van beschrijvende Cosmogonieën en geopenbaarde 'boeken van Genesis'. De tien punten in die 'Pythagorese driehoek' aangebracht, wegen op tegen alle theogonieën en angelologieën, welke ooit uit het theologisch brein voortkwamen. Want hij, die hen vertolkt - zoals ze daar staan en in de gegeven volgorde - zal in deze zeventien punten (de zeven Wiskundige Punten zijn verborgen) de ononderbroken reeks genealogieën vinden van de eerste Hemelse mens tot aan de aardse.
En evenals zij de volgorde der Wezens aangeven, zo ontsluieren zij de volgorde waarin Kosmos, onze aarde en de oorspronkelijke elementen, waardoor deze laatste voortgebracht werd, geëvolueerd zijn. Verwekt in de onzichtbare Diepten en in de schoot van dezelfde 'Moeder' als haar mede-bollen - zal degene, die de geheimenissen van onze Aarde meester wordt, die van alle andere hebben verworven." (Fr. I 505; Terw. I 788-789).

Aangezien de sleutel tot de oplossing van het gehele mysterie van het hiërarchische stelsel, dat in de Tetraktys is samengevat, niet gegeven wordt, zal misschien het Syrische schema van het heelal in de vorm van een hiërarchie begrijpelijker zijn.

terug naar de Inhoud

5. Het Syrische Schema van de Hiërarchische Opbouw van het Heelal
Nadat bij het beschrijven van de hierboven genoemde systemen de tabelvorm is gebruikt, zal nu een andere manier gegeven worden, waannee we zullen trachten de gedachten weer te geven die opkomen wanneer men opziet naar de zich steeds verder uitstrekkende diepten van de nachtelijke hemelen. Daarbij dringt zich de gedachte aan ons op, dat er miljarden en miljarden sterren stralen in dat onmetelijke uitspansel, terwijl toch iedere ster in harmonie moet zijn met het grote Doel van het Al en dat elke ster een uiting is van de werking van het Goddelijk Plan.
De lezer moet zich het Syrische stelsel van hiërarchieën voorstellen als een aantal concentrische bollen, die zich steeds verder in de ruimte uitstrekken, waarbij de Aarde de middelste bol is, omdat natuurlijk de hemelen van onze bol af bekeken worden. Om de bol van de Aarde ligt weer een bol, die de Maan genoemd wordt, en dit gebied wordt beheerst door de Engelen - om de corresponderende term uit de Christelijke hiërarchie te gebruiken (reeds uitgelegd). Rondom de bol van de Maan is die van Mercurius, die wordt geregeerd door de Aartsengelen. De derde bol, Venus, staat onder heerschappij van de Vorstenheden.
In de vierde, de Zon genaamd, zijn de machtigste goden van het stelsel gesitueerd - de zonnegoden van alle volkeren. De vijfde, Mars, wordt geregeerd door de Krachten. De zesde, Jupiter, wordt geregeerd door de Heerschappijen;
de zevende, Saturnus, door de Tronen. Om de bol van Saturnus ligt de achtste, de bol van de 1122 sterren genaamd - het domein van de Cherubim. De negende cirkel, genaamd de 'Wandelende Sterren' en de 'Ontelbare Sterren" - ofwel de Kometen en de Nevelvlekken - is het rijk van de Seraphim. De tiende bol - de 'Onzichtbare Sterren' - wordt voorgesteld als de Melkweg.

In de schematische weergave van het Syrische stelsel, gezien vanuit het standpunt van de concentrische bollen, zijn we uitgegaan van onze zichtbare wereld en hebben we onze gedachten laten opwieken in de uitgestrekte rijken van het onzichtbare. Maar dit is niet het 'einde', daar ook in het Syrische stelsel zelf wordt verklaard, dat achter de Onzichtbare Sterren de onbegrijpelijke Oceaan van het Oneindige begint, die geen grens of einde heeft. De Onzichtbare Sterren geven het begin van dit heelal aan.
Om dit plan van het heelal te kunnen bezien in een toestand van werkzaamheid gedurende een periode van activiteit (of een Manvantara of een periode van openbaring) moeten we dit bekijken als een nederdaling van de hiërarchieën en wel als volgt:
De Goddelijke Kracht begint met het openbaren van de Primordiale Essentie als 'Onzichtbare Sterren' in de Melkweg, die de Nevelvlekken en Kometen (de 'Wandelende Sterren') emaneren, waaruit voortkomen de '1122 Vaste Sterren' - deze drie stadia symboliseren de bollen (of gebieden) zonder vorm. Afdalend uit de gebieden zonder vorm, bereikt de uitstorting de gebieden van vorm, waarin de zonnestelsels zich openbaren.
Het begrip heelal is niet beperkt tot slechts een enkel zonnestelsel. Ons zonnestelsel is er een uit vele en wordt slechts gebruikt als een model, door middel waarvan men zich andere stelsels kan voorstellen, die elk hun eigen planeetstelsels bevatten - in ons geval verdeeld in Zeven planeetgebieden, waarbij elk gebied afgebeeld wordt als een bol, die overeenkomt met een van de Zeven Heilige Planeten van de ouden. Deze 'nederdaling' van de goddelijke uitstorting naar het zonnestelsel en achtereenvolgens elk van de planeten van dit stelsel is de oorzaak van het tot aanzijn komen van de kosmos en alle planeten - onze Aarde daarbij inbegrepen.

terug naar de Inhoud

6. De Hiërarchische Opbouw van de Aarde
Laten we nu de hiërarchische opbouw van onze wereld bestuderen en daarbij beginnen met het stelsel dat beschreven werd door de Grieken en dat werd onderwezen in de school van Plato en daarna door de Pythagoreeërs en de Neo-Platonisten (laatstgenoemden gebruiken dikwijls eigen benamingen, hoewel ze daarmee uitdrukking geven aan dezelfde gedachten).
De hyparxis (die of de top of de hoogste van een hiërarchie aanduidt) werd het Goddelijke genoemd en gaf de eerste of hoogste trap weer; de tweede, benedenwaarts geteld, werd genoemd de Goden - het Geestelijke; de derde, de Halfgoden, ook wel genoemd de Goddelijke Helden; de vierde, de Helden (mensen met zeer hoogstaande eigenschappen - eminente voorbeelden van het mensdom); de vijfde, de Mensen - het mensenrijk; de zesde, het dierenrijk; de zevende, de plantenwereld; de achtste, de mineralenwereld; de negende, de Hades - dit kunnen we de Elementalenwereld noemen.
Men neme er nota van dat in deze opsomming de familie der mensen in het midden van dit hiërarchische stelsel geplaatst is en op deze wijze het evenwicht tussen geest en stof symboliseert. Wat ook opvalt is dat er slechts negen stadia of graden worden genoemd; de oorzaak hiervan kan als volgt worden uiteen gezet.
De negen stadia werden beschouwd als afhangend van de hiërarchie die boven dit stelsel stond, hangend aan de laagste graad van die hogere hiërarchie; zo vormt deze laagste graad, alhoewel hoger dan de hoogste van het lagere stelsel, de verbindingsschakel tussen deze twee hiërarchieën. Deze Boven-Hemelse of Super-Goddelijke graad maakt het tienvoudige schema van deze hiërarchie compleet.

Dit aaneenschakelen van de ene hiërarchie met de volgende en van die volgende met de hiërarchie, die daar boven staat, geeft een eindeloze reeks van hiërarchieën, zowel omhoog als omlaag geredeneerd. Dan is dus ook elke trede of elk stadium verbonden met de naast hogere, zowel als met de naast lagere trede. Aangezien alle treden op dezelfde wijze aaneen geschakeld zijn, zijn ze alle met elkaar verbonden.
Vanuit dit standpunt bezien is er geen enkel onderdeel van het heelal dat afgescheiden is en op zichzelf staat; alles leeft en beweegt en heeft zijn bestaan in 't leven van een of ander groter wezen. Dit is de fundamentele gedachte, die ten grondslag ligt aan de Leer van de Hiërarchieën.

Een voorbeeld zal helpen de betekenis van deze opmerking te verduidelijken. Het menselijk lichaam is, van esoterisch standpunt bezien, samengesteld uit scharen van Jivanus ('levensatomen'), waarvan elk zijn eigen individuele leven leidt en toch deel uitmaakt van de hiërarchie die het 'veld' van het menselijk lichaam gebruikt als zijn 'tehuis'. Elk menselijk wezen is een individu, dat probeert zijn eigen leven op zijn eigen manier te leiden en tegelijkertijd is elk mens een deel van de hiërarchie van het Mensenrijk, die het 'veld' van de Aarde gebruikt als zijn tehuis.
Het Mensenrijk is slechts een van tien klassen of rijken, die alle delen zijn van een Grote Hiërarchie, die het veld van de planeet Aarde (de Planeetketen van de Aarde) benut als zijn 'tehuis". De planeet Aarde maakt onderdeel uit van de grote hiërarchie van Planeten, die het veld van het Zonnestelsel als hun tehuis gebruiken. De Zon behoort tot de hiërarchische groep van Zonnen (twaalf in getal) die hun tehuis hebben in het Universele Zonnestelsel. Het Universele Zonnestelsel is één van een hiërarchische groep van universele zonnestelsels, die het veld van een Raja-zon als tehuis gebruiken. En deze reeks van hiërarchieën houdt hiermee nog niet op, maar kan eindeloos worden voortgezet.

