Dante Alighieri  De Goddelijke Komedie


Dante Alighieri (1265-1321)
Vertaling: Christinus Kops
Uitgeverij: De Nederlandse Boekhandel Antwerpen 1977
ISBN 90 289 0262 7
(Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Inhoud
DE HEL
HET PARADIJS
DE LOUTERINGSBERG


DE HEL

Eerste zang
1 Juist midden op de reistocht van ons leven   (op het midden begint de weg terug naar de geestelijke wereld: thuis)
zag ik mij in een donker woud verloren,   (hij was verstrikt geraakt in dit tijdelijke bestaan)
daar ik van 't goede pad was afgeweken,   (hij was zichzelf niet meer, niet meer op het geestelijke gericht)
4 Helaas, hoe 't was, dat woud, valt zwaar te zeggen:
zó wild was 't en zó woest, zó dicht en donker,
dat de angsten nog herleven bij 't herdenken.
7 Ja, zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Maar om van 't heil dat ik daar vond te spreken,   (alleen door het duister te ervaren, kan worden begrepen wat het licht is)
zal 'k ook verhalen, wat ik eerst aanschouwde.

10 Vaag heugt mij maar, hoe ik er binnendoolde:
zó had de slaap mij in dat uur vermeesterd,   (hij was in een toestand van geestelijke onbewustheid terechtgekomen)
toen ik de ware weg de rug toekeerde.   (toen ik niet meer God in gedachten hield)
13 Maar toen ik bij een heuvel was gekomen,   ('heuvel': geestelijke groei; de berg Golgotha, de berg Thabor)
daar waar de grenzen liepen van de helling,
die mij van vrees het hart reeds had doorstoken,
16 keek ik omhoog en zag zijn kruin omgeven
door 't licht van de planeet, die met zijn stralen   (de planeet: de zon, zinnebeeld van de geest Gods)
ons allen veilig leidt langs alle wegen.   (God leidt ons op onze weg naar boven)
19 Toen werd de vrees toch wel een weinig stiller,
die eerst gewoed had op de zee mijns harten,
geheel die nacht dat ik zo veel verduurde.

Zevende zang
16 Wij daalden in de vierde kring nu neder,
steeds verder schrijdend langs de onzalige oever,   (de rivier de Acheron in de onderwereld)
die 't kwaad van gans 't heelal houdt ingebuideld.
19 O God van recht, wie stapelt zoveel pijnen
en straffen weder op, als ik aanschouwde!
Waarom doet eigen schuld ons zoveel lijden!   (de wet van 'wedervergelding': karma)

67 'Maar meester,' zeide ik hem, 'nu laat mij horen,
wat die Fortuin toch is, die gij juist noemde,
met al het goed der wereld in haar klauwen.'
70 En hij tot mij: 'O domme en dwaze schepslen,
hoe groot is de verblinding die u foltert!
Nu wil ik, dat ge u voedt met mijne lering:
73 Hij dan, wiens wijsheid alles overschittert,   (God)
schiep eens de heemlen en gaf elk een leider,   (iedere sfeer heeft een geestelijke leider)
zo dat ze elkaar van deel tot deel bestralen,   (de bovenste sfeer bestraalt die eronder, enz.)
76 in schone harmonie het licht verspreidend;
en evenzo schonk Hij aan 's werelds schatten
een opperste bestuurster en geleidster,
79 die te gestelder tijd die ijdle goedren,
van volk tot volk, van bloed tot bloed zou stieren,
trots alle tegenstand van 't menslijk inzicht.
82 Zo bloeit het ene volk en verkwijnt het andre,
al naar het leidend oordeel van die ene
die als een slang in 't gras zich houdt verborgen.
85 Uw wetenschap staat tegen haar onmachtig,
want zij voorziet, zij oordeelt en zij regelt
haar rijk, gelijk het hunne de andre goden.
88 Haar wisselingen weten van geen rusten.
Noodzakelijkheid bevleugelt steeds haar daden;
zo blijft de wereld vol veranderingen.
91 Zij is 't, die vaak aan 't kruishout wordt geslagen
door lieden, die haar eerder loven moesten
dan haar met schimp en laster overladen.

Negende zang (de hellestad Dis)
85 Al spoedig bleek hij mij een hemel-bode;
en weer ging 'k tot de meester, die mij wenkte
om stil te staan en diep voor hem te nijgen.
88 En o, hoe verontwaardigd scheen mij de engel!
Hij was al bij de poort en met een staafje
ontsloot hij haar, want niemand bood meer weerstand.
91 'O hels gespuis, de hemel uitgeslingerd,'
begon hij op de gruwelijke drempel,
'hoe waagt ge 't u zo driftig te verzetten?
94 Waarom toont ge u die Wil toch wederspannig,   (de Wil: de wil van God)
die nimmer van zijn doel wordt afgehouden,
en die al meer dan eens uw straf verzwaarde?
97 Wat baat het tegen 't lot de vuist te heffen?

Drieëntwintigste Zang
25 En hij: 'Ware ik gelijk een spiegel,
niet eerder werd uw lichaamsbeeld weerspiegeld
dan 'k reeds uw ziele-beeld heb opgenomen.
28 Want uw gedachten kwamen tot de mijne,   (Vergilius leest Dante's gedachten)
gebaren en gelaat in niets verschillend,
zodat ik één besluit ontleende aan beiden.

Vierentwintigste Zang
46 'Thans voegt het alle traagheid af te schudden,'
zei toen mijn gids, 'want niet op zachte zetels
komt ge ooit tot roem, noch onder donzen spreien.
49 Wie zonder roem zijn levensdagen eindigt,
geen ander spoor laat hij ter wereld achter
dan dampen in de lucht en schuim in 't water.
52 Rijs op dan en verwin uw moeizaam hijgen
door geestkracht, die in iedre strijd moet winnen,
als 't logge stof u niet tot slaaf vernedert.   (de gehechtheid aan het stoffelijke vernedert de geest)
55 Beklimmen moet ge nog veel hoger ladder.
't Genoegt niet aan de hel te zijn ontkomen.
Verstaat ge mij, zorg dat het u gedije!'

Zesentwintigste zang
70 En hij tot mij: 'O waardig is uw bede,
de hoogste lof; ze worde u dus bewilligd,
doch tracht vooreerst uw tong in toom te houden.
73 Laat mij het woord; al wat uw hart
mocht wensen, begreep ik reeds; ...

118 'k Aanschouwde dan, en meen het nog te aanschouwen,
hoe zonder hoofd een romp daar liep te dolen,
die ging als de andren gaan dier droeve kudde.
121 In één der handen bengelde aan de haren
zijn afgehouwen hoofd lantaarnsgewijze
en 't staarde ons aan en riep: 'O wat ellende!'
124 Hij maakte van zich zelf een licht in 't donker.
En twee zag ik in één en één in beiden.
Hoe 't wezen mag, weet Hij die 't zo beschikte.
127 En vlak nabij de voet van 't brug-gevaarte,
stak plots de schim zijn arm en 't hoofd naar boven
als zocht hij met zijn woorden ons te naadren,
130 die waren: 'Ach, aanschouw dit gruwzaam lijden,
gij die de doden ziet, schoon gij nog ademt!
Zeg, of er smarten zijn zoals de mijne!
133 En om van mij naar boven nieuws te dragen,
o hoor mij aan: ik ben Bertrand van Borne,
de boze raadsman van een jonge koning.
136 Ik stichtte tweespalt tussen zoon en vader;
Met Absalon en David deed niet erger
Achitofel door zijn kwaadaardig stoken.
139 Omdat ik scheidde wat natuur vereende,
draag ik mijn eigen brein, helaas gescheiden
van zijn beginsel, in deez' romp gebleven.
142 Zo leeft in mij de wet der weervergelding.'   (de wet der wedervergelding: karma)

terug naar de Inhoud


DE LOUTERINGSBERG

Eerste zang
1 Om koers te zetten over stiller waatren,
hijst 't scheepje van mijn geest nu blij de zeilen,
de zee van 't bitterst leed voorgoed ontvarend.
4 En zingen zal ik van die andre wereld,
waar zich de mensenziel in tranen loutert   (het gaat om de ontwikkeling van de menselijke geest
en waardig wordt haar vlucht tot God te nemen.   en om de hereniging met God)

70 O, laat zijn komst u dan een vreugde wezen.
De vrijheid zoekt hij, 't kostbaarst goed der mensen,
als ieder weet, die liet voor haar zijn leven.

