Jacob Boehme - Levend in de eenvoud van Christus


Een bloemlezing door prof. dr. A.H. de Hartog
ISBN 90 6732 198 2; Rozekruis Pers Haarlem, 1998

Er is geen andere weg tot God, dan een nieuw gemoed.
Jacob Boehme (uit: 'De weg naar Christus')

Inleiding

Jacob Boehme (1575-1624)
mysticus, filosoof en theoloog
Iemand die in de geschiedenis naar mensen zoekt in wie de wereld van de Geest zich heeft gemanifesteerd, zal ongetwijfeld Jacob Boehme tegenkomen. Boehme is door zijn eerstehands ervaringen en zijn krachtige uitstraling, een betrouwbare en authentieke getuige van de 'Bovennatuur' [het bovennatuurlijke, God].
Een mens kan indirect door de Geest aangeraakt zijn en hier uiting aan geven in de vorm van een begrijpelijke filosofie of een enthousiaste handelwijze. Maar bij Boehme wordt de Bovennatuur in de mens tot realiteit. Zij is zijn 'ware Zelf', dat bewust en werkzaam wordt en zich naar buiten toe openbaart. De Bovennatuur kan zich in het 'ik-bewustzijn' slechts indirect uitdrukken. In een mens als Jacob Boehme krijgt deze Natuur echter gestalte en worden denken, voelen en handelen tot organen van een hoger bewustzijn [de geestelijke vermogens]. Een dergelijke mens ervaart dat het ondergaan van het 'ik-bewustzijn' in het 'ware Zelf', het hoogste geluk, leven en licht betekent. Vandaaruit gezien lijken het 'ik-bewustzijn' en zijn wereld op een duisternis, waarin de gewone mens blind ronddwaalt.

De alledaagse aardse mens is uit de totaliteit van het geestelijke licht gevallen, als een donker deel van (11) het geheel, terwijl hij beweert zelf het geheel te zijn. Voor Boehme is de eigenlijke bestemming van de mens de terugkeer in deze wereld der volheid en totaliteit. Hij heeft de grond en de Ongrond beleefd van het menselijke bestaan. Dat is iets anders dan de conversatie met bovenzinnelijke wezens en werelden, iets anders dan vluchtige extase, bewustzijnsverruiming in de zichtbare of onzichtbare helft van deze wereld, of het opnemen van schijnbaar onvergankelijke energieën uit deze stofsfeer of spiegelsfeer.

De grote vragen
Materialisten zullen wat betreft het fenomeen Jacob Boehme moeten toegeven dat geestelijke ervaringen geen compensatie voor de ondraaglijke onvolledigheid van de aardse wereld, en theologen dat de levende ervaring van het goddelijke de eigenlijke opstanding is die reeds kan worden beleefd vóór de fysieke dood.
Prof. dr. A.H. de Hartog laat in dit boek Jacob Boehme aan het woord door citaten uit Boehme's geschriften te kiezen die antwoord geven op drie vragen. De eerste vraag luidt: Van welke aard zijn de directe Geest-ervaringen en hoe en onder welke omstandigheden komen zij tot stand?
De tweede: Hoe ziet de Bovennatuur eruit die de mens tijdens het vervuld zijn door de Geest ondergaat?
En de derde: Waardoor is het universum zo geworden als het is en wat is het doel van alles wat in dit universum ontstaat, de mens inbegrepen?

In zijn werk heeft Boehme steeds weer beschreven hoe de doorbraak van de Bovennatuur in zijn bewustzijn plaatsvond. (12) Hij schildert hoe hij onophoudelijk op zoek was naar de oorsprong van het kwaad in de wereld en hoe hij met alle kracht zocht naar een mogelijkheid om zich voor het kwaad te verbergen 'in het hart van God'. Dit niet te stillen verlangen naar goddelijke kennis, naar Gnosis, is een vereiste voor het ervaren van het goddelijke. Het verlangen zelf is al een boodschap van het goddelijke dat onophoudelijk tracht de mens bewust te maken van zijn goddelijke oorsprong.