terug naar de Inhoud

7. Verklaring van de schematische weergave van de Levensladder
Dit schema is een poging de idee van het opstijigen van de Monaden langs de Levensladder duidelijk te maken. Voordat een Monade echter kan beginnen de Levensladder te beklimmen, moet zij nedergedaald zijn - dat wil zeggen, afgedaald uit een goddelijke oerbron. De afdaling brengt haar naar de laagste regionen van de Hiërarchië, naar de laagste sport van de Levensladder.
De Levensladder is afgebeeld in de vorm van een driehoek met tien sporten. Elke sport staat voor een zekere graad van evolutionaire ontwikkeling. Deze graad van ontwikkeling wordt gekarakteriseerd door een schare of klasse van Monaden, die één hiërarchische groep of één Natuurrijk voorstellen. De driehoekige vorm van de Ladder is zo gekozen, om daardoor de aandacht te vestigen op de punt of het toppunt, die de hoogste graad aangeeft die de complete Hiërarchie kan bereiken, technisch genoemd de Hyparxis - hetgeen inhoudt het hoofd of het toppunt van die hiërarchie.
Dit Grote Wezen wordt genoemd de Planeetlogos of de Stille Wachter van de Planeet. Men dient in gedachten te houden dat er voor elk van de Bollen, waaruit een Planeetketen bestaat, een dergelijke Wachter is. Boven de Levensladder is een cirkel, die een gouden bol moet voorstellen - de Bron van het Zijn. Men kan dit Paramatman (het Universele OerAtman) noemen, aangezien dat staat voor de Bron van Atman - het zevende beginsel, dat één is met de Universele Geest.
"Zij, Atman, is die homogene vonk, die in millioenen stralen uit de oorspronkelijke 'Zeven' straalt. ... Zij is de uit de ongeschapen Straal voortvloeiende vonk - een geheimenis." (Fr. I 468; Terw. I 734).

Of, op mystieke wijze uitgedrukt in de allegorische bewoordingen, die aangehaald zijn uit het Chun-Tsiu:
"Op zekere nacht hielden de sterren op in de duisternis te schijnen en zij verlieten die en vielen gelijk regen op aarde neder, waar zij thans verborgen zijn. Deze sterren zijn de Monaden." (Fr. II 428; Terw. I 599).

De nederdaling van de Monaden is afgebeeld door middel van de 'vallende stralen'. Wanneer zij op de Aarde nedergedaald zijn, beginnen de Monaden hun cycli en maken dan hun grote evolutionaire reis, die bekend staat als de Kringloop van Noodzakelijkheid. Het is hun doel tot een zelf-bewust, onafhankeljjk bestaan te komen (zoals uiteen gezet is in de derde grondstelling, die zal worden behandeld in hoofdstuk V).
De evolutionaire reis bestaat uit het bestijgen van de Levensladder tot aan het toppunt daarvan. De laagste sport van de Levensladder symboliseert de laagste rang van de Hiërarchie en staat voor het Derde Elementale Rijk, het derde uit het oogpunt van afdaling, niet uit het oogpunt van oorsprong. De klasse van wezens die zich op de tweede sport bevindt, van onder af geteld, staat bekend als het Tweede Elementale Rijk; terwijl de derde sport van de Ladder de graad is die het Eerste Elementale Rijk bereikt heeft.
Deze drie Klassen zijn, alhoewel voor ons onzichtbaar en daarom de Ongeopenbaarde Natuurrijken genoemd, toch lager in evolutie dan de eerste van de Geopenbaarde Rijken - het Minerale Rijk, dat op de vierde sport van de Ladder staat. In de naast hogere Klasse:
"(begint) de 'Monadische Essentie' zich in het plantenrijk onmerkbaar in de richting van individueel bewustzijn te differentiëren." (Fr. I 139; Terw. I 242).
Dit proces zet zich voort op de volgende sport van de Ladder - vertegenwoordigd door het Dierenrijk. Volledig individueel bewustzijn wordt bereikt in het Mensenrijk, op de zevende sport van de Levensladder. De drie hoogste sporten symbboliseren de drie Rijken der Dhyani-Chohans.

terug naar de Inhoud

8. De Hiërarchische Levensladder
Om tot onze Aarde terug te keren: het hiërarchische stelsel van onze wereld, zoals dat in De Geheime Leer gegeven wordt, bestaat uit tien Klassen of Rijken. Deze tien Klassen vormen een Levensladder - of een Ladder van het Zijn. Elk Rijk is een trede of een stadium op deze Levensladder en verschaft het middel waardoor de wezens, die zich op een bepaalde sport van de Levensladder bevinden, de nodige ervaringen op kunnen doen voor dat stadium van ontwikkeling.
Men maakt een denkfout wanneer men de wezens, die onder een van de tien Rijken vallen, beschouwt als wezens die inherent behoren bij dat stadium van de Levensladder, of als wezens, die daar geplaatst zijn door een 'almachtige God". (Zie ook deze passage in De Brieven van de Meesters aan A. P. Sinnett: "Er is geen aparte en voor eeuwig geïnstalleerde orde van Planeetgeesten," blz. 49. De status op iedere sport van de Levensladder wordt bereikt door middel van evolutionaire ontwikkeling. Zie hoofdstuk IX.)
De wezens bevinden zich op een bepaalde sport van de Ladder, omdat zij dat stadium in de evolutie hebben bereikt dat hun in staat stelt hun kundigheden en krachten te openbaren op die trede van de Levensladder. De tien Klassen of Rijken zijn als volgt benoemd (te beginnen bij de hoogste en dan afdalend tot en met de laagste Klasse):
1. Klasse I van het Rijk der Dhyani-Chohans
2. Klasse II van het Rijk der Dhyani-Chohans
3. Klasse III van het Rijk der Dhyani-Chohans
4. Het Mensenrijk
5. Het Dierenrijk
6. Het Plantenrijk
7. Het Mineralenrijk
8. Klasse I van het Elementalenrijk
9. Klasse II van het Elementalenrijk
10. Klasse III van het Elementalenrijk

De Klassen 4, 5, 6 en 7 van deze hiërarchie zijn het menselijke, dierlijke, plantaardige en minerale stadium van evolutie op de Levensladder en zijn de ons bekende Natuurrijken, die zich openbaren op het stoffelijke gebied.
De overige zes Klassen zijn, alhoewel gewoonlijk niet waarneembaar voor onze stoffelijke zintuigen, ieder op hun eigen gebied werkzaam. Zo functioneren Klasse 8, 9 en 10 op gebieden die lager liggen dan ons stoffelijk gebied - op het vijfde, zesde en zevende gebied van onze aardse sfeer. (Zie ook Theos. Gloss. onder 'Elementals'). De drie hoogste Klassen de Rijken der Dhyani-Chohans - zijn werkzaam op gebieden die hoger zijn dan ons stoffelijke gebied.

terug naar de Inhoud

9. De Dhyani-Chohans
Het woord 'Dhyani-Chohan' vraagt om een nadere uitleg, omdat het in zoveel betekenissen wordt gebruikt. Het is een Sanskrit-Tibetaans samengesteld woord en het wordt dikwijls verkort tot Dhyan-Chohan (met of zonder streepje) en zelfs tot Dhyani (meervoud Dhyanis).
Het Sanskrit gedeelte ervan is afgeleid van de werkwoordswortel 'dhyai', mediteren, overdenken; het zelfstandig naamwoord 'dhydna' betekent diepzinnige en abstracte, religieuze overpeinzing. Het Tibetaanse woord 'chohan' betekent 'heer'; dus: 'Heren van Overpeinzing'.
Hierin wordt een prachtige gedachte naar voren gebracht, die we als volgt zouden kunnen omschrijven: deze woorden geven de toestand aan, waarin verheven wezens verkeren, die zich geheel overgeven aan de contemplatie van het Goddelijke Plan en de manieren waarop dit kan worden uitgevoerd en bevorderd. In plaats van als 'goden' zou men ze dus kunnen beschouwen als de bewuste, intelligente krachten in de Schepping. In feite zijn zij 'goddelijke, denkende wezens, die belast zijn met de supervisie over de Kosmos'.
(Occulte Woordentolk onder 'Dhyani Chohans': Een samengesteld woord dat 'heer van meditatie' betekent - kosmische geest of planeetgeest. Er bestaan drie klassen van dhyani-chohans, waarvan elke weer in zeven onderklassen is verdeeld. De dhyani-chohans vormen samen één afdeling van die ontelbare menigte spirituele wezens die in vroegere wereldtijdperken of manvantara's tot volledige bloei zijn gekomen. Deze menigte wordt gevormd door mensen die zich in deze vroegere wereldtijdperken heb- ben vervolmaakt en die nu leiding geven aan de evolutie van deze planeet in haar huidige manvantara. Ze zijn onze persoonlijke spirituele heren, leiders en verlossers. Ze zien nu toe op ons in onze evolutie hier, en we volgen op onze huidige cyclische pelgrimstocht het pad van algemene evolutie die door hen in grote lijnen wordt begeleid. De mens is in zijn hogere natuur zelf een dhyani-chohan, een heer van meditatie in wording. Het is zijn bestemming, als hij zijn tocht met succes volbrengt, zich aan het einde van de zevende ronde volledig te hebben ontwikkeld tot een heer van meditatie - tot een planeetgeest - wanneer deze planetaire manvantarische kalpa ten einde is - deze dag van Brahma, die zeven ronden omvat, die elk weer in zeven stadia zijn verdeeld).