Derde zang
4 Rechtvaardigheid drong mijn verheven Maker.
Mij gaf het aanschijn, 't goddlijk Alvermogen,
De hoogste Wijsheid, maar ook de eerste Liefde.
7 Vóór mij bestond van al wat werd geschapen
Alleen wat eeuwig is; ook ik duur eeuwig.

Vierde zang
1 Wanneer de geest door vreugden of door smarten,
die één van zijn vermogens overmeestren,
in deze kracht geheel wordt saamgedrongen,
4 schijnt hij als blind en doof voor de andre krachten;
en dit weerspreekt de dwaling die verkondigt,
dat in ons lichaam meerdre geesten wonen.

Vijfde zang
16 Steeds verder dwaalt de mens van zijn bedoeling,
als maar gedachten kiemen uit gedachten,   (de onbeheerste gedachtenstroom)
zodat ze elkanders kracht en vuur verstikken.'

Zevende Zang
73 Hij dan, wiens wijsheid alles overschittert,
schiep eens de heemlen en gaf elk een leider,   (er bestaat van boven naar beneden een rangorde)
zodat ze elkaar van deel tot deel bestralen,
76 in schone harmonie het licht verspreidend;

Elfde zang
88 En nader kwam ons reeds dat schone wezen,
in 't wit gekleed en van gelaat zo stralend
gelijk de morgenster ons tegenflonkert.
91 Eerst sloeg hij de armen uit en dan de vleugels
en zeide: 'Komt, we zijn de trap genaderd.
Niet zwaar is het voortaan om op te stijgen.
94 Klein is de schaar die aan mijn roep gehoor geeft.
O mens, geschapen om tot God te vliegen,
hoe werpt een weinig wind u reeds ter aarde!'

Dertiende zang
16 'O lieflijk licht,' sprak hij, 'dat bij 't betreden
van 't nieuwe pad mij hoop schenkt en vertrouwen,
geleid ons, als men hier geleid wil wezen.
19 Gij zijt der wereld licht, gij geeft haar warmte;
en als geen andre krachten zich verzetten,
zijn steeds uw stralen onze trouwe leiders.'

Zestiende zang
58 Wél is de wereld, als uw woord verzekert,
van alle deugd en deugdzaamheid verlaten
en berstensvol van ondeugd en van zonde.
60 Doch 'k bid u thans de reden mij te wijzen,
zodat ook ik ze zie en andren tone,
daar déze boven zoekt en die beneden.'
64 Een diepe zucht, die 't leed in 'Och' verkeerde,
ontsteeg hem eerst en dan begon hij: 'Broeder,
de wereld is verblind en gij niet minder.
67 Gij mensen schrijft de grond van alle dingen
de hemel toe, alsof deze in zijn wending   (de loop der planeten)
uit noodzaak alles met zich mee doet cirklen.
70 Indien 't zo was, wat bleef in u dan over
aan vrije wil? En zou 't nog billijk heten   (als alles is voorbeschikt, kan er geen vrije keuze bestaan)
voor 't goede loon, voor 't kwade straf te erlangen?
73 De hemel geeft de stoot wel aan uw daden
- ik zeg niet àlle - doch al zou 't zo wezen,
u blijft een licht om goed van kwaad te scheiden,   (met verstand en gevoel kun je een keuze maken)
76 en vrije wil die - weet hij stand te houden
in de eerste worsteling met 's hemels machten -   ('s hemels machten: de loop der planeten)
eens alles overwint door geestlijk voedsel.
79 Een hoger macht dient gij uit vrije keuze,   (door met de vermogens vrij te kiezen)
een hoger wezen, dat in u doet schittren   (wordt de geest tot ontwikkeling gebracht)
't verstand, waarop geen sterren iets vermogen.
82 Verdoolt dan ook de wereld onzer dagen,
de reden ligt in ú, dáár moet ge zoeken;
en ik wil u een goede gids mij tonen.
85 De geest is 't werk van Hem, die hem vol liefde
aanschouwt, eer hij bestaat; doch is als 't wichtje,
dat schreit en lacht in kinderlijke buien.

Zeventiende zang
13 O fantasie, die ons soms op uw vleuglen   (de verbeelding gaat met de geest aan de haal)
ons zelf ontvoert, zodat 't geschal van duizend trompetten
niet meer doordringt in onze oren,
16 wie wekt u, als de zinnen u niet wekken?
U wekt een licht, geboren in de hemel,   (de verbeelding wordt door de geest zelf gewekt)
of door zijn eigen kracht of door een hoger.   (of door een ingeving uit de geestelijke wereld)

58 Zoals de mens zich zelf, helpt ons nu de engel:
want alwie nood aanschouwt en wacht met vragen,
maakt zich al op tot liefdeloze weigring.

Achttiende zang
19 De geest, geschapen met een drang tot liefde,
toont zich voor alles wat behaagt ontvanklijk,
zodra 't behagen hem tot werking prikkelt.
22 Uw kenvermogens brengen van de wereld,   (de geest neemt de wereld waar)
die buiten u bestaat, de beelden over
en aanstonds houdt er zich de geest mee bezig.   (de geest verwerkt de waarnemingen met de vermogens)
25 En komt nu met die aandacht neiging mede,
dan is die neiging liefde en heeft 't behagen
natuur en geest opnieuw in u verbonden.
28 En voorts, gelijk het vuur zich richt naar boven,
als uit zijn aard geneigd daarheen te stijgen,
waar 't in zijn eigen stof het langst kan leven,
31 zo stijgt de geest van neiging naar verlangen
- een geestelijke vlucht - en zal niet rusten,
eer wat hij liefheeft hem volmaakt bevredigt ...

49 Zie: iedre wezensvorm, steeds onderscheiden
van enkel stof en toch ermee verbonden,
bezit een zeekre kracht, alleen hem eigen.
52 We zien haar niet, voor ze aanvangt met haar werking,
en hierdoor eerst wordt haar bestaan bewezen,
als 't leven in een plant door groen en blaren.
55 Vanwaar in ons de kennis wordt geboren
van de eerste grondbegrippen, blijft in 't duister,
alsook vanwaar de drang der eerste driften.
58 Ze zijn in u, als in de bij het streven
naar honing puren; en die eerste neiging
verdient daarom noch lof noch blaam te ontvangen.
61 Daar nu met haar al de andre zijn verbonden,
werd u een kracht als raadsman toegewezen
om aan de drempel van 't besluit te waken.
64 Die kracht is dus 't beginsel, waar de reden
van uw verdienste in ligt, en wel naar mate
gij goede of slechte liefde aanvaardt of weigert.
67 Zij die de bodem aller dingen peilden,
zij zagen, hoe ons vrijheid was geschonken:
zo lieten zij een zedeleer ons achter.
70 Ook toegegeven dus, dat alle liefde
die in uw hart ontgloeit, daar móet ontgloeien,
behoudt gij toch de macht tot weerstand bieden.
73 De vrije wil heet steeds bij Beatrice
'de hoge kracht': maak dus, dat uw geheugen
die naam bewaart, tot zij u toe zal spreken.'

Negentiende zang
70 Zohaast de vijfde ronde was betreden,
ontwaarde ik vele schimmen, die al schreiend
languit voorover op de bodem lagen.
73 Mijn geest is vastgekleefd aan de bodem.   (de toestand van onbewuste vereenzelviging met de stof)
hoorde ik ze klagen met zo diepe zuchten,
dat ik de woorden nauwelijks herkende.