De Verlichting
En op een dag brak in het bewustzijn van Boehme de Geest door, geheel onverwacht: een 1ichtstraal werd in een tinnen beker weerspiegeld. Als uiterlijk symbool voor iets dat zich innerlijk afspeelt, veroorzaakte deze ervaring de verlichting van Boehme. Want deze weerspiegeling in de materie is precies de gebeurtenis, die ook ten grondslag ligt aan de gehele schepping.
Later verklaarde Boehme het zo: de goddelijke, oorspronkelijke wil baart de schepping. Daardoor openbaren zich in de schepping de eigenschappen van de oorspronkelijke wil, zodat God zichzelf in zijn schepping herkent als in een spiegel. Ook kan het goddelijke zich op deze wijze herkennen in de mens: het spiegelt zich in zijn schepping, het menselijk bewustzijn. Het schept zelf de spiegel, waarin het bewust wordt van zichzelf. [zo boven, zo beneden]
In een dergelijke toestand van verlichting kijkt de ziel, volgens Boehme, 'in de hemel en in de hel'. In zichzelf herkent zij de structuren en krachten van de Bovennatuur - de hemel - maar ziet ook de structuren en krachten van zelfhandhaving en vijandigheid tegen de Geest - de hel. (13)
Ook een tweede voorwaarde voor het ervaren van het goddelijke is noodzakelijk, ja, zij is tegelijkertijd de weg tot deze ervaring. Boehme wordt niet moe om deze te beschrijven: de wortel van zelfhandhavingsdrift, de eigenwilligheid, moet worden ontbonden, voordat de wortel van de Geest, de goddelijke Wil, door kan breken. Zolang de wortel van het aardse, luciferische willen groeit in plaats van de wortel van het goddelijke, kan deze niet werkzaam zijn. Dus moet de wortel van het aardse willen uitgetrokken worden. Als de mens dat doet, dan breekt de wortel van het goddelijke willen, de 'innerlijke Christus' zoals Boehme hem noemt, door.

Maar precies op dat punt doet zich de grote moeilijkheid voor dat de aardse wil zich niet wil ontbinden, en als zij dat toch wil, dan werkt in het motief tot dit ontbinden ondanks alles toch weer de aardse wil door. Dus blijft als uiterste consequentie over: de Geest grijpt de mens aan en niet omgekeerd. De mens kan slechts zijn verlangen volgen. Hij kan toelaten dat zijn eigenwilligheid ondergaat in dit verlangen en daardoor kan hij de weg voor de Geest effenen. Maar hij bezit niet de macht om de Geest op willekeurige wijze in zich op te nemen.
Als de Geest doorbreekt in een mens betekent dit dat hij zich vanuit zijn 'ware Zelf' bewust wordt. De mens herkent zijn eigenlijke identiteit en deze identiteit herkent zichzelf. (14) Er is echter in zijn ware identiteit ook een brandpunt van de kosmische Geest ingebed, dat van dezelfde structuur is. Het is een microkosmos in de macrokosmos. Daarom wordt een dergelijke mens direct bewust van de structuur van het universum. Wat in hem is, bevindt zich ook in de kormos en omgekeerd. Hij ervaart de 'Ongrond', de 'Vader', als de bron waar alles van uitgaat en waarin, hoewel nog slechts als mogelijkheid en ongevormd, alle werkelijkheid is besloten. Hij ervaart 'het hart van God', zoals Boehme het noemt, de Zoon, het licht, de Sofia, de goddelijke Wijsheid: Christus.
En hij ervaart de vormgevende Geest, de werkzaamheid van de Ongrond die de goddelijke eigenschappen uitstraalt en een vorm geeft, waarin Hij zich spiegelt en waardoor Hij zich van zichzelf bewust wordt. Dit bewustzijn is weer het hart, de Zoon van God. Zo zijn alle drie de activiteiten van God één en werken zij in en door elkaar. Geen ervan is voor of na de ander. Het zijn drie aspecten van het Ene, gelijktijdig en eeuwig.

De Zevengeest
De vormende Geest is zevenvoudig. Van de Ongrond gaat een zevenvoudige stroom uit en Hij wordt er zich van bewust. Het is een wonder hoe Boehme deze zevenvoudige werkzaamheid beschrijft. Want hij beleeft deze, hij bevindt zich midden in die stroming, in het 'eeuwige spel' van deze zeven stromen, waarbij elke ene de andere zes 'baart' en elke ene ononderbroken de andere zes doordringt als zeven raderen, die tegelijkertijd in alle richtingen en in elkaar ronddraaien. (15)
Het voortdurende resultaat van dit spel is de gecreëerde werkelijkheid - maar de zichtbare werkelijkheid is slechts een weerschijn van de in de Bovennatuur gevormde werkelijkheid, een door de luciferische zelfhandhaving verdorven beeld.
Deze zeven goddelijke stromingen, die van het samentrekkende (koude), die van het beweeglijke (leven), die van het uitbreidende (hitte), die van het zachte (water), die van het vormgevende (klank), en die van de verwerkelijking (vorm). Ononderbroken werken zij samen en scheppen zowel de goddelijke schepping alsook de zichtbare wereld, de van God afvallige schepping.

