Hazrat van Qadian De filosofie van de Islamitische leer

Hazrat Mirza Ghulam Ahmad van Qadian
Stichter van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap

The Philosophy of the Teachings of Islam
Translated into Dutch by: Abdul Hamid van der Velden
First published in U.K. in December 1996
Copy right: Islam International Publications Ltd.
Published by: Islam International Publications Ltd. Islamabad,
Sheephatch Lane, Tilford, Surrey GUI0 2AQ United Kingdom
Printed in U.K. by: The Bath Press, Bath, ISBN 90-71624-09-9

You may contact the following for further information:
Nederlandstalige Ahmadiyya Moslim Gemeenschappen
Nederland, "Mobarak Moskee" Oostduinlaan 79, 2596 JJ Den Haag, Tel: 070-3245902, Fax: 070-3212881
"Baitun Noer" Groenelaantje 20, 8072 DD Nunspeet, Tel: 03412-52282, Fax: 03412- 52282
België, Brusselstraat 3, 1700 Sint-Ulriks-Kapelle, Dilbeek, Tel: 024666856
Suriname, Ephraimszegenweg 67, P. O. Box 2106, Paramaribo, Tel: 81689

Boodschap van Hazrat Mirza Tahir Ahmad, Hoofd van de over de gehele wereld verspreide Ahmadiyya Moslim Gemeenschap.
De over de gehele wereld verspreide Ahmadiyya Moslim Gemeenschap viert het feit dat het honderd jaar geleden is dat dit bijzondere werk werd uitgegeven.
Het werd oorspronkelijk voorgedragen op een conferentie van godsdiensten die in Lahore werd gehouden van 26 tot 29 december 1896. De verhandeling werd geschreven onder goddelijke zegeningen en van haar unieke succes werd getuigd door profetische openbaringen van God die werden gepubliceerd voordat de conferentie werd gehouden. Ook werden brochures uitgereikt en aanplakbiljetten tentoongespreid op vele openbare plaatsen in Lahore.
Zoals het een gemeenschap van gelovigen betaamt, is onze viering van dankzegging betekenisvol en waardig en vrij van iedere soort van nutteloos en onbeduidend vertoon en gejubel. Wij vieren daarom het eeuwfeest van dit boek door het te vertalen in de meeste belangrijke talen. Wij hopen dat zijn zegeningen aldus op ruime schaal zullen worden gedeeld door de meeste naties van de wereld.
Louter door de genade van God hebben wij tot nu toe de vertaling en publicatie van dit boek voltooid in 52 belangrijke wereldtalen. Bovendien wordt thans gewerkt aan de vertaling in enkele van de overige talen. Wij hopen dat deze met de genade van God voltooid zullen zijn voor het einde van het jaar 1996.
Moge Allah hen belonen die hun vermogen, tijd en inspanning voor de verwezenlijking van deze nobele taak hebben ingezet. Amen.

Mirza Tahir Ahmad, Januari 1996

INHOUD
Inleiding
Groot nieuws voor zoekers naar waarheid
Uit de pers

ISLAM 1
EERSTE VRAAG 3
De fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens 5
Drie vormen van menselijke daden 5
De eerste bron: Het innerlijk dat tot kwaad aanzet 5
De tweede bron: Het innerlijk dat zichzelf berispt 6
De derde bron: De ziel in rust 7
De ziel is geschapen 10
De tweede geboorte van de ziel 11
De geleidelijke vooruitgang van de mens 11
Onderscheid tussen de natuurlijke en de morele toestanden en een weerlegging van de leer van de instandhouding van het leven 13
Drie methoden tot hervorming: De komst van de Heilige Profeet in de tijd dat hieraan de grootste behoefte bestaat 15
Het ware doel van de leerstellingen van de Heilige Qor'aan is de hervorming van de drie toestanden: natuurlijke toestanden worden door ordening morele toestanden 16
Het juiste zedelijke gedrag 18
Onderscheid tussen Khalq (schepping) en Khulq (zedelijk gedrag) 19
Natuurlijke toestanden van de mens 20
Waarom is varkensvlees verboden? 24
De morele toestand van de mens 25
Morele eigenschappen die betrekking hebben op het verwerpen van kwaad 26
Vijf remedies tegen onkuisheid 29
Morele eigenschappen die verband houden met het goeddoen 36
Ware moed 42
Waarheidslievendheid 43
Standvastigheid 45
Sympathie voor de mensheid 46
Het zoeken naar een Verheven Wezen 47
De reden voor het verschijnen van de Heilige Profeet in Arabië 50
Wat de wereld aan de Heilige Qor'aan heeft te danken 50
Bewijs voor het bestaan van God 51
Eigenschappen van God 54
Geestelijke toestanden 60
Een uitstekend gebed 63
De betekenis van dranken die zijn bereid uit kamfer en gember 68
De uitwerking van gember 69
Middelen voor het vestigen van een volmaakte geestelijke band met God 74

INLEIDING
Iemand genaamd Swami Sadhu Shugan Chandra had drie of vier jaar van zijn leven getracht om de Kaaisth Hindoe kaste te hervormen. In 1892 kwam hij tot te condusie dat tenzij de mensen onder één dak werden verzameld, zijn inspanningen tevergeefs zouden zijn. Hij stelde daarom voor om een godsdienstconferentie bijeen te roepen. De eerste conferentie vond plaats in 1892 in Ajmer. In 1896 trof hij voorbereidingen voor een tweede dergelijke conferentie, waarvoor hij Lahore een geschikte plaats van samenkomst achtte. Swami Sahib benoemde een comité om toezicht te houden op de organisatie. Meester Durgah Parshad was voorzitter van het comité en Lala Dhanpat Roy, BA, LLB, was eerste secretaris. De datums die voor de conferentie werden gekozen waren 26 tot 28 december 1896 en de volgende zes personen werden benoemd tot moderators:
1. Roy Bahadur Babu Partol Chand Sahib, rechter aan het Hooggerechtshof, Pundjab.
2. Khan Bahadur Sheikh Khuba Baksh Sahib, rechter aan het Kantongerecht, Lahore.
3. Roy Bahadur Pandit Radhma Kishan Sahib Cole, pleiter aan het Gerechtshof Lahore.
4. Hlazrat Maulvi Hakeem Nur-ud-Din Sahib, hofarts.
5. Roy Bhavani Das Sahib, MA Extra Settlement Officer, Jhelum.
6. Sardar Jawahar Singh Sahib, secretaris Khalsa Comité, Lahore.

Het comité nodigde de geleerde vertegenwoordigers van Moslims, Christenen en Arya's uit om de voortreffelijkheden van hun respectieve geloven uiteen te zetten. Het doel van de Conferentie van Grote Godsdiensten, die zou worden gehouden in het gemeentehuis van Lahore, was dat de voortreffelijkheden en de verdiensten van de ware godsdienst zouden worden omhelsd in een bijeenkomst van beschaafde mensen, zodat de liefde ervoor in hun harten zou worden gegrift en zij welbekend zouden worden met zijn argumenten en bewijzen. De wijze godgeleerden van iedere godsdienst zou aldus de gelegenheid worden gegeven om anderen van de waarheid van hun respectieve geloven te overtuigen, terwijl de toehoorders in staat zouden zijn om iedere toespraak te beoordelen in relatie tot de andere en de waarheid te aanvaarden, waar deze ook zou worden gevonden. Geschillen tussen de volgelingen van verschillende godsdiensten hebben aanleiding gegeven tot het verlangen te zoeken naar de ware godsdienst. Dit wordt op de beste manier bereikt door de geleerde predikers en onderwijzers bijeen te brengen, zodat zij, in de context van enkele gepubliceerde vragen, de schoonheden van hun respectieve geloven kunnen uiteenzetten. In zulk een conferentie zal de ware religie van God beslist openbaar worden. Dit is het doel van de conferentie. Iedere geleerde onderwijzer en prediker weet dat hij verplicht is om de waarheden van zijn geloof duidelijk te maken. De conferentie wordt gehouden zodat de waarheid duidelijk moge worden en zij is dus een door God gegeven gelegenheid voor hen (de wijze godgeleerden) om dit doel te vervullen. Zulke gelegenheden zijn voor ons niet altijd voorhanden. Swami Sahib schreef hierover verder:
"Als men iemand ziet lijden aan een dodelijke ziekte en als men vast gelooft dat men de genezing voor de ziekte heeft en als men ook beweert sympathie te hebben voor het menselijke ras, hoe is het dan mogelijk dat men zich met opzet afwendt als op hem een beroep wordt gedaan een geneesmiddel te verstrekken? Mijn hart is vervuld met het verlangen te weten welke godsdienst vol is met waarheid. Ik heb geen woorden om het vuur in mij tot uitdrukking te brengen".

Vertegenwoordigers van de verschillende godsdiensten namen Swami Sahibs uitnodiging aan en de Conferentie van Grote Godsdiensten werd gehouden tijdens de kerstvakantie van 1896. Iedere spreker was verplicht zich bezig te houden met vijf vragen die vooraf door het comité waren gepubliceerd. Het comité bepaalde ook dat iedere spreker, voor zover mogelijk zijn antwoorden moest beperken tot het heilige boek van zijn godsdienst. De vragen waren:

1. Wat zijn de fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens.
2. Wat is de toestand van de mens na de dood, d.w.z. in het hiernamaals?
3. Wat is het ware doel van het bestaan van de mens op aarde en hoe kan dit worden bereikt?
4. Wat zijn de gevolgen van iemands daden in dit leven en het leven hierna?
5. Wat zijn de bronnen van goddelijke kennis?

De conferentie werd gehouden van 26 tot 29 december en werd bijgewoond door vertegenwoordigers van Sanatan Dharm, Hindoeïsme, Arya Samadj, Vrijdenkers, Brahmo Samadj, Theosofische Vereniging, Religie van Harmonie, Christendom, Islam en de godsdienst van de Sikhs. Alle vertegenwoordigers spraken de conferentie toe, maar slechts een van de lezingen verschafte een waar en volledig antwoord op alle bovengenoemde vijf vragen. Woorden kunnen niet de atmosfeer van de conferentie beschrijven toen Maulvi Abdul Karim Sialkoti op zeer welsprekende wijze de lezing gaf. Iedereen, ongeacht zijn godsdienst, moest wel zijn waardering en goedkeuring tonen. Er was niemand die er niet door in beslag werd genomen en die niet in vervoering werd gebracht. De stijl van het houden van de toespraak was uiterst interessant en aantrekkelijk. Welk beter bewijs voor de voortreffelijkheid van de toespraak was er dan het feit, dat zelfs de tegenstanders erover vol lof waren. Ondanks het feit dat de Civil and Military Gazette, Lahore, een Christelijke krant was, beschouwde deze de toespraak als de enige die het waard was te worden genoemd en het was de enige toespraak die zij ten zeerste aanprees.
De toespraak was geschreven door Mirza Ghulam Ahmad van Qadian, de stichter van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Zij kon niet worden voltooid in de twee uren die ervoor waren aangewezen. De conferentie werd daarom verlengd met een extra dag. De krant Punjab Observer vulde kolom na kolom met bijval voor de toespraak. De kranten: Paisa Akhbar, Chaudhvin Sadee, Sadiq-ul-Akhbaar, Mukhbir i Dakkan en General-o-Gohari Asifi uit Calcutta, enz, waren alle unaniem in hun bijval. Niet-Moslims en mensen die niet uit India afkomstig waren, verklaarden allen dat de verhandeling de voortreffelijkste van de conferentie was. De secretaris van de Conferentie, Dhanpat Roy, BA, LLB, pleiter aan het gerechtshof van Pundjab, schreef in zijn "Verslag van de Conferentie van Grote Godsdiensten" (Dharam Mohotsu) het volgende:

"Er was een pauze van een half uur na de toespraak van Pandit Gordhan Das Sahib. Omdat het volgende punt op de agenda een toespraak was die werd voorgedragen namens een beroemde verdediger van de Islam, bleven de meeste mensen op hun plaats zitten. Het grote Islamia College begon reeds geruime tijd voor 13.30 uur vol te stromen. De bijeenkomst telde tussen de zeven- en achtduizend mensen. Ontwikkelde en goed ingelichte mensen van verschillende godsdiensten en naties waren aanwezig en hoewel veel tafels, stoelen en vloerruimte waren verschaft, hadden toch honderden aanwezigen geen andere keuze dan te staan.
Onder de aanwezigen bevonden zich veel hoogwaardigheidsbekleders, leiders uit de Pundjab, geleerden, advocaten, juristen, professoren, leraren en doctoren. Kortom, de verschillende geledingen van de ontwikkelde samenleving waren alle aanwezig. Zij stonden met groot geduld en onverdeelde aandacht vier tot vijf uur te luisteren en dit toont aan hoezeer zij begaan waren met deze heilige zaak. De schrijver van de voordracht was niet persoonlijk aanwezig, maar een van zijn volgelingen, Maulvi Abdul-Karim Sialkoti, was gemachtigd deze tijdens de conferentie voor te lezen. Het comité had voor de verhandeling twee uur gereserveerd: zij kon in deze tijd echter niet worden voltooid. De moderators gingen er gezien de gretige belangstelling die door de toehoorders werd getoond, gaarne mee akkoord de zitting te verlengen tot het einde van de toespraak. Deze beslissing was precies naar de wensen van de deelnemers. Maulvi Abu Yusuf Mubarak Ali ging ermee akkoord afstand te doen van zijn tijd zodat de verhandeling van Mirza Sahib kon worden voltooid. Dit werd door de toehoorders en de moderators zeer op prijs gesteld. De conferentie had moeten eindigen om 16.30 uur, maar met het oog op de wensen van de toehoorders werd zij verlengd tot na 17.30 uur. De verhandeling werd voorgelezen in vier uur en van het begin tot het eind was zij zeer interessant en werd zeer op prijs gesteld."

Nadat hij op 21 december 1896, een paar dagen vóór de conferentie een profetische openbaring van God had ontvangen, verklaarde de stichter van de Ahmadiyya Beweging in het openbaar dat deze verhandeling de meest overweldigende zou zijn. Een vertaling van deze verklaring volgt hieronder:

GROOT NIEUWS VOOR ZOEKERS NAAR WAARHEID
In zijn bekendmaking heeft Swami Shugan Chandra Sahib de vooraanstaande theologen van Moslims, Christenen en Arya's in de naam van God uitgenodigd om de voortreffelijkheden van hun respectieve geloven uiteen te zetten tijdens een conferentie die door hem werd voorgesteld. Wij wensen Swami Sahib mede te delen dat om de naam van God te eren, zoals door hem is genoemd, wij bereid zijn aan zijn verzoek te voldoen en als God het wil zullen wij tijdens de voorgestelde conferentie een voordracht houden.

Islam is een geloof dat een ware Moslim voorschrijft een volmaakte gehoorzaamheid te demonstreren als hij ertoe wordt geroepen iets in de naam van God te doen. Wij zullen nu zien hoeveel achting zijn broeders, de Arya's en de Christelijke geestelijken hebben voor de eer van Permeshwar of voor Jezus en of zij gereed zijn aan de conferentie deel te nemen die in naam van de Glorierijke zal worden gehouden. Tijdens de conferentie over de grote godsdiensten die op 26, 27 en 28 december 1896 in het stadhuis van Lahore zal worden gehouden, zal een verhandeling over de voortreffelijkheden en de wonderen van de Heilige Qor'aan, die door deze nederige persoon is geschreven, worden voorgelezen. Deze verhandeling is niet het resultaat van een gewone menselijke inspanning, maar is een teken onder de tekenen van God en is geschreven met Zijn bijzondere steun. Zij zet de schoonheden en de waarheden van de Heilige Qor'aan uiteen en stelt op duidelijke wijze vast dat de Heilige Qor'aan inderdaad Gods eigen Woord is en een Boek is, dat is geopenbaard door de Heer van alle Schepping. Iedereen die naar deze verhandeling luistert, vanaf het begin tot het eind, naar mijn behandeling van al de vijf thema's die voor de conferentie zijn vastgesteld, zal zeker een nieuw geloof ontwikkelen en zal een nieuw licht dat binnenin hem schijnt waarnemen en zal een uitgebreid commentaar op het Heilige Woord van God verkrijgen. Mijn verhandeling is vrij van menselijke zwakheid, lege grootspraak en ijdele beweringen. Ik ben door sympathie voor mijn medeschepselen bewogen om deze aankondiging te doen, zodat zij getuige zouden zijn van de schoonheid van de Heilige Qor'aan en zich zullen realiseren, hoe onze tegenstanders zich vergissen waar zij duisternis liefhebben en licht haten. God, de Alwetende, heeft mij geopenbaard dat één verhandeling de overhand zal hebben over alle andere verhandelingen. Zij is vol van het licht van waarheid, wijsheid en begrip en zal al de andere partijen tot schande maken, tenzij zij de Conferentie bijwonen en van het begin tot het eind naar de verhandeling luisteren. Zij zullen niet in staat zijn om de kwaliteit van de verhandeling met hun geschriften te evenaren, of zij nu Christenen, aanhangers van de Arya Samadj, Sanatan Dharm of anderen zijn. Omdat de Almachtige God heeft bepaald dat de glorie van Zijn Heilige Boek op die dag zal worden gemanifesteerd. Ik zag in een visioen dat uit het ongeziene een hand op mijn woning werd gelegd en dat door de aanraking door die hand een stralend licht uit het huis ontsprong dat zich in alle richtingen verspreidde. Het verlichtte ook mijn handen. Hierop riep iemand die bij mij stond met luide stem uit: God is Groot. Khaibar is gevallen.
De uitleg is dat met mijn woning mijn hart wordt bedoeld, waarop het hemelse licht van de waarheden van de Heilige Qor'aan nederdaalt en dat met Khaibar alle gedegenereerde godsdiensten worden bedoeld die zijn aangetast door heidendom en valsheid waarin de mens is verheven om de plaats van God in te nemen of waarin Goddelijke eigenschappen uit hun verheven plaats zijn omvergeworpen. Aldus werd mij onthuld dat de bekendmaking op grote schaal van deze verhandeling de onwaarheid van valse godsdiensten aan het licht zal brengen en dat de waarheid van de Qor'aan zich geleidelijk over de aarde zal verspreiden tot deze zijn climax bereikt. Van dit visioen bewoog mijn geest zich naar het ontvangen van openbaring en ik ontving de (Arabische) openbaring.

God is met u en God staat waar u staat

Dit is een beeldspraak die de verzekering van goddelijke steun uitdrukt. Ik heb er geen behoefte aan méér te schrijven. Ik verzoek iedereen dringend de Conferentie in Lahore bij te wonen, zelfs als dit enig ongemak met zich brengt en naar deze waarheden te luisteren. Als zij dit doen zullen hun rede en hun geloof hieruit dermate grote voordelen behalen dat deze boven verwachting zijn. Vrede zij met hen die de leiding volgen.

Ghulam Ahmad, Qadian, 21 december 1896


UIT DE PERS

Het is gepast om als voorbeeld hier de meningen van enkele van de kranten uit die tijd weer te geven:

Civil and Military Gazette, Lahore
De deelnemers aan de conferentie toonden een grote belangstelling voor de lezing van Mirza Ghularn Ahmad van Qadian. Zijn verhandeling was een deskundige en onberispelijke verdediging van de Islam. Een groot aantal mensen die tot verschillende geledingen van de maatschappij behoorden. kwamen van heinde en verre om deze te horen. Mirza Sahib kon niet persoonlijk aanwezig zijn. Daarom werd zijn verhandeling voorgelezen door een zeer bekwame student van hem, Maulvi Abdul Karim Sialkoti. Op 27 december las hij gedurende drie uren uit de toespraak voor en deze werd door het oplettende gehoor zeer goed ontvangen. Echter in deze drie uren kon hij slechts één van de vijf vragen behandelen. Maulvi Abdul Karim beloofde dat als hem meer tijd zou worden gegeven, hij de lezing zou voortzetten. De organisatoren en de voorzitter besloten daarom de conferentie met een extra dag te verlengen. (Samenvatting)

Chaudhvin Sadee, Rawalpindi
1 februari 1897. Ruimschoots de beste lezing van de conferentie was de lezing die was geschreven door Mirza Ghulam Ahmad en op een zeer mooie wijze werd voorgelezen door de bekende en welsprekende Maulvi Abdul Karim Sialkoti. De lezing werd gehouden in totaal zes uren, vier uren op 27 december en twee uren op 29 december. Zij besloeg honderd bladzijden. De toehoorders waren als betoverd. Iedere zin kreeg applaus. Nu en dan verzochten de toehoorders om zinnen steeds weer te herhalen. Wij hebben nooit tevoren zo'n aangename lezing gehoord. De vertegenwoordigers van de andere godsdiensten hielden zich inderdaad niet bezig met de vragen die door de conferentie waren opgesteld. De meeste sprekers behandelden voornamelijk de vierde vraag, terwijl zij de andere vragen slechts terloops aanroerden. Een meerderheid van de sprekers sprak veel, maar zei weinig. De uitzondering was de verhandeling van Mirza Sahib. Deze gaf een gedetailleerd en veelomvattend antwoord op elke van de afzonderlijke vragen. De toehoorders luisterden met grote belangstelling en niet onverdeelde aandacht naar een lezing die zij voortreffelijk en markant vonden. Wij zijn geen volgelingen van Mirza Sahib, noch hebben wij enig contact met hem. Wij kunnen echter niet onbillijk in ons commentaar zijn. Bij het beantwoorden van de vragen vertrouwde Mirza Sahib uitsluitend op de Qor'aan. leder Islamitisch hoofdbeginsel werd op een mooie wijze uiteengezet en hiervoor werden logische en overtuigende argumenten gebruikt. Het eerst gebruiken van logische argumenten om het bestaan van God te bewijzen en het dan aanhalen van het woord van God, is een stijl die wij als zeer bekoorlijk ervaren. Niet alleen zette Mirza Sahib de filosofie van de leer van de Qor'aan uiteen, hij verklaarde ook de filosofie en de filologie van de taal van de Qor'aan. Kortom, de lezing van Mirza Sahib was volledig en veelomvattend vol met juwelen van kennis, wijsheid, waarheden en mysteriën. De filosofie van het goddelijke werd zo wonderbaarlijk tot uitdrukking gebracht dat alle toehoorders perplex stonden. Zijn lezing was het drukst bezocht en de zaal was propvol. Alle toehoorders luisterden aandachtig. Om het verschil te illustreren tussen de lezing van Mirza Sahib en de lezingen van andere sprekers, volstaat het te zeggen dat de mensen samenstroomden om zijn voordracht te horen, terwijl zij uit verveling de andere sprekers in de steek lieten. Maulvi Muhanimad Hussain Batalvi's lezing was onbeduidend. Het was niets anders dan het gebruikelijke, alledaagse mullahisme en de lezing was in het geheel niet buitengewoon. Vele mensen verlieten de zaal tijdens de tweede lezing van Maulvi Mansoof, en Maulvi Manduh kreeg zelfs niet een paar minuten extra om zijn toespraak te voltooien. (Samenvatting)

General-o-Gobar Asifi, Calcutta
(Het volgende artikel werd gepubliceerd onder de dubbeltitel "De Conferentie van Grote Godsdiensten" en "De overwinning van de Islam".)
24 januari 1897. Alvorens de conferentie in het algemeen te bespreken willen we er op wijzen dat (zoals onze lezers weten) wij reeds in vorige edities hebben geredeneerd ten aanzien van welke geleerde geestelijke de zaak van de Islam zo krachtig mogelijk verdedigde. Met een eerlijke en onbevangen geest heeft een van onze geachte correspondenten Mirza Ghulam Ahmad van Qadian gekozen als de kampioen van de Islam, en een andere correspondent heeft in een brief aan ons dezelfde mening tot uitdrukking gebracht. Maulvi Fakhruddin Sahib Fakhr betoogt met klem dat Mirza Ghulam Ahmad van Qadian de lijst aanvoert, gevolgd door Sir Syed Ahmad Sahib uit Aligarh. De andere namen die hij suggereerde als mogelijke kampioenen van de Islam waren: Maulvi Abu Saeed Muhammad Hussain Sahib Batalji, Haji Sved Muhammad Ali Sahib Kanpuri en Maulvi Ahmad Hussain Sahib Azeemabadi. Het is hier niet misplaatst te noemen dat een van onze correspondenten (ook de naam suggereerde van Maulvi Abdul Haq Sahib Delhvi, de schrijver van Tafseeri Haqqani. (Samenvatting)
Na een passage uit Swami Shugan Chandra's uitnodiging tot het bijwonen van de conferentie te hebben aangehaald, vervolgt de krant: Van welke van de geleerden was het gevoel van trots ontwaakt om de heilige godsdienst van de Islam te verdedigen nadat zij de pamfletten hadden gelezen die aan de conferentie bekendheid gaven? In hoeverre reageerden zij en doordrongen anderen door logische redenatie, van de majesteit van het Goddelijke? Wij hebben uit betrouwbare bronnen vernomen dat de organisatoren van de conferentie uitnodigingsbrieven hadden gestuurd aan Mirza Ghulam Ahmad Sahib en Sir Syed Ahmad Sahib. Een slechte gezondheid verhinderde Hazrat Mirza Sahib ervan de conferentie persoonlijk bij te wonen, maar hij vaardigde een van zijn voornaamste volgelingen, Maulvi Abdul Karim Sialkoti af, zijn verhandeling op de conferentie voor te lezen. Sir Syed echter woonde de conferentie niet bij en diende ook geen verhandeling in. De reden hiervan was niet zijn hoge leeftijd of andere verbintenissen die hem hiervan weerhielden. In feite beschouwde hij het bijwonen van godsdienstige conferenties voor zich onwaardig. In antwoord op de uitnodiging (wij zullen zijn antwoord in een van onze toekomstige edities publiceren) schreef hij: "Ik ben geen prediker of hervormer, of maulvi. Deze conferentie is voor predikers en hervormers".

Maulvi Syed Muhammad Ali Sahib Kampuri, Maulvi Abdul Haq Sahib Delhvi en Maulvi Alimad Hussain Sahib Azeemabadi toonden niet veel belangstelling voor de conferentie en niet één van het grote aantal andere godsdienstgeleerden van ons land deed enige moeite een verhandeling voor te bereiden die daar zou kunnen worden gepresenteerd. We moeten toegeven dat een of twee mensen de uitdaging aannamen, alleen om hun inspanningen op henzelf te zien terugkaatsen. Zoals ons volgende verslag zal bewijzen, zeiden ze niets ter zake dienende of maakten zij slechts een paar nietszeggende opmerkingen. Het verslag van de conferentie laat zien dat het alleen Hazrat Mirza Ghulam Ahniad van Qadian was die werkelijk de zaak van de Islam verdedigde en dat hij het vertrouwen dat de mensen in hem hadden gesteld om de Islam te vertegenwoordigen niet had beschaamd. Zijn vertegenwoordiging was goedgekeurd door veel sekten van de Islam uit Peshawar, Rawalpindi, Jhelum, Shahpur, Bhera, Khushab, Sialkot, Jammoon, Wazeerabad, Lahore, Anifitsar, Gurdaspur, Ludhiana, Shimla, Delhi, Ambala, Riasat Patialal, Dera Doon, Ilahabad Madras, Bombay, Hyderabad (Dakkan) en Bangalore, enz. in India.

Het is juist te zeggen dat als Mirza Sahibs voordracht niet zou zijn gepresenteerd, de Moslims in vergelijking met andere godsdiensten te schande zouden zijn gemaakt. Als het niet door de machtige hand van de Almachtige zou zijn geweest, dan zou de godsdienst van de Islam niet de overhand hebben gehad. Het was door Mirza Sahibs voordracht dat de glorie van de Islam werd gevestigd. Zowel vrienden als tegenstanders gaven de superioriteit van de voordracht ten opzichte van de andere voordrachten toe. Toen de voordracht eenmaal was afgelopen, waren feitelijk zelfs de vijanden van de Islam gedwongen toe te geven dat de toespraak hen had geholpen de leerstellingen van de Islam te begrijpen en dat de Islam had gezegevierd. De verkiezing van Nfirza Sahib tot kampioen van de Islam is zeer gepast, niemand kan tegen deze verkiezing bezwaar hebben. Hij heeft ons reden gegeven om trots te zijn en hierin ligt de glorie en de grootheid van de Islam.

Dit was slechts de tweede Conferentie van Grote Godsdiensten, maar het formaat van de bijeenkomst en haar hoge intellectuele gehalte overtroffen verre alle andere congressen en conferenties. Grote leiders van de grootste steden van India waren aanwezig, en wij zijn er trots op te zeggen dat de stad Madras ook vertegenwoordigd was. De conferentie bleek zo interessant te zijn dat de organisatoren haar in plaats van de aangekondigde drie dagen, tot vier dagen moest verlengen. De organisatoren hadden het Islamia College als plaats van bijeenkomst gekozen omdat dit de grootste openbare ruimte in Lahore was. Maar zoveel mensen namen deel dat zelfs deze reusachtige ruimte niet toereikend bleek te zijn. Het grote succes van de conferentie kan worden opgemaakt uit het feit dat niet alleen de vooraanstaande burgers van de Pundjab deze bijwoonden, maar de rechters aan het Gerechtshof en het Hooggerechtshof van Allahabad de hoogedelachtbare Babu Chand Partol Sahib en de heer Bannerjee waren ook aanwezig. (Einde van de samenvatting van kranteverslagen)

De voordracht van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad werd gepubliceerd in "Het Verslag van de Conferentie van Grote Godsdiensten", Lahore, en de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap heeft de voordracht gepubliceerd in boekvorm onder de titel "Islam Usulki Philosophy". Dit boek is in het Engels vertaald onder de titel "The Philosophy of the Teachings of Islam". Er zijn veel edities van het boek gedrukt en het is vertaald in het Frans, Nederlands, Spaans, Arabisch, Duits en verschillende andere talen. Veel filosofen en buitenlandse kranten hebben het boek gunstige recenties gegeven en veel Westerse intellectuelen hebben het zeer geprezen. Bijvoorbeeld:

1. The Bristol Times and Mirror schreef: "Zeker, de man die op deze manier Europa en Amerika aanspreekt, kan geen gewoon wezen zijn".
2. De Spiritual Journal, Boston, schreef: "Dit boek is goed nieuws voor het gehele menselijke ras".
3. Theosophical Booknotes schreef: "Dit boek geeft een zeer mooi en sympathiek beeld van de godsdienst van Mohammmed".
4. De Indian Review schreef: "Dit boek presenteert een duidelijk denken en een volmaakte wijsheid en de lezer heeft geen andere keus dan het te prijzen".
5. De Muslim Review schreef: "Iedereen die dit boek leest vindt stelllig vele waarheden die zeer diep zijn en aangenaam voor de ziel".

De schoonheid van de verhandeling is dat deze geen enkele godsdienst aanvalt. Zij verklaart alleen de schoonheid en de verdiensten van de Islam. Alle vragen worden met verwijzing naar de Heilige Qor'aan op een wijze beantwoord die de volmaaktheid van de Islam en zijn superioriteit ten opzichte van alle andere godsdiensten bewijst!

Jalal-ud-Din Shams


De vijf vragen:

1. De fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens.
2. Wat is de toestand van de mens na de dood, d.w.z. in het hiernamaals?
3. Wat is het ware doel van het bestaan van de mens op aarde en hoe kan dit worden bereikt?
4. Wat zijn de gevolgen van iemands daden in dit leven en het leven hierna?
5. Wat zijn de bronnen van goddelijke kennis?

De tekst van de toespraak

In de naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Altijd Genadevolle. Wij prijzen Hem en roepen Zijn Zegeningen af over Zijn Edele Boodschapper.

ISLAM

Het is noodzakelijk dat een aanspraak en de redenen die deze ondersteunen moeten worden uiteengezet met behulp van een geopenbaard boek.