88 Toen ik nu handlen mocht naar welgevallen,
boog ik mij neder over 't droeve schepsel
dat door zijn woord mijn aandacht had getrokken
91 en 'k zeide: 'Geest, in wien eerst rijpt door tranen   (door zich in te spannen ontwikkelt de geest zich
wat nodig is om eens tot God te keren,   en bewerkt door die ontwikkeling uiteindelijk de hereniging)
vergeet om mij een wijle uw zwarte zorgen.

115 Wat hebzucht doet, staat hier als afgeschilderd
in 't lijden van deze omgekeerde zielen,
want niet één straf op deze berg is droever.
118 Gelijk ons oog zich nooit verhief naar boven,
doch immer aan het aardse bleef gekluisterd,
zo richt gerechtigheid het hier naar onder.
121 Zoals eens hebzucht onze geestdrift doofde
voor alle deugd en wij niets goeds dus deden,
zo werpt gerechtigheid ons hier voorover,
124 aan handen en aan voeten als geketend.

Twintigste zang
10 O wees vervloekt, gij eeuw'ge geldzucht,
die meer aan buit bezit dan de andre zuchten
door uw onpeilbre, bodemloze honger!
13 O hemel, die de dingen hier beneden,
al wentlend, naar het schijnt, gestaag verandert,   (de tijd veroorzaakt een voortdurende verandering)
wanneer komt hij, voor wie die pest zal vlieden?

Eenentwintigste zang
61 De wil alleen wijst uit wie werd gezuiverd,
want voelt de geest zich vrij om voort te schrijden,
dan drijft en helpt de wil haar ook tot handlen.
64 Wel wil ze al eer, doch 't willen blijft gebonden,
wijl 't goddelijk recht hem dus de straf doet wensen,   (in de geestelijke wereld verlang je naar de straf
gelijk hij vroeger vrij het misdrijf wilde.   die je van je schuldgevoel bevrijdt)

Vierentwintigste zang
151 En 'k hoorde een stem: 'Zalig zij die genade
zozeer verlicht, dat zij om aardse spijze
nooit door te grote drift hun geest verduistren,
154 maar altijd hongren op de ware wijze.'

Vijfentwintigste zang
79 En blijft eens Lachesis niets meer te spinnen,   (als de levensdraad wordt afgebroken)
dan scheidt de geest van 't stof en in beginsel
draagt zij én God én mens nog met zich mede.
82 Wel blijven dan de mindere krachten zwijgen,
doch zijn verstand, zijn wil en zijn geheugen
zijn in hun werking sterker dan te voren.   (het geweten is niet meer te verdringen)
85 En onverwijld en op een wondre wijze
daalt hij uit zich zelf dan neer op één der oevers   (gaat zelf naar de hemel of naar de hel)
en ziet zich daar voor 't eerst zijn weg gewezen.
88 Zo haast is hij niet door een plaats omschreven,
of van hem uit straalt weer het vormvermogen,
zo schoon en sterk als eens in de aardse leden.
91 En evenals de lucht van regen zwanger
door spiegling van het zonlicht op de wolken
zich ons vertoont in bonte praal van kleuren,
94 zo wordt de dampkring daar tot die gestalte,   ('dampkring' = Latijn: 'aura')
die bij des geestes komst wordt ingestempeld,   (de gestalte geeft uitdrukking aan de geestesgesteldheid)
en wel uit kracht van 't vroegre vormvermogen.
97 En dan, in alles op de vlam gelijkend,
die 't vuur steeds volgt, waar 't ook een weg zich bane,
gaat mét de geest de nieuwe vorm steeds mede.
100 De geest, die weder zichtbaar is geworden,   (de geest drukt zich uit in de geestgedaante)
wordt schim genoemd, en vormt zich dan de organen
voor ieder zintuig, de ogen ingesloten.   (deze geestesorganen zijn de chakra's)
103 Vandaar ons spreken en vandaar ons lachen;
vandaar ons schreien en vandaar ons zuchten,
zoals de berg u meer dan eens kon leren.
106 Al naar begeerten dus of andre driften
ons prikklen, ziet ge hier de schim verandren.   (de geestesgesteldheid wordt in de geestgedaante uitgedrukt)
En dit was 't feit, dat uw verwondring wekte.'

Achtentwintigste zang
1 Verlangend, in en om het woud te dwalen,
het goddlijk woud, dat met zijn prachtig lommer
de prille morgen voor het oog verzachtte,
4 ontweek ik onverwijld de zoom der diepte
en doolde langzaam, langzaam door de vlakte,
waaruit alom de zoete geuren stegen.
7 Een zachte luchtstroom, vrij van wisselingen,
omwuifde bij het voortgaan mijne wangen
niet sterker dan het zachtste lentekoeltje.
10 En al de bladeren, die aanstonds trillen,
bewoog de milde luchtstroom naar die zijde,
waar 't eerst Gods berg zijn schaduwen laat zinken.
13 Toch zag men 't loof zo diep niet neergebogen,
dat 't lieve vogelvolk in 't groen der kruinen
weerhouden werd zijn kunstig lied te kwelen,
16 maar vreugdevol begroette 't met gezangen
de nieuwe dageraad in 't dichte lommer,
dat als de bas hun lichte wijsjes schraagde.

terug naar de Inhoud


HET PARADIJS

Eerste zang
1 De heerlijkheid van 's werelds Oerbeweger
vervult der wereld ongemeten ruimten
en straalt alom, hier meer en elders minder.
4 De hemel, die het rijkst? is aan zijn stralen,
bezocht ik, en ik zag er, wat te melden
noch weet noch kan alwie van boven daalde:
7 want, eens nabij het einde van zijn wensen,
zinkt onze geest in zo onpeilbre diepten,
dat geen herinnering er weer kan keren.
10 Nochtans, wat ik uit 't heilig rijk der heemlen
in 't schrijn van mijn geheugen heb verzameld,
zal heden van mijn lied de stoffe wezen.

55 Veel blijft aan onze krachten hier verboden,
wat daar vergund is, dank zij 't bloeiend Eden,   (het Paradijs)
het mensdom tot zijn waar verblijf beschoren.

88 en hief toen aan: 'Gij maakt u zó onwetend   (de toestand van onbewuste vereenzelviging)
door valse waan, dat zich voor u omsluiert
wat gij zoudt zien, hadt gij die waan verworpen.
91 Gij waant u altijd nog op aardse bodem,
maar zelfs geen bliksem, eigen sfeer ontschietend,
vliegt sneller naar omlaag dan gij naar boven.'   (het verschijnsel van de onmiddellijke verplaatsing)

103 En zij hief aan: 'Er leeft in alle wezens
een onderling verband; en 't is deze orde,
die gans 't heelal tot beeld maakt van de Schepper.   (alle wezens zijn vonken in en uit de goddelijke algeest)
106 Voor 't oog der hoogre schepsels is dit alles
een voetspoor van het eeuwig alvermogen,
waarvoor alleen deze orde eens is geschapen.
109 In deze weidse harmonie der dingen
buigt ieder wezen, volgens aard en krachten,
zich naar zijn oorsprong heen, 't zij meer 't zij minder.   (ieder schepsel is in wezen op God gericht)
112 Zo varen dan naar onderscheiden havens
langs de oceaan van 't zijn het laagste en 't hoogste,
gedragen door de drang, hun ingeschapen.
115 Die drang drijft alle vuur op naar de maansfeer,
hij is het, die beweegt het hart der mensen,
hij ook, die de aarde bindt en vast vereend houdt.
118 Niet slechts de wezens van verstand verstoken   (de geesten van planten en dieren)
zien wij door deze boog omhoog geschoten,
maar ook die zijn begaafd met rede en liefde.   (de menselijke geesten)