Jacob Boehme; de Zevengeest: zeven wielen in één naaf
vermogens Boehme's kenmerken astrologie vlgs Boehme
geest geest, heelheid  
waarnemen schoonheid, kleur, geluid  
denken denken, maakt vormen Mercurius
voelen liefdesvuur, angst, smart Venus
willen bitterheid, beweging, jagen Mars
uitgekeerd zoetheid, hartelijkheid Jupiter
ingekeerd zuurte, koude, samentrekken Saturnus

Lucifer
In de grote stroom der scheppingsgebeurtenissen is een incident voorgevallen. Een deel der 'engelenwereld', de zielewereld die tot de Zoon behoort, heeft zich tegen de Ongrond gekeerd en wilde zelf Grond zijn. Boehme noemt dit deel van de zielewereld 'Lucifer' of 'duisternis', en de vorsten der engelen, als gedeelte van de Sofia - wereldziel. Deze opstand leidde tot uitsluiting uit de Bovennatuur.
Naast de goddelijke schepping ontstond een afgescheiden schepping, weliswaar levend uit de zeven geestelijke bronnen, maar doordrongen van luciferische zelfhandhaving. Daardoor raakte de werkzaamheid van de geestelijke bronnen in wanorde en dit leidde tot verharde, niet meer door de liefde Gods 'verzachte' structuren.
Er ontstond de 'wereld der toorn', het 'huis des doods', een wereld die niet meer leefde volgens de wetten van de Bovennatuur. In deze wereld vindt een voortdurende verbreking en vermaling plaats van alle voortbrengselen der natuur en alles wat door mensen en geliefden geschapen is. Daarin worden de correcties van de Bovennatuur tot uitdrukking gebracht. Wat niet in overeenstemming is met de oorspronkelijke structuren van het universum wordt noodgedwongen ontbonden of gericht, dit wil zeggen dat het wordt bijgesturd in de goede richting.

Het 'huis des doods'
Door de in het 'huis des doods' levende schepselen worden deze correcties ervaren als de toorn Gods. Maar de Bovennatuur is niet toornig. Op structuren die afwijken, werkt deze correctie alleen maar wetmatig corrigerend. Uiteindelijk is zij, ook als zij verbrekend werkt, Liefde. Want op deze manier haalt zij dat terug tot de oorspronkelijke ontwikkeling van het universum, wat zich daarvan heeft verwijderd en wat zich daar nog verder van wil verwijderen. Wie tegen een muur loopt, zal dat op smartelijke wijze ervaren als 'toorn'. Wie tegen de muur aanleunt zal hem als helpende liefde ondergaan.

Al deze dingen beleeft de mens die nu in het 'huis der toorn' woont, want hij treft dit alles ook in zichzelf aan. Hij draagt de goddelijke Ongrond, de Vader, in zich, alsmede het hart van God, de Zoon, en ook de nog slapende Zevengeest. Maar door zijn eigenwilligheid verraad hij hen. Hij komt, net als Lucifer, tegen de Ongrond in opstand, waardoor het goddelijke bewustzijn, de Zoon, in hem onbewust wordt en waardoor de goddelijke Zevengeest niet meer direct door hem kan werken. (17)