Gedurende deze veelbelovende Conferentie, waarvan het doel is dat zij die zijn uitgenodigd eraan deel te nemen, de verdiensten van hun respectieve godsdiensten met betrekking tot de vragen die zijn geformuleerd dienen uiteen te zetten, zal ik vandaag de verdiensten van de Islam uiteenzetten. Voordat ik hiermee aanvang, acht ik het gepast bekend te maken dat ik het mij verplicht stel dat wat ik ook zal verklaren, dit zal zijn gebaseerd op de Heilige Qor'aan, dat het Woord van God Almachtig is. Ik beschouw het als essentieel dat iedereen die een boek volgt en gelooft dat dit is geopenbaard, zijn uiteenzetting op dat boek moet baseren en niet de omvang van zijn verdediging van zijn geloof zodanig moet uitbreiden alsof hij een nieuw boek samenstelt. Omdat het vandaag mijn doel is de verdiensten van de Heilige Qor'aan vast te stellen en zijn uitmuntendheid te demonstreren, ben ik verplicht niets te verklaren dat niet is vervat in de Qor'aan en alles uiteen te zetten op grond van zijn verzen en in overeenstemming met hun betekenis en hetgeen daaruit kan worden afgeleid, zodat zij die de Conferentie bijwonen het niet moeilijk zullen vinden om een vergelijking te trekken tussen de leerstellingen van verschillende godsdiensten. Omdat allen die in een geopenbaard boek geloven zich ook zullen beperken tot verklaringen die zijn vervat in hun respectieve geopenbaarde boeken, zal ik geen verwijzing maken naar de tradities van de Heilige Profeet, aangezien alle ware tradities slechts als uitleg dienen van de Heilige Qor'aan, dat een volmaakt boek is dat alle andere boeken omvat. Kortom, dit is de dag van de manifestatie van de glorie van de Heilige Qor'aan en ik smeek God Almachtig nederig mij in deze onderneming bij te staan. Amen (1)

EERSTE VRAAG

De fysieke, morele en geestelijke toestanden van de mens
In de eerste paar bladzijden van deze verhandeling heb ik zekere inleidende zaken uiteengezet die op het eerste gezicht irrelevant zouden kunnen lijken. Toch is het noodzakelijk ten aanzien van deze zaken een duidelijke opvatting te hebben om tot een juist begrip te komen van het antwoord op de vraag die hierboven is gesteld.

terug naar de Inhoud

Drie vormen van menselijke daden
De eerste vraag heeft betrekking op de natuurlijke, de morele en de geestelijke toestanden van de mens. De Heilige Qor'aan heeft drie verschillende bronnen van deze drie toestanden aangegeven. Met andere woorden, de Heilige Qor'aan heeft op drie bronnen gewezen waaruit deze respectieve toestanden voortvloeien.

terug naar de Inhoud

De eerste bron: Het innerlijk dat tot kwaad aanzet
De eerste bron, die de bron is van alle natuurlijke toestanden, wordt door de Heilige Qor'aan de "Nafsi Ammarah" genoemd, hetgeen betekent het innerlijk dat tot kwaad aanzet, omdat de Heilige Qor'aan zegt:
Dit betekent dat het karakteristiek is voor het menselijke 'ik' dat dit de mens tot kwaad aanspoort en het bereiken van volmaaktheid en een morele toestand tegengaat en hem aanspoort tot onwenselijke en slechte wegen. Aldus is de geneigdheid tot kwaad en onmatigheid een menselijke toestand die de geest van iemand overheerst alvorens hij een morele toestand bereikt. Dit is de natuurlijke toestand van de mens zolang hij niet door rede en begrip wordt geleid, maar zijn natuurlijke aanleg volgt bij eten, drinken, slapen, waken, boosheid en provocatie, zoals bij dieren het geval is. Als iemand wordt geleid door rede en begrip, en zijn natuurlijke toestand onder controle brengt en op een juiste wijze ordent, houden deze drie toestanden (5) zoals beschreven, op te behoren tot de categorieën van de natuurlijke toestanden maar worden morele toestanden genoemd.

terug naar de Inhoud

De tweede bron: Het innerlijk dat zichzelf berispt
De bron van de morele toestand kan de mens wordt door de Heilige Qor'aan "Nafsi Lawwama" genoemd. Wij lezen:
Ik roep het 'ik' dat zichzelf berispt tot getuige (75:3).
Dat wil zeggen: Ik roep het innerlijk dat zichzelf voor iedere ondeugd en onmatigheid berispt tot getuige. Dit innerlijk dat zichzelf berispt, is de tweede bron van de menselijke toestand van waaruit de morele toestand wordt voortgebracht. In deze toestand lijkt de mens niet langer op een dier. Als men deze toestand tot getuige roept, doet men dit om deze eer te bewijzen, alsof deze, als men van de toestand van het innerlijk dat vatbaar is voor kwaad, tot de toestand komt van het innerlijk dat zichzelf berispt, naar de goddelijke beoordeling waardig is geworden te worden geëerd. Deze toestand wordt zo genoemd omdat deze de mens berispt bij het begaan van fouten en zich er niet mee verzoent dat de mens zich onderwerpt aan zijn natuurlijke verlangens en een ongebreideld leven leidt zoals de dieren. Deze toestand verlangt dat de mens zich in een goede staat bevindt en een goede moraal beoefent, dat zich in ieder aspect van het menselijke leven geen vorm van onmatigheid manifesteert en dat natuurlijke emoties en verlangens door het verstand moeten worden geregeerd. Omdat deze toestand iedere verkeerde opwelling berispt, wordt hij het innerlijk dat zichzelf berispt genoemd. Hoewel dit innerlijk zichzelf berispt waar het fouten betreft, is de toestand niet ten volle doeltreffend bij het beoefenen van deugdzaamheid en wordt deze soms wanneer men struikelt en valt gedomineerd door natuurlijke emoties. Men is als een zwak land dat niet wil struikelen en vallen maar dit uit zwakte doet en dan berouw heeft over zijn zwakheid. Dit is in het kort de morele toestand van het menselijke innerlijk als dit ernaar streeft in zichzelf hoge morele kwaliteiten te vestigen en een afkeer heeft van ongehoorzaamheid, maar geen volledig succes kan behalen. (6)

terug naar de Inhoud

De derde bron: De ziel in rust
De derde bron die zou moeten worden omschreven als het begin van de geestelijke toestand van de mens wordt door de Heilige Qor'aan "Nafsi Mutmainnah" genoemd, dat wil zeggen "de ziel in rust". Wij lezen in de Heilige Qor'aan :
O ziel in rust, die vertroosting heeft gevonden in God, keer terug tot uw Heer. Terwijl u welbehagen in Hem hebt en Hij welbehagen in u heeft. Voeg u nu bij Mijn uitverkoren dienaren en ga Mijn tuin binnen (89:28-3l).
Dit is het stadium waarin de ziel van iemand, na te zijn bevrijd van alle zwakheden, met geestelijke krachten wordt vervuld en een band aangaat met de Almachtige God, zonder Wiens steun zij niet kan bestaan. Zoals water dat vanaf een hoogte naar beneden stroomt door zijn volume en bij de afwezigheid van een hindernis zich met grote kracht naar beneden stort, zo beweegt zich de ziel in rust op dezelfde wijze naar God. Dit wordt aangegeven door de Goddelijke instructie aan de ziel die vertroosting in God heeft gevonden, om tot zijn Heer terug te keren. Zij ondergaat een grote transformatie in dit leven en haar wordt een paradijs verleend terwijl zij nog in deze wereld is. Omdat dit vers in zijn instructie aan zulk een ziel aangeeft om naar haar Heer terug te keren, wordt zij door haar Heer gevoed en haar liefde tot God wordt haar voedsel en zij drinkt van deze fontein des levens en aldus wordt zij van de dood gered. Dit wordt elders in de Heilige Qor'aan aangegeven, waar wij lezen:
Hij die zijn ziel van aardse hartstochten zuivert, zal worden gered en zal niet ten onder gaan, maar hij die door zijn aardse hartstochten wordt overmand, moet aan het leven wanhopen (9l:10-11).
In het kort mogen deze drie toestanden de natuurlijke, de morele en de geestelijke toestanden van de mens worden genoemd. Omdat de natuurlijke aandriften van de mens erg gevaarlijk worden wanneer zij worden opgewekt en dikwijls de morele en de geestelijke kwaliteiten vernietigen, worden zij in Gods Heilige Boek beschreven als het innerlijk dat tot kwaad aanzet. Men kan (7) vragen wat de houding van de Heilige Qor'aan is ten aanzien van de natuurlijke toestand van de mens, welke leiding hij ten aanzien ervan verschaft en hoe hij deze tracht te sturen. Het antwoord is dat volgens de Heilige Qor'aan de natuurlijke toestand van de mens een zeer sterke verwantschap heeft met zijn morele en geestelijke toestanden en wel in die mate dat zelfs de manier van eten en drinken van iemand zijn morele en geestelijke toestanden beïnvloedt. Als de natuurlijke toestand van iemand wordt bestuurd door de instructies van de goddelijke Wet, dan wordt dit zijn morele toestand en is dit van zeer grote invloed op zijn geestelijkheid zoals wordt gezegd dat als iets in een zoutmijn valt, dit in zout wordt omgezet. Daarom heeft de Heilige Qor'aan met betrekking tot alle aanbidding de nadruk gelegd op lichamelijke reinheid en lichamelijke houdingen en hun ordening en op innerlijke reinheid en geestelijke nederigheid. Overdenking bevestigt dat fysieke toestanden een zeer grote invloed op de ziel hebben. Als bijvoorbeeld onze ogen met tranen zijn gevuld, zelfs als de tranen kunstmatig zijn opgewekt, wordt het hart onmiddellijk beroerd en droevig. Op gelijke wijze begint het hart zich opgewekt te voelen als wij beginnen te lachen, zelfs als de lach kunstmatig wordt opgewekt. Ook is waargenomen dat een lichamelijk zich nederbuigen tijdens het gebed nederigheid in de ziel opwekt. Als wij onszelf daarentegen fysiek optooien, met opgeheven hoofd en de borst vooruit heen en weer stappen, zal deze houding tot een stemming van arrogantie en trots aanleiding geven. Deze voorbeelden tonen duidelijk aan dat fysieke toestanden geestelijke toestanden zeker beïnvloeden. Ervaring toont ook aan dat verschillende soorten voedsel op verschillende manieren van invloed zijn op het verstand en de geest. Een nauwkeurige observatie zal bijvoorbeeld onthullen dat mensen die geheel afzien van het eten van vlees, geleidelijk een teruggang zullen zien in de eigenschap dapperheid. Zij verliezen dapperheid en verliezen aldus een prijzenswaardige gave die hun door God is geschonken. Dit wordt versterkt door het bewijs van de goddelijke natuurwet dat plantenetende dieren niet dezelfde mate van dapperheid bezitten als vleesetende dieren. Ditzelfde geldt voor vogels. Er is dus geen twijfel dat de moraal wordt beïnvloed door voedsel. Omgekeerd zien wij dat zij die zich aan een dieet houden dat voornamelijk uit vlees bestaat en die erg weinig groenten eten, een afnemende mate van zachtmoedigheid en nederigheid tonen. Zij die de middenweg bewandelen, ontwikkelen beide soorten morele eigenschappen. Daarom heeft de Almachtige God in de Heilige Qor'aan gezegd: (8)
Eet en drink, maar wees niet onmatig (7:32).
Dit wil zeggen: eet vlees en ander voedsel. maar eet niets in een buitensporige mate, uit vrees dat uw morele toestand nadelig wordt beïnvloed en uw gezondheid hierdoor lijdt. Zoals de ziel door fysiek gedrag wordt beïnvloed, zo beïnvloedt soms de ziel het lichaam. Als iemand bijvoorbeeld droefheid ervaart, worden zijn ogen vochtig en als iemand blij is, glimlacht hij. Al onze natuurlijke handelingen, zoals eten, drinken, slapen, wakker zijn, zich verplaatsen, rusten, baden, enz., beïnvloeden onze geestelijke toestand. Onze fysieke structuur is nauw verwant met onze gehele menselijkheid. Als een bepaald deel van de hersenen letsel oploopt, verliest men het geheugen onmiddellijk. Letsel aan een ander deel van de hersenen veroorzaakt verlies van het bewustzijn. Giftige lucht beïnvloedt het lichaam en hierdoor de geest en het gehele innerlijke stelsel waaraan de morele prikkels verwant zijn raakt aangetast en het ongelukkige slachtoffer raakt snel buiten zinnen. Fysiek letsel onthult dus dat er een geheimzinnig verband bestaat tussen de ziel en het lichaam, dat buiten de gezichtskring van de mens ligt.
Nadenken toont dat het lichaam de moeder van de ziel is. De ziel daalt niet van buiten neder in de baarmoeder van een zwangere vrouw. Het is een licht dat innig verbonden is met het zaad en dat begint te schijnen met de ontwikkeling van het embryo. Het Woord van de Almachtige God zegt ons dat de ziel zich begint te manifesteren vanuit het kader dat in de baarmoeder uit het zaad wordt bereid. De Heilige Qor'aan zegt:
Dan ontwikkelen wij het tot een nieuwe schepping. Gezegend is dus Allah, de Beste der Scheppers (23:15).
Dit betekent dat God een nieuwe schepping geeft aan het lichaam dat in de baarmoeder wordt bereid en die nieuwe schepping wordt de ziel genoemd. Zeer gezegend is God, Die als Schepper geen gelijke heeft. De bevestiging dat zich uit het lichaam een nieuwe schepping manifesteert is een mysterie dat de werkelijkheid van de ziel onthult en dat wijst op de sterke verwantschap tussen de ziel en het lichaam. Ons wordt hierdoor ook onderricht dat dezelfde filosofie ten grondslag ligt aan de fysieke daden, woorden en bewegingen, als deze zich manifesteren voor de zaak van God, dit wil zeggen dat al deze oprechte daden een ziel wordt gegeven zoals het zaad een ziel wordt gegeven. Als de (9) omlijsting van deze daden zich ontwikkelt, begint de ziel die deze daden wordt gegeven te schitteren, en als deze omlijsting volledig wordt, schittert de ziel erbinnen in haar volledige manifestatie en onthult haar geestelijke aanzien. In dat stadium komen die daden ten volle tot leven. Dit betekent dat als het raamwerk van daden voltooid is er plotseling een schittering uit voortkomt zoals een lichtflits. Dit is het stadium ten aanzien waarvan de Almachtige God in de Heilige Qor'aan zegt:
Als Ik zijn omlijsting heb voltooid en aan al zijn manifestaties van eer heb rechtgedaan en hem Mijn geest heb ingeblazen. Knielt u dan allen in onderdanigheid voor hem neder (15:30).
Dit vers geeft aan dat als het raamwerk van daden voltooid is, er een ziel in schittert die God aan Zichzelf toeschrijft, aangezien dat raamwerk is voltooid ten koste van het wereldse leven. Het goddelijke licht dat dus in het begin zwak is, gaat plotseling schijnen, zodat bij het aanschouwen van deze goddelijke manifestatie het voor iedereen een plicht wordt in onderdanigheid neder te buigen en ertoe (dat licht) te worden aangetrokken. Iedereen die dat licht waarneemt buigt zich in onderdanigheid neder en wordt ertoe op natuurlijke wijze aangetrokken, behalve Iblies die van duisternis houdt.

terug naar de Inhoud

De ziel is geschapen
Het is volstrekt juist dat de ziel een zuiver licht is dat in het lichaam tot ontwikkeling komt en dat in de baarmoeder wordt gevoed. Aanvankelijk is deze verborgen en kan niet worden waargenomen en later manifesteert zij zich. Vanaf het allereerste begin is haar essentie aanwezig in het zaad. Zij is op een mysterieuze wijze verwant met het zaad door het plan, het bevel en de wil van God. Zij vormt een heldere en verlichte eigenschap van het zaad. Men kan niet zeggen dat zij deel uitmaakt van het zaad, zoals materie deel uitmaakt van materie, noch kan men zeggen dat zij van buitenaf komt of op de aarde nederdaalt en dan wordt gemengd met de materie van het zaad. Zij is verborgen aanwezig in het zaad, zoals vuur verborgen aanwezig is in vuursteen. Het Woord van God wil niet zeggen dat de ziel als iets afzonderlijks uit de hemel nederdaalt of uit de atmosfeer op de aarde valt en dan toevallig wordt gemengd met het zaad en hierdoor de baarmoeder binnentreedt. Voor een dergelijke opvatting is geen grond. (10) De natuurwet verwerpt deze. We nemen dagelijks waar dat duizenden insecten onzuiver en oud voedsel infecteren en ontstaan in onverzorgde wonden. Vies linnengoed scheidt honderden luizen af en in de maag van de mens worden allerlei soorten wormen voortgebracht. Men kan niet zeggen dat deze van buiten komen of kunnen worden geacht uit de hemel te zijn nedergedaald. De werkelijkheid is, dat de ziel in het lichaam tot ontwikkeling komt en dit bewijst ook dat zij is geschapen en niet zelfbestaand is.

terug naar de Inhoud

De tweede geboorte van de ziel
Het plan van de Almachtige, Die de ziel met Zijn volmaakte macht uit het lichaam heeft geschapen, schijnt te zijn dat de tweede geboorte van de ziel ook door het lichaam plaatsvindt. De bewegingen van de ziel volgen de bewegingen van het lichaam. Als het lichaam in een bijzondere richting wordt getrokken, volgt de ziel deze richting automatisch. Het is daarom een functie van het Boek van God zich te richten tot de natuurlijke toestand van de mens. Daarom besteedt de Heilige Qor'aan zoveel aandacht aan de hervorming van de natuurlijke toestand van de mens en geeft aanwijzingen met betrekking tot iedere handeling van hem, zijn lachen, huilen, eten, het zich kleden, zijn slapen, spreken, zwijgen, huwen, ongehuwd blijven, lopen, stilstaan, uiterlijke reinheid, baden, het zich onderwerpen aan tucht bij gezondheid en bij ziekte, enz. De Heilige Qor'aan bevestigt dat de fysieke toestand van de mens zijn geestelijke toestand ten zeerste beïnvloedt. Ik kan geen gedetailleerde uiteenzetting geven van al deze aanwijzingen omdat de tijd hiervoor niet beschikbaar is.

terug naar de Inhoud

De geleidelijke vooruitgang van de mens
Een overdenken van het Heilige Woord van God onthult dat het regels vaststelt voor de hervorming van de natuurlijke toestand van de mens, hem vervolgens geleidelijk verheft en verlangt hem te verheffen tot de hoogste geestelijke toestand. Eerst wenst God de mens de regels van sociaal gedrag te onderwijzen zoals zitten, staan, eten, drinken, spreken, enz., hem aldus te bevrijden van een toestand van barbaarsheid, hem van de dieren te onderscheiden en hem dus een elementaire morele toestand bij te brengen (11)
die zou kunnen worden beschreven als een sociale cultuur. Vervolgens verlangt Hij zijn elementaire morele gewoonten te reguleren zodat deze het karakter krijgen van hoogstaande morele eigenschappen. Deze beide methoden vormen een deel van hetzelfde proces, omdat zij verband houden met de hervorming van de natuurlijke toestand van de mens. Tussen deze methoden bestaat alleen een verschil van graad. De Alwijze heeft het morele stelsel zo geordend, dat de mens in staat moet zijn om van een lage tot een hoge morele toestand te rijzen. De derde graad van vooruitgang is dat iemand volledig de liefde van zijn Ware Schepper en het winnen van Zijn welbehagen wordt toegewijd. Zijn gehele wezen moet aan God worden toevertrouwd. Om de Moslims voortdurend te herinneren aan deze graad is hun godsdienst Islam genoemd, hetgeen betekent dat men zich volledig aan God onderwerpt zonder hierbij enige terughoudendheid te betrachten. God, de Glorierijke, heeft gezegd:
Redding betekent dat iemand zich volledig aan God onderwerpt en zichzelf als offer voor de zaak van God moet aanbieden en zijn oprechtheid niet alleen moet bewijzen door zijn motief, maar ook door zijn rechtschapen gedrag. Hij die zich zo gedraagt, zal zijn beloning van God hebben. Zulke mensen zullen geen vrees hebben, noch zullen zij treuren (2:113). Zeg hen: Mijn gebed en mijn opofferingen, mijn leven en mijn sterven zijn alle voor de zaak van God, Wiens voorzienigheid alles omvat en Die geen deelgenoot heeft. Dit is mij bevolen en ik ben de eerste van (12) hen die deze opvatting van de Islam onderschrijven en zich opofferen voor de zaak van Allah (6:163-164). Dit is Mijn rechte pad en volg het dan, en volg geen ander pad dat u wegvoert van Zijn pad (6:154). Zeg hen: Als u God bemint, volg mij dan en wandel op mijn pad zodat God u moge beminnen en u uw zonden vergeven. Hij is de Meest Vergevensgezinde, de Altijd Genadige (3:32).

terug naar de Inhoud

Onderscheid tussen de natuurlijke en de morele toestanden en een weerlegging van de leer van de instandhouding van het leven
Ik zal nu overgaan tot het beschrijven van de drie toestanden van de mens, maar voordat ik dit doe is het voor mij noodzakelijk een herinnering te laten horen dat, zoals is aangegeven in het Heilige Woord van de Almachtige God, de natuurlijke toestand van de mens, waarvan de bron het innerlijk is dat tot kwaad aanzet, niet iets is dat los staat van de morele toestand van de mens. Het Heilige Woord van God heeft de natuurlijke vermogens, de verlangens en de aandriften van de mens gerangschikt als natuurlijke toestanden. Als deze bewust worden geordend en beheerst en op de juiste gelegenheden en plaatsen in werking worden gesteld, worden zij morele hoedanigheden. Op dezelfde wijze staan morele toestanden niet geheel los van geestelijke toestanden. Als morele toestanden een absolute devotie tot God tot ontwikkeling brengen en een volledige reiniging van het innerlijk en leiden tot een zich afsnijden van de wereld, terwijl men zich daarbij volledig tot God wendt en tot een volmaakte liefde, tot een volledige toewijding, een volledige kalmte en tevredenheid en een volmaakte overeenstemmingen met de Goddelijk wil, dan worden zij geestelijke toestanden. Zolang de natuurlijke toestanden van de mens niet worden omgezet in morele toestanden, verdient de mens geen lof aangezien deze natuurlijke toestanden ook worden aangetroffen in andere levende wezens en zelfs ook in vaste stoffen. Op dezelfde wijze geeft het louter verwerven van morele eigenschappen iemand geen geestelijk leven. Iemand die het bestaan van God ontkent, kan toch goede morele eigenschappen tentoonspreiden, zoals nederigheid van het hart, het zoeken naar vrede, het verwerpen van kwaad en het zich verzetten tegen het bedrijven van kwaad. Dit zijn alle natuurlijke toestanden die zelfs kunnen voorkomen bij iemand die geen achting bezit en die volstrekt geen kennis heeft van de bron van redding en hier geen deel aan heeft. Veel dieren bezitten een vriendelijke aanleg en kunnen zodanig worden getraind dat zij (13) geheel en al vreedzaam worden en niet woest reageren op bestraffing. Toch kunnen wij ze niet menselijk noemen, laat staan menselijke wezens met een hoge positie. Op gelijke wijze kan iemand die volledig is misleid en zelfs lijdt aan enkele slechte zedelijke eigenschappen, deze hoedanigheden tentoonspreiden. Het kan zijn dat iemand tot zulke mate genade ontwikkelt dat hij het zich niet zou toestaan de ziektekiemen te doden die in zijn wonden ontstaan of zo voorzichtig zou kunnen zijn in het behouden van het leven dat hij de luizen in zijn haar of de bacterie die in zijn maag, zijn aderen en zijn hersenen ontstaan geen nadeel zou willen berokkenen. Ik kan geloven dat iemands genade hem zou kunnen noodzaken af te zien van het gebruik van honing omdat deze wordt verkregen door de verwoesting van veel levens en door de arme bijen uit hun korven te verdrijven. Ik kan geloven dat iemand het gebruik van muskus zal vermijden omdat dit afkomstig is van een arm dier en wordt verkregen door het te slachten en het van zijn jong te scheiden. Ik ontken niet dat iemand zou kunnen afzien van het dragen van parels of zijde omdat beide worden verkregen door de dood van respectievelijk weekdieren en zijderupsen. Ik kan zelfs begrijpen dat iemand die pijn heeft zou weigeren een aderlating te ondergaan door middel van bloedzuigers en er de voorkeur aan zou geven zelf pijn te lijden dan de dood van arme bloedzuigers te verlangen. Ik kan zelfs geloven dat de genade en achting van iemand voor het leven zo ver gaat dat hij zou weigeren water te drinken om de bacillen die zich in het water bevinden te sparen. Ik kan dit alles accepteren. Maar ik kan niet accepteren dat deze natuurlijke toestanden kunnen worden beschouwd als morele eigenschappen of dat zij van dienst kunnen zijn bij het wegwassen van de innerlijke onzuiverheden die de toenadering van iemand tot God in de weg staan. Ik kan niet geloven dat het onschadelijk worden tot een mate waarin sommige dieren en vogels de mens overtreffen, het middel kan worden tot het verkrijgen van een hoge mate van menselijkheid. Ik beschouw deze houding trouwens als gelijkstaand met verzet tegen de natuurwet en niet in overeenstemming met de hoge morele eigenschap van het zoeken naar het welbehagen van God. Zij verwerpt de gaven die de natuur ons heeft geschonken.
Geestelijkheid kan alleen worden bereikt door het gebruiken van iedere morele eigenschap op haar juiste plaats en bij de juiste gelegenheid en door het met geloof treden op de paden van God en door Hem geheel te zijn toegewijd. Hij die waarlijk van God wordt, kan zonder Hem niet bestaan. Een ware zoeker naar God is als een vis die door de hand van God wordt geofferd terwijl het water waarin de vis zich bevindt de liefde van God is. (14).

terug naar de Inhoud

Drie methoden tot hervorming: De komst van de Heilige Profeet in de tijd dat hieraan de grootste behoefte bestaat
Zoals ik heb verklaard, zijn er drie bronnen waaraan de menselijke toestanden ontspringen, namelijk het innerlijk dat tot kwaad aanzet, het innerlijk dat zichzelf berispt en de ziel die in rust is. Er zijn ook drie methoden tot hervorming. De eerste is dat onwetende, weinig beschaafde mensen elementaire sociale waarden moeten worden bijgebracht die betrekking hebben op eten, drinken, huwelijk, enz. Zij moeten niet naakt lopen of zoals honden kadavers eten, noch enige andere vorm van onbeschaafd gedrag tonen. Dit is een elementair stadium van de hervorming van de natuurlijke toestanden van de soort die zou moeten worden toegepast als het bijvoorbeeld wenselijk is om iemand uit Port Blair die in beschaving is achtergebleven en de elementaire manieren van menselijk gedrag te leren. De tweede methode van hervorming is dat als iemand elementaire menselijke manieren heeft aangenomen, hem hogere morele eigenschappen kunnen worden bijgebracht en hem moet worden onderricht zijn vermogens op de juiste plaats en bij de juiste gelegenheden te gebruiken. De derde methode van hervorming is dat zij die hoogstaande morele eigenschappen hebben verkregen, kennis moeten maken met iets van de liefde tot en de vereniging met God. Onze heer en meester, de Heilige Profeet, de vrede en de zegeningen van Allah zijn met hem, werd opgewekt in een tijd dat de wereld grondig verdorven was. De Almachtige God heeft gezegd:
Verderf heeft zich over land en zee verspreid (30:42).
Dit betekent dat zowel de mensen van het Boek als zij die geen ervaring met openbaring hadden, allen verdorven waren geworden. Het doel van de Heilige Qor'aan was het doen herleven van de doden, omdat hij zegt:
Weet dat Allah de aarde doet herleven na haar dood (57:18)
In die tijd was het volk van Arabië gedompeld in barbaarsheid. Er was geen overheersend sociaal patroon en men was trots op iedere soort zonde en wangedrag. Een man huwde een onbeperkt aantal vrouwen en zij waren allen verslaafd aan (15) het gebruik van alles wat onwettig was. Zij beschouwden het als wettig om met hun moeders te huwen. Daarom moest de Almachtige God voorschrijven:
Uw moeders zijn voor u onwettig gemaakt (4.24).
Zij aten kadavers en sommigen van hen waren zelfs kannibalen. Er was geen zonde waaraan zij zich niet schuldig maakten. De meesten van hen geloofden niet in een leven hierna. Velen van hen ontkenden het bestaan van God. Zij doodden hun vrouwelijke zuigelingen met hun eigen handen. Zij doodden wezen en ontnamen hen hun bezittingen. Zij hadden de verschijning van menselijke wezens, maar zij waren verstoken van rede. Zij bezaten geen bescheidenheid, geen schaamte en geen zelfrespect. Zij dronken sterke drank alsof het water was. Degene onder hen die zich, zonder onderscheid te maken, te buiten ging aan overspel werd erkend als het hoofd van de stam. Zij waren zo volstrekt onwetend dat hun buurvolkeren hen de ongeletterden noemden. In zo'n tijd en ter hervorming van zo'n volk verscheen onze heer en meester, de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, in Mekka. Dit was de tijd die riep om de drie soorten hervorming die zojuist zijn genoemd. Daarom maakt de Heilige Qor'aan er aanspraak op vollediger en volmaakter te zijn dan alle andere leidinggevende boeken, aangezien de andere boeken niet de gelegenheid boden de drie soorten hervormingen teweeg te brengen, hetgeen wèl het doel was van de Heilige Qor'aan. Het doel van de Heilige Qor'aan was om wilden tot mensen te verheffen en hen uit te rusten met morele eigenschappen en hen tenslotte te verheffen tot het niveau van goddelijke personen. De Heilige Qor'aan omvat dus al deze drie plannen.

terug naar de Inhoud

Het ware doel van de leerstellingen van de Heilige Qor'aan is de hervorming van de drie toestanden: natuurlijke toestanden worden door ordening morele toestanden
Alvorens ik verder ga met een gedetailleerde uiteenzetting van de drievoudige hervormingen die ik juist heb genoemd, is het noodzakelijk erop te wijzen dat er in de Heilige Qor'aan geen leerstelling is, die met dwang wordt opgelegd.
Het gehele doel van de Heilige Qor'aan wordt gevormd door deze drie hervormingen en al zijn leerstellingen leiden tot (16) het doel. Alle andere aanwijzingen zijn de middelen om deze hervormingen te bereiken. Soms moet een chirurg om de patiënt weer gezond te maken een operatie verrichten of een zalf toepassen. Op dezelfde wijze nemen de leerstellingen van de Heilige Qor'aan uit sympathie voor het mensdom ook hun toevlucht tot dergelijke middelen. Het doel van al zijn opvattingen, aanmaningen en aanwijzingen is de verheffing van de mens uit zijn natuurlijke toestand van barbaarsheid tot een morele toestand en hem dan te verheffen van die toestand naar de oneindige oceaan van geestelijkheid.
Wij hebben al uiteengezet dat natuurlijke toestanden zich niet onderscheiden van morele toestanden. Als zij worden geordend en onder de instructie van de rede bij de juiste gelegenheden worden gebruikt, verkrijgen zij een moreel karakter. Voordat zij door rede en begrip worden gecontroleerd, bezitten zij niet het karakter van morele eigenschappen, maar zijn zij natuurlijke aandriften, hoezeer zij ook mogen lijken op morele eigenschappen. Als bijvoorbeeld een hond of een lam genegenheid of volgzaamheid toont jegens zijn meester, kan dit niet als moreel of welgemanierd gedrag worden omschreven. Op dezelfde wijze zal een wolf of een tijger door zijn wildheid niet worden omschreven als ongemanierd. Een morele toestand ontstaat na overdenking en nadat het in acht nemen van tijd en de gelegenheid erbij wordt betrokken. Iemand die zich niet laat leiden door rede en beraadslaging, is als een kind wiens gedachten en intellect nog niet door rede worden bestuurd, of is als een dwaas die zijn rede en zinnen heeft verloren. Een kind of een dwaas gedraagt zich soms op een wijze die lijkt op een morele daad, maar geen zinnig mens noemt zulk gedrag moreel, omdat zo'n gedrag niet voortkomt uit een goed gebruik van het verstand en gepast is, maar een natuurlijke reactie is op de omstandigheden. Een zuigeling zoekt zodra hij is geboren de borst van zijn moeder en een kuiken begint zodra het is geboren korrels te pikken. Op gelijke wijze begint een jonge bloedzuiger zich als een bloedzuiger te gedragen, een jonge slang als een slang en een tijgerwelp als een tijger. Een zuigeling begint direct na de geboorte menselijke reacties te tonen en deze reacties worden steeds opmerkelijker als hij begint op te groeien. Het huilen bijvoorbeeld wordt steeds luider, zijn glimlach wordt een lach en zijn blik wordt gerichter. Op de leeftijd van één tot anderhalf jaar ontwikkelt hij nog een natuurlijke trek. Hij begint zijn genoegen of ongenoegen door middel van zijn bewegingen kenbaar te maken en probeert iemand aan te raken of iets aan iemand te geven. Al deze bewegingen zijn natuurlijke impulsen. Op gelijke wijze toont een barbaar die weinig menselijk gevoel bezit, natuurlijke impulsen in zijn woorden, (17) daden en bewegingen en wordt hij bestuurd door zijn natuurlijke emoties. Er komt niets uit hem voort als gevolg van de beoefening van zijn innerlijke vermogens. Wat ook vanuit zijn binnenste opwelt onder de werking van een natuurlijke impuls en als reactie op uitwendige prikkels, manifesteert zich. Het is mogelijk dat zijn natuurlijke impulsen die worden tentoongespreid als reactie op een uitwendige prikkel niet alle slecht zijn en sommige ervan kunnen zelfs lijken op een goed zedelijk gedrag. maar zij zijn normaliter niet het gevolg van redelijk nadenken en een redelijke beschouwing, en zelfs als dit wel tot op zekere hoogte hun drijfveer is, dan kunnen zij toch niet worden vertrouwd door de overheersing van natuurlijke impulsen.

terug naar de Inhoud

Het juiste zedelijke gedrag
Wij kunnen in het kort geen juist zedelijk gedrag toeschrijven aan iemand die onderworpen is aan natuurlijke impulsen, zoals bij dieren, zuigelingen of dwazen en zij die min of meer als dieren leven het geval is. Het tijdstip van een juist zedelijk gedrag, hetzij goed of slecht, begint als iemands verstand zijn volle ontwikkeling bereikt en hij in staat is om onderscheid te maken tussen goed en slecht en de mate van kwaad en goedheid en spijt begint te krijgen als hij een gelegenheid heeft gemist om goed te doen en berouw heeft als hij iets verkeerds heeft gedaan. Dit is het tweede stadium van zijn leven dat door de Heilige Qor'aan het innerlijk dat zichzelf berispt wordt genoemd. Men dient zich echter te herinneren dat een terloopse waarschuwing niet voldoende is om een barbaar te brengen tot het stadium van het innerlijk dat zichzelf berispt. Het is noodzakelijk dat hij zich tot die mate bewust wordt van het bestaan van God dat hij Zijn schepping niet zonder doel acht, zodat een begrip van het Goddelijke zijn juiste morele eigenschappen stimuleert. Daarom heeft de Almachtige God de aandacht gevestigd op de noodzakelijkheid van het begrijpen van het Goddelijke en de mens verzekerd dat iedere daad en ieder zedelijk gedrag een resultaat voortbrengt dat in dit leven een geestelijk gerief of geestelijke pijn veroorzaakt en in het hiernamaals duidelijk zal worden gemanifesteerd. In het kort wordt iemand in het stadium van het innerlijk dat zichzelf berispt, zoveel rede, begrip en een goed geweten gegeven, dat hij zichzelf berispt als hij iets verkeerds heeft gedaan en ernaar verlangt om goed te doen. Dit is het stadium waarin iemand hoge morele eigenschappen verkrijgt. (18)

terug naar de Inhoud

Onderscheid tussen Khalq (schepping) en Khulq (zedelijk gedrag)
"Khalq" betekent "fysieke geboorte" en "Khulq" betekent "innerlijke geboorte". Omdat de innerlijke geboorte wordt vervolmaakt door een morele ontwikkeling en niet alleen als gevolg van natuurlijke impulsen, betekent "Khulq" "morele eigenschappen" en niet "natuurlijke impulsen". Er dient op te worden gewezen dat de algemene opvatting dat zedelijk gedrag zachtmoedigheid, vriendelijkheid en nederigheid betekent, volledig verkeerd is. De waarheid is dat in overeenstemming met iedere fysieke daad er een innerlijke eigenschap is die zedelijk is. Iemand stort bijvoorbeeld tranen en in overeenstemming met deze handeling is er een innerlijke eigenschap die tederheid wordt genoemd en die het karakter aanneemt van een morele eigenschap als zij, bestuurd door de rede, bij de juiste gelegenheid wordt toegepast. Op gelijke wijze verdedigt iemand zich tegen de aanval van een vijand met zijn handen en in overeenstemming met deze handeling is er de innerlijke eigenschap die dapperheid wordt genoemd. Als deze eigenschap op de juiste plaats en bij de juiste gelegenheid wordt toegepast, wordt zij een morele eigenschap genoemd. Zo tracht soms iemand de onderdrukten tegen de onderdrukking door tirannen te helpen, of verlangt het voor de behoeftigen en de hongerigen een voorziening te treffen of wenst zijn medeschepselen op een andere manier te helpen en in overeenstemming met een dergelijke handeling is er de innerlijke eigenschap die genade wordt genoemd. Soms straft iemand een overtreder en in overeenstemming met een dergelijke handeling is er de innerlijke eigenschap die vergelding wordt genoemd. Soms wenst iemand degene die hèm aanvalt niet aan te vallen en onthoudt zich ervan om actie te nemen tegen een overtreder en in overeenstemming daarmee is er een eigenschap die verdraagzaamheid of lijdzaamheid wordt genoemd. Soms werkt iemand met zijn handen of voeten of gebruikt zijn gedachten en verstand of zijn rijkdom om het welzijn van zijn medeschepselen te bevorderen en in overeenstemming daarmee is er een innerlijke eigenschap die weldadigheid wordt genoemd. Als iemand dus al deze eigenschappen gebruikt bij de juiste gelegenheden en op de juiste plaatsen, dan worden zij morele eigenschappen genoemd. God, de Glorierijke, heeft zich met de volgende woorden tot de Heilige Profeet (mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn) gewend. (19)
Gij bezit zeer zeker hoge morele voortreffelijkheden (68:5).
Dit betekent dat alle hoogstaande morele eigenschappen zoals weldadigheid, moed, rechtvaardigheid, genade, milddadigheid, oprechtheid, grootmoedigheid, enz., alle werden gecombineerd in de persoon van de Heilige Profeet (vrede zij met hem). Kortom, alle natuurlijke eigenschappen van de mens zoals vriendelijkheid, bescheidenheid, onkreukbaarheid, weldadigheid, waakzaamheid, standvastigheid, kuisheid, vroomheid, billijkheid, medegevoel, dapperheid, edelmoedigheid, verdraagzaamheid, lijdzaamheid, milddadigheid, oprechtheid, getrouwheid enz., kunnen alle als zij worden getoond bij de juiste gelegenheden onder de besturing door rede en nadenken als morele eigenschappen worden beschouwd. In werkelijkheid zijn zij de natuurlijke toestanden en prikkels van de mens en worden tot morele eigenschappen als zij weloverwogen bij de juiste gelegenheden worden aangewend.
Het is tekenend voor de mens dat hij vooruitgang wil maken en dat hij daarom door het volgen van een ware godsdienst, het verkeren in goed gezelschap en het zich richten naar goede leerstellingen, zijn natuurlijke aandriften omzet in morele eigenschappen. Geen ander wezen is begiftigd niet deze kenmerkende eigenschap.