121 Gods wijsheid, die de dingen aldus ordent,
houdt door haar licht in rust der heemlen hemel,
waarbinnen zich beweegt de snelste ronde.   (de goddelijke geest is beweging en rust)
124 En naar die hemel nu, voor ons geschapen,
stuwt ons de kracht omhoog dier felle boogpees,
die iedre pijl naar 't blijde doel doet jagen.   (ook zonder het te weten is de mens naar deze hemel op weg)
127 't Is waar: zoals vaak 't kunstwerk in zijn
vormen niet overeenkomt met der kunst bedoeling,
omdat de stof dan doof is en niet antwoordt,
130 zo keert de mens, al wordt hij zó gedreven,
zich vaak van 's hemels weg, vrij in zijn keuze,   (door de noodzakelijke vrije keuze kan de mens ook
en gaat dan steeds meer voort op andre paden.   de verkeerde weg kiezen)
133 En dit geschiedt, wanneer zijn eerste driften -
gelijk soms vuur omlaag schiet uit de wolken -
door schijngenot aan 't aardse zich verslingren.   (de verkeerde keuze wordt gemaakt door gehechtheid aan de stof)

Tweede zang
19 't Ons ingeschapen, niet te lessen dorsten
naar 't God gelijkend rijk voerde ons steeds hoger,
zo snel als gij ziet draaien 's hemels ronden.
22 Ik keek naar Beatrice en zij naar boven.
En wel zo vlug, als wij de pijl zien treffen,
wegsnorrend en ontsnappend aan de boogpees,   (het verschijnsel van de onmiddellijke verplaatsing)
25 vond ik mijzelf beland, waar iets heel wonders
mijn blikken trok. Maar zij voor wie mijn geest
nooit iets verbergen kon van eigen zorgen,
28 zag even blijde als schoon mij aan en zeide:
'Verhef uw hart tot God in dankbre liefde,
want Hij vereende ons met zijn eerste sterre.'   (de sfeer van de Maan)

31 Het scheen me toe, dat ons een wolk omhulde
van dichte en vaste stof, zo helder glanzend
als diamant, waarin het zonlicht fonkelt.
34 En in zich óp nam ons nu de eeuwge parel,
zoals het water met gesloten spiegel
zijn diepten opent voor de zonnestralen.
37 Zo 'k lichaam was, en hier niet wordt begrepen,
hoe de ene ruimte samengaat met de andre   (de sferen doordringen elkaar zoals radiogolven)
- wat toch moet zijn, als stof in stof wil dringen -
40 dan moest in ons een sterker drift ontbranden
om 't wezen eens te zien, waarin we aanschouwen,
hoe 's mensen wezen zich met God verenigt.
43 Daar zal men zien alwat we hier geloven,
niet als bewezen, maar door eigen klaarte,   (men zal het weten door eigen ondervinding)
als axioma's worden aangenomen.

64 Het achtste hemelrood sluit in zijn grenzen
miljoenen lichten, onderling verschillend,
zowel door omvang als hoedanigheden.
67 Moest ijlte of dichtheid hier de grond van heten,
dan zou eenzelfde kracht in alle wonen,
verschillend slechts verdeeld naar meer of minder.
70 Alleen verscheidenheid van vormbeginsels
verklaart verscheidenheid van kracht; doch alle,
op 't éne na, verwerpt gij door uw mening.

112 Omsloten door de hemel van Gods vrede,
kreitst daar een sfeer die in haar wezenskrachten
het zijn omsluit van al wat zij omcirkelt.
115 De naaste sfeer, zo prachtig om te aanschouwen,
verdeelt dit zijn weer aan miljoenen sterren,
van haar verschillend en van haar omsloten.
118 De zeven andre hemelkringen stuwen,
naar hun verschil van aard, de krachten
die in hen zijn, elk tot zijn doel en werking.
121 Zo volgen dan de organen dezer wereld,   (de hoogste, negende sfeer doordringt alle lagere)
gelijk ge ziet, elkander trapsgewijze,   (de achtste sfeer doordringt alle legere, maar niet de negende)
van boven nemend en naar onder gevend.   (zo met alle andere)

127 De kracht en 't wenden van de hemelronden
behoren, als het smeedwerk van de smeder,
van hemelse bewegers voort te komen.
130 De sfeer, die van miljoenen lampen schittert,
neemt van de hemelgeest die hem doet draaien,   (iedere sfeer heeft een leider, die de sfeer doet draaien)
de beeltnis op en wordt aldus zijn stempel.   (de leider drukt zijn stempel op de sfeer)

133 En evenals uw geest, aan 't stof gebonden,
zich uitstort over alle ledematen,
geordend tot veelvuldige vermogens,
136 zo stort de hemelgeest in Gods gesternten
zijn kracht en gaven uit, verduizendvoudigd,
en blijft toch zelf zich om zijn eenheid wenden.
139 Verschil van kracht werkt in deez' licht juwelen,   (de leider van een sfeer straalt door in allen die daar zij)
die zij doorgloeit, elk op verscheiden wijze,
en ze is in hen, zoals in u het leven.
142 Door't Wezen, eeuwig blij, haar bron en ader,
straalt deez' gemengde kracht uit al de sterren,
zoals de vreugde licht uit levende ogen.
145 Van haar, en niet van ijle en vaste stoffen,
komt dus 't verschil van licht in ster naast sterre.
En zij alleen is 't ware vormbeginsel,
148 dat naar Gods gunst verdeelt èn licht èn donker.'


Vijfde zang
19 'Het hoogste goed dat God vol mildheid maakte,
een goed, dat 't meest beantwoordt aan zijn liefde
en dat hij 't hoogste schat en 't meest eerbiedigt,
22 is vrijheid van de wil in al die schepslen -   (God zelf wordt gekenmerkt door de vrije keuze)
maar ook in hen alleen - wie zijn genade
het licht der rede schonk en nog blijft schenken.

Negende zang
103 Hier weet men van geen rouw, alleen van vreugde;
hier juicht men, niet om schuld die is vergeten,
maar om Gods macht die 't àl ten goede regelt.
106 Hier wordt de kunst gezien, die alle liefde
verheft en adelt; hier zien we al het goede,
dat de aarde toestroomt uit de hoge sferen.

Tiende zang
1 Zijn Zoon aanschouwend in de gloed der liefde,
die ze eeuwig als hun adem uit doen stromen,
schiep 't eerste, nimmer uit te spreken Wezen
4 alwat in geest en ruimte wordt bewogen,
met zulk een orde en pracht, dat zonder vreugde
niet wezen kan alwie het mag aanschouwen.
7 Hef, lezer, dan met mij naar 's hemels sferen
uw blikken op, en wel naar dat gedeelte,
waar twee bewegingen elkander kruisen.
10 En schenk van daar uw liefdevol bewondren
aan 't werk des Meesters, die het draagt in 't harte
en nooit er zich van afwendt met zijn ogen.   (God houdt zich voortdurend met zijn schepping bezig)
13 Zie hoe van daar zich heft de schuine cirkel,
die de planeten draagt om zo de wereld,
die om hun bijstand roept, gehoor te schenken.

Zeventiende zang
37 'Het toeval, dat beperkt blijft en besloten
in 't kader van uw stoffelijke wereld,   (in de stoffelijke wereld zijn wij onwetend van wat ons zal toevallen)
staat helder afgebeeld in de alziende ogen.   (in de geestelijke wereld weet men het)
40 Geen noodzaak wordt het echter om die reden,
zomin als om het oog, waarin 't zich spiegelt,
een schip zich met de golven mee laat glijden.
43 Zoals naar 't oor de zoete akkoorden dalen
van orgelspel, zo daalt uit goddlijk weten
mijn kennis van de toekomst die u nadert.   (aan Dante werd zijn toekomst voorspeld)

Twintigste zang
88 'Ik zie, dat gij gelooft aan deze dingen,
wijl ik ze u zeg; toch is u 't hoe niet helder,
zodat ze, schoon geloofd, u duister blijven.
91 Gij doet als zij die wel bij naam iets kennen,
doch niet in staat zijn 't wezen zelf te vinden,
wijst hen daarheen een ander niet de wegen.
94 Het rijk der heemlen wordt slechts ingenomen
door warme liefde en levendig vertrouwen,   (alleen liefde vormt een persoonlijke band)
die beiden eerst Gods hart en wil veroovren,
97 niet als een man zijn vijand overmeestert,
maar omdat God wil overwonnen worden
en overwonnen, overwint door liefde.