Dit woord wordt echter niet in een speciale betekenis gebruikt, maar meer in algemene zin; op deze wijze is het een aanduiding voor elk willekeurig hemels wezen ('hemels' in de zin van in een stadium op de Levensladder, dat hoger ligt dan het Mensenrijk, aangezien dat wezen het menselijk stadium in ver in het verleden liggende tijden heeft doorlopen).
Het zou niet onjuist zijn te term Dhyani- Chohan gelijk te stellen met Planeetgeest, behalve dat esoterisch een Planeetgeest een speciale graad of een speciaal niveau van Dhyani- Chohans aanduidt, namelijk die van een Rector van of Heerser over een Planeet (Planeetketen). Men moet niet vergeten dat, hoewel we voor studie-doeleinden de Dhyani-Chohans in drie grote Klassen of Rijken kunnen verdelen en iedere klasse in weer zeven onder-klassen of groepen, ze toch allen deel uitmaken van een grote Hiërarchie en dat iedere onderklasse een speciale taak te vervullen heeft.

"Deze Stanza gaat voort met een nauwkeurige rangsehikking der Orden van de Engelen-Hiërarchie. Uit de groep van Vier en Zeven komt de 'verstand-geboren' groep van Tien, van Twaalf, van Een en Twintig, enz, deze alle weer verdeeld in onderafdelingen van zeventallen, negentallen, twaalftallen, enz., tot het verstand zich verliest in deze eindeloze opsomming van hemelse scharen en Wezens, waarvan elk zijn bepaalde taak heeft in het besturen van de zichtbare Kosmos zodang deze bestaat." (Fr. I 101; Terw. I 185-186).

Het zou geen zin hebben te proberen woorden met een gelijkwaardige betekenis zoals die in De Geheime Leer voorkomen, te geven, daar, hoewel er een groot aantal synoniemen wordt gebruikt, zij altijd een bepaalde betekenis hebben, die betrekking heeft op een speciale graad of een speciale functie. Daar zijn bij voorbeeld de Zonnepitris en de Maanpitris: beide zijn klassen van Dhyani-Chohans; het bepalende voorvoegsel geeft ons de sleutel tot hun graad en functie. Het woord dat er waarschijnlijk het dichtst bij komt en dat in dezelfde algemene betekenis gebruikt wordt, is het Tibetaanse woord Lhas, hoewel het in H.P.B.'s bedoeling lag, zoals zij zegt in haar Glossary, om Lhas te gebruiken met betrekking tot de 'geesten van de hogere gebieden'.
Een paar citaten zullen ons tonen welke rol deze Grote Wezens spelen in het drama van het Heelal en in de uitvoering van het Goddelijke Plan. Er zijn er die toezicht houden en er zijn er die het Heelal daadwerkelijk doen ontstaan: als zodanig zijn de Dhyani-Chohans de 'nooit-rustende Ademen'. Allereerst zullen wij echter ons onderwerp enigszins verduidelijken - door een practisch voorbeeld te gebruiken. Wanneer een aannemer een gebouw wil zetten, laat hij eerst een blauwdruk maken door een architect. Dan neemt hij arbeiders (timmerlieden, metselaars, electriciens, loodgieters, decorateurs, enz.) aan, die de plannen zullen uitvoeren. Niettegenstaande dit is hij nog altijd degene die het toezicht heeft over het gehele project.

"De AH-HI (Dhyan-Chohans) zijn de gezamenlijke scharen geestelijke wezens - de Engelen-Scharen van het Christendom, de Elohim en 'Boodschappers' van de Joden - die het voertuig zijn voor de open- baring der goddelijke of universele gedachte en wil. Zij zijn de Verstandelijke Krachten, die haar 'wetten' geven aan en uitvoeren in de Natuur, terwijl zijzelf handelen overeenkomstig wetten, die hen op gelijke wijze zijn gesteld door nog hogere Machten; maar zij zijn niet de 'verpersoonlijkingen' van de krachten der Natuur, zoals verkeerdelijk wordt gedacht.
Deze hiërarchie van geestelijke Wezens, waardoor het Universeel Denkvermogen in werking komt, is gelijk een leger - waarlijk een 'Heerschaar' - waardoor de strijdkracht van een volk zich openbaart en dat is samengesteld uit legerkorpsen, divisies, brigades, regimenten, enz, elk met zijn afgescheiden individualiteit of leven en zijn beperkte vrijheid van handelen en beperkte verantwoordelijkheden; elk deel uitmakend van een grotere individualiteit, waaraan zijn eigen belangen ondergeschikt zijn en elk kleinere individualiteiten in zich bevattend." (Fr. I 33; Terw. I 84-85).

Of, zoals reeds eerder werd opgemerkt, alles leeft en beweegt en heeft zijn bestaan binnen het leven van een groter wezen. Bovenstaand citaat geeft niet alleen weer wat de Dhyani-Chohans doen, maar het geeft eveneens op een praktische manier een uitstekend voorbeeld van de werkwijze van een hiërarchie: die van een leger. Ook in de zakenwereld vindt men het bewijs van het feit dat het hiërarchische stelsel zeer bruikbaar is, wanneer het erom gaat tastbare resultaten voort te brengen.
Zoals in voorgaand citaat is uiteengezet, zijn de Dhyani-Chohans de 'bewuste' zijde van de Natuur, daar zij de uitvoerders zijn van de Goddelijke Wetten. Het uitvoeren van deze Wetten geschiedt door wat gewoonlijk de 'natuurkrachten' wordt genoemd, die het openbarende aspect van de Natuur of de 'stof' zijde vertegenwoordigen. Deze 'Krachten' worden nader verklaard:

"Zij zijn tweevoudig van aard, omdat zij zijn samengesteld uit (a) de redeloze ruwe energie, inwonend in de stof, en (b) de verstandelijke ziel of het Kosmische bewustzijn, dat die energie bestiert en leidt, en dat de Dhyani-Chohanse gedachte is, welke de Ideatie van het Universele Denkvermogen weerkaatst. Tijdens de manvantarische tijdperken is het gevolg hiervan een gestadige reeks van stoffelijke openbaringen en zedelijke gevolgen op Aarde, aangezien het geheel aan Karma onderworpen is." (Fr. I 214; Terw. I 360-361).

We willen in het bijzonder de aandacht vestigen op de woorden die in dit citaat cursief gedrukt zijn. Er is gezegd, dat het Universele Denkvermogen altijd is, terwijl de Kosmische Ideatie de indrukken van het Universele Denkvermogen gedurende het gehele manvantara weerkaatst. Dan weerkaatst de gedachte van de Scharen van Dhyani-Chohans de weerspiegeling van de Kosmische Ideatie en werkt als de leidende kracht op de Lagere Wezens in - die wij de Wetten en Krachten der Natuur plegen te noemen. Deze Krachten openbaren zich op hun beurt als resultaten in de wereld der verschijnselen of de zichtbare wereld en vertegenwoordigen op deze wijze de werking van de Wet van het Herstel van Evenwicht - Karma.
Wat betreft de feitelijke uitwerking die op Aarde wordt bewerkstelligd: deze is ongetwijfeld een gevolg van niet uitgewerkte reeksen van energieën, die in een voorgaand planeetstelsel (de Maanketen, waarvan de Aardketen de wederbelichaming is) voortgebracht zijn en dus als Karma uitwerken op deze Aarde.

De verschijnselen op Aarde - die zich dikwijls op onaangename wijze openbaren met als resultaat verlies van leven of bezit en die zo aspecten van de Wet van het Herstel van Evenwicht vertonen - worden voortgebracht door de wisselwerking tussen de Wezens die de bewuste zijde uitmaken - de uitvoerders van de Wetten - en de tweevoudige Krachten, die hierboven verklaard zijn. De mensen worden hierdoor beïnvloed, omdat zij verbonden zijn met alle Natuurrijken. Men dient ook in gedachten te houden dat deze rijken eveneens worden beïnvloed door aardse verschijnselen.
Een verdere verklaring kan men vinden door de twee belangrijkste activerende oorzaken van bestaan (gezien van het standpunt van de Esoterische Wijsbegeerte) te bestuderen, namelijk de Krachten van Aantrekking en Afstoting, ook genoemd middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten. Zij worden in het nu volgende citaat 'tegengestelde Krachten' genoemd:

"Bovendien zien [de Occultistenl in deze twee tegengestelde Krachten slechts de twee aanzichten van de universele eenheid, het 'openbarende denkvermogen' geheten, in welke aanzichten het Occultisme door middel van zijn grote Zieners een talloze Schare werkende Wezens waarneemt: Kosmische Dhyani-Chohans, Entiteiten, welker inwezen, tweevoudig van natuur, de Oorzaak van alle aardse verschijnselen is. Want dat inwezen is één van wezen met de universele Electrische Oceaan, die het leven is en omdat het tweevoudig - positief en negatief - is, zoals wij gezegd hebben, zijn het de uitvloeiingen van die tweevoudigheid, welke thans op aarde optreden onder de naam 'wijzen van beweging', daar men tegenwoordig zelfs bezwaar maakt tegen het woord Kracht, uit vrees dat het de een of ander, zij het zelfs ook maar in zijn denken, kracht van stof zou doen scheiden! Het zijn, zoals het Occultisme zegt, de tweevoudige uitwerkselen van die twee-voudige essentie, welke men nu middelpuntzoekende en middelpuntvliedende kracht, negatieve en positieve polen of polariteit, warmte en koude, licht en duisternis, enz. genoemd heeft." (Fr. I 497; Terw. I 776).