Als een blinde handelt de mens daarom in een door verschrikkingen beheerste wereld. Als dood, noodlot en steeds weer nieuwe kwaden die hij in zijn blindheid oproept, beleeft hij de corrigerende maatregelen die zijn eigenwilligheid veroorzaakt. De mens zou altijd zo verder kunnen gaan en daardoor zijn smart oneindig kunnen vermeerderen. Maar dat zou niet volgens de goddelijke liefde zijn.
Het 'huis des doods' is volgen Jacob Boehme niet alleen maar het gevolg van een luciferische afwijking van de mens, maar vormt tegelijkertijd ook de mogelijkheid om deze fout op bewuste wijze goed te maken. Het heeft tot doel de mens de toestand waarin hij verkeert duidelijk te maken, om hem er zich van bewust te laten worden en om een proces van terugkeer naar de Ongrond in gang te zetten. Want de Ongrond roept in de mens. De Zoon, het hart Gods, wil bewust worden in de mens en de Zevengeest wil zich door hem verwerkelijken.
De mens zal na veel smart deze roep beantwoorden. De Geest zal doorbreken, de Zoon zal bewust worden, Lucifer wordt herkend en zal terechtgewezen worden en de Zevengeest zal een nieuwe, getransfigureerde mens scheppen die samenwerkt met de goddelijke ordening. Daarom zegt Jacob Boehme: het leven bestaat uit strijd totdat het bewustzijn zal worden gebaard en de vreugde zal tenslotte nog groter zal zijn.
Het huis de doods is een resultaat van de activiteit van Lucifer en is niet door God gewild. Maar toen het eenmaal was ontstaan, werd het niet verdoemd tot een onomkeerbare catastrofe. (18) In plaats daarvan kreeg de mens de mogelijkheid om door de smartelijke ervaringen en weerstanden heen tot inzicht te komen. Zo wordt het huis des doods, hoewel niet door God gewild, toch het instrument van God. Na die strijd breekt de mens door tot grote vreugde: de toestand zoals Boehme zelf heeft beleefd en die hij heeft beschreven.

Als dergelijke inzichten in een mens ontwaken, kunnen verleidingen en vijandige bejegening niet uitblijven. De eerste geestelijke ervaringen had Boehme rond 1600, toen hij 25 jaar was. Gedurende twaalf jaar worstelde hij om die ervaringen op de juiste wijze te beoordelen en te formuleren. Kwamen zij uit de Bovennatuur? Of kwamen zij van de 'duivel', die het er alleen maar op aanlegde om hem, de zwakke mens, in verwarring te brengen en te verleiden tot hoogmoed?
Door grondige zelfanalyse leerde Boehme dit onderscheiden. Hij stelde vast dat hij principieel een zwakke, onvolkomen mens was met een beperkt verstand, die net als alle andere mensen gevoelig was voor de verzoeking der hoogmoed. Hij zag echter ook in dat de inzichten die af en toe in hem opkwamen niet opgeroepen waren door hemzelf, maar door de krachten van de Bovennatuur. Het was de heilige Geest die woning in hem vond en hem zo veranderde, dat een nieuwe mens zag en hoorde met de ogen en oren van de Geest.
De inzichten van Boehme kwamen niet voort uit het begrensde verstand en ook niet van de 'duivel' of uit de 'wereld der duisternis'. (19) Het waren geen uitingen van grootheidswaan. Zij maakten het hem juist mogelijk om in te zien, wat des duivels was: de opstand tegen de wereld van de Geest. En deze opstand kan ook een bijzondere vorm van hoogmoed aannemen, waarbij de mens er trots op is dat de Geest hem tot werktuig heeft verkoren.

Tegenwerking
Na veel pogingen was Boehme in 1612 pas zo ver dat hij zijn inzichten opschreef. Het werk 'Aurora of morgenrood in opgang' ontstond. Hij liet het manuscript achter bij een vriend en geestverwant die het direct liet kopieren. Een kopie kwam in handen van Gregor Richter, de predikant van Gorlitz. En daarmee begon een tijd van uiterlijke vijandigheden. Boehme werd vanaf de kansel geciteerd door Richter en daarbij gebrandmerkt als ketter. Zijn oorspronkelijke manuscript werd in beslag genomen en hij kreeg een schrijfverbod opgelegd.
Een orthodoxe, dogmatische geest als Richter kon of wilde niet begrijpen dat de ervaringen van Boehme levende aanrakingen waren door de Geest, zoals Jezus en zijn leerlingen die hadden beleefd en waarvan de kerkelijk-christelijke dogma's slechts waren afgeleid. Deze dogma's, oorspronkelijk de vaten, waarin de levende ervaring des geestes vorm werd gegeven, waren verzelfstandigd tot starre geloofsvoorstellingen van een ommuurde kerk. Zij boden schijnbare zekerheid, maar verhinderden juist daardoor de openheid voor de Geest. (20)
De controverse tussen Boehme en de orthodoxie zou tot zijn dood in 1624 voortduren. Maar na zeven jaar waarin hij zich nauwgezet hield aan het schrijfverbod, kreeg hij, ook door vrienden aangemoedigd, meer innerlijke zekerheid en meer vertrouwen in zijn zaak. Was dat niet belangrijker dan gehoorzaamheid aan de autoriteiten die de geestelijke activiteit alleen maar hinderden? Vanaf 1619 begon hij weer te schrijven en van toen af aan ontstonden meerdere manuscripten per jaar, onder andere 'De Signatura Rerum' (een onderzoek naar de verhouding tussen de innerlijke en uiterlijke wereld: door de uiterlijke vormen van mineralen, planten, dieren en mensen, worden de innerlijke eigenschappen uitgedrukt; 'Mysterium Magnum' (een spirituele interpretatie van het eerste boek van Mozes) en 'De weg tot christus' (een beschrijving van de innerlijke processen op de spirituele weg van boete naar verlichting tot eenwording met God.