terug naar de Inhoud

Natuurlijke toestanden van de mens
We zullen nu overgaan tot het uiteenzetten van de eerste van de drie hervormingen die door de Heilige Qor'aan wordt ingeprent en die betrekking heeft op de natuurlijke toestand van de mens. Deze hervorming heeft betrekking op wat bekend staat als goede manieren, dat wil zeggen het stelsel van regels dat de natuurlijke toestanden van woeste, onbeschaafde mensen regelt zoals eten, drinken, huwelijk enz. en hen brengt op een juist niveau van sociale waarden en hen redt van een dierlijk bestaan. In dit verband verordent de Heilige Qor'aan:
Verboden zijn u uw moeders en uw dochters en uw zusters en de zusters van uw vaders en de zusters van uw moeders en de dochters van uw broeders en de dochters van uw zusters en uw pleegmoeders en uw pleegzusters en de moeders van uw vrouwen en uw stiefdochters (die onder uw voogdijschap staan) door uw vrouwen met wie gij zijt omgegaan, maar als gij niet met hen zijt omgegaan, zal er geen zonde op u rusten en de vrouwen van uw eigen zonen. Het is u ook verboden twee zusters tezamen te huwen, maar wat voorbij is, is voorbij. Zeker, Allah is de Meest Vergevensgezinde, de Altijd Genadevolle (4:24). Het is niet wettig voor u van vrouwen te erven tegen hun wil (4:20). Het is niet wettig voor u vrouwen te huwen die uw vaders hadden gehuwd, behalve hetgeen in het verleden is gebeurd (4:23). Wettig voor u zijn kuise, gelovige vrouwen en (22) kuise vrouwen uit het midden van hen aan wie het Boek werd gegeven vóór u als u hen hun bruidsschatten geeft, geldige huwelijken sluit, geen overspel pleegt en geen geheime minnaars neemt (5:6).
In de tijd van onwetendheid stonden sommige Arabieren die kinderloos waren het hun vrouwen toe, omgang te hebben met iemand anders met het doel een kind te hebben. De Heilige Qor'aan verbood dit gebruik. De uitdrukking "geheime minnaars" heeft op dit gebruik betrekking. Dan wordt gezegd:
Verwoest uzelf niet (4:30) en doodt uw nageslacht niet (6:152). Treedt niet vrijelijk andere huizen dan de uwe binnen, zoals onbeschaafde mensen, totdat u verlof hiertoe heeft gekregen en als u verlof heeft gekregen en binnengaat, groet dan de bewoners met de groet van vrede. Als u binnen niemand aantreft, gaat dan niet binnen totdat u verlof wordt gegeven. Als u door de bewoners wordt gezegd terug te gaan, ga dan terug (24:28-29). Gaat niet de huizen binnen door over hun muren te klimmen, gaat ze binnen door de deuren (2:190). Als u wordt begroet met een groet, groet dan met een betere groet (4:87). Sterke drank, gokken, afgoden en pijlen die een lot bepalen zijn slechts gruwelen en instrumenten van Satan. Wendt u zich daarom van ieder ervan volledig af (5:9l). Verboden voor u is het vlees van een dood dier, bloed en het vlees van varkens en dat waarover de naam van iemand anders dan Allah is aangeroepen, en het vlees van een dier dat is gewurgd of is doodgeslagen of door een val is gedood of door de horens van dieren is gedood of waarvan een wild dier heeft gegeten of dat op een altaar is geofferd want dit alles is aas (5:4). Als zij u vragen wat wettig voor hen is, zeg hen dan: Alle goede dingen zijn wettig voor u (5:5). Ziet af van hetgeen aas is, of op aas lijkt of onrein is. Als u wordt gevraagd om in uw bijeenkomsten plaats voor anderen te maken, haast u dan plaats te maken zodat anderen kunnen zitten en als er wordt gevraagd om op te staan, staat dan zonder dralen op (58:12). Eet van al hetgeen wettig en gezond is, zoals vlees, groenten en peulvruchten enz., maar wees in geen enkel opzicht onmatig (7:32). Spreek niet in het wilde weg en spreek ter zake (33:71). Houd uw kleding schoon, alsmede uw lichaam en uw straten en de plaatsen waar u zit. Neem regelmatig een bad en beoefen de gewoonte om uw huizen netjes en schoon te houden (74:56). Matig uw stemgeluid en spreek noch luid noch fluister en loop, behalve als dit om andere redenen nodig is, met een gematigde snelheid, noch te snel, noch te langzaam (31:20). Als u op reis gaat, tref alle voorbereidingen en de noodzakelijke voorzieningen, opdat de noodzaak tot bedelen wordt vermeden (2:198). Als u omgaat met uw echtgenoten, reinig u door het nemen van een bad (5:7). Als u eet, geef dan van uw voedsel aan hem die (23) vraagt en ook aan honden, andere dieren en vogels (51:20). Er is geen nadeel in dat u weesmeisjes die aan uw zorg zijn toevertrouwd, huwt, maar als u vreest dat u hen niet behoorlijk zult behandelen omdat zij wezen zijn, huw dan vrouwen die ouders en verwanten hebben die over hen zullen waken, die u zullen respecteren alsmede hen ten aanzien van wie u zorgzaam zult zijn. U kunt twee of drie of vier van hen huwen, mits u hen allen onpartijdig kunt behandelen. Maar als u van mening bent dat u hen niet rechtvaardig zult behandelen, huwt er dan slechts één, zelfs als u behoefte heeft aan meer dan één. De beperking van vier wordt u opgelegd, opdat u niet overeenkomstig uw oude gewoonte zou zijn geneigd een groter aantal, dat honderden kan bedragen, zou huwen en opdat u niet zou neigen naar ongeoorloofd genot. Geef uw vrouwen de bruidsschatten met milde hand (4:45).
Dit is de eerste hervorming door de Heilige Qor'aan waardoor de mens van zijn natuurlijke toestand en ruwe en onbeschaafde manieren wordt verheven tot de positie van een beschaafd sociaal wezen. In deze leerstellingen wordt geen melding gemaakt van de hogere morele eigenschappen. Zij hebben alleen betrekking op het elementaire menselijke gedrag. Deze leer was noodzakelijk omdat de mensen, voor wier hervorming de Heilige Profeet (mogen de vrede en zegeningen van Allah met hem zijn) werd gezonden, zich in een toestand van uiterste onbeschaafdheid bevonden. Het was noodzakelijk dat hen de elementaire regels van sociaal gedrag zouden worden geleerd.

terug naar de Inhoud

Waarom is varkensvlees verboden?
Eén ding dat men in dit verband in het oog moet houden is dat God in de naam van dit dier zelf de reden voor het verbod van zijn vlees heeft aangegeven. Het Arabische woord voor varken is "Khinzier", dat een samenstelling is van "Khanz" en "Ara", wat betekent: Ik zie het als erg vuil. Dus de naam zelf die de Almachtige God in het begin aan dit dier gaf, wijst op zijn onreinheid. Het is een eigenaardige samenloop van omstandigheden dat dit dier in het Hindi "Suar", dat een samenstelling van "Su" en "Ara" is, wordt genoemd. Dit betekent ook: Ik zie het als erg vuil.
Het moet geen verrassing zijn dat het Arabische woord "Su" zijn weg heeft gevonden naar het Hindi. Wij hebben in ons boek "Minaanur Rahman" vastgesteld dat het Arabisch de moeder van alle talen is en dat in alle talen veel Arabische woorden worden aangetroffen. "Su" is dus een Arabisch woord en zijn equivalent in het Hindi is "bad". Dit dier wordt in het Hindi (24) dan ook "bad" genoemd. Het lijdt geen twijfel dat dit dier in de tijd dat het Arabisch de universele taal was, in dit land bekend stond met een Arabische naam die synoniem was met "Khinzier", en dit is tot vandaag zo gebleven. Het is mogelijk dat dit woord in het Sanskrit enige wijziging heeft ondergaan, maar het juiste woord is "Khinzier", dat zijn eigen betekenis verklaart. Het is niet nodig om een gedetailleerde uiteenzetting te geven van de onreinheid van dit dier. Iedereen weet dat het vuil eet en uitermate schaamteloos is. De reden voor het verbod van zijn vlees is dus duidelijk omdat zijn vlees door de natuurwet een onrein effect op het lichaam en de ziel zal hebben van iemand die het eet.
Zoals we al hebben aangetoond, beïnvloedt voedsel de ziel van iemand en er kan geen twijfel over bestaan dat het vlees van zo'n onrein dier ook onrein is. Zelfs in prehistorische tijden waren Griekse dokters van mening dat het vlees van dit dier in het bijzonder de eigenschap matigheid benadeelt en schaamteloosheid aankweekt. Het eten van kadavers is volgens de lslamitische wet ook verboden om dezelfde reden, dat wil zeggen het beïnvloedt de morele eigenschappen nadelig en is ook schadelijk voor de fysieke gezondheid. Het bloed van een dier dat is gewurgd of is doodgeslagen, blijft in het lichaam van het dode dier en deze dieren zijn kadavers. Het is duidelijk dat het bloed van zo'n dier spoedig bedorven is en daardoor het gehele vlees doet bederven. Door recent onderzoek is vastgesteld dat de kiemen in zulk bloed een giftig bederf verspreiden in het vlees van het dode dier.

terug naar de Inhoud

De morele toestand van de mens
Het tweede deel van de hervorming door de Qor'aan is dat deze de natuurlijke toestanden zodanig ordent dat zij worden omgezet in hoogstaande morele eigenschappen. Dit is een veelomvattend onderwerp. Als we dit in detail zouden uiteenzetten zou deze voordracht zo lang worden dat het tiende deel ervan niet zou kunnen worden voorgelezen in de toegewezen tijd, We moeten ons daarom bij wijze van illustratie beperken tot de uiteenzetting van enkele morele eigenschappen. Morele eigenschappen vallen onder twee hoofden. Ten eerste, die morele eigenschappen die iemand in staat stellen om het kwaad te verwerpen, en (en tweede, die morele eigenschappen die hem in staat stellen om goed te doen. Het kwaad verwerpen omvat die eigenschappen waardoor iemand tracht om het bezit, de eer of het leven van een medemens geen schade toe (25) te brengen door zijn tong, zijn handen, zijn ogen of door een ander orgaan. Ook moet hij niet de bedoeling hebben hem zulk kwaad te berokkenen. Het doen van goed omvat al die morele eigenschappen waardoor iemand tracht door zijn tong, zijn handen, zijn kennis of door enig ander middel een medemens wel te doen met betrekking tot diens bezittingen of eer of waardoor hij besluit om diens glorie en eer duidelijk te maken of een onrecht dat hem is aangedaan over het hoofd te zien en zo degene die kwaad doet weldoet door hem fysieke pijn of financiële belasting te besparen of hem zo'n bestraffing toedient voor het kwaad dat dit in werkelijkheid een genade voor de overtreder is.

terug naar de Inhoud

Morele eigenschappen die betrekking hebben op het verwerpen van kwaad
De morele eigenschappen die de ware Schepper heeft aangewezen voor het verwerpen van kwaad staan in het Mabisch, dat een specifieke naam heeft voor alle menselijke begrippen, gedragingen en moraal bekend met vier namen. De eerste van deze morele eigenschappen wordt "lhsan" genoemd dat wil zeggen: kuisheid. Deze uitdrukking betekent de deugd die verband houdt met het vermogen tot voortplanting van man en vrouw. Die mannen en vrouwen kunnen kuis worden genoemd die volledig afzien van onwettig geslachtelijk verkeer en alle toenadering ertoe, aangezien dit laatste ongenade en vernedering voor beide partijen in deze wereld, kastijding in het hiernamaals en schande en ernstige schade voor degenen die met hen verwant zijn tot gevolg heeft. Als bijvoorbeeld iemand schuldig is aan toenadering tot de vrouw van iemand anders, dat, hoewel het niet zo ver komt als overspel, toch een stap in deze richting is, dan zou het voor de zichzelf respecterende echtgenoot verplicht worden om van haar te scheiden wegens haar bereidheid een dergelijke toenadering toe te staan. Haar kinderen zouden hierdoor ook jammerlijk worden getroffen. De echtgenoot zou dit alles moeten doorstaan door het wangedrag van een gewetenloze persoon. Men moet zich herinneren dat de morele eigenschap van kuisheid in het geding komt als iemand die het vermogen heeft zich aan deze bijzondere ondeugd schuldig te maken, zich ervan weerhoudt eraan toe te geven. Als hij dat vermogen niet heeft omdat hij nog jong is of impotent of gecastreerd of een uiterst hoge leeftijd heeft bereikt, kunnen we hem niet de verdienste toekennen van de morele eigenschap kuisheid. Hij bezit een natuurlijke toestand van kuisheid, maar, zoals wij (26) herhaaldelijk hebben aangeduid, kunnen natuurlijke toestanden niet beschreven als morele eigenschappen. Deze worden morele eigenschappen als zij worden beoefend of kunnen worden beoefend op de gelegenheden onder het bestuur van de rede. Jonge kinderen en impotente personen en zij die zich het vermogen tot geslachtelijk verkeer op de een of ander wijze hebben ontzegd, kunnen niet de verdienste van morele eigenschap worden toegekend, hoewel zij klaarblijkelijk kuise levens lijken te leiden. In al deze gevallen zou hun kuisheid slechts een natuurlijke toestand zijn. Omdat de genoemde verdorvenheid en haar aanloop hiertoe door zowel mannen als vrouwen kan worden beoefend, geeft het Heilige Boek van God in dit verband aanwijzingen voor zowel mannen als vrouwen. Het zegt:
Schrijft de gelovige mannen voor dat zij hun ogen weerhouden van het zó openlijk kijken naar vrouwen die niet tot de directe verwanten behoren, dat zij door hen sexueel worden opgewonden en dat zij de gewoonte aankweken om hun blikken te beheersen. Zij moeten al hun zinnen in bedwang houden. Zij moeten bijvoorbeeld niet luisteren naar het zingen of de bekoorlijke stemmen van vrouwen die niet tot de directe verwanten behoren en ook moeten zij niet luisteren naar beschrijvingen van hun schoonheid. Dit is een goede manier om de zuiverheid van hun blikken en (27) harten te bewaren. Schrijf evenzo gelovige vrouwen voor dat zij hun ogen ervan moeten weerhouden naar mannen die niet tot de directe verwanten behoren te kijken en hun oren ertegen moeten beveiligen naar de hartstochtelijke stemmen van zulke mannen te luisteren. Zij moeten hun schoonheid bedekken en moeten deze niet onthullen aan iemand die niet tot de directe verwanten behoort. Zij moeten hun hoofdbedekkingen over hun boezems laten hangen en moeten zo hun hoofden, oren en slapen bedekken. Zij moeten niet zoals dansers met hun voeten op de grond slaan. Dit zijn voorschriften die bescherming bieden tegen een moreel struikelen (24:31-32).
De tweede methode is zich tot God Almachtig te wenden en Hem te smeken tegen struikelen en uitglijden te worden beschermd. Nog een voorschrift is:
Houd u verre van overspel (17:33).
Dit betekent dat men alle gelegenheden moet vermijden die iemands gedachten in die richting kunnen opwinden en alle paden moet schuwen die naar deze ondeugd zouden kunnen leiden. Hij die zich aan deze ondeugd overgeeft gaat met zijn verdorvenheid tot het uiterste. De weg van overspel is een slechte weg omdat deze de vooruitgang van iemand naar het doel belemmert en deze weg is uiterst schadelijk voor het bereiken van het levensdoel. Zij die geen middel om te huwen vinden, moeten zich kuis houden door het volgen van andere wegen (24:34), bijvoorbeeld door te vasten of het zich houden aan een dieet of door lichaamsoefening. De mensen nemen soms het celibaat aan, ondergaan castratie of nemen het kloosterleven aan. God heeft het kloosterleven niet voorgeschreven en daarom blijken zij die dit aannemen niet in staat ernaar te leven (57:28). Dit is een aanwijzing dat als het celibaat en het kloosterleven door God zou zijn voorgeschreven, iedereen deze discipline zou hebben moeten aannemen, ten gevolge waarvan het menselijke ras reeds lang geleden tot een einde zou zijn gekomen. Ook zou als kuisheid door castratie of door enig ander dergelijk middel zou moeten worden bewaard, dit op kritiek op God neerkomen, Die de mens dit vermogen heeft gegeven. Bovendien hangt verdienste af van het in bedwang houden van de uitoefening van een vermogen bij een onjuiste gelegenheid uit vrees voor God en men verkrijgt dus een dubbele verdienste bij een gepaste uitoefening. Door het vermogen te vernietigen ontzegt men zich beide verdiensten. Verdienste hangt af van het bezit van het vermogen en de gepaste ordening ervan. Welke verdienste zou iemand verkrijgen die dat vermogen heeft verloren en als een kind is geworden? Verwerft een kind verdienste door zijn kuisheid? (28)

terug naar de Inhoud

Vijf remedies tegen onkuisheid
In deze verzen heeft de Almachtige God niet alleen een voortreffelijke leer voor het verkrijgen van de eigenschap kuisheid, maar de mens ook voorzien van vijf remedies tegen onkuisheid. Deze zijn het behoeden van de ogen voor het staren naar hen die niet tot de directe verwanten behoren, het behoeden van de oren voor het luisteren naar hun stemmen en naar beschrijvingen van hun knappe uiterlijk, het vermijden van gelegenheden die wat deze ondeugd betreft opwinding zouden kunnen veroorzaken en het zichzelf in bedwang houden gedurende de periode van celibaat door middel van vasten, het houden van een dieet, enz. Wij kunnen er met vertrouwen aanspraak op maken dat deze voortreffelijke leer met al haar middelen die in de Heilige Qor'aan wordt uiteengezet eigen is aan de Islam. Men moet in gedachten houden dat aangezien de natuurlijke toestand van de mens, die de bron van zijn hartstochten is, zodanig is dat hij hiervan niet kan afwijken zonder een volledige verandering in zichzelf, zijn hartstochten wel moeten worden opgewekt, of met andere woorden in gevaar worden gebracht, als zij worden geconfronteerd met de gelegenheid aan deze ondeugd toe te geven. De Almachtige God heeft ons daarom niet opgedragen dat we vrijelijk zouden kunnen staren naar vrouwen die niet tot de directe verwanten behoren en over hun schoonheid zouden kunnen mijmeren en al hun bewegingen bij het dansen enz. zouden kunnen waarnemen, maar dat we dit met een zuivere blik zouden moeten doen. Noch zijn wij onderwezen te luisteren naar het zingen van deze vrouwen en te luisteren naar de verhalen over hun schoonheid, maar dat we dit met een zuivere bedoeling zouden moeten doen. Ons is uitdrukkelijk opgedragen niet naar hun schoonheid te kijken, hetzij met een zuivere bedoeling of anderszins, noch te luisteren naar hun muzikale stemmen of naar beschrijvingen van hun goede uiterlijk, hetzij met een zuivere bedoeling of anderszins. Het is ons opgedragen dit alles te schuwen zoals we kadavers schuwen, zodat we niet zouden struikelen. Het is bijna zeker dat onze vrije blikken ons vroeger of later zouden doen struikelen. Omdat de Almachtige God verlangt dat onze ogen en onze harten en al onze ledematen en organen moeten voortgaan in een toestand van zuiverheid, heeft Hij ons deze uitstekende leer verschaft. Er kan geen twijfel over bestaan dat ongecontroleerde blikken een bron van gevaar worden. Als we zacht brood voor een hongerige hond plaatsen, zou het ijdel zijn te hopen dat hij er geen aandacht aan zou schenken. De Almachtige God verlangde dus dat de menselijke vermogens geen enkele gelegenheid zouden krijgen (29) voor een heimelijk functioneren en met niets zouden worden geconfronteerd, dat gevaarlijke tendenties zou kunnen oproepen. Dit is de filosofie die ten grondslag ligt aan de Islamitische voorschriften met betrekking tot het dragen van de sluier.
Het Boek van God beoogt niet vrouwen als gevangenen af te zonderen. Dit is de opvatting van hen die niet op de hoogte zijn van het juiste patroon van Islamitische manieren. Het doel van deze voorschriften is mannen en vrouwen ervan te weerhouden hun ogen vrijelijk te laten dwalen en hun knappe uiterlijk en hun schoonheden te tonen, want hierin ligt het goede van zowel mannen als vrouwen. Men moet zich herinneren dat het in bedwang houden van de blik en het alleen kijken naar dat wat is toegestaan, in het Arabisch wordt omschreven met de uitdrukking "ghadde basar", hetgeen de uitdrukking is die in de Heilige Qor'aan in dit verband is gebruikt. Het betaamt iemand die vroom is en die zijn hart zuiver wil houden niet dat hij zijn blikken vrijelijk alle kanten zou laten uitgaan zoals bij dieren het geval is. Het is noodzakelijk dat zo iemand de gewoonte van "ghadde basar" in zijn sociale leven moet cultiveren. Dit is een gezegende gewoonte waardoor zijn natuurlijke impulsen worden omgezet in een hoge morele eigenschap, zonder dat dit zijn sociale behoeften verstoort. Dit is de eigenschap die in Islam kuisheid wordt genoemd. De tweede eigenschap die verband houdt met het verwerpen van het kwaad is de eigenschap die bekend staat als eerlijkheid of integriteit, dat wil zeggen intolerantie voor het toebrengen van schade aan een medemens door op een oneerlijke of onwettige wijze zijn bezit in beslag te nemen. Integriteit is een van de natuurlijke toestanden van de mens. Daarom heeft een zuigeling, die zijn natuurlijke aanleg volgt en die nog geen enkele slechte eigenschap heeft verkregen, zo'n afkeer van iets dat iemand anders toebehoort, dat hij maar met moeite kan worden overtuigd om te worden gezoogd door een min. Als voor hem geen min is aangewezen terwijl hij nog erg klein is en nog geen scherp bewustzijn heeft ontwikkeld, wordt het voor een min erg moeilijk hem te zogen. Hij heeft er een natuurlijke afkeer van te worden gezoogd door een andere vrouw dan zijn moeder. Deze afkeer veroorzaakt hem soms een groot lijden en kan hem in uitzonderlijke gevallen tot aan de rand van de dood brengen. Wat is het geheim van deze afkeer? Het geheim is dat hij er een natuurlijke afkeer van heeft zijn moeder te verlaten en zich te wenden tot iets dat iemand anders toebehoort. Als wij over deze gewoonte van een zuigeling diep nadenken, wordt het duidelijk dat deze gewoonte ten grondslag ligt aan alle vormen van eerlijkheid en integriteit. Niemand kan de eigenschap integriteit worden toegeschreven, tenzij zijn hart wordt (30) vervuld met een afkeer en haat voor het bezit van iemand anders. zoals het geval is bij een zuigeling. Maar een zuigeling past deze gewoonte niet altijd toe bij de juiste gelegenheid en brengt als gevolg groot lijden over zich. Deze gewoonte is slechts een natuurlijke toestand die hij onvrijwillig toont, zij is daarom niet een morele eigenschap, hoewel zij de wortel is van de eigenschap integriteit. Aangezien een zuigeling als gevolg van deze gewoonte niet kan worden omschreven als religieus en betrouwbaar, zo kan ook iemand die deze natuurlijke eigenschap niet bij de juiste gelegenheid toepast, niet deze morele eigenschap worden toegeschreven. Het is erg moeilijk om betrouwbaar en een integere persoon te worden. Tenzij iemand alle facetten van integriteit in acht neemt, kan hij niet worden beoordeeld als werkelijk betrouwbaar of eerlijk. In dit verband heeft de Almachtige God ons in de volgende verzen de verschillende van integriteit geïnstrueerd:
Als er onder u iemand is met bezit, die wees is, of minderjarig, en als wordt gevreesd dat hij zijn bezit door zijn gebrek aan verstand zou verspillen, moet u dit bezit in beheer nemen en niet aan hem overhandigen, aangezien het gehele handelssysteem en de sociale zekerheid afhangt van de juiste zorg voor het bezit. Uit de inkomsten van het bezit moet u het onderhoud van de eigenaar ervan bekostigen, en u moet hem onderrichten (31) in alle billijke waarden die zijn rede en verstand zouden helpen ontwikkelen en hem een juiste training zouden geven, zodat hij niet onwetend en onervaren zou blijven. Als hij de zoon van een koopman is, kan hij worden onderricht in de wijzen van zaken doen en handel, en als zijn vader een beroep had of een andere bezigheid, kan hem training worden gegeven in een gepast beroep. Onderzoek van tijd tot tijd of hij in zijn training vooruitgang maakt. Als hij de leeftijd van volwassenheid bereikt, dat wil zeggen als hij ongeveer 18 jaar is en als u constateert dat hij een voldoende intelligentie heeft verworven om voor zijn bezit te zorgen, overhandig hem dan zijn bezit. Behandel zijn bezit als dit onder uw hoede is niet verkwistend uit vrees dat als hij opgroeit, hij dit u zal ontnemen. Als de beheerder geen financiële zorgen heeft, moet hij voor het beheren van het bezit niets in rekening brengen. Maar als hij arm is, laat hem er dan zoveel van gebruiken als billijk is. Het was de gewoonte onder Arabische beheerders van het bezit van een wees dat het bezit werd gebruikt als handelskapitaal en uit de winstopbrengst een voorziening werd getroffen voor de wees. Het kapitaal werd zo dus niet vernietigd. De beheerder berekende een billijk bedrag voor het zorgen voor het bezit. Dit is het systeem waarnaar in deze verzen wordt verwezen. Dan wordt gezegd:
Als u het bezit aan zijn eigenaar overhandigt, moet u dit doen in aanwezigheid van getuigen (4:67). Zij onder u die waarschijnlijk minderjarige kinderen achterlaten, moeten in hun testament geen aanwijzingen geven die voor de kinderen een onbillijke werking hebben. Zij die het vermogen van wezen onrechtvaardig verbruiken, verteren in hun buiken slechts vuur, en zij zullen een laaiend vuur binnengaan (4:10-1l).
Men moet opmerken hoeveel aspecten van eerlijkheid en integriteit de Almachtige God in deze verzen heeft uiteengezet. Een werkelijk eerlijk persoon is hij die al deze aspecten in gedachten houdt. Als dit niet gebeurt met een volmaakt begrip, zal zijn betrouwbaarheid veel verborgen oneerlijkheid bedekken. Dan wordt bevolen: (32)
En verteert elkanders vermogen niet door bedrog en valsheid, noch biedt uw rijkdom als omkoopgeld aan aan de autoriteiten, zodat u weloverwogen een deel van de rijkdom van andere mensen verkrijgt door middel van onrechtvaardigheid (2:189). Draag het u toevertrouwde over aan hen die er recht op hebben (4:59). Allah houdt niet van hen die oneerlijk zijn (8:59). Geef de volle maat als u weegt en weegt met een zuivere weegschaal (17:36). Geef niet te weinig en loopt niet rond terwijl gij in het land wanorde sticht (26:184). Dit betekent dat u niet in het land moet rondtrekken met een kwade bedoeling om diefstal of overvallen te plegen of zakken te rollen of om het bezit van andere mensen te verkrijgen door onwettige middelen. Geef niet dat wat gebrekkig is in ruil voor dat wat goed is (4:3), dat wil zeggen dat aangezien verduistering onwettig is, ook de verkoop van gebrekkige artikelen, terwijl u het doet voorkomen alsof ze in goede staat zijn, en het ruilen van gebrekkige artikelen voor goede artikelen, onwettig is.
In al deze verzen heeft de Almachtige God alle oneerlijke praktijken op zo'n uitgebreide wijze uiteengezet dat geen voorbeeld van oneerlijkheid is weggelaten. Hij heeft niet enkel diefstal verboden, opdat niet een dom persoon zou overwegen dat, hoewel diefstal is verboden, alle andere ongepaste methodes tot het verkrijgen van bezit zijn toegestaan. Het op een veelomvattende wijze verbieden van alle ongepaste methodes tot het verkrijgen van bezit is ware wijsheid. Kortom, als iemand de eigenschap integriteit niet in al haar aspecten bezit, zal hij niet als eerlijk worden beschouwd, zelfs als hij in bepaalde zaken eerlijkheid aan de dag legt dat zou alleen maar zijn natuurlijke toestand zijn, beroofd van een redelijk onderscheid en een juist inzicht. De derde morele eigenschap die verband houdt met het verwerpen van het kwaad wordt in het Arabisch met "hudnah" of "haun" aangeduid, hetgeen betekent het afzien van het iemand toebrengen van fysiek leed en het zich gedragen op een vreedzame wijze. Vredelievendheid is zonder twijfel een hoge morele eigenschap en is voor de mensheid onontbeerlijk. De natuurlijke prikkel die met deze morele eigenschap overeenstemt en deze als hij wordt geordend, in een morele eigenschap omzet, en die een zuigeling bezit, is aanhankelijkheid. Het is duidelijk dat de mens in zijn (33) natuurlijke toestand niet in staat is vredelievendheid of strijdlust te begrijpen. In die toestand is de prikkel van aanhankelijkheid die hij toont de wortel van vredelievendheid, maar omdat deze niet op een weloverwogen manier wordt beoefend onder controle van de rede of het nadenken, wordt hij niet beschouwd als een morele eigenschap. Hij wordt tot een morele eigenschap als iemand zich weloverwogen ongevaarlijk maakt en de eigenschap vredelievendheid bij de juiste gelegenheid uitoefent en nalaat deze misplaatst te gebruiken. De goddelijke leer is in dit verband:
Tracht overeenstemming onder uzelf te bevorderen (8:2), Vrede is het beste (4:129). Als zij tot Vrede neigen, neigt gij er dan ook toe (8:62). De ware dienaren van de Genadevolle wandelen op aarde in nederigheid (25:64) en als zij iets ijdels aantreffen dat zich tot een strijd zou kunnen ontwikkelen, gaan zij er met waardigheid aan voorbij (25:73), dat wil zeggen dat zij niet over kleinigheden beginnen te twisten en kleine zaken die niet veel schade veroorzaken niet tot een gelegenheid van onenigheid maken.
De uitdrukking 'ijdel' die in dit vers is gebruikt, betekent het moedwillig uiten van woorden of het doen van iets dat weinig schade veroorzaakt en weinig kwaad doet. Vredelievendheid wil zeggen dat men dit soort gedrag over het hoofd moet zien en met waardigheid moet optreden, maar als iemands gedrag werkelijk schade berokkent aan leven, bezit of eer, dan is de morele eigenschap die erbij wordt betrokken niet vredelievendheid, maar standvastigheid, waarop we later zullen terugkomen. Als iemand zich boosaardig tegen u gedraagt, moet u trachten (34) dit af te weren met vredelievendheid waardoor hij die uw vijand is tot uw beste vriend zal worden (41:35). Kortom, vredelievendheid betekent het over het hoofd zien van onbeduidende zaken van ergernis die geen grote schade veroorzaken en die zich min of meer beperken tot het uiten van onzin. De vierde morele eigenschap in verband met het verwerpen van het kwaad is vriendelijkheid of een goed woord. De natuurlijke prikkel die ten grondslag ligt aan deze morele eigenschap is opgewektheid. Voordat een kind in staat is zich in woorden uit te drukken, toont het opgewektheid als een vervanging voor vriendelijkheid en goede woorden. Dit toont aan dat de wortel van vriendelijkheid opgewektheid is, hetgeen een natuurlijke gave is welke wordt omgezet in de morele eigenschap vriendelijkheid door deze bij de juiste gelegenheid te gebruiken. De goddelijke leer in dit verband is:
Zegt tegen de mensen dat wat goed is (2:84). Laat niet een volk een ander volk bespotten: misschien is dit beter dan zij zelf, noch laat een groep vrouwen een andere groep vrouwen bespotten, misschien is laatstgenoemde beter dan de eerstgenoemde. Belaster uw volk niet, noch scheld hen uit (49:12). Schuw te veel achterdocht: spioneer ook niet, noch belaster elkaar (49:13). Beschuldig niet iemand van iets waarvan u geen bewijs hebt, en herinner u dat het oor en het oog en het hart ter verantwoording (35) zullen worden geroepen (17:37).