De belangrijkste factor in de Leer van de Hiërarchieën is het feit dat in werkelijkheid alle wezens met elkaar verbonden zijn en een onverbrekelijke keten vormen, omdat alles zijn wortels heeft in het Ene Leven. De verschillende niveaus op de Levensladder, waarvan elk een natuurrijk omvat, geven de graden van ontwikkeling aan, die bereikt kunnen worden in de Grote Cyclus van Evolutie. De onderlinge verwantschap van alle rijken, waardoor de Wet van Wezenlijke Eenheid bewezen wordt, werd op bewonderenswaardige wijze beschreven in deze korte alinea:

"Van Goden tot mensen, van Werelden tot atomen, van een ster tot een nachtpitje, van de Zon tot de levenswarmte van het geringste organische wezen - is de wereld van Vorm en Bestaan een onmetelijke keten, waarvan de schakels alle aaneengehecht zijn. De wet der Analogie is de eerste sleutel van het Wereldvraagstuk en men moet deze schakels samenschikken en in hun onderlinge, occulte verband bestuderen." (Fr. I 498; Terw. I 777).

De schakels van die enorme keten, waarvan hier sprake is, zijn in werkelijkheid de wezens, die de hiërarchische Levensladder vormen, zoals ze hiervoor zijn opgenoemd. Het is van het allerhoogste belang, dat men dit aspect van de Leer der Hiërarchieën goed begrijpt. Behalve dat ze verantwoordelijk zijn voor het teweeg brengen van oorzaken, die zich op Aarde op verschillende manieren openbaren als gevolgen, staat de Aarde zelf, evenals alle planeten, zo goed als alle bollen die de planeetketens vormen, onder leiding van een Rector of Heerser of Wachter - die genoemd wordt de Planeetlogos of Planeetwachter, of ook wel de voornaamste Planeetgeest of Dhyani. Elke planeet heeft zijn eigen 'Ronde' of periode van werkzaamheid - een Planetair Manvantara - en doorloopt zijn cyclus in zeven Ronden.

"Wederom moet worden verklaard en in herinnering gebracht, dat evenals het werk van elke Ronde, naar gezegd wordt, toegedeeld wordt aan een bepaalde groep van zogenaamde 'Scheppers' of 'Bouwmeesters', dit ook met elke bol het geval is; dat wil zeggen, het geschiedt onder toezicht en leiding van speciale 'Bouwers' en 'Wachters' - de verschillende Dhyani-Chohans." (Fr. I 178; Terw. I 305).

Bovendien zijn er nog verhevener wezens:

"Zij zijn Wezens van de hogere werelden in de hiërarchie van het Zijn, zo onmetelijk hoog, dat zij ons Goden moeten toeschijnen, en gezamenlijk genomen - God." (Fr. 104; Terw. I 189).

Op een wat lagere trap van evolutie hebben niet alleen de Ronden en Bollen, maar ook de volkeren hun Heersers, in feite

"[heeft] ieder volk en iedere natie, zoals wij reeds hebben gezegd, een onmiddellijke Behoeder, Beschermer en Vader in de Hemel - een Planeetgeest." (Fr. I 473; Terw. I 741).

Er is een nog belangrijker verbinding tussen de Dhyani-Chohans en het Mensenrijk, maar het bespreken van dat onderwerp vergt veel tijd en we zullen er in latere hoofdstukken op terugkomen. Maar we kunnen hier een zekere verwantschap even aanstippen, aangezien deze rechtstreeks betrekking heeft op het onderwerp dat we nu bespreken. Met betrekking tot werelden die hoger zijn dan de Aarde en de Wezens die in deze verheven gebieden thuishoren:

"Er wordt ons geleerd, dat de zeven orden van zuiver goddelijke Geesten tot de hoogste dezer werelden behoren; tot de zes lagere werelden behoren hiërarchieën, die bij voorkomende gelegenheid door mensen kunnen worden gezien en gehoord en die inderdaad met hun nakomelingen op Aarde in verbinding staan; een nakomelingschap, die onverbrekelijk met hen verbonden is, daar elk beginsel in de mens zijn onmiddellijke oorsprong heeft in de natuur van deze grote Wezens, die ons voorzien van de overeenkomstige onzichtbare elementen in ons." (Fr. I 104-105; Terw. I 190).

Zo is de mens dus door de medewerking van hogere wezens in staat op aarde werkzaam te zijn op de manier waarop hij gewoon is dat te doen. Nadat zij de mens door zijn meest kritieke periode in deze Ronde heen heeft geholpen, zet deze grote Hiërarchie haar hulpverlening nog steeds voort op een wijze waarop men dit misschien niet zou verwachten: door degenen, die het gebied van de levenden verlaten, terzijde te staan.

"De Dhyani-Chohans, die geen rol spelen in het leiden van het levende menselijke Ego, beschermen het hulpeloze slachtoffer wanneer het op gewelddadige wijze uit zijn element in een nieuw geslingerd wordt, voordat het tot wasdom gekomen is en er geschikt en klaar voor is. We vertellen u wat wij weten, want wij moeten dit door persoonlijke ervaring leren." (Brieven van de Meesters aan A. P. Sinnett, 140).

Ook de andere natuurrijken worden geholpen door de Dhyani-Chohans. In het geval van de drie laagste rijken, die voor onze ogen ook onzichtbaar zijn, bestaat er een duidelijke wisselwerking, want, geleid door de intelligentie van de Dhyani-Chohans, worden de Elementalen de secundaire oorzaken die aardse verschijnselen teweeg brengen. Het volgende citaat legt dit zo duidelijk uit, dat wij, hoewel het wat lang is, het hier in zijn geheel laten volgen, om de 'innerlijke' werking van de hiërarchische Ladder naar voren te brengen. Verder geeft deze passage een uitleg van iets, wat door geen enkele wetenschappelijke opvatting wordt verklaard, namelijk het functioneren van het heelal.

"De lezer moet indachtig zijn, dat volgens onze leer, die dit Heelal van verschijnselen als een grote Begoocheling beschouwt, een lichaam des te meer tot de werkelijkheid nadert, naarmate het dichter bij de 'onbekende substantie' komt, als zijnde des te verder verwijderd van deze wereld van Maya. Hoewel de moleculaire gesteldheid van deze lichamen niet kan worden afgeleid uit hun openbaringen op dit gebied van bewustzijn, bezitten zij daarom niettemin, van het standpunt van de adept-Occultist gezien, in het betrekkelijk noumenale - als tegengesteld aan het fenomenale - Heelal een onderscheidbare objectieve, zoal niet stoffelijke bouw.
Mannen van wetenschap mogen ze door stof voortgebrachte Kracht of Krachten noemen of 'wijzen van haar beweging', warmeer zij dat verkiezen; het Occultisme ziet 'Elementalen' (krachten) in deze gevolgen en met verstand begaafde goddelijke werkers in de onmiddellijke oorzaken, die ze teweegbrengen. De innige verbinding van deze Elementalen (geleid door de nooit falende hand der Bestierders) - hun wisselbetrekkingen zouden wij kunnen zeggen - met de elementen van zuivere Stof heeft onze aardse verschijnselen als licht, warmte, magnetisme, enz., enz., tengevolge.
Wij zullen het natuurlijk nimmer eens zijn met Amerikaanse Substantialisten, die elke Kracht en Energie - hetzij Licht, Warmte, Electriciteit of Cohesie - een 'Wezen' noemen, want dit zou gelijkstaan met het gedruis, voortgebracht door het rollen van de wielen van een wagen, een Wezen te noemen - aldus het 'gedruis' verwarrende met de voerman buitenop en het leidende 'Meester-Verstand' binnenin het voertuig.
Maar wij geven die naam zeer zeker aan de 'voerlieden' en aan die leidende 'Verstandswezens' - de heersende Dhyan-Chohans, zoals is aangetoond. De 'Elementalen', de Natuurkrachten, zijn de handelende, hoewel onzichtbare of beter onwaarneembare, secundaire Oorzaken en zelve de gevolgen van primaire Oorzaken achter de Sluier van alle aardse verschijnselen. Eleetriciteit, licht, warmte, enz. zijn terecht de 'Geesten of Schaduwen van Stof in Beweging' genoemd, dat wil zeggen bovenzintuiglijke toestanden van de stof, waarvan wij slechts de gevolgen kunnen kennen.
Om derhalve de hierboven gegeven vergelijking verder uit te spinnen: de gewaarwording van licht komt overeen met het geluid van de rollende wielen - zuiver een gevolg van een verschijnsel, dat geen bestaan heeft buiten de waarnemer. De onmiddellijk aandrijvende oorzaak van de indruk kan vergeleken worden met de voerman - een bovenzinnelijke toestand van stof in beweging, een Natuurkracht of Elementaal. Maar daarachter - evenals de eigenaar van het rijtuig, die van binnen uit de voerman de richting aangeeft - staan de hogere en noumenale oorzaken, de Intelligenties, uit wier inwezen die 'Moeder'-Toestanden voortkomen, die talloze miljarden Elementalen of psychische Natuurgeesten voortbrengen, evenals elke waterdroppel zijn uiterst kleine stoffelijke infusoriën voortbrengt." (Fr. I 114; Terw. I 204-205).