Geestverwanten
Tijdens Boehme's leven werd slechts één boek gedrukt: 'De weg tot Christus' (1624). Maar de manuscripten circuleerden onder de vrienden van Boehme. Rond hem vormde zich een groep die hem als geestelijk leider zag en voor wie hij beschrijvingen samenstelde van de spirituele weg die hij zelf was gegaan. Mannen zoals Abraham von Franekenberg (de latere biograaf van Boehme en de leraar van Angelus Silesius), Sigismund von Schweinichen, Balthasar Walther en anderen hadden onder leiding van deze verlichte man zelf verlichtingservaringen of zetten in ieder geval de eerste schreden op de spirituele weg. (21)
Daarmee hadden de geestelijke krachten die in Boehme werkten zich een weg gebaand. Hij had zich innerlijk ontwikkeld en geleerd om in alle bescheidenheid, tegen alle innerlijke en uiterlijke weerstanden in, datgene wat op zo machtige wijze bezit van hem had genomen, te eerbiedigen. Ja, het werd zelfs zo dat hij deze weerstanden als noodzakelijke versterking van de innerlijke mens ging zien. Hij beschouwde Gregor Richter als de aandrijfhamer, die noodzakelijk was om in hem, Jacob Boehme, het zuivere metaal van het inzicht te vormen. Zo werd zijn leven zelf de illustratie voor de filosofie, die hij schouwend had ontwikkeld: het leven bestaat uit strijd, opdat het bewustzijn van de mens zal toenemen, zodat hij zijn eigen situatie zal herkennen en zich tot de Bovennatuur zal wenden om zijn bestemming te volgen. Aan het eind van dit proces is de vreugde des te groter, de vreugde van het op bewuste wijze één worden met de Geest.

Taalgebruik
Wie de boeken van Jacob Boehme leest, wordt met een ongewoon taalgebruik geconfronteerd. Het was immers niet de bedoeling van Boehme om filosofische redeneringen of lyrische gevoelens tot uitdrukking te brengen, maar om de indringendste ervaringen uit de Bovennatuur in beelden en begrippen van de stoffelijke wereld te vertalen. Daarom is de taal van Boehme zo spontaan en creatief. Hij vormt de dynamische krachten om in overeenkomstige beelden en woorden. (22) Boehme vond bijvoorbeeld voor de zeven aspecten van de Zevengeest uitdrukkingen die met smaak samenhangen. 'Wrang', 'bitter', 'zuur' en 'zoet' zijn omschrijvingen voor de eerste vier radiaties van de Zevengeest. De basiservaringen van onze zintuiglijke organen zijn analogieën voor deze radiaties, omdat zij de uitdrukking zijn van deze stralingen in het 'huis des doods'. Voor Boehme sprak het ook vanzelf dat de taal met haar klanken en fysiologische processen bij het vormen van woorden, de werkzaamheid weerspiegelt van de zevenvoudige geestelijke bron (kwel). Het woord kwel bijvoorbeeld wordt eerst in de keel - een analogie met de Ongrond - gevormd, om zich dan te openen voor de buitenwereld met haar lippen (w) en om dan met de l door de punt van de tong de uiteindelijke vorm te krijgen. Dit woord beschrijft hiermee in zijn structuur reeds de activiteit van de Zevengeest: opstijgend uit de Ongrond, schept hij een zichtbare buitenwereld en daarin talloze vormen.
Als voor Boehme 'kwellen' (opwellen) vaak identiek was aan 'quälen' (kwellen), dan drukte hij daarmee uit dat in het 'huis des doods' de werking van de geestelijke bron samengaat met een aan kwelling, een aan pijn en verdriet verbonden 'worden', dat aan ieder wezen zijn 'kwaliteiten' verleent.