terug naar de Inhoud

Morele eigenschappen die verband houden met het goeddoen
De tweede soort morele eigenschappen zijn die welke verband houden met goeddoen. De eerste hiervan is verdraagzaamheid of vergevensgezindheid. Hij die tegen een ander een vergrijp pleegt, veroorzaakt hem leed of nadeel en hij verdient het te worden gestraft òf door het toepassen van de wet met gevangenschap of boete, òf rechtstreeks door de gekrenkte persoon. Hem te vergeven, als vergevensgezindheid gepast zou zijn, staat gelijk aan hem goed te doen. In dit verband is de leer van de Heilige Qor'aan:
Zij die hun kalmte bewaren als zij worden geprikkeld en die de fouten van de mensen door de vingers zien als dat gepast is (3:135). De vergelding van een onrecht is een straf die ermee in verhouding staat, maar hij die vergeeft en daardoor een hervorming bij de overtreder teweegbrengt terwijl geen leed wordt beoogd, dat wil zeggen, bij de juiste gelegenheid vergevensgezindheid toepast, zal zijn beloning bij Allah hebben (42:41).
Dit vers toont aan dat de Qor'aan niet bij alle gelegenheden het niet weerstand bieden aan het kwaad leert, of dat onruststokers en overtreders nooit zouden moeten worden gestraft. Zijn leer is dat men in overweging moet nemen of de gelegenheid vraagt om vergevensgezindheid of om straf en dat de weg moet worden gevolgd die het beste is in het belang van zowel de overtreder, als het publiek. Soms keert een overtreder zich van het kwaad doen af als gevolg van het feit dat hem wordt vergeven, en soms spoort vergevensgezindheid hem aan tot een voortzetting van het kwaad doen. Daarom beveelt de Almachtige God dat wij niet de gewoonte moeten ontwikkelen om bij alle gelegenheden blindelings te vergeven, maar zorgvuldig moeten overwegen of vergevensgezindheid of straf het meest gepast is, een deugd derhalve, in ieder afzonderlijk geval, en dat dit de weg is die wij moeten volgen. Sommige mensen zijn zo wraakzuchtig dat zij het onrecht dat hun vaders is aangedaan generaties lang onthouden en er zijn anderen die verdraagzaamheid en vergevensgezindheid tot het uiterste doorvoeren, soms zelfs tot de grens van schaamteloosheid. Zij passen zulk (36) een zwakheid, vergevensgezindheid en verdraagzaamheid toe dat deze volkomen tegenstrijdig is met waardigheid, eer, waakzaamheid en kuisheid. Hun gedrag is een vlek op het goede karakter en het gevolg van hun vergevensgezindheid en verdraagzaamheid is dat de mensen van hen walgen. Daarom voegt de Heilige Qor'aan de voorwaarde toe van een juiste tijd en plaats voor de beoefening van iedere morele eigenschap en keurt het misplaatst beoefenen van een morele eigenschap af. Men moet zich herinneren dat vergevensgezindheid op zich geen morele eigenschap is. Zij is een natuurlijke impuls die ook bij kinderen wordt aangetroffen. Een kind vergeet een letsel snel als dit hem ten onrechte is toegebracht, en benadert de persoon die hem het letsel heeft toegebracht weer met genegenheid, zelfs als een dergelijke persoon de bedoeling zou hebben het te doden. Het kind is blij met zijn bekoorlijke woorden. Zo'n vergevensgezindheid is in geen enkel opzicht een morele eigenschap. Zij zou een morele eigenschap worden als zij wordt beoefend op de juiste plaats en bij de juiste gelegenheid. Anders zou zij slechts een natuurlijke prikkel zijn. Er zijn weinig mensen die een onderscheid kunnen maken tussen een natuurlijke prikkel en een morele eigenschap. Wij hebben herhaaldelijk het onderscheid aangetoond tussen een ware morele eigenschap en een natuurlijke toestand: dit is dat een morele eigenschap wordt bepaald door het zich aanpassen aan plaats en gelegenheid, terwijl een natuurlijke prikkel vaak niet op zijn plaats erbij wordt betrokken. Een koe is ongevaarlijk en een geit is nederig, maar we kennen deze eigenschappen niet aan deze dieren toe omdat zij niet de beschikking hebben over een gevoel van tijd en plaats. De Goddelijke wijsheid en Gods ware en volmaakte Boek hebben iedere morele eigenschap voor een juiste uitoefening onderworpen aan tijd en plaats. De tweede morele eigenschap in deze categorie is rechtvaardigheid de derde is weldadigheid en de vierde is goedgunstigheid zoals die tussen verwanten. God, de Glorierijke, heeft gezegd:
Dit betekent dat ons wordt bevolen om goed met goed te vergelden en weldadigheid te beoefenen als dit wordt vereist en om met een natuurlijke ijver goed te doen, zoals tussen verwanten. als dat gepast zou zijn (16:91).
De Almachtige God verbiedt overtreding, of dat u misplaatst weldadigheid (37) beoefent of zou nalaten deze te beoefenen als het wordt vereist of dat u in gebreke zou blijven bij de juiste gelegenheid goedgunstigheid zoals tussen verwanten te betrachten, of deze buiten haar gepaste grens te betrachten. Dit vers zet drie graden van goeddoen uiteen. De eerste is het goed met goed vergelden. Dit is de laagste graad en zelfs een gemiddelde persoon kan deze graad dat hij hen die hem hebben goedgedaan moet goeddoen. gemakkelijk verkrijgen. De tweede graad is wat moeilijker dan de eerste. Deze houdt in dat men het initiatief neemt bij het goeddoen uit zuivere weldadigheid. Dit is de middelste graad. De meeste mensen treden jegens de armen weldadig op, maar er is een verborgen gebrek in weldadigheid, namelijk dat de persoon die weldadigheid beoefent zich hiervan bewust is en als antwoord op zijn weldadigheid dankbaarheid of gebed verlangt. Als bij een bepaalde gelegenheid de ander zich tegen hem zou keren, beschouwt hij hem als ondankbaar. Bij gelegenheid herinnert hij hem aan zijn weldadigheid of legt hem een zware last op. Zij die weldadig zijn, zijn door de Almachtige God vermaand:
Maakt uw aalmoezen niet nutteloos door verwijten of krenking (2:265).
Het Arabische woord voor aalmoezen (sadaqah) is afgeleid van een wortel (sidq), die oprechtheid betekent. Als het hart niet wordt geïnspireerd door oprechtheid bij het schenken van aalmoezen, houden deze op aalmoezen te zijn en wordt dit schenken tot een louter vertoon. Daarom zijn zij die weldadigheid betrachten door de Almachtige God aangespoord hun weldadigheid niet nutteloos te maken door verwijten of krenking. De derde graad van goeddoen is goedgunstigheid zoals deze bestaat tussen verwanten. De Almachtige God instrueert dat er bij deze graad geen idee van weldadigheid of enig verlangen naar dankbaarheid moet zijn, maar het goeddoen uit zulk een warme sympathie moet geschieden zoals bijvoorbeeld een moeder haar kind goeddoet. Dit is de hoogste graad van goeddoen welke niet kan worden overtroffen. Maar de Almachtige God heeft al deze graden van goeddoen onderworpen aan hun gepaste tijd en plaats. Het vers dat hierboven is aangehaald, toont duidelijk aan dat als deze deugden niet op de juiste plaatsen worden beoefend, zij ondeugden zouden worden. Als bijvoorbeeld rechtvaardigheid haar grenzen overschrijdt, zou zij een ongezond aspect aannemen en zou onfatsoenlijk worden. Op dezelfde wijze zou het verkeerd gebruiken van weldadigheid een vorm aannemen die door de rede en het geweten zou worden (38) verworpen en op dezelfde wijze zou goedgunstigheid als tussen verwanten tot overtreding worden. Het Arabische woord voor overtreding is "baghy" dat een overvloedige regen die de oogst verwoest betekent. Een tekort bij de vervulling van een verplichting of een overdaad bij de vervulling, zijn beide "baghy". In het kort, als een van deze drie eigenschappen niet op haar plaats wordt beoefend, wordt deze besmet. Daarom worden al deze drie eigenschappen bepaald door het gepast in acht nemen van plaats en gelegenheid. Men moet niet vergeten dat rechtvaardigheid, weldadigheid of goedgunstigheid tussen verwanten niet op zichzelf morele eigenschappen zijn. Zij zijn de natuurlijke toestanden en vermogens van de mens die zelfs door kinderen voordat zij hun verstand ontwikkelen, worden tentoongespreid. Verstand is een voorwaarde voor het beoefenen van een morele eigenschap en er is ook een voorwaarde, dat iedere morele eigenschap moet worden beoefend op haar juiste plaats en bij de juiste gelegenheid. Er zijn verschillende andere aanwijzingen, die in de Heilige Qor'aan zijn uiteengezet, die betrekking hebben op weldadigheid en die alle zijn onderworpen aan de voorwaarde van plaats en tijd. Wij lezen: (39)
O gij die gelooft, besteedt bij wijze van edelmoedigheid of weldadigheid, of liefdadigheid dat van uw rijkdom dat u op wettige wijze heeft verkregen dat wil zeggen, geen deel van hetgeen is verkregen door diefstal, of omkoperij, of oneerlijkheid of verduistering of overtreding. Kiest niet voor liefdadigheid uit hetgeen nutteloos of onrein is (2:268). Maak uw (40) aalmoezen niet nutteloos met verwijten of krenking dat wil zeggen, herinnert uw begiftigde er nooit aan dat u hem iets had geschonken, noch krenk hem, want in zulke gevallen zal uw liefdadigheid nutteloos worden, noch besteedt uw geld louter uit vertoon (2:265). Weest weldadig voor uw medeschepselen, want Allah houdt van hen die weldadig zijn (2:196). De ware deugdzamen zullen uit een beker (een drank) gemengd met kamfer drinken (76:67). De verwijzing naar kamfer betekent dat hun harten zullen worden gereinigd van alle brandende verlangens naar, en onzuivere prikkels voor de wereld. De wortel van het Arabische woord voor kamfer betekent onderdrukking of uitwissing, hetgeen betekent dat hun ongeoorloofde emoties zullen worden onderdrukt en zij zuiver van hart zullen worden en de koelte van het begrip zullen genieten. Vervolgens wordt gezegd dat zij van een bron zullen drinken die zij zullen doen ontspringen aan de aarde door hun inspanningen. Dit duidt op een diep mysterie in de filosofie van het paradijs. Laat hem die begrip heeft dit begrijpen. De ware deugdzamen voeden de armen, de wees en de gevangene uit liefde voor Allah, met zulk voedsel als zij zelf eten, terwijl zij hen verzekeren: Wij leggen u niet enige verplichting op, maar voeden u slechts om Allah's welbehagen te winnen. Wij wensen geen tegenprestatie of dank van u (76:9-10). Dit is een aanwijzing dat zij de derde graad van het goeddoen beoefenen die voortkomt uit zuiver medegevoel. De ware deugdzamen hebben de gewoonte om hun rijkdommen uit liefde voor God te besteden voor hun verwanten en voor het opvoeden en opleiden van wezen en voor het treffen van een voorziening voor de armen en voor het verschaffen van gerief aan reizigers en voor hen die vragen (bedelaars) en voor de invrijheidstelling van slaven en het verlichten van de lasten van hen die schulden hebben (2:178). Zij zijn noch verkwistend, noch vrekkig, maar houden hiertussen een evenwicht (25:68). Zij verbinden dat wat Allah heeft geboden te worden verbonden en zij vrezen hun Heer (13:22). Op hun rijkdom hebben zij die vragen en zij die niet kunnen vragen een recht (51:20). Met zij die niet kunnen vragen worden dieren bedoeld zoals honden, katten, mussen, ossen, ezels, geiten, en andere dieren die hun behoeften niet in woorden kunnen uitdrukken. Zij zijn niet terughoudend in tijden van schaarste of hongersnood, maar blijven ook in zulke tijden overeenkomstig hun vermogen uitgeven (3:135). Zij geven zowel in het geheim als openlijk uit aan liefdadigheid (13:23), in het geheim zodat zij zichzelf mogen behoeden voor een vertoon van hun liefdadigheid en openlijk zodat zij anderen tot voorbeeld kunnen zijn dat wat opzij wordt gelegd voor liefdadigheid moet aan de armen en de behoeftigen worden (41) besteed en aan hen die zich bezighouden met de inzameling en verdeling hiervan, en het moet worden besteed om hen te helpen die van een bepaald kwaad moeten worden gered en om de vrijheid van slaven te verkrijgen en voor hen die gebukt gaan onder schulden, en hen die bedroefd zijn en voor andere doeleinden die zuiver voor de zaak van God zijn, en voor hen die streven voor de zaak van Allah (9:60). U kunt niet de hoogste graad van deugdzaamheid bereiken tenzij u voor de behartiging van het welzijn van uw medeschepselen dat deel van uw rijkdom besteedt dat u dierbaar is (3:93). Geeft aan de armen wat hun toekomt en ook aan de behoeftigen en de reiziger, maar behoedt u voor verkwisting (17:27). Dit is een aanwijzing om mensen ervan te weerhouden onnodig te besteden aan huwelijken, luxe en bij de gelegenheid van de geboorte van een kind enz. Weest weldadig voor ouders en verwanten en wezen en de behoeftigen en de buur die een verwant is en de buur die geen verwant is en de reiziger en uw bedienden en uw paarden en uw vee en de andere dieren die u bezit. Dit is wat God liefheeft. Hij heeft degenen niet lief die achteloos en zelfzuchtig zijn en degenen die vrekkig zijn en andere mensen aansporen vrekkig te zijn en die hun rijkdom bewaren en hen die behoeftig zijn vertellen dat zij niets hebben dat zij hun kunnen geven. (14:37-38).

terug naar de Inhoud

Ware moed
Een van de natuurlijke toestanden van de mens is die welke op moed lijkt, zoals een klein kind soms zijn hand in het vuur tracht te steken door zijn natuurlijke toestand van onbevreesdheid. In die toestand biedt een mens zonder vrees weerstand aan tijgers en andere wilde beesten en komt alleen naar voren om een groot aantal mensen te bevechten. Zo iemand wordt als erg dapper beschouwd. Maar dit is slechts een natuurlijke toestand die we zelfs vinden in wilde beesten en in honden. Ware moed, die een van de hoogstaande morele eigenschappen is. wordt bepaald door plaats en gelegenheid welke als volgt worden genoemd in het Heilige Woord van God: (42)
Zij die standvastig zijn in tegenspoed en smart en in de strijd (2:17-81),
hun standvastigheid heeft als doel de gunst van Allah en niet het tonen van dapperheid (13:23). Zij worden ermee bedreigd dat de mensen zich hebben verzameld om hen te vervolgen en zij zouden bang voor hen moeten zijn, maar het vermeerdert slechts hun geloof en zij zeggen: Allah is voor ons voldoende (3:174). Hun moed en dapperheid zijn dus niet zoals die van honden en wilde dieren, die voortkomen uit natuurlijke hartstochten en slechts eenzijdig zijn. Hun moed heeft twee aspecten. Soms strijden zij uit persoonlijke moed tegen de hartstochten van henzelf en overwinnen deze en soms, als zij van mening zijn dat het gepast is om tegen een vijand te vechten, komen zij naar voren om hem te ontmoeten, niet door enige aandrang die in henzelf is opgewekt, maar ter ondersteuning van de waarheid. Zij zijn niet van zichzelf afhankelijk, maar vertrouwen op God en gedragen zich moedig. Zij komen niet onbeschaamd uit hun huizen tevoorschijn om door de mensen te worden gezien. Hun enige doel is het winnen van het welbehagen van God (8:48). Deze verzen illustreren dat ware moed is afgeleid van standvastigheid. Standvastig zijn tegen iedere persoonlijke hartstocht of tegen welke rampspoed ook die aanvalt als een vijand en niet uit lafheid weglopen, is ware moed. Er is dus een groot verschil tussen menselijke moed en de moed van een wild beest. Een wild beest wordt alleen in één richting bewogen als het wordt aangespoord, maar een mens die ware moed bezit verkiest òf confrontatie, òf verkiest het zich niet te verzetten, naar gelang de gelegenheid dit vraagt.

terug naar de Inhoud

Waarheidslievendheid
Een van de natuurlijke eigenschappen van de mens is waarheidslievendheid. Normaliter wil iemand tenzij hij wordt bewogen door een zelfzuchtig motief, geen leugen vertellen. Hij heeft een afkeer van valsheid en is er afkerig van hiertoe zijn toevlucht te nemen. Hij is ontevreden over iemand van wie is bewezen dat hij een leugen heeft verteld en ziet op hem neer. Maar deze natuurlijke neiging kan niet worden gerekend tot de morele eigenschappen. Zelfs kinderen en krankzinnigen (43) tonen deze neiging. Tenzij iemand die doelen die hem van het vertellen van de waarheid wegvoeren, verwerpt, kan hij niet als waarheidslievend worden beschouwd. Als iemand de waarheid vertelt waar geen persoonlijk belang in het geding is en klaar staat zijn toevlucht te nemen tot onwaarheid waar het zijn eer, bezit of leven betreft en nalaat de waarheid te vertellen, is hij niet beter dan een kind of iemand die krankzinnig is. Spreken niet geesteszieken en kinderen dit soort waarheid. Er is nauwelijks iemand in de wereld die zonder enig doel een leugen zou vertellen. De waarheid die zou kunnen worden verlaten om aan enig dreigend verlies te ontsnappen, is geen morele eigenschap. De juiste gelegenheid voor het spreken van de waarheid is als men verlies van leven, bezit of eer vreest. In dit verband is de goddelijke leer:
Vermijd de gruwel van afgoden en vermijd alle woorden van onwaarheid (22:3l).
Dit toont aan dat onwaarheid ook een afgod is en hij die erop vertrouwt, houdt op om op God te vertrouwen. Door dus een leugen te uiten verliest men God. Als u wordt geroepen om van de waarheid te getuigen, doe dit dan zeker (2:283), en verbergt geen waar getuigenis, hij die dit verbergt heeft een zondig hart (2:284). Als u spreekt, zeg de (44) waarheid en houd de schalen in evenwicht, al is de betrokkene een verwant van u (6:153). Weest strikt in het in acht nemen van rechtvaardigheid en leg alleen getuigenis af voor de zaak van Allah, zelfs als dit u of uw ouders, verwanten of zonen, enz. verlies zou kunnen veroorzaken (4:136). Laat niet de vijandigheid van een volk jegens u, u aansporen tot onrechtvaardigheid of onwaarheid (5:9). Waarheidslievende mannen en waarheidslievende vrouwen zullen bij Allah een grote beloning hebben (33.36). Zij sporen elkaar aan om aan de waarheid vast te houden (10:4). Zij die niet in het gezelschap van de onwaarachtigen verkeren (25:73).

terug naar de Inhoud

Standvastigheid
Een van de natuurlijke eigenschappen van de mens is standvastigheid gedurende ziekte en smart, waartoe hij zijn toevlucht neemt na veel klagen en treuren. Het is natuurlijk dat iemand gedurende smart schreeuwt en zucht en zich tenslotte, na aan zijn smart uiting te hebben gegeven, terugtrekt. Deze beide toestanden zijn natuurlijk, maar vormen in geen enkel opzicht deel van een morele eigenschap. In dit verband is de toepasselijke morele eigenschap dat als men een verlies lijdt men dit moet beschouwen alsof men dat aan God teruggeeft, wat Hij heeft geschonken en men moet hierover geen klacht uiten. Men moet bevestigen dat het een gave van God was die Hij heeft teruggenomen en dat men is verzoend met Gods welbehagen. In dit verband vermaant de Heilige Qor'aan ons:
Wij zullen u zeker beproeven met iets van vrees, honger, verlies van rijkdom, levens, de vruchten van uw arbeid en soms zullen uw geliefde kinderen sterven. Geef dan blijde tijdingen aan de standvastigen, die, wanneer een rampspoed hen achterhaalt, niet de moed verliezen, maar bevestigen: Wij behoren tot God en wij zijn Zijn dienaren en tot Hem (45) zullen wij terugkeren. Dit zijn degenen op wie de zegeningen en de barmhartigheid van hun Heer rusten en dit zijn degenen die de rechte weg volgen (2:156-157). Deze morele eigenschap wordt standvastigheid of verzoening met de Goddelijke wil genoemd. Vanuit één gezichtspunt zou deze billijkheid of rechtvaardigheid kunnen worden genoemd. De Almachtige God manifesteert duizenden zaken in overeenstemming met de wensen van iemand en schenkt hem talloze gaven, zodat het zijnerzijds bij zulke gelegenheden als God hem roept om zich aan Zijn wil te onderwerpen, onbillijk zou zijn dat hij zich zou afwenden, en niet blij zou zijn met de wil van God en kritiek zou hebben of het geloof zou verliezen of op het verkeerde pad zou geraken.

terug naar de Inhoud

Sympathie voor de mensheid
Tot de aangeboren eigenschappen van de mens behoort zijn sympathie voor de medeschepselen. De volgelingen van iedere godsdienst hebben een aangeboren sympathie voor hun eigen volk en velen van hen handelen onder de aandrang van zulke sympathie onrechtvaardig jegens andere mensen alsof zij hen niet als menselijke wezens beschouwen. Deze toestand kan niet worden omschreven als een morele eigenschap. Dit is een natuurlijke aandrang die zelfs door vogels wordt getoond. Als bijvoorbeeld één kraai sterft komen honderden kraaien tezamen. Deze eigenschap zou tot een hoogstaande morele eigenschap worden gerekend als zij op een juiste en onpartijdige wijze bij de juiste gelegenheid wordt beoefend. De eigenschap die zowel in het Arabisch, als in het Perzisch sympathie wordt genoemd, zou een prachtige morele eigenschap zijn. Hiernaar wordt door Allah, de Verhevene, verwezen in de Heilige Oor'aan. De Almachtige God heeft in de Heilige Qor'aan bevolen: (46)
Staat elkander bij in vroomheid en rechtschapenheid en staat elkander niet bij in zonde en overtreding (5:3). Verslapt niet in het dienen van uw medeschepselen (4:105). Strijdt niet namens hen die als verraders zijn (4:106). Pleit niet namens hen die in hun ongeloof volharden. Allah bemint hen die verraderlijk zijn niet (4:108).

terug naar de Inhoud

Het zoeken naar een Verheven Wezen
Een van de natuurlijke toestanden van de mens is zijn zoeken naar een Verheven Wezen tot Wie hij een inherente aantrekkingskracht heeft. Dit wordt bij een kind gemanifesteerd vanaf het moment van zijn geboorte. Zodra het is geboren toont het een geestelijk kenmerk dat het zich tot zijn moeder neigt en door liefde tot haar wordt geïnspireerd. Naarmate zijn vermogens worden ontwikkeld en zijn natuur zich openlijk begint te ontplooien, wordt deze inherente eigenschap steeds sterker getoond. Het vindt nergens gemak behalve in de schoot van zijn moeder. Als het van haar wordt gescheiden en zich op een afstand van haar bevindt. wordt zijn leven bitter. Vele giften slagen er niet in het van zijn moeder, op wie al zijn vreugde is geconcentreerd, weg te lokken. Zonder haar kent het geen vreugde. Wat is dan de aard van de aantrekkingskracht die het kind zo sterk voelt tot zijn moeder? Het is de aantrekkingskracht die de ware Schepper in de natuur van de mens heeft gelegd. Dezelfde aantrekkingskracht speelt een rol als iemand liefde heeft voor een ander. Dit is een weerspiegeling van de aantrekkingskracht tot God die onafscheidelijk is verbonden met de natuur van de mens, alsof hij op zoek is naar iets dat hij mist en waarvan hij de naam heeft vergeten en dat hij in (Hier noemt Hazur twee categorieën van verzen. Tot de eerste categorie behoren die verzen die mededogen voor de schepping van God behandelen en de idee van samenwerking bij het doen van goede daden. Bij de tweede categorie is het onderwerp van bespreking de bestraffing van de overtreder als de situatie dit vraagt. De boodschap die hier wordt overgebracht, is, dat sympathie voor het mensdom niet betekent dat de misdadiger alleen wordt gestraft voor zijn overtredingen, om aldus de rest van de samenleving te beveiligen tegen zijn overtredingen. In feite is zijn bestraffing een aspect van sympathie voor de mensheid. (De uitgevers)) (47) het een of andere voorwerp dat hij van tijd tot tijd optilt, tracht te vinden. De liefde van iemand voor rijkdom of nakomelingen of zijn echtgenote of de aantrekkingskracht van zijn ziel tot een vrouwelijke stem, zijn alle aanwijzingen voor zijn zoeken naar de Ware Geliefde.
Een mens kan het niet waarneembare Wezen dat zoals de eigenschap van vuur latent in iedereen aanwezig is, maar is verborgen, niet met zijn fysieke ogen zien, noch kan hij Het door het louter beoefenen van de onvolmaakte rede ontdekken. Hij is in zijn zoeken smartelijk misleid en heeft Zijn positie ten onrechte aan anderen toegekend. De Heilige Qor'aan heeft in dit verband een uitstekende illustratie gegeven, namelijk dat de wereld als een paleis is waarvan de vloer is geplaveid met gladde platte stenen van glas en waaronder een snelle stroom water vloeit. leder oog dat deze vloer ziet stelt zich ten onrechte voor dat het stromend water is. Men zou vrezen op de vloer te lopen uit angst op stromend water te lopen, hoewel in werkelijkheid de vloer slechts is geplaveid met gladde transparante platte stenen van glas. Zo zijn die hemellichamen als de zon en de maan, enz. de gladde en transparante platte stenen van glas, waaronder een grote kracht werkzaam is, zoals een snel bewegende stroom water. Het is een grote fout van de kant van hen die deze hemellichamen aanbidden dat zij eraan toeschrijven wat door de kracht die erachter werkzaam is wordt gemanifesteerd. Dit is de interpretatie van het vers van de Heilige Qor'aan:
Het is een grote zaal die is geplaveid met gladde platte stenen van glas (27:45).
In het kort, aangezien het Wezen van de Almachtige God, ondanks Zijn schittering, volstrekt verborgen is, is het fysieke systeem dat voor onze ogen is uitgespreid niet alléén voldoende ter herkenning. Daarom zijn zij die van dit systeem afhankelijk zijn en zijn volmaakte en volledige ordelijkheid tezamen met alle wonderen die erin zijn vervat, zorgvuldig hebben geobserveerd en grondig astronomie, fysica en filosofie hebben gestudeerd en als het ware zijn binnengedrongen in de hemelen en de aarde, nog niet verlost van de duisternis van twijfel en argwaan. Velen van hen zijn in ernstige vergissingen verwikkeld geraakt en dwalen ver af in de achtervolging van hun dwaze fantasieën. Hun uiterste veronderstelling is dat dit verheven systeem, dat een grote wijsheid laat zien, een Maker moet hebben. Maar deze veronderstelling is onvolledig en dit inzicht is gebrekkig. De bevestiging dat dit systeem een Schepper moet hebben betekent niet een positieve bevestiging dat Hij ook in werkelijkheid (48) bestaat. Zulk een veronderstelling kan het hart geen bevrediging schenken, noch alle twijfels ervan verwijderen. Noch is het een ontwerp dat de dorst naar een volledig begrip, hetgeen de natuur van de mens vraagt, kan lessen. Dit gebrekkige begrip is inderdaad zeer gevaarlijk, want ondanks alle lawaai betekent het niets. In het kort, tenzij de Almachtige God Zich in bestaan door Zijn Woord bevestigt, zoals Hij dit heeft gemanifesteerd door Zijn werk, zal het waarnemen van het werk alléén geen volledige bevrediging verschaffen. (Dit betekent dat zonder het Woord van God overpeinzing van, en een vooruitblik naar de natuurwetten niet voldoende kan zijn. ( De uitgevers)) Als wij bijvoorbeeld voor een kamer komen te staan waarvan de deur aan de binnenzijde is vergrendeld dan zal onze onmiddellijke reactie zijn dat er iemand in de kamer is die de deur van binnen heeft vergrendeld, aangezien het klaarblijkelijk onmogelijk is een deur van binnen te vergrendelen met enig instrument dat voor dit doel wordt gebruikt vanaf de buitenzijde. Maar als ondanks ons aanhoudelijk geroep van buiten gedurende een periode van jaren, van binnenuit geen antwoord hoorbaar wordt, zal onze veronderstelling dat er iemand binnen moet zijn moeten worden verlaten en zouden wij worden gedwongen te concluderen dat de deur aan de binnenzijde door middel van een handig instrument is gesloten. Dit is de situatie waarin die filosofen wier begrip is beperkt tot enkel het waarnemen van het werk van God, zich hebben geplaatst. Het is een grote vergissing zich voor te stellen dat God als een dood lichaam is dat in de aarde is begraven en dat het bergen ervan de zaak van de mens is. Als God alleen is ontdekt door menselijke inspanning, is het nutteloos om iets van Hem te verwachten. Voorwaar, God heeft door de eeuwen heen het mensdom tot Zich geroepen door te bevestigen: Ik ben aanwezig. Het zou een grote aanmatiging zijn zich te verbeelden dat de mens God een verplichting heeft opgelegd door Hem door zijn eigen inspanning te ontdekken en dat als er geen filosofen waren geweest, Hij onbekend zou zijn gebleven. Het is evenzeer onzinnig te vragen hoe God kan spreken, tenzij Hij een tong heeft waarmee Hij spreekt. Het antwoord is: Heeft Hij niet de aarde en de hemellichamen geschapen zonder fysieke handen? Overziet Hij niet het heelal zonder ogen? Hoort Hij niet onze smekingen zonder fysieke oren? Is het dan niet noodzakelijk dat Hij ook tot ons zou spreken? Ook is het niet juist te zeggen dat God in het verleden sprak maar thans niet spreekt. Wij kunnen Zijn Woord of Zijn spreken niet beperken tot een bijzondere tijd. Hij is vandaag evenzeer bereid om Zijn zoekers te verrijken uit de fontein van openbaring, als Hij ooit was, en (49) de poorten van Zijn genade zijn vandaag even ver open als zij ooit waren. Het is echter waar dat aangezien in de behoefte aan een volmaakte wet is voorzien, alle wetten en de begrenzingen van hun werking zijn voltooid. Ook alle profeetschappen die hun climax hebben bereikt in de persoon van onze heer en meester, de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn. zijn vervuld.

terug naar de Inhoud

De reden voor het verschijnen van de Heilige Profeet in Arabië
Dat de laatste Goddelijke leiding vanuit Arabië zou schitteren, was bepaald door Goddelijke wijsheid. De Arabieren zijn afstammelingen van Ismaël, die van Israël was afgesneden en onder Goddelijke wijsheid in de wildernis van Paran (Faran) - dat twee vluchtelingen betekent - was geplaatst. De afstammelingen van Ismaël waren door Abraham zelf van de Bani Israïl afgesneden en zij hadden geen deel aan de wet van de Torah, zoals was geschreven dat zij niet van Izaäk konden erven. Zij werden dus verlaten door hen tot wie zij behoorden en hadden geen verwantschap met iemand anders. In alle andere landen waren sporen van aanbidding en geboden die erop wezen dat deze eens onderricht van Profeten hadden. Alleen Arabië was een land dat met zulk een leer volstrekt onbekend was en het was het meest achterlijke van alle. Zijn beurt kwam het allerlaatst en het ontving de weldaad van een universele broederschap, zodat alle landen weer deel zouden hebben in de zegeningen van het profeetschap, en de dwalingen die intussen in deze landen hadden postgevat zouden worden uitgeroeid. De Heilige Qor'aan is het Volmaakte Boek dat zich belastte met het gehele plan der menselijke hervorming en het richt zich niet alleen tot één volk. Het tracht allen te hervormen en heeft alle stappen van menselijke ontwikkeling uiteengezet. Het onderwijst wilden de manieren en wegen der mensheid en leert hen daarna hoogstaande morele eigenschappen. Er is dus naast de Heilige Qor'aan geen behoefte aan enig ander boek.

terug naar de Inhoud

Wat de wereld aan de Heilige Qor'aan heeft te danken
Het is een gave van de Heilige Qor'aan aan de mensheid dat hij het onderscheid tussen de natuurlijke toestand van de mens en morele eigenschappen heeft uiteengezet en dat hij zich niet louter beperkt tot het brengen dan de mens uit zijn natuurlijke toestand tot het verheven paleis (50) van hoogstaande morele eigenschappen, maar ook de deuren opent van het heilige begrip dat de mens naar geestelijke hoogten leidt. Op deze manier zet het op een voortreffelijke manier de drie soorten lering uiteen die wij reeds hebben genoemd. Omdat de Heilige Qor'aan alle leerstellingen die voor een godsdienstige training noodzakelijk zijn omvat, maakt hij er aanspraak op zich van deze taak tot in de perfectie te hebben gekweten. Hij zegt:
Vandaag heb Ik uw godsdienst ten gunste van u vervolmaakt en heb Mijn gunst aan u voltooid en heeft het Mij behaagd Islam als uw godsdienst vast te stellen (5:4). Dit betekent dat de climax van de godsdienst is bereikt in de Islam, namelijk dat men God geheel moet zijn toegewijd en moet trachten zijn redding te zoeken door zelfopoffering voor de zaak van God en niet door enig ander middel en dit motief en deze vastbeslotenheid in zijn gedrag moet tonen. Dit is het stadium waarin alle voortreffelijkheden hun volmaaktheid bereiken. Aldus heeft de Heilige Qor'aan de God gepresenteerd Die niet door de filosofen was herkend.
De Qor'aan heeft twee methoden aangenomen voor het begrijpen van God. Ten eerste: de methode waardoor de menselijke rede wordt versterkt en verlicht met als doel redenen uiteen te zetten ter ondersteuning van het bestaan van God waardoor iemand er dus voor wordt behoed in dwaling te vallen. Ten tweede: de geestelijke methode die wij zullen uiteenzetten bij het antwoord op de derde vraag.

terug naar de Inhoud

Bewijs voor het bestaan van God
Wij zullen nu de aandacht vestigen op de voortreffelijke en onvergelijkelijke bewijzen voor het bestaan van God die de Heilige Qor'aan heeft uiteengezet. Hij zegt:
Onze Heer is Hij die aan alles passende vermogens heeft geschonken en dit dan heeft geleid naar het bereiken van zijn passende doelen (20:51).
Als (51) we denken aan de strekking van dit vers en dan nadenken over de gestalte en de vorm van de mens en alle dieren op het land en in de zee, en de vogels, dan zijn we onder de indruk van de macht van God, Die aan alles zijn geschikte vorm heeft gegeven. Dit is een omvangrijk onderwerp en wij willen er bij onze toehoorders op aandringen er diep over na te denken. Het tweede bewijs voor het bestaan van God dat de Heilige Qor'aan heeft uiteengezet is dat God de uiteindelijke oorzaak van alle oorzaken is. zoals wordt gezegd.
Uw Heer is de uiteindelijke oorzaak van alle oorzaken (53:43).
Als we zorgvuldig waarnemen zien we dat het gehele heelal is samengebonden in een systeem van oorzaak en gevolg. Dit systeem ligt ten grondslag aan alle kennis. Geen deel van de schepping staat buiten dit systeem. Sommige dingen vormen de wortels van andere en sommige zijn takken. Een oorzaak kan een hoofdoorzaak zijn of kan het gevolg zijn van een andere oorzaak, welke op haar beurt het gevolg kan zijn van weer een andere oorzaak, enzovoorts. Nu is het in deze eindige wereld niet mogelijk dat dit patroon van oorzaak en gevolg geen grens zou hebben en oneindig zou zijn. Wij worden gedwongen te erkennen dat het moet eindigen met een zekere uiteindelijke oorzaak. De uiteindelijke oorzaak is God. Het vers: (Arabische tekst) zet dit argument heel beknopt uiteen en bevestigt dat het systeem van oorzaak en gevolg bij God eindigt. Nog een bewijs voor het bestaan van God dat in de Heilige Qor'aan wordt uiteengezet is: (Arabische tekst) Dit betekent dat de zon de maan niet kan inhalen en de nacht, die een manifestatie van de maan is, niet kan heersen over de dag, die een manifestatie van de zon is. Geen van beide kan zich buiten haar baan bewegen (36:41). Als er geen Regelaar van dit gehele systeem achter de schermen zou zijn. zou het systeem tot chaos vervallen. Dit bewijs is erg treffend naar de mening van astronomen. Er zijn zoveel grote (52) hemellichamen die door de ruimte zweven dat de geringste verstoring in hun bewegingen de ondergang van de gehele wereld met zich zou brengen. Wat een manifestatie van Goddelijke macht is het dat deze lichamen noch botsen, noch van snelheid veranderen, noch hun banen in de geringste mate wijzigen, noch zij door hun omwentelingen gedurende zulk een lange periode zijn versleten, noch de werking achter hun voortbeweging enige ongeregeldheid heeft gekend. Als zij niet onder het toezicht van een Bewaker staan, hoe kan het dan dat zulk een grootse organisatie gedurende talloze jaren geheel zelfstandig blijft voortgaan? In de Heilige Qor'aan vestigt de Almachtige God hierop de aandacht met de woorden (Arabische tekst)
Kan er een twijfel zijn over het bestaan van God, Die de hemelen en de aarde heeft voortgebracht? (14:11). Hij heeft nog een bewijs voor Zijn bestaan uiteengezet met de woorden: (Arabische tekst)
Al dat op de aarde is, zal vergaan en alleen het aangezicht van uw Heer, de Meester van Glorie en Eer, zal voortbestaan (55:27-28). Als we aannemen dat de aarde tot stukken zou worden teruggebracht en de hemellichamen te gronde zouden gaan en alles door een ontploffing die ieder teken van deze lichamen zou uitwissen, zou worden achterhaald, erkent de rede toch en acht een goed geweten het noodzakelijk dat na al deze verwoesting Iemand zou voortbestaan, Die niet aan verwoesting is onderworpen en Die geen verandering kan ondergaan en Die zou voortbestaan in Zijn oorspronkelijke toestand. Die ene is God. Die al hetgeen sterfelijk is heeft geschapen en Zelf immuun is voor sterfelijkheid. Nog een bewijs voor Zijn bestaan dat God in de Heilige Qor'aan heeft uiteengezet is: God informeerde bij de zielen:
Ben Ik niet uw Heer? En zij antwoordden: Inderdaad (7:173).
In dit vers zet de Almachtige God in de vorm van vraag en antwoord de karakteristiek waarmee Hij de zielen heeft bekleed uiteen en deze is dat door de eigen natuur geen ziel het bestaan van God kan ontkennen. Zij die God ontkennen doen dit omdat zij geen bewijs van Zijn bestaan kunnen vinden (53) overeenkomstig hun eigen verbeeldingskracht. Toch erkennen zij dat voor alles wat is geschapen, er een Schepper moet zijn. Niemand in de wereld is zo dwaas dat als hij ziek wordt, hij volhoudt dat er geen oorzaak voor zijn ziekte is. Als het systeem van het heelal niet bestond uit oorzaak en gevolg, zou het niet mogelijk zijn geweest het tijdstip te voorspellen van een wervelstorm, of van een zons- of maansverduistering of te voorspellen dat een patiënt op een bepaalde tijd zou overlijden of dat een ziekte in een bepaald stadium door een andere ziekte zou worden versterkt. Een geleerde dus, die wetenschappelijk onderzoek verricht en het bestaan van God niet erkent, doet dit in feite wel indirect, want ook hij zoekt zoals wij, naar de oorzaken van gevolgen. Dit is een soort erkenning, hoewel deze niet volmaakt is. Als bovendien iemand die het bestaan van God ontkent door de een of andere methode op zulk een wijze bewusteloos zou kunnen worden gemaakt dat hij volledig onder de controle van God zou staan en alle fantasieën, emoties en prikkels van zijn aardse leven opzij zou zetten, zou hij in zulk een toestand het bestaan van God bevestigen en niet ontkennen. Hiervan wordt getuigd door vooraanstaande deskundigen. Het vers dat we hebben aangehaald duidt ook aan dat een ontkenning van het bestaan van God slechts een manifestatie is van dit aardse bestaan, want de ware natuur van de mens bekent Zijn bestaan ten volle.