100 Het eerste licht in de oogbrauw en het vijfde
vervult u met verbazing, wijl hun luister
zelfs schittert in der engelen paleizen.
103 Niet naar ge meent, als heiden, doch als christen
verscheidden zij, gelovende in de voeten,
die leden reeds of eens nog moesten lijden.
106 Want de een keerde uit de hel, waar nooit
de zonde de weg der deugd hervindt, tot zijn gebeente;
en 't was het loon voor levendig vertrouwen,
109 vertrouwen, dat zijn kracht zocht in gebeden,
God vragend hem in 't leven weer te roepen,
zodat zijn wil het goede na kon streven.
112 De glorieuze geest, waar wij van spreken,
heeft dus voor korte tijd zijn vlees hernomen   (hier is sprake van reïncarnatie)
en vond 't geloof in Hem, die hem kon helpen.
115 En door 't geloof ontvonkte in hem de liefde
tot zulk een gloed, dat hij bij 't tweede sterven
verdiende om bij ons feestmaal aan te zitten.
118 En de andre geest - door stromen van genade
uit zulk een diepe bron, dat nooit een schepsel
zijn diepte met zijn oog vermocht te naadren -
121 schonk heel haar hart aan 't goede daarbeneden,
waarom haar God door gunst op gunst verlichtte
en zij 't verlossingswerk mocht zien van verre.
124 En zij geloofde en duldde toen niet langer
de smet van 't heidendom, en zij berispte
alwie nog steeds zijn boze volgers waren.   (twee gevallen van reïncarnatie en geestelijke groei)

Eenentwintigste zang
1 Reeds hield ik de ogen weder opgeheven,
en 't hart met hen, naar 't aanschijn van mijn vrouwe,
zodat niets anders meer mijn aandacht wekte.
4 Toen, zonder glimlach, hief zij aan te spreken:
'Wanneer ik lachte, zoudt gij gaan gelijken
op Semele, toen die tot as verteerde.
7 Mijn schoonheid toch, die langs de hoge trappen
van 't eeuwige paleis, zoals ge aanschouwde,
steeds klaarder blinkt alnaar wij hoger varen,
10 is hier zo rijk, dat, werd ze niet getemperd,
uw sterflijk oog voor zulk een gloed en stralen   (geesten uit hogere sferen temperen hun uitstraling)
als loof zou zijn, dat bliksemvuur verzengde.

46 Maar zij, van wie 'k in zwijgen en in spreken
't wanneer en 't hoe steeds wacht, bleef zelf nu zwijgen,
en 'k vroeg dus niets, schoon tegen mijn begeerte.
49 En daar zij zag, waarom ik nog bleef zwijgen,
in 't zien naar Hem, wiens ogen alles schouwen, (Beatrice ziet Dante's gedachten in de akashakroniek
sprak zij: 'O, blus de vlam van uw begeren!'   weerspiegeld)

55 O heilge geest, die in uw vreugde-stralen   (de geest is de bron van de uitstraling waarin de
u zelf geheel verhult, o doe mij weten,   geest woont)
waarom ge mij zo dicht hier zijt genaderd.
58 En zeg, waarom in deze kring blijft zwijgen   (de zevende sfeer van Saturnus)
de zoete symfonie der uitverkoornen,
die toch zo vroom weerklinkt in de andre kreitsen.'
61 'Uw oor en oog zijn zwak nog als op aarde,'   (een geest uit een lagere sfeer kan ook de klanken
antwoordde zij, 'daarom zwijgt hier de jubel,   uit een hogere sfeer niet verdragen)
waarom ook Beatrice nog niet lachte.
64 Zo verre daalde ik langs de heilge ladder
slechts om u blij te maken door mijn woorden
en door het licht, dat mij zo rijk ommantelt.'

67 Geen groter liefde deed mij sneller komen,
want even grote liefde is hier in allen
en groter zelfs, naar u hun gloed kan leren.
70 Maar de eeuwge liefde, die tot dienaressen
ons maakt der wijsheid, die bestiert de wereld,
verdeelt hier, als ge ziet, ons aller werken'.
73 Ik sprak: 'O heilig licht, wel is mij helder,
hoe liefde zonder dwang in deez' paleizen
volstaat om aan Gods wil gevolg te geven.
76 Maar dit is, wat mij zwaar schijnt om te weten:
waarom juist gij alleen zijt uitverkoren
tot deze taak, uit al uw metgezellen.'
79 Ik had het laatste woord nog niet gesproken,
toen 't licht zijn kern tot middelpunt reeds maakte,
terwijl het wentelde als een vlugge molen.

82 Toen sprak de liefde, die daarbinnen straalde:
'Een goddlijk licht is op mij neergeregend
en dringt door 't licht, waarmee ik mij ommantel.
85 Gods kracht nu, met mijn eigen zien verbonden,
ontheft mij aan mijzelf, zodat mijn ogen
het Wezen zien, waaruit 'k ben voortgekomen.   (de geest Beatrice is met God verbonden en Gods
88 Vandaar de vreugde, die mij hier doet blaken;   licht straalt door haar heen)
want naar de aanschouwing zich in mij verheldert,   (de aanschouwing van God)
blinkt ook mijn licht met feestelijker stralen.
91 Doch zelfs de helste vlam in heel de hemel,
de serafijn, het diepst in God verzonken,
kan op uw vraag geen passend antwoord geven.
94 Want wat gij vraagt, het ligt zo diep begraven
in de afgrond van Gods eeuwig raadsgeheimnis,
dat nooit der schepslen blik 't zal achterhalen.
97 En als ge eens weerkeert naar de mensenwereld,
verhaal het dan, opdat niet één het wage
nog af te dalen in zo duistre diepten.
100 De geest, hier louter licht, is rook op aarde.   (de geestgedaante als lichtgestalte is op aarde
Bedenk dus, of ge omlaag ooit zoudt begrijpen,   in een verdichte, 'rookachtige' toestand)
wat wij hier boven nog niet eens omvatten.'

Tweeëntwintigste zang
46 Eens wijdden zich al deze stille vuren   (deze hoge, beschouwende geesten)
't beschouwend leven door die gloed van liefde,
die hemelbloemen kweekt en hemelvruchten.   (liefde op aarde kweekt bloemen in de hemel)

Vierentwintigste zang
130 'k Geloof in God, het één en eeuwig Wezen,
dat, onbewogen zelf, geheel de hemel
bewegen doet door liefdes zoet begeren.   (de grondslag van de schepping is liefde)
133 Bewijzen geeft mij physica in handen
en metaphysica, doch boven alles
wat uit dit rijk aan waarheid nederdaalde
136 door Moses en de psalmen en profeten,
door de evangelieleer en uw geschriften,
nadat de Geest op u was neergeregend.
139 'k Geloof in drie Personen, eeuwig levend,   (de goddelijke geest is een drievoudig wezen door
één Wezen toch zó enkel en drievoudig,   de drie geestelijke vermogens)
dat 'zijn' en 'is' gelijklijk mag gebezigd.
142 Dit allerdiepst, dit allergoddlijkst Wezen,
waarover ik thans spreek, wordt meerdre malen
door 't evangelie-woord mij ingestempeld.
145 Dit is 't beginsel en dit is de sprankel,
diep in mijn geest een levend vuur geworden,   (de menselijke geest is een vonk van de
dat fonkelt, als een ster aan 's hemels transen.'   goddelijke geest)