Alchemie, astrologie en christendom
Naast de gangbare taal - waarvan de scheppende kracht door de gekozen woordenschat werd versterkt - maakte Boehme ook gebruik van de alchimistische en astrologische begrippen van zijn tijd. Alchimie en astrologie schiepen, net als Boehme, een alles-omvattend wereldbeeld, waarin bijvoorbeeld (23) delen van het uitspansel corresponderen met bepaalde metalen en ziele-eigenschappen van de mens. Beide systemen gebruikte Boehme voor de beschrijving van zijn ervaringen met de natuur.
Voor een ander, nog wezenlijker aspect van zijn inzichten, koos hij echter de christelijke symboliek. Want belangrijker dan de ontsluiering van de geheimen der natuur, of het nu de 'animale' wereld der duisternis of de wereld der verschijnselen betrof, vond hij de bezinning van de mens op zijn goddelijke Ongrond en het herwinnen van zijn oorspronkelijke staat van zijn: één te zijn met de goddelijke Ongrond, bewust in de Zoon, in de Christus te leven en mee te werken met de heilige Zevengeest. Omdat de bestemming van de mens niet in de wereld van de toorn, het 'huis des doods' ligt, maar in de goddelijke wereld, beschouwde Boehme het als zijn taak de weg daarheen te ontsluiten. De eenwording met de goddelijke wereld was de verlossing van de mens. Als de mens weer één zou worden met God, was de macht van Lucifer gebroken en zou de mens zich in een nieuwe natuur uitdrukken.

Hiermee plaatste Boehme zich bewust in de traditie van het christendom. Terugkijkend op zijn beschrijving van de natuur bevindt hij zich echter in de traditie van Paracelsus, die waarschijnlijk middels de geschriften van Valentin Weigel aan hem was doorgegeven. Zoals hij zelf zegt, had hij vele geschriften gelezen van de alchimisten, astrologen en geleerden uit zijn tijd en heeft hij door het gebruik van hun terminologie, aansluiting bij hen gevonden. (24) Omgekeerd werden latere denkers door hem beïnvloed, onder andere Oetinger, Gichte, Hegel, Schelling, Von Baader en de Duitse romantici.
Hiermee bevindt Boehme zich in een uiterlijk zichtbare traditie vanuit het verleden naar de toekomst. Hij nam symbolen over van anderen, werd door hen geïnspireerd, en was op zijn beurt inspirator voor hen die na hem kwamen en die gebruik maakten van zijn gedachten en symbolen.

Mystiek
Maar er is nog een andere, een innerlijke traditie: allen die geïnspireerd worden vanuit de Bovennatuur en de goddelijke krachten in de aardse wereld brengen, zijn in de geest als schakels van een ketting met elkaar verbonden. Zij hoeven niet de filosofieën van hun voorgangers en tijdgenoten te kopiëren of uit te werken, zij scheppen op oorspronkelijke wijze uit de eerste hand, uit de bron van de goddelijke Ongrond. Daardoor zijn zij principieel onafhankelijk van iedere uiterlijke traditie. Zij knopen slechts aan bij uiterlijke tradities voor zover zij dat nodig achten om hun primaire ervaringen tot uitdrukking te kunnen brengen.

Voor de buitenwereld behoeft een dergelijke innerlijke traditie niet noodzakelijkerwijs zichtbaar te worden door bijvoorbeeld het gebruik van dezelfde begrippen en symbolen. Zo was Boehme spiritueel verbonden met de Rozenkruisers van zijn tijd, ook al kende hij hen en hun manifesten misschien niet en ook al gebruikte hij andere symbolen. (25) Toch geven de symbolen verwantschap aan: de tijd waarin Boehme leefde was voor hem de tijd der ontluikende 'lelie' en die van het 'Morgenrood in opgang', omdat zich nieuwe impulsen van de geestelijke zon aan de horizon aftekenden; voor de Rozenkruisers was diezelfde tijd de tijd van de opbloeiende 'rozen aan het kruis' en de tijd van een 'algemene wereldreformatie', waarin de waarheid van de Bovennatuur zou doorbreken in alle wetenschappen, kunsten en maatschappelijke instituten. Daarom brachten de vrienden van Boehme op het kruis dat op zijn graf staat de spreuk van de toenmalige Rozenkruisers aan (zij het iets gewijzigd): "Uit God geboren, in Jezus gestorven, door de heilige Geest verzegeld".