terug naar de Inhoud

Eigenschappen van God
Wij hebben enkele bewijzen voor het bestaan van God bij wijze van illustratie uiteengezet. Wij vestigen nu de aandacht op de eigenschappen van God, tot Wie de Heilige Qor'aan ons roept en die als volgt zijn: (Arabische tekst) (54)
Dit betekent dat God Eén is zonder deelgenoot en niemand naast Hem waard is te worden aanbeden en te worden gehoorzaamd (59:23). Dit wordt bevestigd omdat als Hij niet zonder deelgenoot zou zijn. de vrees zou kunnen bestaan dat Hij zou kunnen worden overwonnen door een mededinger, in welk geval de Godheid altijd in gevaar zou zijn. De bevestiging dat niemand waard is te worden aanbeden behalve Hij, betekent dat Hij zó volmaakt is en Zijn eigenschappen zó voortreffelijk en verheven zijn dat als wij uit het heelal een God zouden moeten kiezen die met volmaakte eigenschappen zou zijn uitgerust, of in onze gedachten de beste en meest verheven eigenschappen die God zou moeten bezitten zouden overdenken, Hij toch veel verhevener zou zijn dan al onze verbeelding. Hij zou door niemand kunnen worden overtroffen en niemand dan Hij zou verhevener kunnen zijn dat is God. Om iemand in Zijn aanbidding te associëren zou het grootste onrecht zijn. Hij is de Kenner van het onzienlijke, dat wil zeggen: Hij alleen kent Zichzelf, niemand kan Zijn Wezen begrijpen. Wij kunnen de zon en de maan in hun geheel begrijpen, maar wij kunnen God in Zijn geheel niet begrijpen. Hij is de Kenner van het zienlijke, dat wil zeggen dat niets voor Hem is verborgen. Men kan zich niet voorstellen dat Hij van iets niet op de hoogte zou zijn. leder deeltje van het heelal wordt door Hem waargenomen, maar de mens heeft niet zo'n veelomvattende blik. Hij weet wanneer Hij dit systeem zal beëindigen en het Oordeel teweeg zal brengen. Niemand anders weet wanneer dat zal gebeuren. Het is God alleen Die kennis heeft van al deze tijdstippen. Dan wordt gezegd dat Hij de Genadevolle is. Dit betekent dat voordat levende wezens worden geschapen en voordat deze enige daden verrichten. Hij voor iedereen louter uit Zijn Genade en niet voor enig ander doel, noch als beloning voor enige daad een passende voorziening treft. Hij schiep bijvoorbeeld de zon, de aarde en alle andere dingen voor ons welzijn vóórdat wij werden geschapen en voordat wij enige daden hadden (55) verricht. Deze Goddelijke milddadigheid wordt in het Boek van God "Rahmaniyyat" genoemd en derhalve wordt de Almachtige God "Rahman" genoemd. Hij beloont rechtvaardige daden rijkelijk en laat de inspanningen van iemand niet verloren gaan. Door deze eigenschap wordt Hij "Rahim" genoemd en de eigenschap wordt "Rahimiyyat" genoemd. Dan wordt gezegd:
Hij is de Meester van de Dag des Oordeels (l:4).
Dit betekent dat Hij de beloning van iedereen in Zijn eigen hand houdt. Hij heeft geen tussenpersoon benoemd aan wie Hij het bestuur van de hemelen en de aarde heeft toevertrouwd, zodat Hij Zichzelf hieraan volledig heeft onttrokken, er niet meer mee heeft te maken en aan de tussenpersoon voor altijd de vaststelling van alle beloning overlaat. Dan wordt gezegd:
Hij is de Oppermachtige Die zonder enig gebrek is (59:24).
Het is duidelijk dat menselijk oppergezag niet zonder gebrek is. Als bijvoorbeeld alle onderdanen van een aardse heerser hun land zouden verlaten om naar een ander land te verhuizen, zou zijn gezag beëindigd worden of als zijn gehele volk door hongersnood zou worden getroffen, hoe zouden dan enige inkomsten kunnen worden verzameld? Of als de mensen hem zouden vragen, wat hij bezit boven hetgeen zij bezitten op grond waarvan zij hen zouden moeten gehoorzamen, wat zou hij dan in antwoord op hun vraag kunnen zeggen? Maar Gods soevereiniteit kent geen enkel gebrek. Hij kan alles in één ogenblik vernietigen en een ander koninkrijk scheppen. Als Hij niet zo'n Schepper, die alle macht bezit, was geweest, zou Zijn koninkrijk niet zonder onrechtvaardigheid hebben voortgeduurd. Als Hij bijvoorbeeld eenmaal de mensen van de wereld heeft vergeven en redding heeft geschonken, hoe zou Hij dan een andere wereld hebben verkregen? Zou Hij dan hebben getracht diegenen te vangen die Hij reeds redding had geschonken zodat Hij hen in de wereld zou kunnen terugzenden en zou Hij Zijn vergevensgezindheid en redding op een onrechtvaardige wijze hebben ingetrokken? In zulk een geval zou Zijn Godheid gebrekkig zijn gebleken en zou Hij een onvolmaakte heerser zoals aardse heersers zijn geworden die steeds voor hun mensen nieuwe wetten samenstellen en herhaaldelijk hun kalmte verliezen, en als zij in hun zelfzucht zien dat zij (56) niet zonder onrechtvaardigheid kunnen verdergaan, er zonder wroeging hun toevlucht toe nemen. In het aardse oppergezag bijvoorbeeld wordt het geacht te zijn toegestaan dat de passagiers van een klein schip worden vernietigd om de veiligheid van een groot schip te waarborgen, maar God staat niet onder zulk een dwang. Als God niet Almachtig was en niet de macht had om uit niets te scheppen, zon Hij gedwongen zijn geweest om of Zijn toevlucht te nemen tot onrechtvaardigheid, zoals zwakke heersers dit doen, òf zijn trouw gebleven aan rechtvaardigheid en Zijn Godheid hebben verloren. Het schip van God vervolgt zijn reis met volle kracht op de basis van rechtvaardigheid. Verder is Hij de Bron van Vrede, dat wil zeggen dat Hij wordt beschermd tegen alle gebreken, tegenspoed en ongemakken en voor allen veiligheid verschaft. Als Hij zou kunnen worden gekweld door tegenspoed of door Zijn volk zou kunnen worden gedood of in Zijn plannen zou kunnen worden gedwarsboomd, hoe zouden dan in zulke gevallen de harten van de mensen kunnen worden getroost door de overtuiging, dat Hij hen van tegenspoed zou bevrijden? De Almachtige God beschrijft de toestand van valse goden in de volgende woorden:
Zij die gij naast Allah aanroept kunnen zelfs geen vlieg scheppen, al zouden zij allen voor dit doel samenwerken, en als een vlieg iets van hen zou wegnemen, kunnen zij het niet van haar terugnemen. Het ontbreekt hun aanbidders aan verstand en het ontbreekt henzelf aan macht. Kunnen dezen als goden zijn? God is de Ene Die machtiger is dan al degenen die macht bezitten. Hij is de Machtige. Die verheven is boven allen. Niemand kan Hem bevatten of Hem doden. Zij die zulke vergissingen begaan hebben geen waar begrip van de eigenschappen van God (22:74-75).
Verder is God de Schenker van Veiligheid en Hij zet de bewijzen van Zijn eigenschappen en Zijn Eenheid uiteen. Dit is een aanwijzing dat hij die in de Ware God gelooft in geen enkel gezelschap in verlegenheid is, noch in de tegenwoordigheid van God vol wroeging zal zijn, want hij is uitgerust met sterke bewijzen. Maar hij die in een valse god gelooft zal grote droefheid ondergaan. Hij beschrijft ieder wezenloos ding als een mysterie zodat hij (57) niet zou worden uitgelachen en hij tracht aantoonbare fouten te verbergen. Verder is Hij De Beschermer, de Machtige, de Onderwerper, de Verhevene (59:24). Dit betekent dat Hij allen beschermt en boven allen is verheven en alles herstelt dat verkeerd zou kunnen zijn gegaan en dat Hij volkomen Zichzelf Genoeg is.
Hij is Allah, de Schepper, de Maker, de Vormer, Hij heeft de schoonste namen. Al hetgeen in de hemelen en op aarde is verheerlijkt Hem. Hij is de Machtige, de Wijze (59:25). Dit betekent dit Hij de Schepper is van zowel de lichamen, als de zielen. Hij bepaalt de kenmerken van een baby in de baarmoeder. Aan Hem behoren alle schone namen die kunnen worden bedacht. De bewoners van de hemelen en de bewoners van de aarde verheerlijken Hem. Dit is een aanwijzing dat de hemellichamen ook zijn bewoond en dat hun bewoners goddelijke leiding volgen:
Hij heeft de macht te doen al wat Hij wil (2:21).
Dit verschaft een grote vertroosting aan Zijn aanbidders, want wat kan worden verwacht van een god die zwak is en geen macht heeft? Dan wordt gezegd:
Hij is de Heer der Werelden, de Meest Genadevolle, de Altijd Barmhartige, Meester van de Dag des Oordeels (l:24).
Dit betekent dat Hij zorgt voor het heelal en Zelf de Meester van de Dag des Oordeels is en het oordeel niet aan iemand anders heeft toevertrouwd. Dan wordt gezegd:
Ik beantwoord de roep van hem die Mij aanroept (2:187). (58)
De Altijd Levende, de Zelfbestaande, Die Zichzelf Genoeg is (2:256).
Het leven van ieder leven en de steun van ieder wezen. Hij is de Altijd Levende, want als Hij niet Altijd Levend zou zijn, zouden Zijn aanbidders bevreesd zijn dat Hij vóór hen zou sterven. Dan wordt gezegd: Verkondig:
Hij is Allah, de Enige. Hij verwekt niet, noch is Hij verwekt en er is niemand die Zijn gelijke is, of is zoals Hij (112:25). Het op een juiste wijze geloven in de Eenheid van God zonder de geringste afwijking, is de rechtvaardigheid die een mens jegens zijn Maker is verschuldigd. Wij hebben uit de Heilige Qor'aan de morele leerstellingen van de Islam uiteengezet. Het grondprincipe ervan is dat er noch buitensporigheid, noch gebrek moet zijn, het is de karakteristiek van een morele eigenschap dat deze zijn gepaste limiet niet overschrijdt of niet te kort schiet om deze te bereiken. Het is duidelijk dat deugdzaamheid in het midden tussen twee uitersten ligt. Alleen die gewoonte die zich in het midden tracht te bewegen, bevordert een hoogstaande morele eigenschap. Het herkennen van de juiste plaats en de juiste gelegenheid is in zichzelf een midden. Als bijvoorbeeld een landbouwer te vroeg of te laat zaait, wijkt hij af van de middenweg. Deugdzaamheid, waarheid en wijsheid vormen het midden en het midden is gepastheid: met andere woorden: waarheid bevindt zich altijd in het midden van twee tegengestelde leugens. Er is geen twijfel dat waakzaamheid voor de juiste gelegenheid iemand in het midden houdt. Het midden houden met betrekking tot God betekent dat men bij het uiteenzetten van goddelijke eigenschappen niet moet overhellen naar het ontkennen van goddelijke eigenschappen, noch God moet beschrijven als een Wezen dat op iets materieels gelijkt. Dit is de wijze die de Heilige Qor'aan bij de verwijzing naar Goddelijke eigenschappen heeft aangenomen. Hij bevestigt dat God ziet, hoort, weet, kent, spreekt, en ter bescherming ertegen dat Hij wordt vergeleken met Zijn Schepping, bevestigt hij ook:
Er is niets aan Hem gelijk (42:12), en verzin geen gelijken betreffende God (16:75).
Dit betekent dat er in het Wezen en de eigenschappen van God geen deelgenoten zijn en dat Hij geen gelijkenis vertoont met Zijn (59) schepselen. Het denkbeeld dat God tussen de gelijkenis en het bovenzinnelijke is, is het juiste midden. In het kort: alle Islamitische leerstellingen nemen het midden in acht. Suratul Fatilia prent ons ook getrouwheid aan het midden in. Deze leert dat de smeekbede moet worden geleid langs het pad van hen, aan wie God Zijn gunsten heeft geschonken en niet langs dat van hen die Zijn toorn hebben opgewekt, noch langs dat van hen die verloren zijn gegaan (17). Met hen die Zijn toorn hebben opgewekt worden de mensen bedoeld die zich naast God opstellen en zich aan toorn overgeven en barbaars optreden, en met hen die verloren zijn gegaan worden de mensen bedoeld die zich als dieren gedragen. De middenweg is die, welke is omschreven als de weg van hen aan wie God Zijn gunsten heeft geschonken. Kortom, de Heilige Qor'aan heeft dit gezegende volk voorgeschreven zich aan het midden te houden. In de Torah heeft de Almachtige God de nadruk gelegd op vergelding en in het Evangelie heeft Hij de nadruk gelegd op verdraagzaamheid en vergevensgezindheid. De Moslims is bevolen om gepastheid te zoeken en zich aan het midden te houden, zoals wordt gezegd:
Aldus hebben Wij u het volk van het midden gemaakt (2:144).
Dit betekent dat de Moslims is bevolen het midden in acht te nemen. Gezegend zijn dus zij die langs het midden voortgaan. Het midden is het beste.

terug naar de Inhoud

Geestelijke toestanden
De derde vraag is. Wat zijn geestelijke toestanden? Wij hebben reeds uiteengezet dat volgens de Heilige Qor'aan de bron van geestelijke toestanden de ziel in rust is, die iemand van de graad van een moreel wezen brengt tot de graad van een goddelijk wezen, zoals Allah, de Glorierijke, heeft gezegd: (60)
O ziel, die haar rust heeft gevonden in God, keer terug tot uw Heer, terwijl u welbehagen in Hem hebt en Hij welbehagen in u heeft. Gaat dus binnen onder Mijn uitverkoren dienaren en gaat Mijn Paradijs binnen (89:28-31).
Men moet bedenken dat de hoogste geestelijke toestand van iemand in dit leven is, dat hij vertroosting in God vindt en dat al zijn voldoening, verrukking en genot op God gevestigd moeten zijn. Dit is de toestand die het hemelse leven wordt genoemd. In deze toestand wordt iemand het hemelse leven op deze aarde geschonken in ruil voor zijn volmaakte oprechtheid, zuiverheid en gelovigheid. Andere mensen zien uit naar het paradijs in het hiernamaals, maar hij treedt dit reeds in dit leven binnen. Als hij bij dit stadium aankomt, realiseert hij zich dat de aanbidding die hem was voorgeschreven in waarheid het voedsel is dat zijn ziel voedt en waarvan zijn geestelijke leven in belangrijke mate afhankelijk is en dat de volmaaktheid ervan niet wordt uitgesteld tot het hiernamaals. Alle verwijt dat het verwijtende zelf hem met betrekking tot zijn onreine leven toedient, terwijl dit er toch niet in slaagt zijn hunkering naar deugdzaamheid ten volle op te wekken, een ware afkeer tegen zijn kwade verlangens op te wekken en hem een grote aanhankelijkheid tot deugdzaamheid te schenken, wordt door deze aandrang, die het begin is van de ontwikkeling van de ziel in rust, getransformeerd. Als iemand dit stadium bereikt, is hij in staat om een volledige bloei tot stand te brengen. Alle hartstochten van het zelf beginnen te verschrompelen en er begint een versterkende bries naar de ziel te waaien zodat de persoon in kwestie met wroeging op zijn vorige zwakheden neerziet. Op dat moment ervaren de aard en de gewoonten een volledige gedaanteverandering en wordt de persoon ver uit zijn vorige toestand weggetrokken. Hij wordt gewassen en gereinigd en God prent de liefde tot deugdzaamheid in zijn hart en verwijdert met Zijn eigen hand de onzuiverheid van ondeugd. De krachten van de waarheid treden alle de citadel van zijn hart binnen en rechtschapenheid neemt bezit van de vesting van zijn natuur en de waarheid behaalt de overwinning en de leugen legt haar wapenen neer en moet op de vlucht slaan. De hand van God wordt over zijn hart gelegd en hij doet iedere stap in de schaduw van God. De Almachtige God heeft dit alles aangegeven in de volgende verzen: (61)
Dit zijn zij in wier harten Allah met Zijn eigen handen geloof heeft gegrift en die Hij met de Heilige Geest geeft geholpen (58:23). Allah heeft het geloof voor u dierbaar gemaakt en heeft het voor uw harten schoon doen schijnen en Hij heeft u een afkeer tot ongeloof, verdorvenheid en ongehoorzaamheid gegeven en heeft in uw harten de verdorvenheid van kwade wegen geprent. Dit alles is tot stand gebracht door de genade en gunst van Allah. Allah is Alwetend Wijs (49:89). De waarheid is gekomen en de leugen is verdwenen. De leugen moet verdwijnen (17:82).
Dit alles heeft betrekking op de geestelijke toestand die iemand in het derde stadium bereikt. Niemand kan een waar inzicht verkrijgen, tenzij hij deze toestand bereikt. Als God met Zijn eigen hand geloof in hun harten prent en hen helpt met de Heilige Geest, betekent dit dat niemand een ware zuiverheid en rechtschapenheid kan bereiken, tenzij hij hemelse hulp ontvangt. In het stadium van het innerlijk dat zichzelf berispt is de toestand van iemand zo dat hij keer op keer berouw heeft en toch valt en dikwijls wanhoopt en van mening is dat zijn toestand niet is te genezen. Hij blijft voor een bepaalde periode in deze toestand en als de vastgestelde tijd komt, daalt gedurende de nacht of gedurende de dag een licht op hem neder dat goddelijke kracht bezit. Met het nederdalen van dat licht ondergaat hij een wonderbaarlijke verandering en bemerkt hij de macht van een verborgen hand en ziet een prachtige wereld. Dan beseft hij dat God bestaat en worden zijn ogen gevuld met een licht dat hij voorheen niet bezat. Hoe zullen wij dat pad ontdekken en hoe zullen wij dat licht verkrijgen? Het zij bekend dat in deze wereld ieder gevolg een oorzaak heeft en dat iedere beweging een oorzaak heeft. Voor het verkrijgen van iedere soort kennis is een weg aangewezen die het rechte pad wordt genoemd Niets kan in deze wereld worden verkregen zonder zich te schikken naar de regels die de natuur daarvoor vanaf het allereerste begin heeft vastgesteld. De natuurwet deelt ons mede dat er voor het bereiken van ieder doel een recht pad is aangewezen en dat het doel alleen kan worden bereikt door dat pad te volgen. Als wij bijvoorbeeld in een donkere kamer zitten is voor ons het rechte pad voor het verkrijgen van het zonlicht dat wij het raam dat naar de zon uitziet openen. Als we dat doen, komt het (62) zonlicht ogenblikkelijk de kamer binnen en verlicht deze. Het is dus duidelijk dat er voor het verkrijgen van de liefde en de ware genade van God een zeker raam moet zijn en dat er voor het verkrijgen van zuivere geestelijkheid er een aangewezen methode moet zijn. Dan zouden wij het rechte pad dat naar geestelijkheid leidt moeten zien, zoals we een recht pad zoeken voor het bereiken van al onze andere doelen. Die methode is niet dat wij alleen God moeten trachten te zoeken door het beoefenen van onze rede en door het volgen van de wegen die wijzelf hebben aangewezen. De deuren die alleen door Zijn krachtige handen kunnen worden geopend, zullen niet toegeven aan onze logica en filosofie. Wij kunnen de Altijd Levende en Zelfbestaande God niet met behulp van onze eigen middelen vinden. Het enige rechte pad voor het bereiken van dit doel is dat Hij eerst onze levens, tezamen met al onze vermogens, aan de zaak van de Almachtige God moeten toewijden en ons dan moeten bezighouden met smeekbeden om Hem te ontmoeten en God dus moeten vinden door God zelf.

terug naar de Inhoud

Een uitstekend gebed
Het voortreffelijkste gebed dat ons onderricht betreffende de tijd en de gelegenheid van smeekbeden en ons het beeld van geestelijke ijver schildert, is dat gebed dat God de Weldadige, ons in het openingshoofdstuk van de Heilige Qor'aan heeft onderwezen. Het is als volgt:
Alle prijzenswaardigheid behoort alleen aan Allah, Die de Schepper en de Onderhouder is van alle werelden (l:2).
Hij verschaft ons uit Zijn genade voordat wij enige daad hebben verricht en nadat wij daden hebben verricht beloont Hij deze uit Zijn genade (l:3).
Hij alleen is de Meester van de Dag des Oordeels en Hij heeft deze dag niet aan iemand anders toevertrouwd (l:4). (63)
O Gij, Die al deze eigenschappen omvat. U alleen aanbidden wij en wij zoeken Uw hulp in al onze aangelegenheden (1:5).
Het gebruik van het meervoudige voornaamwoord in dit zinsverband duidt aan dat al onze vermogens zich met Zijn aanbidding bezighouden en voor Zijn drempel zijn nedergebogen. Iedere persoon is krachtens zijn innerlijke vermogens een veelvoudig wezen en het nederbuigen van al zijn vermogens voor God is de toestand die Islam wordt genoemd.
Leid ons op Uw rechte pad en vestig ons er stevig op (l:6),
het pad van hen aan wie Gij Uw gaven en gunsten hebt geschonken, en niet dat van hen die Uw toorn hebben opgewekt. noch dat van hen die verdwaald zijn en U niet bereikten (l: 7), Amen.
Deze verzen vertellen ons dat goddelijke gaven en gunsten alleen aan hen worden geschonken, die hun levens aanbieden als opoffering voor de zaak van God en die, terwijl zij zich hieraan geheel toewijden en zich geheel met Zijn welbehagen bezighouden, smeekbeden blijven verrichten, zodat hun alle geestelijke gaven kunnen worden geschonken die een menselijk wezen door de nabijheid van God kan ontvangen, en Hem daarbij ontmoeten en Zijn woorden horen. Met deze smeekbeden aanbidden zij God door middel van al hun vermogens, vermijden zonde en blijven nedergebogen voor Zijn drempel. Zij beschermen zich tegen alle ondeugd en schuwen de wegen van Gods toorn. Omdat zij God met een grote vastberadenheid en een volmaakte oprechtheid zoeken, vinden zij Hem en wordt hun volop te drinken gegeven van hun begrip van God. De ware en volmaakte genade die iemand naar de geestelijke wereld brengt, hangt van standvastigheid af, waarmee die graad van oprechtheid en geloof wordt bedoeld die niet door enige beproeving kan wankelen. Dit betekent een sterke verhouding tot het Goddelijke die een zwaard niet kan doorklieven, die vuur niet kan verteren en die geen enkele andere rampspoed kan beschadigen. De dood van geliefden of een scheiding van hen moet deze verhouding niet verstoren, ook moet vrees voor schande haar niet beïnvloeden noch zou een pijnlijke (64) dood het hart ook maar in de geringste mate hiervan moeten verwijderen. Deze deur is dus erg smal en dit pad is erg moeilijk. Helaas, hoe moeilijk is dit! Dit wordt door de Almachtige God aangegeven in het volgende vers:
Zeg hen: Als uw vaders en uw zonen en uw broeders en uw vrouwen en uw verwanten en de rijkdom die u heeft verkregen en de handel, waarvan u slapte vreest, en de woningen, van welke u houdt, u liever zijn dan Allah en Zijn Boodschapper en het streven voor Zijn zaak, wacht dan totdat Allah Zijn oordeel bekendmaakt. Allah leidt het ongehoorzame volk niet (9:24).
Dit vers toont duidelijk dat die mensen die de wil van God opzij zetten en aan hun verwanten en hun bezittingen, waarvan zij meer houden, de voorkeur geven, in de beoordeling van God boosdoeners zijn en dat zij zeker zullen worden vernietigd omdat zij aan iets anders dan God de voorkeur gaven. Dit is het derde stadium, waarin die persoon goddelijk wordt, die duizenden rampspoeden verwelkomt voor de zaak van God en met zulk een oprechtheid en toewijding tot Hem neigt alsof er niemand is behalve God die met hem verwant is en alle anderen zijn gestorven. De waarheid is dat tot wij onszelf aan de dood onderwerpen, wij de Levende God niet kunnen aanschouwen. De dag waarop ons fysieke leven de dood ondergaat, is de dag van de manifestatie van God. Wij zijn blind totdat wij blind worden voor het zien van allen, behalve God. Wij zijn dood totdat wij als een dood lichaam worden in de hand van God. Alleen als wij ons aangezicht ten volle tot God wenden, bereiken we de standvastigheid die alle hartstochten van het innerlijk overwint en die standvastigheid veroorzaakt de dood van het leven dat zelfzuchtige doeleinden is toegewijd. Dit wordt beschreven in het vers:
Dit betekent dat God verlangt dat wij onszelf moeten aanbieden om voor Zijn zaak te worden geofferd (2:113).
Wij zullen standvastigheid bereiken (65) als al onze vermogens en krachten aan Zijn zaak worden toegewijd en ons leven en onze dood alle voor Zijn zaak zijn, zoals Hij heeft gezegd:
Verkondig, o Profeet, Mijn gebed en mijn opofferingen en mijn leven en mijn stenen zijn alle voor de zaak van Allah (6:163).
Als de liefde van iemand tot God een stadium bereikt, dat zijn leven en zijn sterven niet terwille van henzelf zijn, maar geheel voor God, dan schenkt God Die altijd hen heeft bemind die Hem beminnen, hem Zijn liefde en door de ontmoeting van deze twee liefdes wordt binnenin hem een licht opgewekt dat de wereld niet kan herkennen of begrijpen. Duizenden rechtschapenen en uitverkorenen moesten hun levens geven omdat de wereld hen niet herkende. Zij werden als zelfzuchtig en bedrieglijk beschouwd omdat de wereld hun heldere gelaatsuitdrukkingen niet kon zien, zoals wordt gezegd:
Zij kijken naar u, maar zij zien u niet (7:199).
Kortom, vanaf de dag dat dat licht in iemand wordt opgewekt, houdt hij op aards te zijn en wordt hij hemels. Hij, Die de Meester van alle wezens is, spreekt binnenin hem en manifesteert het licht van Zijn Godheid en maakt zijn hart dat met Zijn liefde is verzadigd, tot Zijn troon. Zodra zo iemand door Zijn heldere transformatie een nieuwe persoon wordt, wordt God een nieuwe God voor hem en manifesteert voor hem nieuwe wegen. Het is niet zo dat God een andere God wordt of dat die wegen verschillen van Zijn wegen en toch zijn zij onderscheiden van Zijn gewone wegen, waarvan de wereldse filosofie zich niet bewust is. Hij wordt een van hen naar wie wordt verwezen in het vers:
Onder de mensen zijn er met een hoge rang die zichzelf volledig toewijden aan het zoeken van het welbehagen van Allah in ruil voor hun levens. Dit zijn de mensen voor wie Allah zeer Mededogend is (2:208). Hij dus, die het stadium van geestelijk leven bereikt, wordt geheel de zaak van Allah toegewijd. In dit vers zet de Almachtige God uiteen dat alleen hij wordt bevrijd van alle lijden die zijn leven verkoopt voor de zaak van Allah, in (66) ruil voor Zijn welbehagen, en zijn toewijding bewijst door zijn leven te geven. Hij is van mening dat hij tot leven is geroepen voor gehoorzaamheid aan Zijn Schepper en voor de dienst aan zijn medemensen. Hij beoefent alle deugden, die met elk van zijn vermogens verband houden met zulk een verlangen en oprechtheid, alsof hij zijn Ware Geliefde in de spiegel van zijn gehoorzaamheid aanschouwt. Zijn wil wordt vereenzelvigd met de wil van God en al zijn genoegen is gevestigd op zijn gehoorzaamheid aan God. Het oprechte gedrag dat hij toont wordt niet veroorzaakt door inspanning, maar door genoegen en welbehagen. Dit is het paradijs dat aan een geestelijk persoon in dit leven wordt geschonken. Het paradijs dat in het hiernamaals wordt geschonken zou een weerspiegeling zijn van dit paradijs dat, door de Goddelijke kracht, zich op een materiële wijze zal manifesteren. Hiernaar wordt in de volgende verzen verwezen:
Voor hem die vreest voor zijn Heer te staan en ontzag heeft voor Zijn Grootheid en Majesteit zijn er twee tuinen, een in deze wereld en de andere in het hiernamaals (55:47). Hen die God geheel zijn toegewijd zal een drank worden gegeven die hun harten, hun gedachten en hun plannen zal zuiveren (76:22). De deugdzamen zal een drank die wordt gemengd met kamfer worden gegeven uit een bron waaruit de dienaren van Allah drinken. Zij doen deze stromen door hun eigen inspanningen (76:67). (67)

terug naar de Inhoud

De betekenis van dranken die zijn bereid uit kamfer en gember
Wij hebben reeds uitgelegd dat het woord "Kafoer" in dit vers is gebruikt om deze reden dat het Arabische woord "Kafara" onderdrukken en verbergen betekent. Dit is een aanwijzing dat deze mensen de beker van het zich afsnijden van de wereld en het zich wenden tot God met zulke oprechtheid hebben leeggedronken, dat hun liefde voor de wereld zeer koel is geworden. Het is welbekend dat alle hartstochten uit het hart voortkomen en als het hart zich geheel onthoudt van alle onwenselijke fantasieën en er in het geheel nooit meer op terugkomt deze hartstochten beginnen af te nemen, tot zij geheel en al verdwijnen. Dit is wat in dit vers wordt uitgedrukt, dat wil zeggen, dat zulke mensen zich ver verwijderen van de hartstochten van het innerlijk en zó volledig tot God neigen, dat hun harten koel voor wereldse bezigheden worden en dat hun hartstochten worden onderdrukt zoals kamfer vergif onderdrukt. Dan wordt gezegd:
Hen wordt daarin uit een beker te drinken gegeven waarin gember is gemengd (76:18-19). Het Arabische woord voor gember (zanjabil) is een samenstelling van "zana" en "jabal". "Zana" betekent in het Arabische idioom "opstijgen" en "jabal" betekent "een berg". "Zanajabal" betekent dus: Hij beklimt de berg. Men moet bedenken dat nadat iemand herstelt van een vergiftiging, hij twee stadia doormaakt alvorens hij zijn volledige gezondheid en kracht herkrijgt. Het eerste stadium is dat de giftige stof volledig wordt overwonnen en dat gevaarlijke neigingen uit de weg worden geruimd en giftige situaties veilig worden afgewend en de noodlottige aanval volledig wordt onderdrukt, maar de ledematen nog zwak zijn, de kracht ontbreekt en de patiënt vermoeid loopt. Het tweede stadium is dat de patiënt zijn volledige gezondheid herkrijgt en zijn lichaam volledige kracht krijgt en hij het gevoel heeft dat hij bergen kan beklimmen en tegen heuvels op kan rennen. Deze toestand wordt bereikt in het derde stadium, ten aanzien waarvan de Almachtige God heeft gezegd, dat goddelijke mensen van de hoogste graad uit bekers drinken die met gember op smaak zijn gebracht, dat wil zeggen dat als zij de volledige kracht van hun geestelijke toestand bereiken, zij hoge bergen kunnen beklimmen. Dit betekent dat zij grote plannen tot uitvoering kunnen brengen en zich grote opofferingen kunnen getroosten voor de zaak van God. (68)