Het onderwerp van de Dhyfini-Chohans is hiermee geenszins afgesloten. Dat neemt niet weg dat er voldoende materiaal naar voren is gebracht om aan te tonen dat de Rijken boven dat van de mens een belangrijke plaats innemen - nee, meer nog, onmisbaar zijn - op de hiërarchische Ladder van het Zijn.

terug naar de Inhoud

10. De Hiërarchen van het Stelsel
We hebben reeds vastgesteld dat iedere hiërarchie staat onder de leiding van een Hiërarch. Er zijn verscheidene woorden in gebruik om het voornaamste Wezen van een stelsel mee aan te duiden: Wachter, Beschermer, Rector, Planeetgeest, Logos, het Sanskrit woord Dhyani ofwel Manu, het Tibetaanse Lha en het Griekse Hyparxis. Dit Grote Wezen verschaft het tehuis voor ontelbare wezens en de uitstraling van de Hiërarch doordringt het gehele stelsel waarover hij waakt.
Toch is er, hoe hoog verheven het niveau van dit toezichthoudende Grote Wezen ook moge zijn, een nog Groter Wezen, dat een nog groter gebied bestrijkt. Een voorbeeld: van de Stille Wachter van een volk, die technisch een Bovenaardse Bodhisattva wordt genoemd, kan men zijn bewustzijn verheffen tot contemplatie van de Stille Wachter over onze Bol. Daar het Goddelijke Plan het tot aanzijn komen van Zeven Volkeren inhoudt, zijn er natuurlijk zeven Bovenaardse Bodhisattvas, voor elk volk één. Daar een planeetketen bestaat uit zeven bollen - in het geval van onze Aarde, Bol D met zijn zes bijbehorende bollen - zijn er zeven Dhyani-Bodhisattvas, die elk de wacht houden over één Bol van de Aardketen.
Van de Stille Wachter van de Bol kan men zijn bewustzijn verheffen tot de Stille Wachter over de Ronde (een Dhyani-Buddha). Daar er Zeven Ronden nodig zijn om de ontwikkeling van het Goddelijke Plan voor zover het de Aarde betreft te volbrengen, zijn er zeven Dhyani-Buddhas, die elk over een Ronde waken. Zo houdt nu de vierde Dhyani-Buddha toezicht over deze Ronde. De Manu van de Vierde Ronde kennen wij als Vaivasvata-Manu.
Iedere Planeetketen heeft trouwens zijn eigen Wachter: voor zover het de Aarde betreft ligt er een speciale betekenis in de Zeven Heilige Planeten en hun Dhyanis. Van de Planeet Logoi kan men zijn bewustzijn laten opstijgen naar de Wachter van het Zonnestelsel en de zeven Zonnelogoi. En nog hoger, naar de Dhyani van de Raja-Zon. Dan voorbij deze Grote Stelsels naar de Wachter van de Centrale Zon - en zo steeds maar verder, zonder dat er ooit een eind aan komt.

terug naar de Inhoud

11. Een schematische voorstelling van de Hiërarchie van mededogen
Dit schema (een grotere bol met zeven naar beneden gerichte stralen, met aan het eind daarvan zeven kleinere bollen), dat gebaseerd is op de beschrijving die in De Geheime Leer wordt gegeven (Fr. I 469; Terw. I 735), moet de Hiërarchie van Mededogen voorstellen die benedenwaards geëmaneerd wordt en die voorkomt uit de Bron van het Zijn - of het Onaantastbare Beginsel, dat in de eerste grondstelling de Wortelloze Wortel genoemd wordt. Men moet hierbij niet vergeten, dat deze voorstelling alleen de 'bewustzijns zijde' van het heelal betreft en dat de 'vorm zijde' buiten beschouwing wordt gelaten. Met andere woorden, het is een afbeelding van de 'geest zijde' en niet van de 'stof zijde' van het heelal.
In het bovenste gedeelte van het schema, in het midden, is een niet gesloten cirkel. Deze incomplete cirkel is niet bedoeld als een voorstelling van Adi-Buddhi, aangezien Primordiale Wijsheid of de Goddelijke Gedachte altijd is en daarom zelfs niet door een incomplete cirkel kan worden gesymboliseerd. Een volledige cirkel zou natuurlijk een eindigheid afbeelden, alhoewel die eindigheid zou kunnen staan voor een heelal van ondenkbare afmetingen. In plaats daarvan moet de open cirkel Maha-Buddhi of Mahat voorstellen - hetgeen gelijk is aan het Goddelijke Denkvermogen of het Universele Denkvermogen. De cirkel is opengelaten omdat Adi-Buddhi Mahat doordringt.
Verder kan de incomplete cirkel ook een symbool zijn voor wat de Eerste Logos wordt genoemd, hoewel de eerste Logos (zoals men wel moet bedenken) niet in openbaring is, maar wordt aangeduid als de Ongeopenbaarde Logos.
In de beschrijvende passage werd gezegd dat de Adi-Buddhische Monade - dat wil zeggen Adi-Buddhi voorgesteld in de fase van openbaring van een stelsel - zich openbaart als Maha-Buddhi (het equivalent van Mahat). En Maha-Buddhi werd omschreven als de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie. Deze Goddelijke Intelligentie blijft niet 'bevat', maar vervolgt deze fase van openbaring door als een Vlam af te dalen. In het schema wordt deze afdaling voorgesteld door gouden stralen die vanuit het Maha-Buddhi naar buiten stromen.
Het technische woord voor deze altijd aanwezige Vlam is Daiviprakriti - hetgeen onveranderlijk is, zonder toe- of af te nemen zolang de Levenscyclus van het stelsel duurt. Daiviprakriti - het goddelijk Licht dat van de Logos uitstraalt - herinnert ons aan de Bijbelse woorden: 'Er zij Licht!' Wanneer het zijn afdaling naar de gebieden van openbaring voortzet, wordt het, door de inherente kracht of Beweging binnen in zichzelf, Fohat in de gebieden van openbaring - Universeel Leven op het aardse gebied. Op dit punt van de afdaling wordt de periode van de 'zeven eeuwigheden' van de Stanzas afgesloten en al de krachten en energieën van het Universele Leven zijn klaar om open te barsten tot zijn.
Van dit gebied van bewust Leven schieten als zeven vurige tongen de Zonen des Lichts tevoorschijn - in het schema getekend als Zeven stralen - stralen met de kleur van vlammen. Dit zijn de Oer-Zeven van de Stanzas. 'De Oer-Zeven, de Eerste Zeven Ademen van de Draak van Wijsheid' (Stanza V, sloka 1). Tot zover is dit schema, volgens het citaat, van toepassing op ieder soort van stelsel - heelal, zonnestelsel of planeetstelsel.
Met de manifestatie van de Oer-Zeven is de rest van het citaat, evenals het schema, alleen van toepassing op één planeetstelsel, daar een Dhyani-Buddha de Hyparxis is van een Planeetstelsel. Uit de Oer-Zeven, de Zeven Zonen des Lichts, komen de Dhyani-Buddhas (de 'Buddhas van Overpeinzing') voort, de concrete vormen van hun vormloze Vaderen. In het schema zijn zij getekend als sterren, die verbonden zijn met de Zeven Oervlammen. De Dhyani-Buddhas heersen over de Ronden. Aangezien er zeven Ronden zijn, zijn er Zeven Dhyani- Buddhas - voor elke Ronde één Wachter.
Uit de Dhyani-Buddhas 'komen hun chhayas voort' - hetgeen slaat op de emanatie van hun Zonen, de Dhyani-Bodhisattvas, die genoemd worden de Bodhisattvas van de Hemelse Gewesten, omdat zij de heerschappij voeren over de Bollen van een Planeetketen. In het schema zijn Zeven bollen afgebeeld, waarvan elke bol bewaakt wordt door een Dhyani-Bodhisattva. Het feit dat de Dhyani-Bodhisattvas de prototypen zijn van de Bovenaardse Bodhisattvas houdt in dat de Bovenaardse Bodhisattvas waken over de Zeven Volkeren die de kringloop over de Bollen maken. De vierde bol van de zeven in het schema staat voor onze Aarde, Bol D. Zij is onderverdeeld in Zeven delen, die de zeven Beschavingen aanduiden, die op deze Bol tot ontwikkeling moeten komen. De Vijfde Beschaving is nog bezig te ontwikkelen. Er moeten nog twee Beschavingen worden ontwikkeld op deze Bol.

terug naar de Inhoud

12. De Hiërarchie van Mededogen
Wanneer we ons bewustzijn aldus hebben opgeheven, kunnen we nu beginnen af te dalen, en de Hiërarchie van Mededogen bezien van de 'bewustzijnszijde' van het Zijn. Want er zijn twee aspecten tegenwoordig bij het vormen van een stelsel:
1. de 'bewustzijnszijde'. Om het begrip hiervan iets gemakkelijker te maken kunnen we deze Grote Wezens beschouwen als de Architecten, die de wetten instellen, welke het gehele stelsel doordringen en zij zijn ook degenen die de 'blauwdrukken' leveren, welke de Werkers tot handleiding dienen.
2. De'vormzijde', vertegenwoordigd door de Bouwers, die de scheppende of vormende aspecten van het bouwen van het stelsel ten uitvoer brengen en op deze wijze de plannen of patronen die door de Architecten worden geleverd, verwerkelijken.
De Hiërarchie wordt in een opmerkelijke passage beschreven:

"De goddelijke, zuiver Adi-Buddhische monade openbaart zich als de universele Buddhi (de Maha-Buddhi of Mahat in de Hindu-filosofie), de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van het goddelijke verstand, de hoogste anima mundi of de Logos. Deze daalt neder 'als een zich uit het eeuwige Vuur uitbreidende vlam, onbeweeglijk, zonder uitzetting of inkrimping, immer dezelfde tot aan het einde' van de kringloop van bestaan en wordt op het Gebied van de Wereld universeel leven.
Van dit Gebied van bewust Leven schieten, gelijk zeven vuurtongen, de Zonen des Lichts (de logoi des Levens) uit; vervolgens de Dhyani-Buddhas van contemplatie, de concrete vormen van hun vormloze Vaders - de Zeven Zonen des Lichts, die nog zichzelf zijn, op wie het Brahmaanse mystieke gezegde kan worden toegepast: "Gij zijt DAT - Brahm". Het is uit deze Dhyani-Buddhas, dat hun Chhayas (Schaduwen) voortkomen, de Bodhisattvas der hemelse gewesten, de prototypen van de bovenaardse Bodhisattvas en van de aardse Buddhas, en benslotte van de mensen." (Fr. I 468; Terw. I 735-736).