Beide tradities, de uiterlijke en de innerlijke, werden door de eerder genoemden voortgezet tot en met Max Heindel, Rudolf Steiner en de moderne Rozenkruisers, met name Jan van Rijekenborgh en Catharose de Petri. De vertaling van Prof. dr. A.H. de Hartog vormde een brug tussen Jan van Rijekenborgh en Jacob Boehme, waarover Van Rijekenborgh toegang kreeg tot de uiterlijke traditie van Jacob Boehme. Maar de innerlijke verbinding is de Bovennatuur en de daaruit voortkomende ervaring. Die ervaring is bij Boehme én bij Jan van Rijekenborgh en Catharose de Petri van dezelfde signatuur.

Het is voor de hedendaagse mens, voor wie een allesomvattend wereldbeeld verloren is gegaan, (26) die vreemd tegen de taal der alchimisten en astrologen aankijkt en voor wie de christelijk-bijbelse terminologie grotendeels verdacht is geworden, omdat zij alleen nog maar dogmatiek en geen levende geestelijke ervaring meer schijnt door te geven, niet eenvoudig om Jacob Boehme te begrijpen. Maar wanneer in een mens het verlangen groeit naar de levende geestelijke ervaring en wanneer die mens vermoedt dat de vervulling van dit verlangen zijn bestemming is, dan zal hij in Boehme een geestverwant zien, iemand in wie die geestelijke ervaring werkelijkheid is geworden. (27)

———————

Uit de Bloemlezing

Daarom zeg ik, al het dichten over God, welke naam men het ook geeft, waarin de mens wegen naar God begeert te verdichten, is vergeefs, onnut, buiten het nieuwe gemoed.
Er is geen andere weg tot God [hereniging], dan een nieuw gemoed [zelfverwerkelijking].
(uit: 'De weg naar Christus', 93)

De gehele Christelijke religie ligt hierin besloten:
dat wij onszelf leren kennen, wat wij zijn, vanwaar wij zijn gekomen, hoe wij uit de enigheid in de onenigheid, boosheid en onrechtvaardigheid zijn ingegaan: hoe wij deze in ons hebben verwekt;
ten tweede, dat wij in de enigheid zijn geweest toen wij kinderen Gods waren;
ten derde, hoe wij nu in de onenigheid zijn, in de strijd en de weerzin;
ten vierde, waar wij heen reizen uit dit verbroken wezen, waar wij met de Onsterfelijke heen willen en dan ook met het sterfelijke.
Met deze vier punten is onze gehele religie te leren, opdat wij uit de onenigheid en ijdelheid komen en weer in één boom, waaruit wij allen in Adam gesproten zijn, ingaan, en die boom is Christus in ons. Wij mogen om niets strijden; hebben ook geen strijd. Een ieder toch lere zichzelf te oefenen hoe hij wederom in de liefde Gods en die van zijn broeders in moge gaan. (uit: 'De weg naar Christus', 126)

In God zegevieren alle geesten in één geest en de ene geest vertedert en mint steeds de andere, en daar is niets dan reine vreugde en verrukking. (uit: Aurora consurgens, 100)

[…] Doe uw ogen open en zie uzelf aan: de mens is naar de gelijkenis en uit de kracht Gods in zijn drieheid gemaakt. Aanschouw uw innerlijke mens, dan zult u dit klaar en helder zien, indien u geen nar of redeloos beest zijt.
Merk dan op: in uw hart, aderen en brein woont uw geest. Alle kracht, die zich in uw hart, adem en brein beweegt, waarin uw leven staat, beduidt God de Vader. Uit deze kracht verheft zich uw licht, zodat u in dezelfde kracht ziet [waarnemen], verstaat en weet [denken] wat u zult doen [willen]. Want dat licht schemert in uw hele lichaam en het hele lichaam beweegt zich uit kracht en kennis van het licht. (uit: Aurora consurgens, 278)

De ware hemel, waarin God woont, is overal op alle plaatsen, ook midden in de aarde. Hij omvat de hel, waarin de duivelen wonen en is niets buiten God. Want, waar Hij geweest is voor de schepping der wereld, daar is Hij nog, als in zichzelf, en Hij is zelf het Wezen aller wezens. Alles is uit hem geboren en getuigt van hem. En Hij heet daarom God, omdat Hij allen het Goede, het Hart of het Beste is, namelijk het licht en de kracht, waaruit de natuur voortgaat. (uit: Die drei Principien göttlicher Wesens, 56)