terug naar de Inhoud

De uitwerking van gember
Men moet bedenken dat één van de eigenschappen van gember is dat deze het (fysieke) stelsel versterkt dysenterie verlicht en een opwarmend effect heeft, zodat men als het ware in staat wordt om een berg te beklimmen. Door kamfer en gember naast elkaar te plaatsen wordt beoogd mede te delen, dat als iemand van een toestand van ondergeschiktheid aan zijn hartstochten gaat naar deugd, de eerste reactie is dat de werking van giftige stoffen ten gevolge waarvan hij lijdt, wordt onderdrukt en de opwelling van hartstochten begint af te nemen, zoals kamfer de werking van giftige stoffen onderdrukt. Daarom wordt deze nuttig geacht bij de behandeling van cholera en tyfus. Als de werking van de giftige stoffen volledig is onderdrukt en de patiënt in zulk een mate zijn gezondheid herkrijgt dat hij zich nog zwak voelt, is het tweede stadium dat hij kracht ontleent aan een drank die op smaak is gebracht met gember. In geestelijke termen is deze drank de manifestatie van goddelijke schoonheid, welke de voeding van de ziel is. Als hij aan deze manifestatie kracht ontleent, wordt hij in staat gesteld om hoge bergen te beklimmen, dat wil zeggen, hij verricht voor de zaak van God zulke verbazingwekkend moeilijke daden die niemand wiens hart niet is geïnspireerd door de warmte van liefde, kan verrichten. In deze verzen heeft de Almachtige God twee Arabische woorden gebruikt om deze twee toestanden te illustreren, het ene woord is kamfer dat "onderdrukking" betekent en het andere woord is gember dat "klimmen" betekent. Dit zijn de twee toestanden die de zoekers naar God ontmoeten:
Wij hebben kettingen en halsbanden en een laaiend vuur bereid voor de ongelovigen (76:5).
Dit betekent dat voor hen die de waarheid verwerpen en er niet toe neigen deze te aanvaarden, God kettingen en halsbanden en een laaiend vuur heeft bereid. De betekenis is dat zij die God niet met een zuiver hart zoeken een ernstige terugslag zullen krijgen. Zij zijn zozeer verwikkeld in wereldse aangelegenheden alsof hun voeten met kettingen zijn verankerd en zij buigen zich zozeer neder voor wereldse bezigheden alsof zich halsbanden om hun nekken bevinden, die het hun niet toestaan hun ogen naar de hemel op te heffen. Zij hebben een brandend verlangen naar de dingen van de wereld: bezit, gezag, overheersing, rijkdom enz. Omdat de Almachtige God hen aantreft in een onwaardige toestand terwijl zij zich overgeven aan onwenselijke bezigheden, doet Hij hen deze drie (69) soorten van lijden ondergaan. Dit is een aanwijzing dat iedere menselijke daad wordt gevolgd door een overeenkomstige daad van de kant van God. Als bijvoorbeeld iemand alle deuren en ramen van zijn kamer sluit, wordt zijn daad gevolgd door een Goddelijke actie waardoor de kamer donker wordt. Alle onvermijdelijke gevolgen van onze acties die door de Almachtige God zijn vastgesteld krachtens de natuurwet, zijn alle acties van God aangezien Hij de oorzaak van de oorzaken is. Bijvoorbeeld als iemand gif inneemt, zal zijn daad worden gevolgd door de Goddelijke actie dat hij de dood zal ondergaan. Op gelijke wijze zal als iemand op een ongepaste wijze handelt en daardoor een besmettelijke ziekte aantrekt, zijn daad worden gevolgd door de goddelijke actie dat hij deze ziekte krijgt. Omdat wij dus duidelijk waarnemen dat in ons wereldse leven er voor iedere daad van ons een onvermijdelijk gevolg is en dat gevolg de actie is van de Almachtige God, is dezelfde wet ook werkzaam in godsdienstige aangelegenheden. Er wordt bijvoorbeeld gezegd:
Dit betekent dat als gevolg van het ten volle streven van iemand bij het zoeken naar God, de onvermijdelijke actie van God is dat Hij hem leidt langs de wegen die naar Hem voeren (29:70).
In tegenstelling hiermee wordt gezegd:
Toen zij afweken van het rechte pad en het rechte pad niet wensten te bewandelen, volgde de Goddelijke actie dat hun harten verdorven werden (61:6). Om dit nog duidelijker te illustreren wordt gezegd:
Hij die blind blijft in dit leven zal ook in het hiernamaals blind zijn, en zal zelfs verder zijn afgedwaald (17:73). Dit is een aanwijzing dat de deugdzamen God reeds in dit leven zien en hun Ware Geliefde in deze wereld aanschouwen. De strekking van dit vers is dat de basis van het hemelse leven reeds in deze wereld wordt gelegd en dat de wortel van de blindheid der hel ook wordt gevormd door het verachtelijke en blinde leven van deze wereld. Dan wordt gezegd: (70)
Geef blijde tijdingen aan hen die geloven en rechtvaardig handelen dat er voor hen tuinen zijn, waardoor rivieren stromen (2:26).
In dit vers heeft de Almachtige God het geloof beschreven als een tuin waardoor rivieren stromen en Hij heeft dus aangegeven dat geloof verband houdt met rechtvaardige daden, zoals een tuin verband houdt met het water van de rivier of de stroom. Zoals een tuin niet kan bloeien zonder water, zo kan geloof niet overleven zonder rechtvaardige daden. Als er geloof is, maar geen rechtvaardige daden, is het geloof vergeefs en als er daden zijn, maar geen geloof, zijn de daden louter vertoon. De werkelijkheid van het Islamitische paradijs is dat dit een afspiegeling is van het geloof en de daden van iemand in dit leven en niet iets dat iemand van buitenaf zal worden geschonken. Het paradijs van iemand wordt binnenin hem ontwikkeld en het paradijs van iedereen wordt gevormd door zijn geloof en zijn rechtschapen daden. De verrukking hiervan kan men reeds in dit leven beginnen te proeven en men neemt dan de verborgen tuinen en stromen van geloof en rechtschapen daden waar die zich in het hiernamaals concreet zullen manifesteren. De heilige leer van God onderwijst ons dat een zuiver, volmaakt en vast geloof in God, Zijn eigenschappen en Zijn plannen, een mooie tuin is met vruchtbomen en dat de rechtschapen daden de stromen zijn die de tuin irrigeren. De Heilige Qor'aan zegt:
Dit betekent dat een woord van geloof dat vrij is van ieder uiterste en gebrek, en iedere onwaarheid en ijdelheid en op iedere manier volmaakt is, als een boom is die vrij is van ieder gebrek en waarvan de wortel zich stevig in de grond heeft vastgezet en de takken tot in de hemel reiken. Hij brengt te allen tijde zijn fruit voort en nooit zijn zijn takken zonder fruit (14:25-26). Men zal dus zien dat de Almachtige God een woord van geloof heeft beschreven als een boom die op alle tijden vrucht draagt, en Hij heeft drie van zijn karakteristieken uiteengezet. De eerste is dat zijn wortel, dat wil zeggen zijn ware betekenis, zich stevig in de aarde moet hebben vastgezet. Dit betekent dat zijn waarheid en werkelijkheid voor de (71) menselijke natuur en het menselijke geweten aanvaardbaar moeten zijn. De tweede karakteristiek is dat zijn takken tot in de hemel moeten reiken. Dit betekent dat het woord moet worden ondersteund door de rede en in overeenstemming moet zijn met de hemelse natuurwet die het werk van God is. Met andere woorden, de natuurwet moet argumenten verschaffen die zijn juistheid en waarheid steunen en deze argumenten moeten buiten het bereik van kritiek staan. De derde karakteristiek moet zijn dat zijn fruit permanent en onbeperkt moet zijn dat wil zeggen dat de zegeningen en de gevolgen van het ernaar handelen zich in alle tijden moeten blijven manifesteren en niet na een bepaalde periode moeten ophouden zich te manifesteren. Dan wordt gezegd:
Het geval van een slecht woord is als dat van een slechte boom die uit de aarde is ontworteld en niet meer stabiel is (14:27).
Dit betekent dat de menselijke natuur het verwerpt, het geen ingang kan vinden door rede, de natuurwet of het menselijke geweten. Het heeft niet méér stabiliteit dan een nutteloos verhaal evenals de Heilige Qor'aan heeft gezegd dat de bomen van waar geloof in het hiernamaals als druiven, granaatappels en andere goede vruchten zullen lijken, zo wordt op gelijke wijze de slechte boom van ongeloof "Zaqqum" genoemd, zoals wordt gezegd:
Zijn de tuinen van het paradijs een beter onthaal, of de boom van Zaqqum die Wij een middel van beproeving hebben doen zijn voor de overtreders? Het is een boom die ontspringt uit de wortel der hel dat wil zeggen, hij groeit uit arrogantie en zelfachting. Zijn vruchten zijn als het ware de (72) hoofden van Satan, hetgeen betekent dat hij die deze eet zal worden vernietigd (37:63-66). Dan wordt gezegd:
De boom van Zaqqum is het voedsel van hen die weloverwogen zondig zijn. Het zal in hun buiken koken als gesmolten koper (44:44-47). De zondaar zal worden bevolen:
Ondergaat nu dit, gij die uzelf machtig en edel achtte (144.50).
Dit is een uitdrukking van toorn die betekent dat als hij niet arrogant zou zijn geweest en zich niet uit trots en een verkeerd begrip van zijn waardigheid zou hebben afgewend van de waarheid hij niet op deze wijze zou hebben moeten lijden. Dit vers geeft aan dat het woord "Zaqqum" is samengesteld uit "Zuq" dat "proef het" betekent en "am" dat wordt gevormd door de eerste en de laatste letters van het resterende gedeelte van het vers:
De Almachtige God heeft dus de woorden van geloof die in dit leven worden geuit omschreven als de bomen van het paradijs. Op gelijke wijze heeft Hij de woorden van ongeloof die in dit leven worden geuit omschreven als de boom van de hel, die Hij "Zaqqum" heeft genoemd en dus aangegeven dat de basis van het paradijs en de hel in dit leven wordt gelegd. Op een andere plaats wordt de hel beschreven als:
Dit betekent dat de hel een vuur is waarvan de bron de toorn van God is en die wordt ontstoken door zonde en het hart overstelpt (104:7-8). Dit is een aanwijzing dat aan de basis van dit vuur de smarten, droefheid en kwellingen staan die het hart bezoeken. Alle geestelijke kwellingen ontstaan in het hart en omvatten vervolgens het gehele lichaam. Op een andere plaats wordt gezegd:
Dit betekent dat de brandstof van het vuur van de hel, die deze gloeiend houdt, van twee soorten is. De ene soort zijn die mensen die zich van God afwenden en andere dingen aanbidden of die verlangen dat zij zelf worden aanbeden, zoals wordt gezegd: (Arabische tekst) (73)
hetgeen betekent dat valse godheden en hun aanbidders allen in de hel zullen worden geworpen. De tweede soort brandstof van de hel zijn de afgoden. Als er geen valse goden of afgoden, noch aanbidders hiervan zouden zijn geweest, zou er geen hel zijn geweest (2:25, 21:99). Al deze verzen tonen aan dat in het Heilige woord van God hemel en hel niet als de materiële wereld zijn. Hun bron is geestelijk, hoewel het waar is dat zij in het hiernamaals concrete vormen zullen aannemen en toch niet tot deze wereld zullen behoren.

terug naar de Inhoud

Middelen voor het vestigen van een volmaakte geestelijke band met God
De methode om een volmaakte geestelijke band niet God tot stand te brengen die de Heilige Qor'aan ons leert is de Islam, hetgeen betekent dat men zijn gehele leven wijdt aan de zaak van God en zich bezighoudt met de smekingen die ons zijn geleerd in Surah Fatiha. Dit is de essentie van de Islam.
Een volledige overgave aan God en de smeekbeden die ons zijn geleerd in Surah Fatiha zijn de enige methoden om God te ontmoeten en het water van ware redding te drinken. Dit is de enige methode die de natuurwet heeft aangewezen voor de hoogste verheffing van de mens en voor zijn ontmoeting met het goddelijke. Zij alleen vinden God die het geestelijke vuur van de Islam binnentreden en bezig blijven met de smekingen die zijn uiteengezet in Surah Fatiha. Islam is het laaiende vuur dat ons leven verbrandt en onze valse godheden verteert en de opoffering van ons leven, ons bezit en onze eer aanbiedt aan onze Heilige God. Als we erin binnentreden, drinken we het water van een nieuw leven en brengen al onze geestelijke vermogens zulk een band met God tot stand als bestaat tussen verwanten. Een vuur ontspringt aan ons innerlijk zoals de bliksem en nog een vuur daalt van boven op ons neer. Door de ontmoeting van deze twee vlammen worden al onze hartstochten en onze liefde voor iets buiten God volkomen verteerd en sterven wij ten opzichte van ons vorige leven. Deze toestand wordt in de Heilige Qor'aan Islam genoemd. Door onze volledige overgave aan de wil van God worden onze hartstochten gedood en door smekingen verkrijgen wij een nieuw leven. Dit tweede leven wordt gekenmerkt door het ontvangen van openbaring. Het bereiken van dit stadium wordt uitgelegd als het ontmoeten van God, met andere woorden, het aanschouwen van God. In dit stadium brengt iemand een band met God tot stand krachtens welke hij wordt alsof hij God (74) aanschouwde, en wordt hij bekleed met macht en worden al zijn zintuigen en zijn innerlijke vermogens verlicht en voelt hij de sterke trekkracht van een heilig leven. In dit stadium wordt God zijn oog waarmee hij ziet en wordt zijn tong waarmee hij spreekt en wordt zijn hand waarmee hij zijn vijand aanvalt en wordt zijn oor waarmee hij hoort en wordt zijn voeten waarmee hij loopt. Naar dit stadium wordt verwezen in het vers:
Allah's hand is boven hun handen (48:11).
Op dezelfde wijze wordt gezegd:
Gij waart het niet die wierp, maar het was Allah Die wierp (8:18).
Kortom, in dit stadium is er een volmaakte vereniging met God en Zijn heilige wil dringt grondig in de ziel door en de morele kracht die vroeger zwak was, neemt een grote vorm aan en rede en verstand worden tot het uiterste gescherpt. Dit is de betekenis van het vers:
Hij heeft hen gesterkt met Zijn geest (58:23).
In dit stadium wellen de stromen van liefde en toewijding tot Hem op een zodanige wijze op dat het sterven voor de zaak van God en het verdragen van duizenden kwellingen voor Zijn zaak en het op Zijn weg te schande worden gemaakt, even gemakkelijk wordt als het breken van een strootje. Men wordt tot God getrokken zonder te weten wie trekt. Men wordt gedragen door een verborgen hand en het zich onderwerpen aan de wil van God wordt het doel van het leven. In dit stadium verschijnt God zeer nabij, zoals Hij heeft gezegd:
Wij zijn dichter bij hem dan zijn halsader (50:17).
In die toestand vallen de lagere verwantschappen van iemand van hem weg, zoals rijp fruit vanzelf uit de takken van een boom valt. Zijn verwantschap met God verdiept zich en hij trekt zich ver terug van alle schepping en wordt geëerd met het woord en het spreken van God. De toegangsdeuren tot dit stadium (75) staan vandaag even ver open als wanneer dan ook het geval was en de goddelijke genade schenkt deze gave nog steeds aan hen die deze zoeken, zoals Hij dit tevoren deed. Maar dit wordt niet bereikt door louter oefening van de tong, en deze deur wordt niet geopend door ijdel gepraat en gepoch. Er zijn velen die zoeken, maar er zijn weinigen die vinden. Waarom is dit zo? Dit komt omdat dit stadium ware ijver en ware opoffering verlangt. Louter woorden betekenen in dit verband niets. Met geloof afstappen op het vuur waarvan andere mensen weglopen, is het eerste vereiste van dit pad. Gepoch baat niet, wat nodig is, is praktische ijver en ernst. In dit verband heeft God, de Glorierijke, gezegd:
Als Mijn dienaren u over Mij vragen, zeg hen: Ik ben nabij, Ik beantwoord de roep van de smekeling als hij Mij aanroept. Zo moeten zij Mij door hun smekingen zoeken en een vast geloof in Mij hebben, opdat zij rechtgeleid mogen worden (2:187). (76)

terug naar de Inhoud


TWEEDE VRAAG

Wat is de toestand van de mens na de dood?
De toestand van de mens na de dood is geen nieuwe toestand, slechts zijn toestand in dit leven manifesteert zich in het volgende leven duidelijker. Wat ook de ware toestand van iemand is met betrekking tot zijn geloof en daden in dit leven, rechtschapen of anderszins, deze blijft binnenin hem verborgen en zijn gif of zijn tegengif beïnvloeden zijn wezen heimelijk.
In het leven na de dood zal dit niet zo zijn, alles zal zich openlijk manifesteren. Een voorbeeld hiervan ervaart men in een droom. De overheersende toestand van het lichaam van degene die slaapt, manifesteert zich in zijn droom. Als hij hoge koorts gaat krijgen, zal hij waarschijnlijk vuur en vlammen in zijn droom zien en als hij ziek wordt ten gevolge van griep of een ernstige verkoudheid, zal hij zich waarschijnlijk in water zien ronddrijven. Wat het lichaam dus ook staat te gebeuren wordt zichtbaar in een droom. Men kan dus begrijpen dat hetzelfde de manier van God is met betrekking tot het leven na de dood. Zoals een droom onze geestelijke toestand verandert in een fysieke vorm, zo zal hetzelfde gebeuren in het volgende leven. Onze daden en hun gevolgen zullen in het volgende leven op materiële wijze worden gemanifesteerd en wat wij ook verborgen binnenin ons meedragen uit dit leven, dit alles zal openlijk op ons gelaat in het volgende leven tot uitdrukking komen.
Zoals iemand in zijn dromen verschillende soorten manifestaties waarneemt, maar zich ervan niet bewust is dat dit slechts manifestaties zijn en ze werkelijkheid acht, zo zal hetzelfde gebeuren in het volgende leven. Door die manifestaties zal God een nieuwe kracht tonen, een kracht die volmaakt is, volledig en absoluut, daar Hij de Almachtige is. Als wij de omstandigheden van het volgende leven niet manifestaties zouden noemen en zouden zeggen dat zij een nieuwe schepping door de Goddelijke kracht zijn, zou dat volkomen juist zijn. God heeft gezegd:
Niemand die deugdzaam is, weet welke gelukzaligheid voor hem verborgen is gehouden als beloning voor hetgeen hij placht te doen (32:18).
God heeft dus al deze gaven beschreven als verborgen, waarvan het gelijke in deze wereld niet is te vinden. Het is duidelijk dat de gaven van deze wereld niet voor ons verborgen zijn en wij zijn vertrouwd met met granaatappels, (79) druiven enz., die wij hier eten. Dit toont dat de gaven van het volgende leven iets anders zijn en niets gemeen hebben niet de gaven van dit leven, behalve de naam. Hij die de omstandigheden van het paradijs opvat als de omstandigheden van dit leven heeft niet het geringste begrip van de Heilige Qor'aan. Bij het interpreteren van het vers dat wij zojuist hebben geciteerd, heeft onze heer en meester, de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, gezegd dat de hemel en zijn gaven zó zijn, dat geen oog deze heeft gezien, noch een oor ze heeft gehoord, noch het verstand van de mens ze heeft begrepen, terwijl wij daarentegen de gaven van deze wereld zien, horen en er ook aan denken. Als nu God en Zijn Boodschapper deze gaven beschrijven als iets ongewoons. zouden we in alle opzichten afwijken van de Heilige Qor'aan als we ons zouden voorstellen dat ons in de hemel dezelfde melk zal worden gegeven die wij in dit leven hebben van koeien en buffels, alsof in de hemel kuddes melkvee zouden worden gehouden en er talrijke bijenkorven in de bomen van de hemel zouden zijn waaruit engelen honing zullen verzamelen en deze tot stromen zullen maken. Hebben deze opvattingen enige verwantschap met de leerstelling, die zegt dat van die gaven in deze wereld nooit is getuigd dat zij de zielen verlichten, ons begrip van God voeden en geestelijk voedsel verschaffen? Zij worden met materiële termen beschreven, maar ons wordt verteld dat hun bron de ziel en haar rechtschapenheid is. Laat niemand zich voorstellen dat het vers van de Heilige Qor'aan dat hieronder wordt geciteerd, aangeeft dat als de bewoners van het paradijs deze gaven waarnemen zij ze zullen herkennen omdat hen deze gaven vroeger ook werden gegeven, omdat Allah, de Glorierijke, heeft gezegd:
Geef blijde tijdingen aan hen die geloven en een volmaakte rechtschapenheid beoefenen dat zij tuinen zullen erven waardoor rivieren stromen. Wanneer hen hieruit vruchten zullen worden verstrekt, die zij reeds zullen hebben geproefd in het leven van de wereld, zullen zij uitroepen: Dit is wat ons eerder werd gegeven omdat zij zullen bemerken dat die vruchten lijken op de vruchten die zij reeds hebben geproefd (2:26). (80)
Men moet niet uit de bewoordingen van dit vers veronderstellen dat als de bewoners van het paradijs de gaven van het paradijs aanschouwen, zij tot de ontdekking zullen komen dat dit dezelfde gaven zijn die hen in hun vorige leven werden geschonken. Dit zou een grote vergissing zijn en zou strijdig zijn met de ware betekenis van het vers. Wat de Almachtige God hier heeft gezegd, is, dat zij die geloven en rechtschapenheid beoefenen een paradijs bouwen met hun eigen handen. De bomen hiervan zijn hun geloof en de stromen ervan zijn hun rechtschapen daden. In het hiernamaals zullen zij ook van de vruchten van dit paradijs eten, alleen zullen die vruchten zoeter en duidelijker zijn. Als zij die vruchten in geestelijke zin in deze wereld zullen hebben gegeten, zullen zij ze in de andere wereld herkennen en uitroepen: Dit blijken dezelfde vruchten te zijn die wij reeds hebben gegeten en zij zullen bemerken dat die vruchten lijken op de vruchten die zij eerder in deze wereld hadden gegeten.
Dit vers verkondigt duidelijk dat die mensen die in dit leven werden gevoed met de liefde van God, in het hiernamaals hetzelfde voedsel in materiële vorm zal worden gegeven. Omdat zij het genot van de liefde al in dit leven zullen hebben geproefd en zich hiervan bewust zullen zijn. zullen hun zielen zich de tijd herinneren dat zij hun Ware Geliefde plachten te gedenken op afgelegen plaatsen, in eenzaamheid en in de duisternis van de nacht en het genot ervan plachten te ervaren. In het kort, dit vers maakt geen gewag van materieel voedsel. Als iemand zou opmerken dat, aangezien de rechtschapenen dit geestelijke voedsel zou zijn gegeven in hun leven in deze wereld men niet zou kunnen zeggen dat het een gave was, welke niemand in de wereld heeft gezien en van welke niemand in de wereld heeft gehoord en welke door het verstand van de mens niet kon worden bevat, zou het antwoord zijn dat er hier geen tegenspraak is, omdat dit vers niet betekent dat de bewoners van het paradijs de gaven van deze wereld zouden worden gegeven. Wat hen ook wordt gegeven door het begrip van het Goddelijke, zijn de gaven van het hiernamaals, waarvan hen tevoren een voorbeeld wordt gegeven om hun begeerte te stimuleren. Men moet bedenken dat iemand die godvruchtige is, niet tot deze wereld behoort, en dat de wereld hem daarom haat. Hij behoort tot de hemel en hem worden hemelse gaven geschonken. Een man van de wereld worden wereldlijke gaven geschonken en een man van de hemel worden hemelse gaven geschonken. Het is dus juist dat die gaven zijn verborgen voor de oren, de harten en de ogen van de wereldse mensen, maar hij wiens wereldse leven de dood ondergaat en die te drinken wordt gegeven uit de geestelijke beker, uit welke hij in het hiernamaals in een materiële vorm zal drinken, zal zich (81) dan herinneren, dat hij hieraan heeft deelgehad in zijn vorige leven. Het is echter waar dat hij zal bedenken dat de ogen en de oren van de wereld hiervan niet op de hoogte zijn. Omdat hij in de wereld was, hoewel hij niet van de wereld was, zal hij ook getuigen dat de gaven van de hemel niet van de wereld zijn en dat hij in de wereld zulk een gave niet heeft gezien, noch zijn oor ervan heeft gehoord. noch zijn verstand dit bevatte. Hij zag een voorbeeld van die gaven van het hiernamaals, die niet van deze wereld waren. Zij waren een voorteken van de wereld die zou komen met welke hij verbonden was en zij hadden geen relatie met het leven van deze wereld.

terug naar de Inhoud

Drie opvattingen van de Heilige Qor'aan betreffende het hiernamaals
Men moet in gedachten houden dat de Heilige Qor'aan drie opvattingen heeft vermeld betreffende de omstandigheden van het leven na de dood, welke wij nu zullen uiteenzetten.

terug naar de Inhoud

De eerste opvatting
De Heilige Qor'aan heeft herhaaldelijk bevestigd dat het leven na de dood geen nieuw verschijnsel is en dat al zijn manifestaties afspiegelingen zijn van dit leven. Er wordt bijvoorbeeld gezegd:
De daden van iedere persoon hebben Wij stevig om zijn nek bevestigd en op de Dag des Oordeels zullen Wij ze openbaar maken en ze voor hem plaatsen in de vorm van een boek dat hij altijd opengeslagen zal vinden (17:14).
In dit vers is de uitdrukking "vogel" in overdrachtelijke zin gebruikt voor daden, omdat iedere daad, goed of slecht, als een vogel wegvliegt zodra deze is verricht en het werk of het genot dat eraan is verbonden ten einde komt en slechts haar zware of lichte afdruk in het hart wordt achtergelaten. De Heilige Qor'aan zet het principe uiteen dat iedere menselijke actie haar verborgen afdruk achterlaat op degene die deze verricht en een passende goddelijke reactie aantrekt die het kwade of de (82) deugd van die actie bewaart. Haar afdruk wordt in het hart, het gezicht, de ogen, de oren, de handen en de voeten van degene die de actie verricht, gegrift. Dit is de verborgen registratie die in het hiernamaals openbaar zal worden.
Betreffende de bewoners van de hemel wordt gezegd:
Op die dag zult gij het licht zien van de gelovige mannen en de gelovige vrouwen dat in deze wereld verborgen is dat duidelijk vóór hen en aan hun rechterhanden uitstraalt (57:13).
Op een andere plaats worden de overtreders toegesproken en wordt gezegd:
Het verlangen om wereldse bezittingen te doen toenemen, bedriegt u tot u de graven bereikt. Vestigt uw harten niet op de wereld. U zult weldra de ijdelheid van uw bezigheden te weten komen, nogmaals, u zult weldra te weten komen hoe verkeerd u bent in het volgen van de wereld. Als u de zekerheid van kennis had bezeten, zou u zeker de hel in dit leven zien. Maar u zult deze met de zekerheid van het zien, zien in uw tussentoestand (Barzakh). Dan zult u ter verantwoording worden geroepen op de Dag des Oordeels en zal de kwelling over u komen en zult u de hel kennen door uw ondervinding (102:29).

terug naar de Inhoud

Drie soorten kennis
In deze verzen heeft de Almachtige God uiteengezet dat voor de slechten het leven van de hel op een bedekte manier reeds in deze wereld begint en dat zij als zij zouden nadenken de hel reeds in dit leven zouden waarnemen. Hier heeft de Almachtige God drie soorten kennis aangegeven, namelijk kennis door de zekerheid van de rede, kennis door (83) de zekerheid van het aanschouwen en kennis door de zekerheid van ervaring. Dit zou aldus kunnen worden geïllustreerd: Als iemand op een afstand rook waarneemt, zegt zijn verstand hem dat rook en vuur onafscheidelijk zijn en er daarom waar rook is ook vuur moet zijn. Dit zou de kennis door de zekerheid van de rede zijn. Als hij dan dichterbij komt, ziet hij de vlammen van het vuur en dit is de kennis door de zekerheid van het aanschouwen. Als hij het vuur zou ingaan, zou dit de kennis door de zekerheid van ervaring zijn. In deze verzen zegt de Almachtige God dat de kennis van het bestaan van de hel als zekerheid in dit leven kan worden verkregen door de rede, de kennis door de zekerheid van het aanschouwen zal worden verkregen in ?Barzakh?, de tussentoestand tussen de dood en het oordeel, en op de Dag des Oordeels zou die kennis een zekerheid door ervaring worden.

terug naar de Inhoud

Drie toestanden
In dit stadium kan worden uitgelegd dat er volgens de Heilige Qor'aan drie toestanden van het bestaan zijn. De eerste is de wereld die de eerste schepping wordt genoemd en die de toestand van inspanning is. In deze wereld verricht de mens het goede of het kwade. Na de herrijzenis zullen de deugdzamen vooruitgang in goedheid blijven maken, maar dit zal zo zijn door louter de genade van God en niet het gevolg zijn van enige inspanning door de mens.
De tweede toestand is de tussentoestand die "Barzakh" wordt genoemd. In het Arabische idioom is "barzakh" iets dat tussen twee andere dingen ligt. Omdat die toestand tussen de eerste schepping en de wederopstanding ligt, wordt deze "Barzakh" genoemd. Deze uitdrukking is altijd voor de tussentoestand gebezigd. Zij bevat dus een belangrijke verborgen getuigenis ter ondersteuning van het bestaan van de tussentoestand. Ik heb in mijn boek "Minan-ur-Rahman" vastgesteld dat de woorden van het Arabisch zijn voortgekomen uit de mond van God en dat dit de enige taal is die de taal is van de Allerheiligste God en de oudste taal is en de bron is van alle soorten kennis en de moeder is van alle talen en de eerste en de laatste troon is van goddelijke openbaring. Zij is de eerste troon van goddelijke openbaring omdat Arabisch de taal van God was die sinds het begin bij God was. Toen werd die taal aan de wereld overgeleverd en de mensen zetten haar om in hun respectieve talen. Zij is de laatste troon van (84) goddelijke openbaring aangezien het laatste boek van God dat de Heilige Qor'aan is, in het Arabisch werd geopenbaard. "Barzakh" is een Arabisch woord dat is samengesteld uit "barra" en "zakha", hetgeen betekent dat de manier van het verdienen door daden is geëindigd en is overgegaan in een verborgen toestand. Barzakh is een toestand waarin de sterfelijke toestand van de mens ophoudt en de ziel en het lichaam worden gescheiden. Het lichaam wordt in een kuil begraven en de ziel geraakt ook in een soort kuil, hetgeen wordt aangeduid met de uitdrukking "zakha", omdat zij niet langer in staat is om goed of kwaad te verdienen, hetgeen zij alleen kon doen door haar verhouding met het lichaam. Het is duidelijk dat de gezondheid van de ziel afhankelijk is van de gezondheid van het lichaam. Letsel dat wordt toegebracht aan een deel van iemands hersenen veroorzaakt geheugenverlies, en letsel dat aan een ander deel wordt toegebracht, verwoest het vermogen tot nadenken en veroorzaakt bewusteloosheid. Evenzo kan een samentrekking van de hersenspier of een zwelling, bloeding of toestand van ziekte, door het veroorzaken van een belemmering, leiden tot ongevoeligheid, epilepsie of een beroerte. Onze ervaring leert ons dus beslist dat de ziel, gescheiden van het lichaam, volstrekt nutteloos is. Het is volkomen nutteloos zich voor te stellen dat onze ziel gescheiden van haar lichaam enige soort van gelukzaligheid kan genieten. Wij kunnen zulk een fantasie koesteren, maar de rede steunt dit niet. Wij kunnen niet bevatten dat onze ziel, die door geringe stoornissen van het lichaam hulpeloos wordt, in een volmaakte toestand zou kunnen verdergaan als haar verhouding met het lichaam geheel wordt beëindigd. Leert onze dagelijkse ervaring ons niet dat de gezondheid van het lichaam essentieel is voor de gezondheid van de ziel? Als één van ons een zeer hoge leeftijd bereikt, vervalt zijn ziel ook tot zwakte. Haar opslag van kennis wordt door een hoge leeftijd gestolen, zoals door God, de Glorierijke, wordt gezegd: (Arabische tekst)
dat men op hoge leeftijd een stadium bereikt waarin men, na veel kennis te hebben verkregen, deze geheel verliest (22:6). Al deze waarnemingen van ons vormen voldoende bewijs dat de ziel zonder lichaam niets te betekenen heeft. Dit wordt versterkt door de gedachte dat als de ziel zonder lichaam wel iets zou betekenen, het voor de Almachtige God geen bedoeling zou hebben gehad om een verwantschap tussen haar en een sterfelijk lichaam te creëren. Het is verder belangrijk op te merken dat de Almachtige God de (85) mens heeft geschapen voor een onbeperkte vooruitgang. Als dan de ziel niet in staat is zonder het gezelschap van het lichaam de vooruitgang te maken die in dit korte leven mogelijk is, hoe kunnen wij dan verwachten dat zij uit zichzelf, zonder het gezelschap van het lichaam, een onbeperkte vooruitgang in het hiernamaals zou kunnen maken. Dit alles toont dat het volgens de Islamitische principes voor het volmaakt fungeren van de ziel noodzakelijk is om te allen tijde het gezelschap te hebben van een lichaam. Bij de dood vertrekt de ziel uit dit sterfelijke lichaam, maar in de tussentoestand wordt iedere ziel bekleed met een lichaam ten einde haar in staat te stellen te reageren op de omstandigheden, die in die toestand heersen. Dat lichaam is niet als dit fysieke lichaam, maar is bereid uit licht of uit duisternis, in overeenstemming met de kwaliteit van de daden die iemand in dit leven heeft verricht, alsof de daden van iemand als een lichaam voor de ziel dienen in die toestand.
In het Woord van God wordt herhaaldelijk genoemd dat sommige lichamen licht en sommige donker zullen zijn. Zij zullen worden bereid uit het licht of uit de duisternis van de menselijke daden. Dit is een prachtig mysterie, maar het spreekt de rede niet tegen. Een volmaakt menselijk wezen kan reeds in dit leven een verlicht lichaam bezitten en er zijn vele voorbeelden hiervan die worden ervaren tijdens een visioen. Dit moge moeilijk te begrijpen zijn door iemand van gemiddelde intelligentie, maar zij die enige ervaring hebben met de toestand van visioenen, zullen zo'n lichaam dat is bereid uit menselijke daden niet beschouwen als een verrassing en een onwaarschijnlijkheid, maar zullen dit verschijnsel zeker naar waarde beoordelen. Kortom, dit lichaam dat wordt verkregen in overeenstemming met de toestand van iemands daden, wordt een bron van de beloning van goed en kwaad in de tussentoestand. Ik heb hiermee ervaring. Ik heb dikwijls in een toestand dat ik volledig wakker was de ervaring gehad van een ontmoeting met sommige personen die reeds waren gestorven en ik zag dat de lichamen van sommige boosdoeners en hen die misleid waren zó donker waren alsof ze waren gemaakt van rook. In het kort, ik ben persoonlijk bekend met deze zaken en ik bevestig nadrukkelijk dat, zoals de Almachtige God heeft gezegd, iedereen na de dood wordt bekleed met een lichaam dat òf licht of donker is. Het zou een vergissing van de kant van de mens zijn om te trachten deze mooie inzichten te bevestigen door het louter beoefenen van de rede. Men moet beseffen dat zoals het oog niet de smaak van iets zoets kan ontdekken, noch de tong iets kan waarnemen, op dezelfde wijze de kennis van het leven na de dood die alleen kan worden verkregen door volmaakte visioenen, niet volledig kan worden (86) verklaard op basis van de rede. De Almachtige God heeft verschillende middelen aangewezen voor het in deze wereld verkrijgen van kennis van hetgeen onbekend is. Het is daarom noodzakelijk om alles met zijn gepaste middelen te zoeken. Alleen dan kan dit worden ontdekt.
Nog een punt dat men in gedachten moet houden is dat God in Zijn Woord die mensen die zijn verwikkeld in verdorvenheid en dwaling als dood heeft omschreven en deugdzamen als levend heeft verklaard. De reden hiervoor is dat de functies van de levens van hen die sterven in een toestand van het veronachtzamen van God, bijvoorbeeld eten, drinken en het toegeven aan hun hartstochten, worden afgesneden, en zij hebben geen deel aan het geestelijke onderhoud. Zij zijn waarlijk dood en zullen slechts weer tot leven worden geroepen ter bestraffing, zoals God, de Glorierijke, heeft gezegd:
Het aandeel van hem die tot zijn Heer komt als zondaar, is de hel, hij zal daarin noch sterven, noch leven (20:75). Maar hen die God bemint, sterven niet bij hun fysieke dood, want zij dragen hun onderhoud bij zich.
Na Barzakh is er de toestand van wederopstanding. In die toestand zal iedere ziel, goed of slecht, rechtschapen of ongehoorzaam, een zichtbaar lichaam worden geschonken. Die dag is aangewezen voor de volmaakte manifestatie van God, als iedereen het Wezen van zijn Heer ten volle zal kennen, en als iedereen het toppunt van zijn beloning zal bereiken. Dit moet geen verrassing zijn, want God heeft alle macht en doet wat Hij wil, zoals Hij heeft gezegd: (87)
Weet de mens niet dat Wij hem hebben geschapen uit niets anders dan een druppel sperma die in de baarmoeder wordt ingebracht? Vervolgens wordt hij een volhardende redetwister. Hij vergeet het proces van zijn eigen schepping, maar heeft veel over Ons te zeggen. Hij vraagt: Hoe zal iemand weer tot leven komen als zelfs zijn beenderen zijn vergaan? Wie heeft de macht hem weer tot leven te roepen? Zeg hem:
Hij, Die hen de eerste maal schiep, zal hen doen herleven. Hij kent iedere soort schepping goed (36:78-80). Zijn macht is zo dat als Hij iets besluit, Hij hieromtrent zegt: Wees en het wordt. Heilig is dus Hij in Wiens hand het koninkrijk over alle dingen is. Tot Hem zult u allen worden teruggebracht (36:82-84).
In deze verzen heeft God, de Glorierijke, uiteengezet dat niets buiten Zijn macht is. Heeft Hij Die de mens uit een nietige druppel schiep niet de macht hem een tweede keer te scheppen? Iemand die onwetend is zou kunnen tegenwerpen dat aangezien de derde toestand die de toestand van de wederopstanding is, na een lange periode zal komen, de toestand van Barzakh slechts een soort opsluiting zou zijn voor de goeden en de slechten en dat dit geen doel zou dienen. Het antwoord is dat dit een misverstand is dat het gevolg is van gebrek aan kennis. In het Boek van God worden twee toestanden genoemd voor de beloning van de goeden en de slechten. Eén ervan is de toestand van Barzakh, waarin iedereen zijn beloning zal ontvangen op een bedekte wijze. De verdorvenen zullen de hel onmiddellijk bij de dood binnengaan en de deugdzamen zullen onmiddellijk na de dood vertroosting in de hemel vinden. In de Heilige Qor'aan zijn verscheidene verzen, die inhouden dat iedere persoon onmiddellijk bij zijn dood de beloning voor zijn daden zal krijgen. Betreffende iemand die rechtschapen is, wordt bijvoorbeeld gezegd:
Zijn Heer zei tot hem: Gaat gij het paradijs binnen (36:27)
en betreffende iemand die verdorven is wordt gezegd: (Arabische tekst)
Dit heeft betrekking op twee vrienden. Een van hen was toegelaten tot de hemel en de ander was veroordeeld tot de hel. Hij die toegelaten was tot de hemel, was verlangend te ontdekken waar zijn vriend was. Hem werd getoond dat zijn vriend in het midden van de hel was (37:56). Beloning en bestraffing beginnen dus onmiddellijk en zij die veroordeeld zijn tot de hel gaan naar de hel en zij die tot de hemel moeten worden toegelaten gaan (88) naar de hemel. Maar daarna is er een dag van grote manifestatie die is vastgesteld door de grote wijsheid van God. Hij schiep de mens zodat Hij zou worden herkend door Zijn scheppingskracht. Dan zal Hij alles vernietigen zodat Hij zou worden herkend door Zijn Opperheerschappij over alles en dan zal Hij iedereen verzamelen, nadat Hij hun een volmaakt leven heeft geschonken, zodat Hij zou worden herkend door Zijn Macht.