De Hiërarchie van Mededogen kan schematisch, van hoog tot laag, aldus worden neergeschreven:
1. Adi-Buddhi
2. Universeel Buddhi (Maha-Buddhi of Mahat)
3. Universeel Licht of Leven (Daiviprakriti)
4. Zeven Zonen des Lichts (Zeven Logoi des Levens)
5. Dhyani-Buddhas
6. Dhyani- Bodhisattvas
7. Bovenaardse Bodhisattvas
8. Aardse Buddhas (Manushya-Buddhas)
9. Mensen.

Verklaring van de gebezigde woorden:
(1) Adi-Buddhi - letterlijk 'Oer-Wijsheid" of 'Allereerste Universeel Denkvermogen" - een samengesteld Sanskrit woord: 'adi': oer-, eerste, oorspronkelijke; 'buddhi': in een Kosmische betekenis Universeel Denkvermogen of Universele Ziel. Het is een term uit het noordelijke Buddhisme en ook

"een door de oudste Ariërs aan de Onbekende godheid gegeven naam; het woord 'Brahma' wordt in de Vedas en de oude werken niet gevonden. Het betekent de volstrekte Wijsheid." (Fr. I xviii-xix; Terw. I 3).

Men neme nota van het feit dat de in het citaat gebezigde term Adi-Buddhische Monade luidt. Klaarblijkelijk wilde H.P.B. uitdrukking geven aan een idee in de macroKosmos, dat men vindt in de microKosmos - de mens. Namelijk, dat in de mens Atman zich niet op dit gebied kan openbaren zonder zijn upadhi, Buddhi. Technisch gesproken is die Monade (in de mens) dus Atma-Buddhi.
Hetzelfde geldt op macroKosmische schaal: Adi-Buddhi, wat vertaald kan worden met Goddelijke Gedachte of Goddelijke Oerwijsheid, is altijd. Om tot openbaring te komen worden de krachten ervan geëmaneerd als Kosmische Ideatie, die de Adi-Buddhische Monade of het eerste stadium van openbaring symboliseert. Op zijn beurt openbaart dit zich weer als Maha-Buddhi.

(2) Maha-Buddhi - letterlijk 'Grote Wijsheid' of 'Groot Universeel Denkvermogen', een term uit het noordelijke Buddhisme, gelijk aan Mahat (in de Hindu-wijsbegeerte - hetgeen letterlijk betekent 'de grote'): de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie. Alaya, nog een Buddhistisch woord, is gelijk aan 'de Universele Ziel, waarvan het manvantarisch aspect Mahat is' (III, 582).

"De Universele Ziel is niet de inerte Oorzaak der Schepping of (Para) Brahman, doch eenvoudig wat wij op het geopenbaarde gebied van zijn het zesde beginsel van de verstandelijke Kosmos noemen. Het is Mahat of Maha-Buddhi, de grote Ziel, het voertuig van de Geest, de eerste oorspronkelijke Weerkaatsing van de vormlowe Oorzaak en datgene, wat zelf boven Geest staat." (Fr. I 333; Terw. I 540).

(3) Daiviprakriti - Universeel Licht: een samengesteld Sanskrit woord, daivi, van 'div': schijnen, dus licht en prakriti, oorspronkelijke substantie. Meestal vertaald met het Licht van de Ongeopenbaarde Logos (de Eerste Logos), in zijn differentiatie wordt dit Fohat.

"Zo is in de Esoteriek der Vedantijnen Daiviprakriti het door isvara, de Logos, geopenbaarde Licht, tegelijkertijd de Moeder en ook de Dochter van de Logos of het Woord van Parabrahman, terwijl het in die der trans-Himalayase leringen - in de hiërarchie van allegorische en metafysische theogonie - 'de Moeder' is of abstracte, ideële stof, Malaprakriti, de Wortel der Natuur; - uit het metafysische oogpunt een wisselbetrekking van Adi-Bhfita geopenbaard in de Logos, Avalokitesjvara, en uit een zuiver occult en Corsmisch oogpunt, Fohat, de 'Zoon des Zoons', de manvrouwelijke energie, voortvloeiend uit dit 'Licht van de Logos' en die zich op het gebied van het objectieve Heelal openbaart als de verborgen en evenzeer als de geopenbaarde Electriciteit - die Leven is." (Fr. I 107; Terw. I 193-194).

Het nu volgende citaat is niet zo technisch en zal misschien begrijpelijker zijn:
"[...] de omniddellijke uitvloeiing van het Universele Denkvermogen (d.w.z. Maha-Buddhi) - de Daiviprakriti (het van de Logos uitstralende goddelijke licht (dit 'Licht' noemen wij Fohat) - dat de kernen van alle 'zelfbewegende' bollen van de Kosmos heeft gevormd. Zij is de bezielende, immer aanwezige drijfkracht en het levensbeginsel, de levensziel van de zonnen, manen, planeten en zelfs van onze Aarde." (Fr. I 496; Terw. I 773-774).

(4) Zonen des Lichts - de Logoi des Levens, geëmaneerd uit het gebied van bewust Leven, als zeven tongen van Vuur. De Zonen des Lichts worden in de Stanzas van Dzyan genoemd:

"De Oer-Zeven, de eerste Zeven Ademtochten van de Draak van Wijsheid, brengen op hun beurt uit hun heilige omwervelende ademtochten de Vurige Wervelwind voort." (Stanza V, sloka 1).

Waaraan deze veelbetekenende opmerking wordt toegevoegd:

"Van alle Stanzas is deze wellicht het moeilijkst te verklaren. Haar taal is alleen begrijpelijk voor hem, die grondig doorkneed is in oosterse allegorie en in haar opzettelijk duistere wijze van uitdrukken." (Fr. I 85; Terw. I 158).

Aangezien het woord 'Adem" dikwijls slaat op iets dat resulteerde in een periode van werkzaamheid of een manvantara, speciaal in verband met de Stanzas, symboliseren de Zeven Ademen de Oer-Zeven, die uitgezonden zijn door de Draak van Wijsheid - dat wil zeggen Wijsheid, maar nu in haar 'geopenbaarde vorm'. De 'Omwervelende Ademen' slaat op wat de Oer-Zeven voortbrengen - namelijk de Dhyani-Buddhas. Er wordt een aanwijzing gegeven voor de betekenis van de 'Vurige Wervelwind'. Deze is 'de gloeiende Kosmische stof, die de leidende gedachte van de 'Scheppende Krachten' slechts magnetisch volgt, zoals ijzervijlsel de magneet.
Toch is deze Kosmische stof iets meer; want elk atoom in het Heelal heeft in zich de mogelijkheid tot zelfbewustzijn en is, evenals de Monaden van Leibnitz, een Heelal op zichzelf en voor zichzelf. Het is een atoom en een engel." (Fr. I 86; Terw. I 160).

Welk een sublieme gedachte! En dit is zo omdat elk atoom doordrongen is van het Ene Leven en geworteld is in de Bron, waaruit alles voortkomt. Zo heeft dus ieder atoom deel aan de Wet van Wezenlijke Eenheid. De volgende sloka van Stanza V verbindt ook de Oer-Zeven en de Dhyani-Buddhas en wel op deze wijze (het eerste woord 'zij' verwijst naar de Oer-Zeven):

"Zij maken hem de boodschapper van hun wil. De Dzyu wordt Fohat; ..." (Stanza V, sloka 2)."
"Dit toont, hoe de 'Oer-Zeven' als hun Vahana (voertuig of het geopenbaarde subject, dat het symbool wordt van de Kracht, die het bestuurt) Fohat gebruiken, die dientengevolge wordt genoemd de "Boodschapper van hun wil" - de "vurige wervelwind." "Dzyu wordt Fohat" - de uitdrukking zelf verklaart het. ... In het onderhavige geval is Dzyu de uitdrukking van de gezamenlijke Wijsheid der Dhyani-Buddhas." (Fr. I 86; Terw. I 161).

(5) Dhyani-Buddhas, letterlijk 'Buddhas van Overpeinzing': ook wel genoemd Hemelse Buddhas en Buddhas van Contemplatie. Er zijn zeven Dhyani-Buddhas, zoals er ook zeven Oer-Zonen des Lichts zijn, die elk de heerschappij voeren over één Ronde. Zij zijn dus dezelfden als de 'Manus van een Ronde".
"Zij zijn, om zo te zeggen, de eeuwige prototypen der Buddhas (Manushy-Buddhas), die op deze aarde verschijnen, van welke ieder zijn bijzondere, goddelijke prototype heeft. Zo is bij voorbeeld Amitabha de Dhyani-Buddha van Gautama Sakyamuni, zich telkenmale door deze openbarende wanneer deze grote Ziel op aarde incarneert, zoals Hij deed in Tzon-Kha-pa." (Fr. I 86-87; Terw. I 161).