De weg naar het paradijs heeft geen andere ingang dan deze: uw hart moet uit alle krachten tot God gericht zijn, opdat u zien zou hoe God het wil: dat alle mensen geholpen worden en dat de een de last van een ander draagt en met elkaar vriendelijk en met wellevende eerbied in de heilige Geest zou ontmoeten; ook wil Hij dat eenieder het heil van zijn naaste met deemoed en ernst zoekt en gaarne wenst, dat deze van ijdelheid wordt bevrijd en mee de rozengaarde ingaat. (uit: Die drei Principien göttlicher Wesens, 74)

De mens moet goed overdenken wat hij voorheeft, zegt en doet in deze wereld. Want al zijn werken volgen hem na en hij heeft ze eeuwig voor ogen en leeft daarin. (uit: Die drei Principien göttlicher Wesens, 183)

Eenieder bedenke, dat hij elk uur voor Gods aangezicht staat. (uit: Die drei Principien göttlicher Wesens, 378)

Ons gemoed reikt door deze wereld en ook in het hemelrijk tot God. (uit: Die drei Principien göttlicher Wesens, 385)

Zodra de mens in deze wereld is geboren en zijn geest zijn werktuig bespeelt, zo leert men aan de uiterlijke klank en wandel de inwonende gestalte in goed en kwaad kennen. (uit: Vom dreifachen Leben des Menschen, 274)

Want het boek waarin alle geheimenis besloten ligt, is de mens zelf. Hij is zelf het boek van het Wezen aller wezens, omdat hij de gelijkenis der godheid is. Het grote arvanum (de grote verborgenheid) ligt in hem; slechts het openbaren komt de Geest Gods toe. (uit: Schutzschriften und Sendbriefe, 429)

De schepping is niets anders dan een openbaring van de alwezende, grondeloze God. Aan al wat Hij is in zijn eeuwige, aanvangloze baring en regering, heeft ook de schepping deel, echter niet aan de almacht en de kracht. Maar zij heeft daaraan deel zoals een appel die aan de boom groeit. Deze is niet de boom zelf, maar groeit uit kracht van de boom. Zo zijn alle dingen uit Goddelijke begeerte ontsprongen en in een vorm geschapen, terwijl bij de aanvang geen vorm voor dit doel voorhanden was. Er was slechts sprake van hetzelfde mysterie der eeuwige baring, waarin een eeuwige volmaaktheid is. Want God heeft de schepping niet voortgebracht opdat Hij daardoor volkomen zou worden, maar tot zijn zelfopenbaring als tot grote vreugde en heerlijkheid.
Niet dat een dergelijke vreugde pas met de schepping begonnen is; nee, zij is in eeuwigheid in het grote mysterie geweest, doch slechts als een geestelijk spel in zichzelf. De schepping is hetzelfde spel buiten zichzelf, als een model of werktuig van de eeuwige Geest, waarmee Hij speelt. En dit alles is als een grote harmonie van velerlei luitenspel, die alle op één harmonie zijn gericht. (uit: De Signatura Rerum, 452)

Want uit de eeuwige moeder is de beginnende moeder ontstaan. Want waar niets is daar wordt niets. Waar echter ooit iets is ontstaan, daar is het uit het eeuwige ontstaan, dat zonder begin is geweest. En het ontstane is des eeuwigen gelijkenis, beeld, verschijning en eigendom.
Toch kunnen wij niet zeggcn, dat het van het eeuwige is afgescheiden, maar het is onderscheiden. De ene wereld is in de andere en ieder afzonderlijk bezit zichzelf. God is in elk wezen, maar niet elk wezen begrijpt hem, wat uit zijn eeuwige wezen is voortgegaan, wel te verstaan, wat van zijn wezen is, dat in hem staat.
Want God woont niet in de geboorte der uiterlijke natuur, maar in de innerlijke, in zichzelf. God is zelf wel alles, maar niet alles wordt als God genoemd of gekend, vanwege het onderscheid in de beweging. De natuur is niet God, maar God wordt in de natuur geopenbaard. God wordt alleen in het eeuwige licht begregen naar het andere centrum, als in de vrijheid, en toch is Hij van de eeuwige natuur niet gescheiden. (uit: Schutzschriften und Sendbriefe, 25)


terug naar Nieuwe Openbaringen

terug naar literatuur overzicht

terug naar het weblog







^