Vijfentwintigste zang
64 Zoals een leerling vlug en blij de meester
gehoorzaamheid betoont, opdat hem blijke,
wat hij verzameld heeft aan kostbaar weten,
67 zeide ik: 'De hoop is 't wankelloos vertrouwen
op de eeuwge zaligheid, uit Gods genade   (het gaat om zowel de goddelijke welwillendheid
en ons voorafgaand werken voortgesproten.   èn het menselijke handelen)

82 Toen zeide 't licht: 'Mijn hart dat hier nog immer
vol liefde is voor de deugd, die bij 't verlaten   (de geest streeft naar een deugdzaam bestaan
van 't worstelperk ter zegepraal mij leidde,   op aarde, de leerschool voor de geest)
85 dringt mij tot u te spreken, wijl uw liefde
die deugd ook volgt; en gaarne zou ik horen,
wat u de hoop belooft eenmaal te geven.'
88 En ik: 'De nieuwe en oude Schriften leren
mij 't doel der hoop.' En hij: 'Verklaar dit nader!'
'Van hen, die God zich maakte tot zijn vrienden,
91 zegt Isaias, dat eens elk van dezen
in eigen land een dubbel kleed zal dragen;
en dit hun vaderland is 't hemels leven.   (de hemel is het thuis van de mensheid)
94 Ook door uw broeder is in breder trekken
- daar waar hij spreekt van 's hemels witte kleedren -
de zin dier openbaring weergegeven.'

Zesentwintigste zang
22 Zij sprak: 'Nog door een fijner zeef, voorzeker,
moet uw verklaring gaan; dus wil ik horen,
wie u de boog op zulk een doel deed richten.'   (het doel: de hereniging met God)
25 En ik: 'Door argumenten uit de rede   (door de redelijke overwegingen van het denken
en door getuignis die van boven daalde,   en door de doorgegeven leer uit de hemel
is zulk een liefde in 't hart gestempeld.   is de mens verlangend geworden naar hereniging met God)
28 Het goede toch, zoverre 't wordt begrepen,
wekt door zijn aard de liefde en wel te sterker,
naarmate 't meerder goed in zich verenigt.
31 Naar 't Wezen dus, zó rijk aan alle goedren,
dat alles wat we aan goeds daarbuiten vinden
niets anders dan een straal is van zijn luister,   (al het goede komt uiteindelijk van God)
34 daarheen moet bovenal, in liefde ontstoken,
de geest zich richten van wie onderscheiden
de waarheid, waar ik mijn besluit op grondde.
35 Die waarheid werd voor mijn verstand ontsluierd
door wie mij openbaarde de eerste liefde
van alle wezens die nooit sterven zullen.
40 Haar leerde mij 't onfeilbaar woord des Heren,
die sprekend van zichzelf, tot Moses zeide:
'Ik zal u alle goed te aanschouwen geven.'
43 Ook gij baant mij de weg door de eerste woorden
van 't evangelie, dat het diepst mysterie
van heel de wereld aan de mens verkondigt.   (het evangelie van Johannes)
46 En ik vernam: 'Om menselijk betogen
en om getuignis, hiermee samenstemmend,
geef van uw liefde aan God het allerhoogste!
49 Maar zeg mij nog, of ge ook door andre koorden
tot Hem getrokken wordt, zodat mij blijke,
met hoeveel prikkels liefde u tracht te wonden.'

103 En fluistrend sprak zij: 'Voor ge mij ontsluiert
alwat ge wenst, ken ik die wens al beter
dat gij de dingen, die u 't zekerst dunken,
106 want ik aanschouw hem in de klare spiegel,
die 't ware beeld vertoont van heel de schepping,   (de Akasha kroniek, het wereldgeheugen)
schoon niets in haar volmaakt zijn beeld weerspiegelt.

115 Welnu, mijn zoon, het eten van dien appel
was niet in zich de grond van mijn verbanning,
neen, enkel dit: dat ik Gods wil verachtte.   (en alleen mijn eigen wilsbesluiten volgde)

Zevenentwintigste zang
106 'De werking der natuur, die 's werelds midden
in rust houdt en al 't andre rond doet draaien,
begint van hier als van haar verste grenzen.
109 Geen ander 'waar' bestaat voor deze hemel
dan Gods verstand: daaraan ontgloeit de liefde
die hem beweegt en 't goed dat uit hem regent.
112 Zoals hij zelf omsluit al de andre ronden,   (de goddelijke geest is zowel de kern als het al,
omgordelt hem een kreits van licht en liefde,   zowel de heilige geest, het algeestmiddelpunt, als
maar God alleen begrijpt dit hoge wonder!   de algeest, de eewige en oneindige geest van God)

Achtentwintigste zang
13 Want tot mijn ogen kwam, toen ik mij keerde,
al wat zich aan ons voordoet in deez' hemel   (de kristalhemel, kristalsfeer)
zo vaak men daar de blik in 't rond laat zweven,
16 en 'k zag een punt, waar zoveel licht uit flitste,   (Gods heilige geest als algeestmiddelpunt)
dat de ogen door die felle vlam getroffen,
zich voor zijn scherpe schichten moesten sluiten.
19 En zelfs de ster, van hier gezien de kleinste,
zou naast dit punt, als ster gesteld bij sterre,
in grootte en omvang op de maan gelijken.
22 Wel op zo'n afstand als bij zware nevel
een krans van licht de zon of maan omgordelt,
die door hun stralen hem zijn kleuren geven,
25 bewoog zich om het punt een vuurge cirkel
zo snel, dat hij in vaart had overwonnen
de hemel, die zich 't vlugst om de andre wentelt.
28 En de eerste was omgeven door een tweede,
die door een derde en deze door een vierde,
waarop een vijfde volgde en dan een zesde.
31 Om deze lag een zevende gebogen,
zó wijd van omtrek, dat zelfs Juno's bode
als volle cirkel hem niet had omsloten.
34 Zo de achtste en negende ook; en elk dier kreitsen
bewoog met minder haast zich in de rondte,
alnaar hij meer van 't licht-punt bleef verwijderd.
37 Het helderst in zijn vuurgloed was die cirkel,
die 't nauwst zich om de zuivre lichtvonk prangde,
wijl hem, naar 'k gis, de waarheid 't rijkst doorschittert.
40 Mijn vrouwe, die wel zag, hoe 'k mij verbaasde,
nam 't woord en sprak: 'Dit lichtpunt is 't beginsel
van al wat is in hemel en op aarde.
43 Beschouw die cirkel, 't naast ermee verbonden,   (de sfeer van de 'serafijnen': zij die branden
en weet dat hij met zulk een snelheid wentelt   van liefde)
door 't liefdevuur, waarin hij werd ontstoken.'

100 Zo haastig lopen ze in 't gareel der liefde
om hun gelijkheid met het punt te tonen,
alnaar de aanschouwing hoger is in luister.
103 De naam der andren die om hen weer kreitsen,
luidt: tronen voor het aangezicht des Heren.   (de tronen zijn de 'ofanim': zij die handelen)
Zij zijn 't, waarmee het eerste drietal eindigt.
106 Nog moet ge weten, dat het heil dier geesten
zo groot is als hun blik daalt in de bronne,
die met zijn waatren ieders dorst bevredigt.
109 Daardoor zult ge ook begrijpen, dat hierboven
der vreugde wezen ligt in de akt van 't schouwen,
en niet in die der liefde, daarop volgend.
112 En maatstaf voor dit schouwen is verdienste,
een vrucht van goede wil en van genade:
zó stijgt men trap voor trap naar 't hemels leven.
115 De tweede drie-groep, zó vol levenssappen
in deze nimmer eindigende lente,
dat hem geen nachtelijke ram ontbladert,
118 stuwt eeuwig zijn Hosanna's door de hemel,
driestemmig klinkend in drie bruiloftsreien,
die tot de tweede drie-reeks zich verenen.
121 Deez' hierarchie omsluit drie soorten geesten:
de heerschappijen eerst en dan de krachten;
en de orde van de machten is de derde.
124 De vorstendommen en de aartsenglen
zweven al zingend in de twee voorlaatste koren.
En 't laatste omvat de spelemeiende englen.
127 En al die koren, 't oog naar boven richtend,   (de engelen kijken naar God en handelen naar
hun kracht naar onder, trekken, zelf getrokken   de mensheid toe (Emanuel Swedenborg))
door God, naar God weer óp de ganse wereld.