terug naar de Inhoud

De tweede opvatting
De tweede opvatting betreffende het leven na de dood die de Heilige Qor'aan heeft uiteengezet, is, dat in het hiernamaals alle geestelijke toestanden van deze wereld zich op fysieke wijze zullen manifesteren, zowel in de tussentoestand, als tijdens de wederopstanding. In dit verband is er het vers:
Hij die in dit leven blind voortgaat zal in het hiernamaals blind zijn en zal zelfs verder afgedwaald zijn (17:73).
Dit betekent dat de geestelijke blindheid van dit leven zich in het hiernamaals zal manifesteren en fysiek zal worden gevoeld. In nog een vers wordt gezegd:
Grijpt deze, die in de hel is, en legt een halsband rond zijn nek en verbrandt hem in de hel en bindt hem met een ketting vast waarvan de lengte zeventig armlengten bedraagt (69:3133).
Deze verzen tonen dat de geestelijke kwelling van deze wereld zich fysiek in het hiernamaals zal manifesteren. Bijvoorbeeld de halsband van wereldse eerzucht die zijn hoofd naar de aarde had gebogen, zal fysiek waarneembaar worden in het leven na de dood. Evenzo zal de ketting van wereldse bezigheden zichtbaar worden rond zijn voeten, en het vuur van wereldse verlangens zal in volle gloed verschijnen. Een verdorven persoon verbergt een gehele hel van wereldse hebzucht en verlangens in zichzelf en bemerkt de brandende (89) sensatie van deze hel ten tijde van zijn mislukkingen en teleurstellingen. Als hij dus wordt weggeworpen van zijn sterfelijke verlangens en de eeuwige wanhoop ondergaat, zal de Almachtige God zijn smart zich fysiek doen manifesteren in de vorm van vuur, zoals wordt gezegd:
Een hinderpaal zal worden geplaatst tussen hen en dat waarnaar zij verlangen, en dat zal de wortel van hun kwelling zijn (34:55).
De ketting van zeventig armlengten is een aanwijzing dat iemand die verdorven is vaak de leeftijd van zeventig jaar bereikt en soms, afgezien van zijn kinderjaren en zijn zeer hoge leeftijd, wordt hem een periode van zeventig jaren gegeven die hij op een verstandige wijze voor bezigheden zou kunnen aanwenden. Maar een ongelukkige besteedt deze zeventig jaren gevangen in de spiraal van wereldse bezigheden en verlangt niet hiervan vrij te zijn. Aldus bevestigt de Almachtige God in dit vers dat de zeventig jaren die zo iemand besteedt aan wereldse bezigheden zich in het hiernamaals zullen manifesteren als een ketting van zeventig armlengten, één armlengte voor ieder jaar. Men moet in dit verband onthouden dat de Almachtige God geen van Zijn schepselen ongeluk zijn deel doet worden uit Hemzelf. Hij confronteert iemand enkel met zijn eigen slechte daden. Op een andere plaats heeft Hij gezegd:
O gij die veracht zijt en gij dwalenden, begeeft u naar een schuilplaats die drie takken heeft, die noch schaduw verschaffen, noch beschermen tegen de vlam (77:31-32). De drie takken die hier zijn genoemd, stellen beestachtigheid barbaarsheid en een wilde verbeeldingskracht voor. In het geval van hen die deze vermogens niet ordenen en dus niet omzetten in morele eigenschappen, zullen zij zich in het hiernamaals manifesteren als drie takken van een boom die geen bladeren hebben en geen schaduw of bescherming tegen vuur kunnen verschaffen, zodat zulke mensen door het vuur zullen worden verteerd. In tegenstelling hiermee heeft de Almachtige God betreffende de bewoners van de hemel gezegd: (90)
Op die dag zult u het licht zien van de gelovige mannen en de gelovige vrouwen dat in deze wereld is verborgen gebleven, dat vóór hen uit gaat en aan hun rechterhanden (57:13)
en in een ander vers wordt gezegd:
Op die dag zullen sommige gezichten helder zijn en andere zullen donker zijn (3:107).
Een derde vers zet uiteen:
De Tuin die is beloofd aan de rechtschapenen is alsof deze rivieren heeft van water dat niet bederft en rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert, en rivieren van wijn die niet dronken maakt, een genot voor hen die drinken, en rivieren van zuivere honing die geen onzuiverheid bevat (47:16).
Hier wordt duidelijk uiteengezet dat men moet begrijpen dat de hemel in overdrachtelijke zin onuitputtelijke stromen van deze gaven bevat. Dit betekent dat het water van het leven dat iemand met een geestelijk begrip in dit leven drinkt, zich zichtbaar in het hiernamaals zal manifesteren. De geestelijke melk door welke hem in dit leven als een zuigeling kracht wordt gegeven, zal fysiek zichtbaar worden in de hemel. De wijn van Gods liefde die hem in dit leven in geestelijke zin aldoor dronken maakte, zal zich in de hemel manifesteren in de vorm van rivieren. De honing van de zoetheid van het geloof die iemand die een geestelijk begrip had in deze wereld in geestelijke zin innam, zal zich in de hemel op fysieke wijze manifesteren en zich doen gevoelen. Iedere bewoner van de hemel zal zijn geestelijke toestand openlijk verkondigen door middel van zijn tuinen en rivieren. God zal Zichzelf op die dag onthullen voor de bewoners van de hemel. Kortom, geestelijke toestanden zullen in het hiernamaals niet verborgen blijven, maar zullen fysiek zichtbaar en waarneembaar zijn. (91)

terug naar de Inhoud

De derde opvatting
De derde opvatting betreffende het hiernamaals is dat er daarin een onbeperkte vooruitgang zal zijn, zoals de Almachtige God heeft gezegd:
Het licht van de gelovigen zal vóór hen uit gaan en aan hun rechterhanden. Zij zullen smeken: Heer. volmaak ons licht voor ons en bedek ons met Uw genade. Zeker, Gij hebt macht over alle dingen (66:9).
Hun smeking dat hun licht moge worden vervolmaakt, is een aanwijzing van onbeperkte vooruitgang. Dit betekent dat als zij één stadium van verlichting zullen hebben bereikt, zij vóór hen uit een hoger stadium zullen waarnemen en als zij dit zien zullen zij het stadium waarin zij zich bevinden inferieur achten en zullen smeken het hogere stadium te bereiken. Als zij dat stadium bereiken, zullen zij een nog hoger, derde stadium, vóór hen uit waarnemen en zullen zij smeken om dat te bereiken. Hun smachten naar een voortdurende vooruitgang wordt dus weergegeven door de uitdrukking: Volmaakt Gij ons licht. Kortom, deze keten van vooruitgang zal voor onbepaalde tijd voortduren.
Er zal geen achteruitgang zijn, noch zullen zij uit de hemel worden verdreven, maar zullen dagelijks verdere vooruitgang maken. Men kan vragen dat als zij de hemel zullen zijn binnengegaan en al hun zonden zullen zijn vergeven, welke verdere noodzaak er dan bestaat om te smeken om vergiffenis. Het antwoord is dat de ware betekenis van "maghfirat" (het vragen om vergiffenis) het onderdrukken en bedekken is van een onvolmaakte of gebrekkige toestand. De bewoners van de hemel zullen dus het bereiken van volmaaktheid zoeken en hun volledige onderdompeling in licht. Als zij een hogere toestand waarnemen, zullen zij hun toestand als gebrekkig beschouwen en deze willen onderdrukken, en als zij dan een nog hogere toestand waarnemen, zullen zij verlangen dat hun lagere toestand zal worden bedekt, en aldus zullen zij voortdurend om een onbeperkte "maghfirat" vragen. Het vragen om "maghfirat" of "istighfar" wordt soms tot grondslag gemaakt van vijandige kritiek op de Heilige Profeet, moge de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn. Ik hoop dat het nu duidelijk is geworden dat het verlangen naar "maghfirat" een zaak van trots is voor de mens. Hij die uit een vrouw is geboren en niet "istighfar" tot zijn gewoonte maakt, is een stumper en geen (92) mens, hij is blind en ziet niet, hij is onrein en niet zuiver.
In het kort zijn volgens de Heilige Qor'aan de hel en de hemel beide afspiegelingen van het leven van de mens en zij zijn niet iets nieuws dat van buitenaf komt. Weliswaar zullen zij zich in het hiernamaals op een fysieke wijze manifesteren, maar zij zullen afspiegelingen zijn van de geestelijke toestanden van de mens in dit leven. Naar ons begrip bevat de hemel geen materiële bomen en is de hel niet vol met zwavel. Volgens de Islamitische leer zijn de hemel en de hel weerspiegelingen van de daden die iemand in dit leven verricht. (93)

terug naar de Inhoud


DERDE VRAAG

Het doel van het leven van de mens en de middelen om dit te bereiken
Verschillende mensen die kortzichtig zijn en een grote vastbeslotenheid ontberen, stellen verschillende doelen voor hun levens vast en beperken zich tot wereldse doelen en ambities. Maar het doel dat de Almachtige God in Zijn Heilige Woord voor de mens heeft vastgesteld is als volgt:
Ik heb de mens en de djinn geschapen, opdat zij Mij kennen en Mij aanbidden (51:57).
Het ware doel dus van het leven van de mens is de aanbidding van God, het Hem begrijpen en een volledige toewijding aan Hem. Het is duidelijk dat de mens niet in staat is om het doel van zijn eigen leven tast te stellen, want hij komt niet met eigen toestemming in de wereld noch zal hij eruit vertrekken uit eigen wil. Hij is een schepsel en Degene Die hem heeft geschapen en hem met betere en meer hoogstaande vermogens dan die van alle andere dieren heeft uitgerust, heeft ook een doel voor zijn leven vastgesteld of iemand hiertoe doordringt of niet, het doel van de schepping van de mens is zonder twijfel de aanbidding en het begrijpen van God en een volledige toewijding aan Hem. Op een andere plaats heeft de Almachtige God in de Heilige Qor'aan gezegd:
De godsdienst die een waar begrip van God verschaft en Zijn ware aanbidding voorschrijft, is de Islam (3:20). De Islam is eigen aan de natuur van de mens, en de mens is geschapen in overeenstemming met de Islam, dat is het altijddurende geloof (30:30-3l).
Dit betekent dat God heeft verlangd dat de mens zich met al zijn vermogens zou toewijden aan Zijn aanbidding, gehoorzaamheid en liefde. Daarom heeft Hij de mens alle vermogens geschonken die passend zijn voor de Islam. Deze verzen hebben een erg ruime betekenis. Een deel ervan hebben wij uiteengezet in het derde deel van het antwoord op de eerste vraag. Hier willen wij beknopt uiteenzetten dat het ware doel van de inwendige en de uitwendige (97) ledematen en vermogens die de mens zijn geschonken, het begrijpen van God, Zijn aanbidding en Zijn liefde is. Daarom vindt de mens niet, ondanks het feit dat hij zich in dit leven met verschillende plannen bezighoudt, zijn ware welzijn, behalve in God. Hij heeft grote rijkdom gehad, hij heeft een hoge functie bekleed hij is een groot koopman geworden, hij heeft een groot koninkrijk geregeerd, hij heeft bekend gestaan als een groot filosoof en tenslotte laat hij alle betrokkenheid hierbij met spijt achter zich. Zijn hart berispt hem voortdurend betreffende zijn volledig bezig zijn met wereldse aangelegenheden en zijn geweten keurt zijn listigheid, bedrog en ongeoorloofde activiteiten nooit goed. Een intelligente persoon kan dit probleem ook als volgt begrijpen, dat het doel van alles moet worden bepaald door zijn beste verrichting, en dat zijn vermogens hierbuiten niet kunnen werken. De hoogste functie van een os bijvoorbeeld is ploegen en werkzaamheden voor irrigatie of transport. Zijn vermogens lenen zich niet tot iets anders. Daarom is het doel van het leven van een os slechts deze drie zaken. Hij heeft geen macht om iets anders te doen. Maar als we naar de vermogens van de mens zien en trachten te ontdekken wat hun hoogste bereik is, zien we dat hij naar God, de Verhevene, zoekt. Hij verlangt er naar om God zó toegewijd te worden, dat hij niets voor zichzelf zou moeten houden en dat alles wat van hem is voor God zou moeten zijn. Met de andere dieren deelt hij zijn natuurlijke aandrang om te eten, te slapen enz. Wat vlijt betreft overtreffen sommige dieren hem aanzienlijk. Zo verzamelen de bijen het extract van verschillende soorten bloemen en produceren zulke voortreffelijke honing, dat de mens nog niet in staat is geweest om ze te evenaren. Het is daarom duidelijk dat het hoogste bereik van de vermogens van de mens het ontmoeten van God, de Verhevene, is. Het werkelijke doel van zijn leven is dus dat het raam van zijn hart zich naar God moet openen.

terug naar de Inhoud

Middelen om het doel van de mens te bereiken
Men kan vragen hoe dit doel kan worden bereikt en door welke middelen men God kan vinden. Het allereerste middel om dit doel te bereiken is de Almachtige God op een juiste wijze te herkennen en in de Ware God te geloven. Want als de allereerste stap niet juist is, als bijvoorbeeld iemand in een vogel, in een dier, in de elementen, of in de nakomeling van een menselijk wezen als God gelooft, kan er geen hoop zijn dat hij het rechte pad bewandelt in zijn verdere voortgang naar God. De Ware God helpt de (98) zoekers naar Hem, maar hoe kan een dode god de doden helpen? In dit verband heeft God de Glorierijke, een voortreffelijke illustratie gegeven:
Tot Hem alleen is het ware gebed, omdat Hij de macht heeft om alles te doen. Degenen die zij naast Hem aanroepen, antwoorden hen in het geheel niet. Hun zaak is als die van hem die zijn hand uitstrekt naar water opdat het zijn mond zal bereiken, maar deze niet bereikt. De gebeden van hen die zich niet bewust zijn van de Ware God zijn slechts een begoocheling (13:15).
Het tweede middel is te worden geïnformeerd over de volmaakte schoonheid van de Almachtige God, want het hart wordt op een natuurlijke wijze tot schoonheid aangetrokken en het waarnemen ervan wekt liefde op in het hart. De schoonheid van God is Zijn Eenheid, Zijn Grootheid, Zijn Majesteit en Zijn andere eigenschappen, zoals de Heilige Qor'aan heeft gezegd:
God is Een in Zijn wezen en Zijn eigenschappen en Zijn glorie. Hij heeft geen deelgenoot. Allen zijn van Hem afhankelijk. Hij schenkt leven aan ieder deeltje. Hij is de bron van genade voor alles en Hij heeft geen genade nodig van wie dan ook. Hij is noch een zoon, noch een vader, want Hij heeft geen gelijke en niemand is Hem gelijk (112:26).
De Qor'aan vestigt herhaaldelijk de aandacht op de grootheid en pracht van God en prent de gedachten van de mensen in dat alleen zulk een God het gewenste doel van het hart kan zijn en niet enig dood, zwak of machteloos wezen, of een wezen zonder mededogen.
Het derde middel om God te benaderen is kennis van Zijn weldadigheid, want schoonheid en weldadigheid zijn de twee aansporingen tot liefde. De weldadige eigenschappen van God worden in Surah Fatiha als volgt opgesomd: (Arabische tekst) (99)
Dat wil zeggen dat God Zijn dienaren uit volmaakte weldadigheid uit niets schept, en dat Zijn Voorzienigheid aldoor voor hen beschikbaar is. Hij is de steun voor alles en iedere soort van Zijn weldadigheid heeft zich voor Zijn schepselen gemanifesteerd (l:24). Zijn weldadigheid heeft geen beperking omdat Hij heeft gezegd:
Als u tracht de gaven van Allah te tellen, zult u niet in staat zijn ze te tellen (14:35).
Het vierde middel om het ware doel van het leven te bereiken en dat door de Almachtige God is aangewezen, is smeking, omdat Hij heeft gezegd:
Roep Mij aan. Ik zal u antwoorden (40:61).
Wij worden herhaaldelijk aangespoord om te smeken, zodat wij God zullen vinden, niet door onze kracht, maar door de kracht van God.
Het vijfde middel om het doel van het leven te bereiken, zoals dit door de Almachtige God is vastgesteld, is het streven voor Zijn zaak, dat wil zeggen dat wij God moeten zoeken door onze rijkdom voor Zijn zaak te besteden, door al onze vermogens te gebruiken ter bevordering van Zijn zaak door onze levens te geven voor Zijn zaak en door ons verstand te gebruiken voor Zijn zaak, zoals Hij heeft gezegd:
Streef op Zijn weg met uw rijkdom en uw levens en met al uw vermogens (9:4 l), en: Wat Wij u ook hebben geschonken aan verstand, kennis, begrip en bekwaamheid, gebruik het voor Onze zaak (2:4). Wij leiden zeker hen op Onze wegen die naar Ons streven (29:70).
Het zesde middel om dit doel te bereiken is omschreven als standvastigheid, hetgeen betekent dat een zoeker niet moe moet worden of ontmoedigd, en niet bang moet zijn te worden beproefd zoals God heeft gezegd: (100)
Op hen die bevestigen: God is onze Heer en zich afwenden van valse goden en standvastig zijn, dat wil zeggen standvastig blijven onder beproevingen en rampen, dalen engelen neder die hen geruststellen: Vrees niet, noch treur en wees vervuld met blijdschap en verheug u, dat u de vreugde hebt geërfd die u was beloofd. Wij zijn uw vrienden in dit leven en in het hiernamaals (41:31-32).
Deze verzen geven aan dat standvastigheid het welbehagen van de Almachtige God verwerft. Het is juist, zoals is gezegd dat standvastigheid meer dan een wonder is. Het toppunt van standvastigheid is dat als men is omgeven door rampen en leven, eer en goede naam alle in gevaar verkeren voor de zaak van Allah en er geen middelen tot vertroosting beschikbaar zijn, zozeer zelfs dat zelfs visioenen, dromen en openbaring door God als beproeving worden opgeschort en men hulpeloos te midden van verschrikkelijke gevaren wordt achtergelaten, men op zulk moment niet de moed moet verliezen, zich niet als een lafaard moet terugtrekken, noch zijn geloof ook maar in de geringste mate in twijfel moet laten brengen. Men moet zijn oprechtheid en volharding niet laten verzwakken, men moet tevreden zijn als men te schande wordt gemaakt; men moet zich verzoenen met de dood, men moet niet op een vriend wachten die hem zijn steun zal betuigen ten einde hem vastberaden te doen blijven, noch blijde tijdingen van God zoeken door de zwaarte van de beproeving. Men moet rechtop en vastberaden zijn ondanks zijn hulpeloosheid, zwakheid en gebrek aan bemoediging uit een bepaalde richting. Wat er ook moge gebeuren, men moet steeds klaarstaan voor opofferingen en men moet volledig verzoend zijn met goddelijke besluiten en men moet geen rusteloosheid tonen, noch enige klacht uiten tot aan het eind van de beproeving. Dit is de standvastigheid die naar God leidt. Dit is die parfum die ons nog steeds bereikt uit de stof van boodschappers, profeten, gelovigen en martelaren. Dit wordt ook aangegeven in de smeekbede: (101)
Leid ons langs het pad van standvastigheid, het pad dat Uw gaven en gunsten aantrekt en het pad dat als men het betreedt, men Uw welbehagen verwerft (l:67).
Een ander vers duidt hetzelfde aan:
Heer, zend standvastigheid op ons neer in deze tijd van beproeving en laat ons sterven in een toestand van onderworpenheid aan U (7:127).
Men moet beseffen dat in een tijd van tegenslagen en beproevingen de Almachtige God een licht doet nederdalen op de harten van hen, die Hij bemint. Hierdoor gesterkt zien zij deze tegenslagen met grote kalmte onder ogen en door de goedheid van het geloof kussen zij de ketenen die hen vastbinden. Als een goddelijke persoon wordt gekweld en de tekenen van de dood duidelijk worden, begint hij niet te strijden met zijn weldadige Heer dat hij van die toestand mag worden bevrijd, aangezien het volharden in een smeekbede voor veiligheid in zulke toestand betekent dat men het bevel van God bestrijdt en dit is strijdig met volledige onderwerping. Een ware minnaar gaat onder tegenslagen verder voorwaarts. Hij hecht op zulk moment geen enkele waarde aan het leven en terwijl hij ervan afscheid neemt, onderwerpt hij zich volledig aan de wil van God en zoekt alleen Zijn welbehagen. Betreffende zulke mensen heeft de Almachtige God gezegd:
Hij die God bemint, biedt zijn leven aan voor de zaak van God in ruil voor Gods welbehagen. Zulke mensen verkrijgen het mededogen van God (2:208).
Dit is de geest van standvastigheid waardoor men God ontmoet. Laat hem die wil dit begrijpen.
Het zevende middel om het doel van het leven te bereiken is het in gezelschap verkeren van de rechtschapenen en het volgen van hun volmaakte voorbeeld. De komst van profeten was onder andere noodzakelijk, omdat de mens van nature een volmaakt voorbeeld verlangt en zulk een voorbeeld ijver aanmoedigt en vastberadenheid bevordert. Hij die geen voorbeeld volgt, wordt lui en wordt op een dwaalspoor gebracht. Dit wordt door Allah, de Glorierijke, aangegeven in de verzen: (102)
Verkeer in het gezelschap van de rechtschapenen (9:19) en: Leid ons op het pad van hen die Gij Uw gunsten hebt geschonken (l:7)
dat wil zeggen dat u in gezelschap van de rechtschapenen moet verkeren en de wegen moet leren van hen die de ontvangers van genade vóór u zijn geweest.
Het achtste middel om het doel van het leven te bereiken zijn visioenen, ware dromen en openbaringen. Omdat het pad dat naar de Almachtige God leidt een moeilijk pad is, dat is bezaaid met ongeluk en ongemakken, en het mogelijk is dat iemand als hij dit onbekende pad bewandelt, kan verdwalen en kan beginnen te wanhopen en kan ophouden voorwaarts te gaan, vereist de barmhartigheid van God dat hij getroost en aangemoedigd blijft worden en dat zijn ijver en verlangen blijft toenemen. Het is dus Zijn wijze van handelen dat Hij zulke mensen van tijd tot tijd met Zijn Woord en Zijn openbaring bemoedigt en het hen duidelijk maakt dat Hij met hen is. Aldus worden zij gesterkt en vervolgen deze reis met geestdrift. Hij heeft gezegd:
Voor hen zijn er blijde tijdingen in dit leven en in het hiernamaals (10:65).
De Heilige Qor'aan heeft verschillende andere middelen uiteengezet om het doel van het leven te bereiken, maar we zien ervan af ze hier te behandelen uit het oogpunt van tijd. (103)

terug naar de Inhoud


VIERDE VRAAG

De werking van de praktische wetsvoorschriften in dit en het volgende leven
Wij hebben reeds uiteengezet dat de uitwerking van de ware en volmaakte goddelijke wet op het hart van de mens in dit leven is, dat deze hem verheft uit een toestand van barbaarsheid, hem verandert in een menselijk wezen, hem daarna een hoogstaand zedelijk gedrag geeft en hem tenslotte godvruchtig maakt. Een van de gevolgen van de praktische verordeningen van de wet is dat iemand die de juiste wet volgt, geleidelijk de rechten van zijn medemensen erkent en zijn vermogens tot billijkheid, weldadigheid en ware sympathie bij de juiste gelegenheden toepast. Zo iemand deelt met zijn medemensen. overeenkomstig hun respectieve graden, de gaven met welke God hem heeft begunstigd zoals kennis, begrip, rijkdom en middelen tot comfort. Hij doet zijn licht, zoals de zon, op het gehele mensdom schijnen en verkrijgt, zoals de maan, licht van God en brengt dit aan anderen over. Hij is verlicht zoals de dag en toont de paden van deugdzaamheid en goedheid aan anderen, en bedekt, zoals de nacht, hun zwakheden en verschaft vertroosting aan hen die vermoeid zijn. Zoals de hemel verschaft hij een beschutting onder zijn schaduw aan iedereen die in nood verkeert en doet de regen van genade nederdalen op de gepaste tijd. Zoals de aarde wordt hij uit uiterste nederigheid als een vloer voor het comfort van iedereen en verzamelt hij hen dichtbij zich om hun veiligheid te verschaffen en biedt hij hun verschillende soorten geestelijke vruchten aan. Aldus vervult hij die zich houdt aan de volmaakte wet, zijn verplichtingen jegens God en zijn medemensen zo goed mogelijk. Hij verliest zichzelf in God en wordt een ware dienaar van Zijn schepselen. Dit is de uitwerking van de praktische verordeningen van de wet op zijn leven hier.
Hun resultaat in het hiernamaals is dat iemand die zich eraan houdt, zijn geestelijke verhouding tot God zal waarnemen als een duidelijke werkelijkheid. De dienst die hij uit liefde voor God bewees aan Zijn schepselen, hetgeen werd gestimuleerd door zijn geloof en zijn vurig verlangen naar rechtvaardige daden, zal zich voor hem manifesteren in de vorm van de bomen en de rivieren van het paradijs. In dit verband heeft de Almachtige God gezegd: (107)
Wij roepen de zon en haar licht tot getuige, en Wij roepen de maan als zij de zon volgt en licht van haar ontvangt en dit naar de mensen overbrengt tot getuige, en Wij roepen de dag als deze het licht van de zon manifesteert en de wegen aan het licht brengt tot getuige en Wij roepen de nacht als deze met zichzelf alles verduistert en omhult tot getuige en Wij roepen de hemel en het doel waarvoor hij is geschapen tot getuige en Wij roepen de aarde en het doel waarvoor zij als een vloer is uitgespreid tot getuige en Wij roepen de menselijke ziel en haar kwaliteit die haar aan al deze andere dingen gelijk maakt tot getuige,
dat wil zeggen dat al die kwaliteiten die men verspreid aantreft onder de andere lichamen die zijn genoemd alle zijn samengevat in de ziel van de volmaakte mens.
Omdat deze lichamen de mens op verschillende manieren dienen, verricht de volmaakte mens al deze dienst alleen. Dan zegt Hij, Diegene zal van de dood worden gered en zal de redding bereiken, die zijn ziel zuivert, dat wil zeggen, die Gods schepselen dient uit toewijding aan God zoals de zon, de maan en de aarde. Men moet onthouden dat in dit verband leven eeuwig leven betekent, dat de volmaakte mens zal worden geschonken. Dit is een aanwijzing dat de vrucht van het zich houden aan de praktische verordeningen van de wet in de volgende wereld, het eeuwige leven zal zijn dat voor altijd zal worden ondersteund door het zien van God.
Dan wordt gezegd dat hij die zijn ziel benadeelt en niet de eigenschappen verwerft waarvoor hij gepaste vermogens heeft gekregen en teruggaat na een onrein leven te hebben geleid, te gronde zal gaan en aan het eeuwige leven zal wanhopen. Dit wordt geïllustreerd door de gebeurtenis van de kamelin van Allah, die werd verlamd door een ongelukkige uit de stam van de Thamud en die werd belet te drinken uit de bron van de stam. Dit is een aanwijzing dat de ziel van de mens de kamelin van God is, die Hij doet lopen, hetgeen betekent dat het hart van de mens de plaats is van goddelijke manifestaties. Het water van de kamelin is de liefde voor en het begrip van God die deze (108) onderhouden. Toen de Thamud de kamelin van God verlamden en haar verhinderden te drinken, overviel hen Gods kastijding en Hij bekommerde er Zich niet over hoe het degenen die van hen afhankelijk waren zou vergaan. Zo zou degene die zijn ziel benadeelt en die haar ervan weerhoudt geestelijk voedsel tot zich te nemen en niet verlangt haar te koesteren. ten onder gaan (91:216).