(6) Dhyani-Bodhisattvas: letterlijk de Overpeinzenden wier inwezen (sattva) intelligentie (bodhi) geworden is - een samengesteld Sanskrit woord. Er zijn ook zeven Hemelse Bodhisattvas, die voortgebracht zijn door de Dhyani-Buddhas en daarom met een technische term Chhayas genoemd worden - een woord dat Schaduwen betekent. Elke Dhyani- Bodhisattva voert de heerschappij over één van de zeven bollen die samen een planeetketen vormen.

(7) Bovenaardse Bodhisattvas - op hun beurt geëmaneerd door de Hemelse Bodhisattvas, vandaar dat de laatsten 'prototypen' worden genoemd. Weer een reeks van zeven, iedere Bovenaardse Bodhisattva waakt over één van de Zeven Volkeren die één Bolronde vormen in de Kringloop van Noodzakelijkheid.

(8) Aardse Buddhas. De vertegenwoordiger op aarde van de Hiërarchie van Mededogen - die hier van hoog tot laag beschreven is - wordt technisch een Manushi-Buddha of Manushya-Buddha genoemd. De Sanskrit woorden manushi en manushya zijn vormen, die zijn afgeleid van het zelfstandige naamwoord manusha, hetgeen betekent: menselijk wezen. Dit onderscheidt dit type Buddha van de Hemelse of Dhyani-Buddha. Zoals er 'Manus van een Ronde' en 'Manus van een Volk' zijn, zo behoort ook de Manushya-Buddha bij een speciaal Volk - één voor elk van de zeven Volkeren. Zoals de Dhyani-Buddha 'eeuwig heerst in ruimte en tijd, dat wil zeggen van de ene Maha-Kalpa tot de andere." (III, 418), zo heerst ook de Manushya-Buddha gedurende het tijdperk van een Volk.

In het hoofdstuk getiteld 'Het Mysterie van Buddha" wordt dit als volgt uitgelegd: 'De Dhyani-Buddha 'schept', wanneer de wereld een menselijke Buddha behoeft, door de kracht van Dhyana (overpeinzing, almachtige toewijding) een verstand-geboren zoon, een Bodhisattva, wiens zending het is na de dood van zijn menselijke of Manushya-Buddha zijn werk op aarde voort te zeten tot de volgende Buddha verschijnt. De esoterische betekenis van deze leer ligt voor de hand. Bij een gewone sterveling zijn de beginselen slechts de min of meer heldere weerkaatsingen van de zeven Kosmische en de zeven hemelse beginselen, de Hiërarchie der bovenzinnelijke Wezens. Bij een Buddha zijn ze nagenoeg het wezen van die beginselen zelf.
De Bodhisattva vervangt in hem het Karana-Sarira, het Ego-beginsel en de overige op overeenkomstige wijze; en aldus verklaart de Esoterische Wijsbegeerte de betekenis van de zinsnede dat
"de Dhyani-Buddha (de geest of Monade van de Buddha) door de kracht van Dhyana (of abstracte overpeinzing) een Bodhisattva schept" of het astraal beklede Ego in de Manushya-Buddha. Terwijl aldus de Buddha terugkeert tot Nirvana, waaruit hij gekomen was, blijft de Bodhisattva achter om op aarde het werk van de Buddha voort te zetten." (III, 418).

H.P.B. voegde ter verklaring een voetnoot toe aan de passage die handelt over de beginselen van de Buddha:
"Dit betekent dat elk beginsel van de Buddha het hoogste was dat op aarde kon worden ontwikkeld, terwijl dat bij andere mensen die Nirvana bereiken niet noodzakelijk het geval hoeft te zijn. Zelfs als een louter menselijke (Manushya) Buddha was Gautama een voorbeeld voor alle mensen. Doch zijn Arhats waren dat niet noodzakelijk ook." (III, 421).

(9) De mensen worden hier als laatste groep van de Hiërarchie genoemd, of de eerste sport wanneer men beneden aan de Ladder begint. Dit mag op het eerste gezicht vreemd lijken, maar we kunnen twee belangrijke redenen geven waarom de mensen meegerekend worden:
(a) er is een directe verbinding tussen de Oer-Zeven en de Mensen;
(b) het menselijke stadium moet worden doorgemaakt en men moet daarin volmaaktheid bereiken voordat men de hogere niveaus van de Hiërarchie kan binnengaan.
Beide factoren zijn belangrijke overwegingen, die wijzen op de grondwaarheid die in de Leer van de Hiërarchieën wordt verkondigd, namelijk de Wet van Fundamentele Eenheid, en ook op de onderlinge banden tussen de leden van de hiërarchie.

(a) Hoewel dit onderwerp nog niet volledig is uitgewerkt, kunnen we hier wijzen op deze verhelderende boodschap, die voorkomt in één van de Stanzas van Dzyan:
"Verneemt wat wij, die afstammen van de Oer-Zeven, wij die geboren zijn uit de Oer-Vlam, vernomen hebben van onze Vaderen." (Stanza IV, sloka 2).
In de eerste sloka van deze Stanza werden de Oer-Zeven de 'Zonen des Vuurs' genoemd en hieraan werd een uitleg toegevoegd:

"Luistert, gij Zonen der Aarde, naar uw onderrichters - de Zonen des Vuurs." (Stanza IV, sloka 1).
"Zij zijn 'de Zonen des Vuurs', omdat zij de eerste Wezens zijn (in de Geheime Leer worden zij 'Denkvermogens' genoemd), die evolueerden uit het Oorspronkelijk Vuur" (Fr. I 70; Terw. I 138).
Het lijkt vrijwel onnodig te vermelden dat de Oorspronkelijke Vlam of het Oorspronkelijke Vuur niet hetzelfde is als het 'vuur' zoals het op onze bol voorkomt. De sleutel tot de betekenis van het begrip Oorspronkelijke Vlam wordt in de nu volgende passage gegeven:
"Er zijn ... twee 'Vuren' en in de Occulte leringen wordt er onderscheid tussen die twee gemaakt.
- Het eerste, of het zuiver Vormloze en onzichtbare Vuur, verborgen in de Centrale Geestelijke Zon wordt (metafysisch) 'drievoudig' genoemd;
- terwijl het Vuur van de geopenbaarde Kosmos Zevenvoudig is, zowel in het Heelal als in ons Zonnestelsel.
"Het vuur van kennis verbrandt alle handelingen op het gebied van begoocheling", zegt de toelichting. "Daarom worden zij, die het verworven hebben en bevrijd zijn, 'Vuren' genoemd." (Fr. I 71; Terw. I 139).

(b) In De Geheime Leer wordt steeds weer de nadruk gelegd op het belang van het doormaken van het menselijke evolutiestadium, opdat de hogere stadia van de Hiërarchie kunnen worden bereikt. Dit is een fundamentele factor in de derde grondstelling (Deze wordt uitvoerig behandeld in hoofdstuk V, "De Leer van Voortdurende Verandering") en moet daarom nogmaals worden genoemd:
"De Leer onderwijst dat, om een goddelijke, volledig bewuste god - ja, zelfs de hoogste - te worden, de geestelijke oorspronkelijke verstandswezens de menselijke toestand moeten doormaken. En wanneer wij zeggen menselijk, dan doelt zulks niet slechts op onze aardse mensheid, maar op de stervelingen, die welke wereld dan ook bewonen, dat wil zeggen op die Verstandswezens, die het geëigende even-wicht tussen stof en geest hebben bereikt, zoals wij thans, nadat het middelpunt van het Vierde Wortelvolk van de Vierde Ronde overschreden was. Ieder wezen moet zelf door eigen ondervinding voor zichzelf het recht verworven hebben om goddelijk te worden." (Fr. I 85; Terw. I 159).

Wij willen hier speciaal wijzen op het gezegde dat het menselijke stadium doorgemaakt moet worden. Dit houdt niet in dat dit stadium op deze aarde doorgemaakt moet worden. Technisch gesproken komt het hierop neer dat Manas (het vijfde beginsel in de mens) opgewekt moet worden en dat de mens moet leren hoe naar believen te functioneren in zijn zesde beginsel, Buddhi. Voordien moet hij echter hebben geleerd hoe bewust te functioneren in zijn Hoger Manas (dat wil zeggen Manas, verlicht door Buddhi).
Met andere woorden, in het huidige stadium in de evolutie van de mens ligt de nadruk op de persoonlijkheid, die zo duidelijk naar voren treedt in het gewone, alledaagse leven. Deze bestaat uit het Kama-Manasische deel in de menselijke constitutie, waarin Kama (het Begeertebeginsel) Manas (het Verstandsbeginsel) overheerst - dit wordt ook wel het Lager Manas genoemd.
Manas, verlicht door Buddhi, werd Karana-sarira genoemd (in de passage die aangehaald werd uit 'Het Mysterie van Buddha'). Een ononderbroken bestaan houdt in dat men in dit deel van de menselijke constitutie moet leven. Dit is de betekenis van het 'recht door eigen ondervinding goddelijk te worden'.

terug naar de Inhoud

13. Eindeloze Reeksen van Hiërarchieën
Wanneer we van de Hiërarchie van Mededogen overgaan tot de 'vormzijde' van het bestaan, treffen we daar een grotere verscheidenheid aan. Dit is echter alleen zo in de uiterlijke manifestatie, want inwezenlijk zijn alle Wezens uit dezelfde Bron voortgekomen en hebben zij deel aan het Ene Leven. Dit wordt goed weergegeven in het nu volgende citaat en dat is een passend slot voor onze studie over de Leer van de Hiërarchieën:

"De gehele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door nagenoeg eindeloze reeksen Hiërarchieën, gewaarwordende Wezens, die ieder een zending hebben te vervullen en die - hetzij wij hun de ene of andere naam geven en hen Dhyan-Chohans of Engelen noemen 'boodschappers' zijn, doch slechts in die zin, dat zij de middelaar zijn van Karmische en Kosmische Wetten.
Wat hun eigen graden van bewustzijn en verstandelijkheid betreft, lopen zij oneindig ver uiteen en wanneer men hen allen zuivere Geesten noemt, vrij van elk aan bijmengsel, 'waaraan de tijd pleegt te knagen', geeft men zich slechts aan dichterlijke verbeelding over. Want elk van deze Wezens is een mens geweest, of bereidt zich voor een mens te worden, zo niet in tegenwoordige dan toch in een verleden of een volgende tijdkring (Manvantara)." (Fr. I 210; Terw. I 354).