130 In zijn bespiegeling van 's hemels reien
was Dionysius eertijds zó vurig,
dat hij ze als ik benoemde en onderscheidde.
133 Wel dacht in later tijd Gregorius anders,
maar toen hij de ogen opsloeg in deez' hemel,
heeft hij geglimlacht om zijn vroegre dwaling.
136 En was 'r een mens, die zulk geheim onthulde,
verbaas u niet, want met nog meer geheimen
uit hemels bogen heeft hem dit ontsluierd
139 hij die 't hierboven zag met eigen ogen.'

Negenentwintigste zang
13 Niet om bij eigen rijkdom meer te voegen -
wat niet kan zijn - doch wel opdat haar luister
als in weerspiegling 'Ik besta!' mocht roepen,   (in de engelenreien ziet God zichzelf weerspiegeld)
16 ging buiten iedre grens van tijd en ruimte
in eigen eeuwigheid, daar zij 't zo wilde,
ons de eeuwge Liefde in nieuwe liefden open.   (de 'nieuwe liefden': Gods engelen)
19 Toch lag zij eerst niet in verstarring neder,
want noch een vroeger was er noch een later,   (voor de goddelijke algeest zelf bestaat geen tijd)
voordat Gods Geest de waatren over zweefde.
22 En vorm en stof, gescheiden of verbonden,
ging van God uit in 't zijn, zoals drie pijlen   ('vorm', 'bouwstof' en 'zijn')
wegsnorren van een schietboog met drie koorden.   (ook de goddelijke geest is drievoudig)
25 En evenals in glas, kristal of amber
een lichtstraal zó kaatst, dat er tussen komen
en zijn geen enkle tijdsduur is te ontwaren,
28 zo straalde van hun koninklijke Meester
gelijklijk dit drievoudig zijn naar buiten,
niet onderscheiden naar begin of einde.

31 Gelijk met al die wezens is geschapen
hun orde en rang: zó zijn de top der schepping
wie zuivre daadlijkheid werd toegemeten.   (de goddelijke geest is 'dadelijk': de 'daad' is er 'onmiddelijk', 'dadelijk')
34 De loutre mooglijkheid is 't laagst gezeteld;
en daadlijkheid, met mooglijkheid verbonden
door onverbreekbre banden, troont in 't midden.
37 Van de englen heeft Hieronymus geschreven,
dat zij reeds eeuwen lang geschapen waren,
vóór God in 't aanzijn riep al de andre wezens.
40 De waarheid echter staat op vele bladen,
wier schrijvers eens de Heilge Geest verlichtte.
Indien ge aandachtig leest, zult gij 't ervaren.
43 En enigszins begrijpt het zelfs de rede,
wijl 't haar ontgaan zou, hoe de sfeerbewegers
zo lange tijden zonder sferen bleven.
46 Nu weet gij, waar, wanneer en hoe die geesten
van liefde zijn geschapen; en zo doofden
drie vlammen in het vuur van uw begeren.
49 Men zou zo snel niet eens tot twintig tellen
als een gedeelte van Gods englenscharen
beroering bracht in 't rijk van de elementen.
52 Doch 't deel, dat bleef, begon zijn kunstvol kreitsen,
zoals gij 't hier aanschouwt, met zoveel vreugde,
dat geen zijn hemeldans ooit zal beëinden.

55 Vervloekte hoogmoed was begin van 't vallen,
de trots van hem, die reeds uw oog aanschouwde,   (Lucifer)
begraven onder al der wereld lasten.
58 Doch die gij hier ziet, bleven steeds bescheiden,
wel wetend voort te komen van de Algoede,
die hen geschapen had voor 't hoogst begrijpen.
61 Daarom is aller blik zo hoog verheven
door 't goddlijk gratie-licht en door verdiensten,
dat heel hun wil in 't goede blijft bevestigd.
64 En twijfel nu niet meer, doch blijf verzekerd,
dat ieder hart, alnaar 't zich heeft geopend,   (in de mate waarin de mens naar God is gekeerd
genade ontvangen zal en ook verdienen.   zal er ook hulp en ondersteuning komen)

67 En heeft uw geest mijn woorden opgenomen,
dan kunt gij thans, al helpt u ook geen ander,
tevreden rondzien door deez' heilge koren.
70 Doch daar geleerd wordt in uw aardse scholen,
dat de englen van nature zijn begiftigd
met vrije wil, begripskracht en geheugen,
73 wil 'k langer u de waarheid niet verhelen,
die bij deez' leer zo dikwijls wordt verduisterd
door dubbelzinnigheid in schrift en spreken:
76 Sinds de englen in Gods aanschijn zich verheugden,
onttrokken zij ook nimmer meer hun blikken
aan dat gelaat, waarvoor niets blijft omsluierd.
79 Nooit dus wordt door iets nieuws de Godsaanschouwing
meer afgeleid, en dus is zich bezinnen
op wat de geest ontweek, ook gans onnodig.

142 Beschouw de hoogte dan, beschouw de diepte
van 't eeuwig Wezen, dat miljoenen wezens
in 't aanzijn riep, waarin 't zijn luister spiegelt,
145 schoon 't één blijft in zichzelf gelijk te voren.'

Dertigste zang
10 Zo zag ik nu de spelende triomfdans
rondom het punt dat mij had overweldigd
en dat omsluit, waar 't zelf van schijnt omsloten,   (De engelen omsluiten God, maar God omsluit
13 al meer en meer uit mijn gezicht verdwijnen.   ook de engelen)

55 Niet sneller nu was dit zo vluchtig spreken
tot mij gekomen, of mijn geest bevroedde,
dat boven eigen kracht 'k was opgeheven.
58 Een hoger zien voelde ik in mij ontstoken,
zodat geen enkel licht, hoe klaar en helder,
ooit breken zou de weerstand van mijn ogen.
61 En 'k zag een licht, op een rivier gelijkend,
vol goud-gesprankel tussen bei zijn oevers,
met al de kleuren van een wondre lente.
64 En aan die stroom ontsprongen felle vonken
en wierpen links en rechts zich in de bloemen,
die vlamden als robijn door goud omsloten.

91 Toen - zoals zij, die eerst gemaskerd waren,
plots andren blijken dan ze pas nog schenen,
zodra het vreemde mom hen is ontvallen -
94 veranderden de bloemen en de vonken
in weidser heerlijkheden, en ik schouwde
de dubble hofstoet van de grote Koning.   (de engelenreien en de herenigde, menselijke geesten)

97 O weerglans van Gods licht, waardoor ik schouwde
der waarheid koninkrijk en hoogste zege,
o geef mij kracht te zeggen, hoe 'k dit schouwde!
100 Daarboven is een licht, waardoor de Schepper
zichzelve zichtbaar maakt voor ieder schepsel,
dat enkel door zijn aanblik wordt bevredigd.
103 Die lichtzee stort zich uit naar alle zijden,
gelijk een cirkel die zelfs voor de zonne
een veel te wijde gordelriem zou blijken.
106 Ze is louter glans en gloed, zichzelf weerkaatsend
op 't toppunt van de kristallijnen hemel,
die uit die lichtzee leven schept en krachten.

109 En evenals een heuvel, die zich spiegelt
in 't water aan zijn voet, als om te schouwen,
hoe rijk hij is aan kruiden en aan bloemen,
112 zo zag ik hier op meer dan duizend rijen,
rijzend rondom het licht, zich daarin spieglen
alwie van ons weer naar hierboven keerden.

115 En als de laagste rang nu reeds omvatte
zo'n zee van licht, hoe wijd moet dan wel wezen
de roze, waar zij heft haar hoogste blaadren!
118 Mijn blik verdoolde er niet, noch in de breedte
noch in de hoogte, maar bezat volkomen
't hoeveel en 't hoe van al die zaligheden.
121 Hier brengt nabij geen baat, hier schaadt geen verte:   (Rudolf Steiner: in de geestelijke wereld
want waar God zelf rechtstreeks bestuurt en regelt,   wordt wat dichtbij en veraf is evengoed
daar ziet natuur haar wetten opgeheven.   waargenomen)

139 De blinde baatzucht, die uw ziel betovert,   (de menselijke geest, die zich door gehechtheid
maakte u gelijk aan 't kindje, dat zijn voedster   tegen God verzet tot eigen schade)
boos van zich stoot, ofschoon het sterft van honger!

Eenëndertigste zang
13 Als levend vuur gloeide op hun aangezichten,
goudkleurig was hun wiek en blank hun leden:
geen sneeuw, die ooit met zulk een blankheid schittert.
16 En waar ze al zingend in de roze daalden,
daar spreidden zij alom èn vrede èn liefde,
die ze op hun vlucht naar 't goddlijk licht vergaarden.
19 En schoon er tussen bloem en licht daarboven
miljoenen vleugels op en neder wiekten,
werd niets aan 't zien en niets aan 't licht ontnomen.
22 Gods glorie toch vervult geheel de wereld,
alnaar zij 't waardig is, met licht en luister,
en niets vermag die stroom van licht te weren.

94 En hij, de heilge grijsaard, sprak de woorden:
'Opdat ge uw tocht gelukkig moogt beëinden,
waartoe gebed en hemelmin mij zonden,
97 doorvlieg met de ogen deze heilge gaarde,
want bij dit zien moet zich hun kracht verscherpen,
om naar het licht der Godheid op te varen.
100 En 's hemels koningin, voor wie mijn harte   (de hemelse koningin: Maria)
in liefde gloeit, zal alle heil ons schenken,
daar ik haar trouwe dienaar ben: Bernardus.'   (Bernardus van Clairvaux)

103 Zoals een man, bij voorbeeld uit Kroatië
bij ons hier ?t heilig aanschijn komt vereren,
daar de oude faam alleen hem niet verzadigt,
106 en als 't hem wordt getoond, zegt in gedachte:
'O enig ware God, Heer Jesus Christus,
was dan zo schoon uw aanschijn eens op aarde?'
109 zo ging 't ook mij, toen ik verrukt aanschouwde
het laaiend vuur van hem, die op deez' wereld
reeds hemelrust genoot in godsbeschouwing.

Drieëndertigste zang
1 'O Moedermaagd, van eigen Zoon de dochter,
deemoedig en verheven als geen schepsel,
bekroning van wat eeuwig is verordend,
4 gij zijt het, die de mensheid hebt geadeld
zo hoog, dat zelfs haar Schepper 't niet versmaadde
te worden wat Hij zelf eens had geschapen!
7 't Was in uw schoot, dat weer de liefde ontgloeide,
wier gloed in deze tuin van eeuwge vrede   ('paradisum': letterlijk 'ruimte om het huis', 'tuin')
zo wonderschoon de witte roos deed bloeien.

49 Glimlachend gaf Bernardus mij een teken
om op te zien; maar reeds door eigen krachten
had ik volbracht wat hij van mij begeerde,
52 want mijn gezicht, al meer en meer verhelderd,
drong dieper voort reeds door de felle straling
van 't hoge licht, dat waar is door zijn wezen.
55 Sinds was in mij de kracht tot zien veel sterker
dan die der taal, te nietig voor dit schouwen,
dat zelfs ook ons geheugen overweldigt.
58 Gelijk wie ziende ging door 't land der dromen
en in wiens geest niets nablijft dan de ontroering,
wijl hem elk helder denkbeeld is ontzonken,
61 zo ben ik zelf thans hier, want als vervlogen
is mijn visioen en toch drupt nog in 't harte
het zoet gevoel, eens uit mijn droom geboren.

67 O hoogste licht, dat boven 't menslijk denken
zo hoog verheven zijt, geef aan mijn ogen
iets weer van al het schone, daar verschenen,
70 en maak mijn taal in klank en beeld zo machtig,
dat zij een enkle sprankel van uw glorie
beware voor de komende geslachten!
73 Want keert uw glans maar even in mij weder
en wekt ze een flauwe weergalm in mijn wezen,
dan wordt er meer begrepen van uw glorie.

76 Mij dunkt, dat om mijn star en blijvend staren
in 't hoogste licht ik zeker was verbijsterd,
als ik mijn ogen toen had neergeslagen.
79 En 't heugt mij nog, hoe dit mijn moed versterkte,
om vol te houden, tot ik vrij mijn blikken
met aller dingen Oorsprong had verenigd.
82 O rijkdom van gena, waardoor ik 't waagde
zo diep in de afgrond van Gods licht te schouwen,
tot mijn gezicht volkomen was verzadigd.
85 'k Zag in zijn diepte, hoe daar is verenigd,
als tot een boek door liefde saamgebundeld,
wat wijd in 't rond verspreid ligt door de wereld:
88 der dingen wezen en bijkomstigheden
en al wat ze eigen is, zó saamgesmolten,
dat wat ik zeg niets is dan zwakke schemer.
91 De grondvorm van die vaste wereld-orde,
o zeker, zag ik daar, want onder 't spreken
voel 'k nog mijn hart verwijd door zoete vreugde.

100 Het goddlijk licht schenkt zulk een diepe vrede,
dat alwie 't ooit aanschouwt, niet eens kon willen
ooit elders heen zijn ogen nog te wenden.
103 Al 't goede toch, waar 't menslijk hart naar hunkert,
is in dat licht, en wat daarbinnen schittert
in hoogste glans, blijft vaal en dof daarbuiten.
106 Van nu af wordt mijn taal nog meer gestamel -
ook bij wat mij nog heugt - dan die van 't kindje,
dat met de moedermelk zich nog moet laven.
109 Niet dat het levend licht, dat mij omgloorde,
in waarheid ooit van aanzicht kan verwisslen -
't zal immer blijven als het was te voren -,
112 doch daar mijn zien gestadig won in krachten
en 'k zelf een ander werd, zag 'k ook Gods wezen,
schoon onveranderlijk, met mij verandren.
115 Daar in de diepe en klare subsistentie
van 't hoge licht verschenen mij drie cirkels,
in kleur verschillend, doch van omtrek eender.
118 En de ene scheen weerspiegeling van de andre,
als Iris straalt van Iris; en de derde
leek gloeiend vuur, door beiden uitgeademd.

124 O eeuwig licht, dat rust in eigen diepte,
u zelf slechts kent en zó, gekend en kennend,
u zelf bemint en toelacht in uw liefde,
127 de cirkel, die 'k in u te aanschouwen meende
als licht, weerkaatst door licht, en waar mijn blikken
liefkozend even eerst om henen gleden,

130 hij scheen mij toe van binnen als geschilderd
in de eigen kleur ons menslijk beeld te dragen.
En roerloos staarde ik op naar beeld en cirkel.
133 Gelijk het hem vergaat, die moeizaam peinzend
de cirkel-kwadratuur tracht op te lossen,
maar nooit de weg vindt naar 't vereist beginsel,
136 zo ging't ook mij nu bij dit laatste wonder:
zien wilde ik, hoe het beeld zich met de cirkel
verbonden had en hoe het daarin troonde.


terug naar het literatuuroverzicht






^