De woorden 'elk van deze Wezens is ... mens geweest' slaan op de drie Rijken der Dhyani-Chohans, die 'gepromoveerd' zijn door middel van evolutie door en vanuit het Mensenrijk. Na aldus het 'vervolmaakt mens-zijn' te hebben bereikt, vervolgen zij hun cyclische reis met het doel steeds hogere sporten op de Levensladder te bereiken - die aangegeven zijn in de Hiërarchie van Mededogen. De woorden 'elk van deze Wezens ... bereidt zich voor een mens worden," slaan op de rijken beneden het Mensenrijk, op dezelfde Levensladder. Zoals zo juist wordt uitgedrukt door het kabbalistische axioma: de adem wordt een steen; een steen wordt een plant; een plant een dier, een dier een mens; een mens een geest; en de geest een god.
De toespelling op de Dhyani-Chohans als 'boodschappers van Kosmische Wetten' herinnert ons eraan, dat de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord 'engel' [angelos]: 'boodschapper' was.
Het citaat gaat dan verder:
"Indien zij geen beginnende mensen zijn, dan zijn zij vervolmaakte mensen; en zij verschillen op zedelijk gebied van aardse menselijke wezens in hun hogere (minder stoffelijke) sferen alleen daarin, dat zij vrij zijn van het gevoel van persoonlijkheid en van de menselijke aandoeningsaard - twee louter aardse kenmerken.
Laatstbedoelden, of de 'vervolmaakten' hebben deze gevoelens afgelegd, omdat zij
(a) niet langer vleselijke lichamen hebben - een last, die de Ziel steeds verdooft;
en (b) aangezien het zuiver geestelijke element ongeketend en meer vrij gelaten is, staan zij minder onder de invloed van maya dan ooit met een mens het geval kan zijn, tenzij hij een adept is, die zijn beide persoonlijkheden - de geestelijke en de stoffelijke - geheel van elkander gescheiden houdt.
De beginnende monaden, die nog nooit stoffelijke lichamen gehad hebben, kunnen geen gevoel van persoonlijkheid of egoïsme hebben." (Fr. I 210; Terw. I 355).

De woorden 'beginnende monaden, die nog nooit stoffelijke lichamen hebben gehad' slaan op die monaden, die nog niet tot lichamelijke manifestatie in aardse voertuigen zijn gekomen en verwijzen dus naar de drie Elementale Rijken, die behoren tot de eerste stadia op de Levensladder. Daar zij echter een aangeboren drang volgen, zijn zij erop gericht tot lichamelijke openbaring in aardse voertuigen te geraken, in de reeks die wordt geschetst in het hierboven genoemde kabbalistische axioma. Interessant is dat er noch een gevoel van individualiteit, noch van persoonlijkheid is in de 'beginnende monaden'. Dit gaat ook op voor de Rijken van de Mineralen, Planten en Dieren [zij hebben nog een overheersende groepsgeest]. Want het gevoel van Egoïsme, of het 'ik-makende vermogen', hetgeen gelijk staat met 'Ahamkara', wordt tot stand gebracht door het Kama-beginsel in verbinding met het Manasbeginsel, zonder Buddhi.
Het Manasbeginsel begon pas in het laatste deel van het Derde Volk van de Vierde Ronde (Atlantis) werkzaam te zijn in het Mensenrijk. De toespeling op de adept, die zijn beide persoonlijkheden - de geestelijke en de stoffelijke - geheel gescheiden kan houden, heeft weer betrekking op het Karana-sarira (het geestelijke tegendeel van de mens), terwijl het Sthula-sarira de fysieke persoonlijkheid van de mens is. Vervolgen wij het citaat:

"Aangezien datgene, wat onder 'persoonlijkheid' wordt verstaan een beperking en een betrekking is, of volgens de definitie van Coleridge 'individualiteit die op zichzelf bestaat, maar met een bepaalde geaardheid als ondergrond', kan die uitdrukking natuurlijk niet worden toegepast op niet-menselijke wezens; doch het is een feit, door geslachten van Zieners bevestigd, dat niet een dezer Wezens, hoog of laag, individualiteit of persoonlijkheid bezit als een afzonderlijke Entiteit, dat wil zeggen zij hebben geen individualiteit in de zin, waarin een mens zegt: "Ik ben mijzelf en geen ander"; met andere woorden, zij zijn zich niet bewust van zo besliste afgescheidenheid als mensen en dingen op aarde hebben.

Individualiteit is de kenmerkende eigenschap van hun verschillende hiërarchieën (de groepsgeest), niet van hun enkelingen; en deze eigenschappen wijzigen zich alleen naar de graad van het gebied, waartoe die hiërarchieën behoren; hoe dichter bij het gebied van het Homogene en van het Ene Goddelijke, des te zuiverder en minder op de voorgrond tredend is die individualiteit in de Hiërarchie (persoonlijke geest). Zij zijn in alle opzichten eindig, met uitzondering van hun hogere beginselen - de onsterfelijke vonken, welke de universele goddelijke vlam weerkaatsen en die alleen op de gebieden van Begoocheling geïndividualiseerd en gescheiden zijn door een differentiatie, die evenzeer een begoocheling is als het overige.
Zij zijn 'Levenden', omdat zij de stromen zijn, door het 'Absolute Leven' geprojecteerd op het Kosmische scherm van begoocheling; wezens, in wie het leven niet kan worden uitgedoofd, voordat het vuur der onwetendheid uitgeblust is in hen, die deze 'Levens' gevoelen. Tot bestaan ontkiemd door de belevendigende invloed van de ongeschapen straal, de weerkaatsing van de grote Centrale Zon, die op de oevers van de rivier des Levens schijnt, behoort juist het innerlijk beginsel in hen tot de wateren der onsterfelijkheid, terwijl het gedifferentieerde gewaad daarvan even vergankelijk is als het menselijke lichaam." (Fr. I 210-211; Terw. I 356).

Alle wezens op de hiërarchische Levensladder hadden hun oorsprong in het Absolute Leven, zoals hierboven zo bijzonder mooi wordt gezegd. Vandaar dat deze wezenlijke eenheid iedere entiteit in het hiërarchische stelsel omvat. Zij zijn allen onverbrekelijk met elkaar verbonden in hun Bron; en dit is de betekenis van de woorden 'universele broederschap'.
Het kan niet dikwijls genoeg herhaald worden, dat de innerlijke beginselen van alle wezens van inwezen goddelijk zijn, daar zij voortkomen uit de Universele Bron van het Zijn. Deze innerlijke beginselen worden de monade genoemd, vandaar de woorden 'beginnende monaden' en 'vervolmaakte monaden'.
De monade verzamelt of kleedt zich in de omhulsels, die noodzakelijk zijn op een bepaalde sport van de Levensladder. Maar dit omhulsel is niet het wezen zelf, net zo min als iemands kleren het menselijke wezen zijn. Het wezen schaft zich een nieuw kleed aan of een nieuwe rupa, of een nieuwe vorm, of 'gedifferentieerd gewaad' - wanneer het stap voor stap de Levensladder beklimt. En al die tijd leeft iedere entiteit zijn leven in de sfeer of het veld van een groter Wezen.
"De mens kan zich de gunst van de Devas niet verwerven en hen ook niet bevelen", wordt er gezegd. Maar door zijn lagere persoonlijkheid te verlammen en zodoende tot de volle kennis te komen van de nietafgescheidenheid van zijn hoger Zelf van het Ene absolute Zelf, kan de mens zelfs tijdens zijn aardse leven, 'Een Onzer' worden.
Aldus wordt de mens door het eten van de vrucht der kennis, welke onwetendheid verdrijft, gelijk aan een der Elohim of der Dhyanis en, eenmaal tot hun gebied gestegen, moet de Geest van Eenheid en volmaakte Harmonie, die in elke Hiërarchie heerst, zich over hem uitbreidenen hem in alle omstandigheden beschermen." (Fr. I 211; Terw. I 356).

Dan zal de mens uitdrukking geven aan de Wet van Harmonie en aan de Wet van Wezenlijke Eenheid.


terug naar het literatuuroverzicht






^