terug naar de Inhoud

De filosofie van de eden van de Heilige Qor'aan
Er ligt een diepe filosofie in Gods roepen van de zon en de maan, enz. tot getuige. Sommige van onze tegenstanders bekritiseren God uit hun gebrek aan kennis, voor het tot getuige roepen van geschapen dingen. Doordat hun verstand aards is en niet hemels kunnen zij ware inzichten niet begrijpen. Het doel van het afleggen van een eed is, dat hij die de eed aflegt een getuigenis die zijn aanspraak ondersteunt naar voren brengt. Iemand die geen getuige heeft van zijn aanspraak roept God tot getuige, want Hij weet wat verborgen is en Hij is de eerste getuige in ieder geschil. Zo iemand brengt het getuigenis van God naar voren door in Zijn naam een eed af te leggen en hij bedoelt daarmee dat als God hem daarna niet kastijdt, dit een bewijs zou zijn dat God de waarheid van zijn aanspraak heeft bevestigd. Het is daarom niet toegestaan dat iemand een eed aflegt op iets dat geschapen is, want niets dat geschapen is bezit kennis van het ongeziene, noch heeft het de macht iemand die een valse eed aflegt te straffen. In deze verzen is het door God tot getuige roepen van verschillende verschijnselen niet hetzelfde als het door iemand afleggen van een eed.
Goddelijke manifestaties zijn van twee soorten. De ene soort zijn die welke duidelijk zijn en ten aanzien waarvan er geen twistpunt bestaat. De tweede soort zijn die goddelijke manifestaties die afleidbaar zijn en ten aanzien waarvan de mensen verschillen en zich kunnen vergissen. Het doel van de Almachtige God van het tot getuige roepen van de duidelijke verschijnselen is door hun getuigenis Zijn afleidbare manifestaties vast te stellen. Het is duidelijk dat de zon en de maan, de dag en de nacht en de hemel en de aarde de respectieve kenmerken bezitten die wij hebben genoemd, maar niet iedereen is zich bewust van de kenmerken die de menselijke ziel bezit. God heeft zo Zijn duidelijke manifestaties uiteengezet als getuigen voor het verklaren van Zijn afleidbare manifestaties. Het is alsof Hij zegt: Als u in twijfel verkeert met betrekking tot de eigenschappen waarmee de menselijke ziel is bekleed, denk dan na over de zon en de maan en de (109) andere verschijnselen die zijn aangehaald en die deze eigenschappen klaarblijkelijk bezitten.
U weet dat de mens een microkosmos is die een heel kleine vertegenwoordiging in zich sluit van het model van het heelal. Als het duidelijk is dat de grote lichamen van de microkosmos die eigenschappen bezitten en voordelen verschaffen voor de schepselen van God, hoe kan dan de mens, die boven al deze lichamen staat, zonder die eigenschappen zijn? Dit is niet het geval. Inderdaad, de mens bezit als de zon het licht van kennis en rede, waardoor hij de wereld kan verlichten.
Zoals de maan ontvangt hij het licht van visioenen en openbaring van het Goddelijke en brengt deze over aan anderen, die het hoogste stadium van menselijke vooruitgang nog niet hebben bereikt. Hoe kunt u dan zeggen dat het profeetschap een verkeerd begrip is en dat alle profeetschappen en beweerde Goddelijke wetten en boeken slechts het bedrog en de zelfzucht van bepaalde menselijke wezens zijn? U neemt waar hoe alle paden worden verlicht en de hoogten en laagten zich onderscheiden als de dag aanbreekt. Op dezelfde wijze is de volmaakte mens de dag van geestelijk licht en door zijn komst wordt ieder pad duidelijk onderscheiden. Hij wijst op de rechte weg, want hijzelf is de heldere dag van waarheid en rechtschapenheid. Op dezelfde wijze neemt u waar, hoe de nacht de vermoeiden gerieft en hoe de werkers, na gedurende de dag hard te hebben gewerkt, in de genadige schoot van de nacht slapen en van hun arbeid uitrusten. De nacht bedekt ook alle gebreken en onvolmaaktheden. Op dezelfde wijze verschaffen de volmaakte dienaren van God gerief aan de mensen, en de ontvangers van openbaring bevrijden alle wijze mensen van uiterste inspanningen. Door hen worden grote problemen van inzicht gemakkelijk opgelost. Ook bedekt de goddelijke openbaring de gebreken van de menselijke rede en laat het, zoals de nacht, niet toe dat gebreken ervan bekend worden, aangezien verstandige mensen hun fouten zelf corrigeren in het licht van openbaring en zich er aldus door de zegeningen van Gods heilige openbaring voor behoeden te worden blootgesteld. Dit is de reden waarom geen Moslim filosoof een haan aan een afgod offerde zoals door Plato werd gedaan. Plato werd misleid omdat hij niet het licht van openbaring bezat en ondanks het feit dat hij een groot filosoof was, beging hij zulk een onzinnige en weerzinwekkende daad. Het volgen van onze heer en meester, de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, beschermde de Moslim filosofen tegen zulke onzinnige en onheilige gebruiken. Dit toont hoe goddelijke openbaring de onvolkomenheden van de wijzen bedekt, zoals de nacht. U bent zich er ook van bewust dat de volmaakte dienaren van God bescherming verschaffen aan iedereen die (110) vermoeid is, zoals de hemel bescherming verschaft. Zijn profeten en de ontvangers van Zijn openbaring doen de regen van hun weldadigheid nederkomen zoals de hemel en zij bezitten ook de kwaliteiten van de aarde. Verschillende soorten bomen van grote kennis ontspringen aan hun zuivere zielen, aan de schaduw, bloemen en vruchten waaraan de mensen voordeel ontlenen. Zo is deze zichtbare natuurwet die zich voor onze ogen toont een getuige van de verborgen wet, waarvan de Almachtige God de getuigenis in deze verzen heeft aangehaald door middel van eden. Overdenk daarom, hoe vol wijsheid het woord is dat wordt aangetroffen in de Heilige Qor'aan en dat voortkwam uit de mond van een ongeletterde woestijnbewoner. Als het niet het Woord van God was geweest zouden de wijzen en zij die hoog opgeleid worden genoemd als zij met dit zuivere inzicht zouden worden geconfronteerd, het niet tot onderwerp van kritiek hebben gemaakt. Het is een algemene ervaring dat als iemand niet in staat is om iets op basis van zijn begrensde rede in te zien, hij dat wat op wijsheid is gebaseerd, bekritiseert en dat zijn kritiek het bewijs wordt dat dat punt van wijsheid buiten het bereik is van gemiddelde geesten. Daarom wierpen zij die als wijs worden beschouwd een bezwaar op tegen dit verschijnsel, maar nu het mysterie is opgelost, zal niemand die redelijk is het bekritiseren, maar er genoegen aan ontlenen. De Heilige Qor'aan heeft op een andere plaats een dergelijke eed gereciteerd met het doel een voorbeeld te geven waar de natuurwet het verschijnsel openbaring steunt. Hij zegt:
Wij roepen de hemel die regen nederzendt en de aarde die met de hulp van zulke regen verschillende soorten vegetatie voortbrengt tot getuige, dat de Qor'aan het woord van God en Zijn openbaring is en dat deze beslist tussen waarheid en leugen en geen ijdel gepraat i,s dat wil zeggen dat hij niet op een ongepast moment is geopenbaard en is gekomen als de seizoenregen (86:12-15).
Hier heeft de Almachtige God ter ondersteuning van de waarheid van de Heilige Qor'aan, die Zijn Woord is, een bekende natuurwet uiteengezet. Het is een zaak van gewone waarneming dat in een tijd als daaraan behoefte is, regen uit de hemel nederkomt en dat alle vegetatie op aarde van regen afhankelijk is. Als de regen niet komt, drogen ook de bronnen geleidelijk op, zodat het water in de aarde ook van regen (111) uit de hemel afhankelijk is. Daarom stijgt in de regentijden het waterniveau in de bronnen ook. De reden hiervoor is dat hemels water een trekkracht uitoefent op aards water. De verhouding tussen goddelijke openbaring en de menselijke rede is hetzelfde. Goddelijke openbaring is hemels water en de rede is aards water dat voeding ontvangt van hemels water. Als hemels water, dat wil zeggen goddelijke openbaring, niet komt, droogt het aardse water ook geleidelijk op. Daarom wordt als een lange tijd verstrijkt en er geen ontvanger van openbaring op de aarde verschijnt, de rede van de wijzen verdorven zoals aards water bederft en opdroogt. Om dit verschijnsel te begrijpen zal het voldoende zijn om een blik te werpen op de toestand van de wereld onmiddellijk vóór de komst van de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn.
Omdat zeshonderd jaar was verstreken na de tijd van Jezus en er gedurende deze tussentijd geen ontvanger van openbaring was verschenen, was de gehele wereld verdorven geworden. De geschiedenis van ieder land toont aan dat vóór de komst van de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, de leugen in de gehele wereld gangbaar was geworden. Waarom was dit gebeurd? Dit was gebeurd omdat goddelijke openbaring een lange tijd was achtergehouden en omdat het koninkrijk van de hemel alleen in de handen van de menselijke rede was terechtgekomen. Niemand ontgaat het verderf waarin de mensen waren verwikkeld door het volgen van de gebrekkige rede. Toen dus de regen van openbaring voor een langere periode niet nederdaalde, droogde het water van de rede op. In deze reden vestigt de Almachtige God dus de aandacht op deze hechte en eeuwige natuurwet en roept op te overdenken dat alle vegetatie op aarde afhankelijk is van het water uit de hemel. Voor de verborgen wet die de goddelijke openbaring beheerst, is dus de duidelijke natuurwet een getuige. Tracht dan voordeel te behalen uit het bewijs van dit getuigenis en maak niet de rede alleen tot uw gids, want dit is geen water dat kan voortbestaan zonder hemels water. Zoals het een kenmerk is van hemels water dat het een trekkracht uitoefent op het water van alle bronnen, of dit nu rechtstreeks in een bron valt of niet, zo wordt op gelijke wijze als een ontvanger van goddelijke openbaring in de wereld verschijnt of men hem nu volgt of niet, de rede in zulke mate verlicht en gezuiverd als niet eerder is gezien. De mensen beginnen te zoeken naar de waarheid en hun vermogen om na te denken wordt opgewekt uit het ongeziene. Al deze opleving van de rede en van het hart wordt dus op gang gebracht door de gezegende komst van de ontvanger van goddelijke openbaring en hierdoor wordt een trekkracht op de wateren van de aarde uitgeoefend. Als u dus (112) bemerkt dat iedereen een begin heeft gemaakt met het zoeken naar godsdienst en een opleving de aardse wateren heeft beroerd, staat dan op en weest gewaarschuwd en weet zeker dat hemelse regen uit de hemel is neergevallen en dat het water van goddelijke openbaring op een menselijk hart is neergedaald. (113)

terug naar de Inhoud


VIJFDE VRAAG

Bronnen van goddelijke kennis
De veelomvattendheid waarmee de Heilige Qor'aan dit onderwerp heeft behandeld, kan door gebrek aan tijd in dit stadium niet worden uiteengezet. Wij zullen ons daarom bij wijze van illustratie beperken tot een beknopte verklaring. De Heilige Qor'aan heeft de aandacht gevestigd op drie soorten kennis: kennis door de zekerheid van gevolgtrekking, kennis door de zekerheid van het zien en kennis door de zekerheid van ervaring. Zoals we reeds hebben uitgelegd, is kennis door de zekerheid van gevolgtrekking dat iets niet rechtstreeks bekend is, maar door iets waaruit het kan worden afgeleid, zoals wij uit het waarnemen van rook het bestaan van vuur afleiden. Wij zien het vuur niet, maar zien de rook en daarom geloven wij in het bestaan van het vuur. Als wij dan het vuur zien, is dit volpens de Heilige Qor'aan de zekerheid van het zien. Als wij het vuur zouden binnengaan, zou onze kennis de hoedanigheid hebben van zekerheid door ervaring. Wij hebben dit alles reeds uiteengezet en wij verwijzen onze toehoorders en lezers naar die uiteenzetting.
Het moet bekend zijn dat de bron van de eerste soort kennis, dat wil zeggen kennis door de zekerheid van gevolgtrekking, rede en informatie is. De Almachtige God zet in de Heilige Qor'aan uiteen dat de bewoners van de hel zullen bevestigen:
Dat wil zeggen dat zij zullen bevestigen dat als zij hun rede hadden toegepast en de beschouwing van de godsdienst en de leer op verstandige wijze hadden benaderd of de toespraken en de geschriften van de wijzen en de geleerden met aandacht hadden beluisterd of gelezen, zij niet tot de hel zouden zijn veroordeeld (67:11). Dit is in overeenstemming niet een ander vers waar wordt gezegd:
Dat wil zeggen dat de Almachtige God niet van menselijke wezens verlangt dat zij iets aannemen dat hun verstandelijke vermogens te boven gaat, maar slechts zulke leerstukken uiteenzet die door de mensen kunnen worden begrepen, zodat Zijn richtlijnen niet de mens dát opleggen, wat hij niet kan dragen (2:287). Deze verzen geven ook aan dat men de zekerheid (117) van kennis door gevolgtrekking ook door middel van de oren kan verkrijgen. Wij hebben bijvoorbeeld Londen niet bezocht en alleen van deze stad gehoord van hen die haar bezochten. Maar kunnen wij ons dan voorstellen dat zij allen een leugen hebben verteld? Of, wij leefden niet in de tijd van Keizer Alamgir, noch zagen wij hem, maar kunnen wij enige twijfel hebben dat Alamgir een van de Mogol keizers was? Hoe hebben wij die zekerheid bereikt? Het antwoord is: door de continuïteit van het over hem horen. Er is dus geen twijfel dat het horen de kennis van iemand ook tot het stadium van zekerheid door gevolgtrekking voert. De boeken van de Profeten zijn ook een bron van kennis door het horen, mits er geen tegenstrijdigheid is in het verslag dat men hoort. Maar als een boek er aanspraak op maakt te zijn geopenbaard en er vijftig of zestig versies van zijn, waarvan sommige de andere tegenspreken, als zelfs dan een groep personen van oordeel zou zijn dat slechts twee, of drie of vier ervan accuraat zouden zijn en dat de rest onecht of verzonnen zou zijn, zou dit geen soort bewijs zijn dat tot basis zou kunnen worden gemaakt van welke zekere kennis ook. Al die boeken zouden worden verworpen als onbetrouwbaar door hun tegenstrijdigheid en kunnen niet worden beschouwd als een bron van kennis, want kennis is alleen dat wat een zeker begrip schenkt, en een verzameling tegenstrijdigheden kan geen zeker begrip schenken. De Heilige Qor'aan beperkt zich niet louter tot kennis die wordt verkregen door de continuïteit van het horen. Hij bevat goed beredeneerde argumenten die overtuigend zijn. Niet één van de leerstukken, principes en bevelen die hij uiteenzet wordt louter door gezag opgelegd. Zoals is uitgelegd, zijn deze alle in de natuur van de mens ingeprent. Hij wordt een Herinnering genoemd, omdat wordt gezegd:
Hetgeen betekent dat de Gezegende Qor'aan niet iets uiteenzet dat nieuw is, maar een herinnering is aan dat wat al bestaat in de natuur van de mens en in het boek van de natuur (21:5l). Op een andere plaats wordt gezegd:
Hetgeen betekent dat de Islam niet tracht iets met dwang in te prenten, maar redenen uiteenzet ter ondersteuning van alles (2:257). De Qor'aan bezit een geestelijke kwaliteit die de harten verlicht, omdat hij zegt: (118)
Het is een genezing voor dat wat de gedachten kwelt (10:58).
Het is dus niet louter een boek dat door generaties is overgeleverd, maar het bevat beredeneerde argumenten van een hoge graad en is gevuld met schitterend licht. Dus, verstandelijke argumenten die zonder twijfel een gezonde basis hebben, leiden iemand naar de zekerheid van kennis door gevolgtrekking. Dit wordt aangegeven in de volgende verzen:
Als verstandige personen nadenken over de structuur van de aarde en de hemellichamen en nadenken over de wisseling van de dag en de nacht, ontdekken zij daarin redenen die het bestaan van God steunen. Daarna zoeken zij goddelijke hulp voor een grotere verlichting en gedenken God staande, zittende en op hun zijden liggende, waardoor hun verstand wordt gescherpt en hun nadenken over de structuur van de aarde en de hemellichamen zet hen aan te bevestigen dat dit hechte en geordende systeem niet tevergeefs kan zijn geschapen, maar een manifestatie van goddelijke eigenschappen is. Aldus, terwijl zij de Godheid van de Schepper van het heelal bevestigen, smeken zij: Heer, Gij zijt Heilig en staat erboven dat Gij wordt ontkend en dat U onvolmaakte eigenschappen worden toegeschreven. Bescherm ons daarom tegen het vuur van de hel, hetgeen betekent dat een ontkenning van God de hel zelf is en dat alle troost en genot van Hem en van Zijn erkenning afkomstig is. Hij die de erkenning van God wordt onthouden, verblijft zelfs in dit leien in de hel (3:191-192).

terug naar de Inhoud

De natuur van het menselijke geweten
Het menselijke geweten is ook een bron van kennis die in het Boek van God de menselijke natuur wordt genoemd zoals wordt gezegd: (118) (119)
Volg de natuur die door Allah is gevormd, de natuur overeenkomstig welke Hij het mensdom heeft gevormd (30:31).
Wat prent deze natuur ons in? Het geloof in een Enige God zonder deelgenoot. Schepper van alles, Die boven geboorte en dood staat. Wij hebben het geweten beschreven als een bron van kennis door zekerheid van gevolgtrekking, hoewel ogenschijnlijk in dit geval de geest zich niet van de ene soort kennis naar de andere beweegt, zoals wel het geval is bij het waarnemen van rook, namelijk naar de gevolgtrekking van vuur en toch is er zowel hier als daar een zeer zuivere soort van overdracht, welke eruit bestaat dat God alles heeft bekleed met een bijzondere eigenschap, die niet in woorden kan worden omschreven, maar waarop het verstand onmiddellijk wordt gericht als men die zaak ziet of er ernstig over nadenkt. Die eigenschap is onafscheidelijk met alles verbonden, zoals rook onafscheidelijk is verbonden met vuur. Als wij bijvoorbeeld ernstig nadenken over het Wezen van de Almachtige God en overdenken hoe Dit zou zijn, of God geboren zou zijn zoals wij en zou lijden en sterven zoals wij, dan wordt ons hart ogenblikkelijk gekweld en siddert ons geweten en verwerpt verontwaardigd al deze denkbeelden en roept uit dat de God op Wiens macht al onze hoop is gevestigd, vrij van alle gebreken moet zijn en Heilig, Volmaakt en Machtig moet zijn. Op het moment dat wij aan God denken zien wij een volmaakte verhouding tussen God en Eenheid welke zelfs de verhouding die bestaat tussen vuur en rook overtreft. De kennis die wij daarom verwerven door het geweten, is kennis in het stadium van zekerheid door gevolgtrekking. Maar er is hieromtrent nog een stadium, dat kennis door de zekerheid van het zien wordt genoemd, dat is een graad van kennis waarbij er geen bemiddelaar is tussen ons en dat waarover wij kennis hebben verkregen. Als wij bijvoorbeeld door ons zintuig van de reuk een goede of slechte geur waarnemen, of door onze smaakzin de zoetheid of de zoutheid van iets waarnemen of door ons zintuig van het gevoel de warmte of de koude van iets waarnemen, dan is al dergelijke kennis als het ware zekerheid door het zien.
Met betrekking tot het hiernamaals bereikt onze kennis de graad van zekerheid door het zien als wij een rechtstreekse openbaring ontvangen en met onze oren de stem van God horen en met onze ogen ware en duidelijke visioenen van God zien. Wij hebben zonder twijfel behoefte aan rechtstreekse openbaring voor het doel zulk een volmaakt begrip te verkrijgen, waarnaar onze harten in onze wezens hongeren en dorsten. Als de Almachtige God ons niet bij voorbaat de middelen tot een dergelijk (120) begrip heeft gegeven, waarom heeft Hij dan honger en dorst in onze harten geschapen? Kunnen wij ermee tevreden zijn dat wij in dit leven dat onze enige maatstaf is voor het hiernamaals, alleen moeten geloven in de ware, volmaakte, machtige en levende God op basis van vertelsels en verhalen of alleen afhankelijk moeten zijn van begrip of rede, terwijl het begrip nog gebrekkig en onvolledig is? Verlangen de harten van de ware minnaars van God niet dat zij het genot kunnen smaken van conversatie met de Geliefde en moeten zij die alles in de wereld hebben opgegeven voor de zaak van God en hun harten en levens aan Hem hebben toegewijd, tevreden zijn met morren in een mat licht zonder het aangezicht van die Zon van Waarheid te zien? Is het niet waar dat een bevestiging door de Levende God: "Ik ben aanwezig", zulke mate van begrip schenkt, dat in vergelijking hiermee de boeken met de eigen denkbeelden van alle filosofen in het geheel niets voorstellen? Wat kunnen ons die zogenaamde filosofen die zelf blind zijn leren? In het kort: als de Almachtige God het plan heeft om de zoekers naar Hem een volmaakt begrip te schenken, dan heeft Hij zeker de weg van het spreken met hen opengehouden, In dit verband heeft God, de Glorierijke, ons in de Heilige Qor'aan de volgende smeekbede geleerd:
Leid ons langs het pad van hen aan wie Gij Uw gunsten hebt geschonken (l:67).
Hier wordt met goddelijke gunsten de hemelse kennis bedoeld die via openbaring en visioenen rechtstreeks aan de mens wordt geschonken. Op een andere plaats wordt gezegd:
Op hen die in God hebben geloofd en standvastig blijven, dalen de engelen van God neder die hen verzekeren: Vrees niet, noch treur en verheug u in het paradijs dat u is beloofd (41:3l).
Hier wordt duidelijk verklaard dat de rechtschapen dienaren van God in tijden van vrees en smart openbaring van God ontvangen en dat engelen op hen nederdalen om hen gerust te stellen. Op een andere plaats wordt gezegd: (121)
dat de vrienden van God in dit leven blijde tijdingen ontvangen door openbaring en het spreken met God en dat zij in het hiernamaals dezelfde ervaring zullen hebben (10:65).

terug naar de Inhoud

De betekenis van openbaring
Men moet goed in gedachten houden dat openbaring niet betekent dat een idee moet ontstaan in de gedachten van iemand die over iets gaat peinzen, zoals bijvoorbeeld bij een dichter die een half vers heeft bedacht en in gedachten op zoek gaat naar de andere helft, waarbij zijn gedachten hem deze andere helft ook ingeven. Dit is geen openbaring, maar het gevolg van nadenken in overeenstemming met de natuurwet. Als iemand nadenkt over iets goeds of slechts komt een overeenkomstig idee op in zijn gedachten. Iemand die bijvoorbeeld vroom en waarheidslievend is, componeert verzen die de waarheid ondersteunen, en iemand anders die slecht en verdorven is, ondersteunt de leugen in zijn verzen en beschuldigt de rechtschapenen. Beiden zouden ongetwijfeld een aantal verzen schrijven en het is heel wel mogelijk dat de verzen van de een die een vijand van de rechtschapenen is en de leugen ondersteunt beter zijn dan de verzen van de ander, door zijn grotere vaardigheid in het schrijven van gedichten. Als dus het opkomen van een idee in de gedachten tot openbaring zou worden gerekend, zou een verachtelijke dichter die een vijand is van de waarheid en van de rechtschapenen, en tegen de waarheid schrijft en zijn toevlucht neemt tot bedrog, een ontvanger van goddelijke openbaring worden genoemd. Veel romans zijn geschreven in een uitstekende stijl en zetten geheel onjuiste maar steeds goed gearrangeerde verhalen uiteen. Moeten deze verhalen dan openbaring worden genoemd? Als openbaring enkel een idee dat in iemands gedachten opkomt zou moeten betekenen, zou een dief ook een ontvanger van openbaring kunnen worden genoemd, want een ervaren dief bedenkt dikwijls verrassende manieren van diefstal en roof en er zijn veel slimme plannen tot roof en moord door zijn hoofd gegaan. Zouden al deze onzuivere plannen openbaring worden genoemd? Werkelijk niet. Dit is slechts het denken van hen die zich niet bewust zijn van de ware God, Die de harten van Zijn dienaren vertroost met Zijn spreken en Die het begrip van geestelijke kennis schenkt aan hen die hiermee niet bekend zijn.
Wat is dan openbaring? Het is het levende en krachtige spreken van de Heilige en Machtige God met een uitverkoren dienaar van Hem of met iemand die Hij bestemt om tot Zijn uitverkorene te worden. Als dit spreken op een (122) gepaste en bevredigende wijze begint en geheel vrij is van de duisternis van valse begrippen en niet enkel bestaat uit een paar ontoereikende en betekenisloze woorden en vol is met verrukking, wijsheid en grootsheid, dan is dit zeker het Woord van God waarmee Hij Zijn dienaar bedoelt te vertroosten en Zich aan hem te manifesteren. Soms wordt iemand een openbaring gegeven bij wijze van beproeving terwijl deze niet is toegerust met volledige zegeningen. In zulk geval wordt de ontvanger in dit aanvangsstadium beproefd zodat hij, na iets van openbaring te hebben geproefd, zijn leven moet ordenen volgens de gedragslijnen van hen die ware ontvangers van openbaring zijn. Als hij hierin in gebreke blijft, zal hij teleurstelling ontmoeten. Als hij niet de wegen van de ware rechtschapenen volgt, wordt hem de volheid van deze gave ontzegd en wordt hij achtergelaten met slechts ijdel gepoch, Miljoenen deugdzamen zijn ontvangers van openbaring geweest, maar zij bezaten volgens de beoordeling van God geen gelijk aanzien. Inderdaad, zelfs de heilige Profeten van God, die ontvangers van goddelijke openbaring op het hoogste niveau zijn, zijn niet gelijk in rang, zoals de Almachtige God heeft gezegd:
Van deze Boodschappers hebben Wij sommigen boven anderen verheven (2:254).
Dit toont aan dat openbaring zuivere goddelijke genade is en geen bewijs van verheffing is, Verheffing geschiedt volgens de mate van waarheid, oprechtheid en geloof van de ontvanger, hetgeen alleen aan God bekend is. Als openbaring al haar gezegende voorwaarden bezit, is deze ook een van de vruchten van zulke eigenschappen. Er is geen twijfel dat als openbaring deze vorm aanneemt, dat de ontvanger een vraag stelt en God deze beantwoordt en er een verband is tussen vraag en antwoord en de openbaring wordt gekenmerkt door goddelijke majesteit en licht, en kennis van het ongeziene en waar begrip omvat, zij waarlijk het Woord van God is. Het is noodzakelijk dat goddelijke openbaring als een dialoog tussen twee vrienden moet zijn. Evenzo, als God Zich met Zijn dienaar onderhoudt en als de dienaar vraagt betreffende enige zaak en als hij in antwoord daarop een toespraak hoort die aangenaam is en vol met taalkundige voortreffelijkheid in zaken waarin zijn geest niet in het minst iets heeft tussengevoegd, dan kan die dialoog en openbaring zeker worden verstaan als het Woord van God. Zulk een dienaar van Allah is voorwaar groot in de ogen van Allah, maar deze buitengewoon hoge positie van het (123) zijn van een ontvanger van het Woord van God als een bijzondere gunst van Hem, die de kwaliteit heeft van absolute duidelijkheid en zuiverheid, wordt niet aan iemand geschonken dan aan hen die voortdurend vorderingen maken in geloof, toewijding en rechtschapen daden. Hier komt nog iets bij (van geestelijke aard) dat niet aan ons is om te beschrijven. Ware en heilige openbaring toont vele wonderen van de Godheid. Zeer dikwijls wordt een schitterend licht opgewekt en tezamen hiermee wordt een majestueuze en schitterende openbaring gegeven. Wat kan een grotere gave zijn dan dat een ontvanger van openbaring spreekt met het Wezen Dat de Schepper is van de hemelen en de aarde. God kan in deze wereld alleen worden gezien door het spreken met Hem. Dit omvat niet de toestand van iemand van wiens tong een ijdel woord of vers voortkomt dat, of een ijdele zin voortkomt die niet wordt vergezeld door enige dialoog. Zo iemand staat onder beproeving van God, want God beproeft soms een luie en onachtzame dienaar van Hem op deze manier dat een zin of een verklaring van zijn hart of tong voortkomt, terwijl hij een blinde persoon wordt die niet weet waarvan de verklaring is voortgekomen, hetzij van God of van Satan. Zo iemand moet met betrekking tot een dergelijke ervaring smeken om istighfar. Maar als een rechtschapen en deugdzame dienaar van God een onbelemmerde dialoog met het Goddelijke ervaart en in een toestand van volledige waakzaamheid in de vorm van vraag en antwoord ten minste tien maal heldere, luisterrijke, betekenisvolle, wijze en majestueuze goddelijke uitingen hoort, dat wil zeggen dat hij een vraag stelt en dat God deze beantwoordt en dat hij dan in volledige waakzaamheid een andere vraag voorlegt en dat God deze weer beantwoordt, en dat hij vervolgens weer een nederige smeking doet en dat God ook deze beantwoordt en als dit tenminste tien maal is gebeurd en als God tijdens zulk een dialoog zijn gebeden aanvaardt en hem onderwijst in voortreffelijke inzichten en hem informeert over komende gebeurtenissen en hem herhaaldelijk eert met Zijn duidelijke dialoog, dan moet zo iemand de Almachtige God diep dankbaar zijn en Hem meer toegewijd zijn dan iemand anders, omdat God hem uit Zijn zuivere genade van onder Zijn dienaren heeft uitverkoren en hem de erfgenaam heeft gemaakt van die gelovigen die vóór hem zijn heengegaan. Deze gave is hoogst zeldzaam en vormt het hoogste geluk. Voor hem aan wie zij wordt geschonken is al het andere volstrekt zonder waarde. (124)
terug naar de Inhoud

Een kenmerk van de Islam
De Islam heeft altijd mensen met deze rang voortgebracht. Het is de Islam alleen waarin God een dienaar benadert en Zich met hem onderhoudt en binnenin hem spreekt. Hij vestigt Zijn troon in het hart van zo iemand en trekt hem van binnenuit naar de hemel. Hij schenkt hem alle gaven die aan hen die vóór hem waren, waren geschonken. Het is jammer dat de blinde wereld niet beseft hoever iemand kan gaan in het bereiken van de nabijheid van God. Zij treden niet zelf naar voren en als iemand anders dit wel doet, wordt hij òf tot ongelovige verklaart, òf vergoddelijkt en in de plaats van God gesteld. Deze beide zijn een groot onrecht dat voortkomt uit het een of andere uiterste. Iemand die verstandig is moet vastberaden zijn en moet niet volharden in het ontkennen, dat iemand zulk een verheven rang wordt toegekend en hij moet zo iemand niet minachten of hem vergoddelijken. Als iemand zo'n hoge rang bereikt manifesteert de Almachtige God zulk een verhouding met hem alsof Hij hem bedekt met de mantel van Zijn Godheid en zo iemand wordt een spiegel waarin men God kan zien. Daarom heeft de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, gezegd:
Hij die mij heeft gezien. heeft God gezien. Dit is het laatste stadium in de geestelijke vooruitgang van de mens, waarin hem een volledige tevredenheid wordt geschonken.

terug naar de Inhoud

De spreker wordt geëerd met een goddelijk spreken
Ik zou mij eraan schuldig maken mijn medemensen een groot onrecht aan te doen als ik in dit stadium niet zou verklaren, dat de goddelijke milddadigheid mij de positie heeft geschonken die ik juist heb beschreven en mij heeft geëerd met het soort spreken waarvan ik de kenmerken zojuist in detail heb uiteengezet, zodat ik de blinden zicht zal geven en de zoekers naar de Ene, Die tot nu toe verloren is, zal leiden, en degenen die de waarheid aannemen het goede nieuws zal geven van die heilige fontein waarvan velen spreken, maar die weinigen vinden. Ik wens de toehoorders te verzekeren dat de God Wiens ontmoeting de redding en het eeuwige welzijn van de mens is, niet kan worden gevonden zonder het volgen van de Heilige Qor'aan. Ik zou willen dat de mensen datgene zagen, wat ik heb gezien en datgene horen wat ik heb gehoord en geen acht zouden slaan op louter verhalen en naar de waarheid zouden rennen! Het reinigende water dat alle twijfel verwijdert, die spiegel waardoor dat Opperwezen kan (125) worden gezien, is het spreken met het goddelijke dat ik zojuist heb genoemd. Laat hem wiens ziel de waarheid zoekt opstaan en zoeken. Ik zeg u waarlijk dat als zielen worden gevuld met een waar zoeken en als harten een ware dorst ontwikkelen, de mensen naar die weg en dat pad zouden zoeken.
Hoe kan die weg worden ontdekt en hoe kan de sluier die er is worden verwijderd? Ik verzeker alle zoekers dat het de Islam alleen is die het goede nieuws over dat pad brengt. Alle andere mensen hebben sinds lang de goddelijke openbaring verzegeld. Wees er echter zeker van dat dit zegel niet door God is opgelegd, maar een excuus is dat door de mens wordt aangedragen wegens zijn gemis. Wees er zeker van dat zoals het niet mogelijk is dat wij zouden kunnen zien zonder ogen, zouden kunnen horen zonder oren, of zouden kunnen spreken zonder tong, het evenzo niet mogelijk is dat wij zonder de hulp van de Qor'aan het aangezicht van de Ware Geliefde zouden kunnen aanschouwen. Ik was jong en ben nu oud, maar ik heb niemand ontmoet die uit de beker van dit zichtbare begrip heeft gedronken behalve door deze heilige fontein.

terug naar de Inhoud

De bron van volmaakte kennis is goddelijke openbaring
Geliefden, niemand kan de plannen van God bestrijden. Wees ervan verzekerd dat de bron van volmaakte kennis goddelijke openbaring is die wordt geschonken aan de heilige Profeten van God. God Die de oceaan van genade is, heeft het daarom niet bedoeld dat goddelijke openbaring voor de toekomst zou worden verzegeld en dat de wereld zo zou worden vernietigd. De deuren van Zijn openbaring en het spreken met Hem staan altijd open. Als u deze zoekt via hun gepaste wegen, zult u ze gemakkelijk vinden.
Het levenswater is uit de hemel nedergekomen en is op zijn juiste plaats tot staan gebracht. Wat moet u doen zodat u ervan zou kunnen drinken? U moet door het een of andere middel deze fontein bereiken en er uw mond in plaatsen zodat u met het levenswater moge worden gevuld. Het gehele goede geluk van iemand bestaat eruit dat hij moet rennen in de richting waarin hij dat licht waarneemt en de weg moet aannemen op welke hij een teken ontdekt van de Vriend Die is verloren.
U heeft waargenomen dat licht altijd uit de hemel nederdaalt en op de aarde valt. Op dezelfde wijze daalt het ware licht van leiding ook uit de hemel neder. De eigen middelen van de mens en zijn eigen vermoedens kunnen hem geen waar begrip schenken. Kunt u God aanschouwen zonder Zijn (126) manifestatie? Kunt u in het donker zien zonder de hulp van hemels licht? Als u dit kunt, kunt u in dit geval misschien ook zien. Maar onze ogen, hoewel ze in een perfecte conditie zijn, zijn afhankelijk van hemels licht en onze oren, hoewel ze perfect kunnen horen, zijn afhankelijk van de lucht die onder goddelijke aanwijzing circuleert. Die god is niet waar die zwijgt en alles aan onze vermoedens overlaat. De Volmaakte en Levende God is Hij Die Zich geheel Zelf manifesteert. Ook bij deze gelegenheid heeft Hij het bedoeld Zijn eigen Wezen te openbaren. De vensters van de hemel staan op het punt open te gaan. De dag staat op het punt aan te breken. Gezegend zijn zij die zullen opstaan om de Ware God te zoeken, de Ene Die niet door enige rampspoed wordt overvallen. De schittering van Zijn Glorie verbleekt nooit. In de Heilige Qor'aan wordt gezegd:
Dit betekent dat alle licht van de hemelen en de aarde van God afkomstig is en alles verlicht. Hij is de Zon die de zon licht schenkt en Hij is het leven van alle levende wezens op aarde. Hij is de Ware Levende God. Gezegend zijn zij die Hem aanvaarden (24:36).
De derde bron van kennis is zekerheid door ervaring, dat wil zeggen: alle ongemakken en rampspoeden en alle vormen van lijden die worden ondervonden door de Profeten en de rechtschapenen door toedoen van hun tegenstanders of die hun door goddelijk bevel worden opgelegd. Door deze ongemakken en dit lijden verschijnen alle geboden van de wet en haar voorschriften die door de menselijke geest verstandelijk werden begrepen, in praktische vorm en worden tot ervaring en door hun ontwikkeling door praktische oefening bereiken zij hun climax en wordt de betrokken persoon zelf tot een volmaakt wetboek van goddelijke leiding. Alle morele eigenschappen zoals verdraagzaamheid, vergelding, lijdzaamheid, genade enz. die tot dan toe de geest en het hart theoretisch doordrongen, worden door praktische ervaring een deel van de persoonlijkheid en drukken hun sporen op de totale persoonlijkheid van hem die lijdt, zoals de Glorierijke God heeft gezegd: (127)
Wij zullen u zeker beproeven met iets van vrees en honger en verlies van rijkdom, levens en de vruchten van uw arbeid dat wil zeggen: u zult dit alles ondergaan door toedoen van uw vijanden of krachtens Goddelijk besluit. Geef dan blijde tijdingen aan de standvastigen, die als een rampspoed hen overvalt, niet de moed verliezen, maar zeggen: Zeker, tot Allah behoren wij en tot Hem zullen wij terugkeren. Op hen zijn zegeningen en genade van hun Heer, en dezen zijn het die op een juiste en volmaakte wijze worden geleid (2:156-158).
Deze verzen geven aan dat er geen deugd is in de kennis, die is beperkt tot het verstand en het hart. Ware kennis is die, welke uit het verstand voortkomt en alle ledematen bestuurt en oefent en in de praktijk al het opgeslagen geheugen manifesteert. Kennis wordt dus versterkt en onderhouden door haar sporen die op alle ledematen worden gedrukt door praktische ervaring. Geen soort kennis, hoe elementair deze ook is, bereikt haar climax zonder oefening.
Wij hebben bijvoorbeeld altijd geweten dat het bakken van brood erg gemakkelijk is en geen grote kunst is. Al hetgeen nodig is, is dat wij na het meel te hebben gekneed en het deeg te hebben bereid dit deeg in balletjes van een geschikte afmeting moeten verdelen en ieder balletje tussen de handen moeten platmaken, het moeten uitspreiden en op een goed verhitte pan moeten leggen en het dan moeten bewegen tot het is verhit tot brood. Maar dit is alleen onze theoretische grootspraak. Als wij zonder ervaring het proces van het bakken beginnen, is onze eerste moeilijkheid het deeg in zijn juiste conditie te brengen zodat het noch te hard wordt, noch te zacht blijft. Zelfs als wij er na veel inspanning en vermoeidheid in slagen het deeg te bereiden, zal het brood dat wij bakken gedeeltelijk verbrand en gedeeltelijk ongebakken zijn met overal bobbels met een onregelmatige vorm en dit ondanks onze waarneming van het proces van het bakken over een periode van een halve eeuw. Als wij dus uitsluitend vertrouwen op onze kennis die wij nooit in de praktijk hebben gebracht, zouden wij een hoeveelheid meel verliezen. Als dit het geval is met onze theoretische kennis in elementaire zaken, hoe kunnen wij dan uitsluitend vertrouwen op (128) onze kennis zonder enige praktische ervaring, in zaken die van groot belang zijn?
De Almachtige God leert ons dus in deze verzen dat het lijden dat Hij ons doet ondergaan, een middel is om onze kennis door ervaring te vervolmaken.
Hij heeft ons dan gewaarschuwd. U zult zeker worden beproefd met betrekking tot uw bezittingen en uw personen, dat wil zeggen: mensen zullen uw rijkdom plunderen en zullen u doden, en u zult zeker met veel nadelige dingen te maken hebben door toedoen van Joden en Christenen en van hen die deelgenoten naast Allah oprichten, maar als u standvastigheid toont en uzelf weerhoudt, zal dat inderdaad het bewijs zijn van een grote vastberadenheid (3:187).
De strekking van al deze verzen is, dat alleen die kennis nuttig is die door ervaring is beproefd en dat de kennis die alleen theoretisch is en niet door ervaring is beproefd, zonder weldadigheid is. Zoals rijkdom wordt vermenigvuldigd door handel, zo bereikt kennis op gelijke wijze haar geestelijke hoogtepunt door praktische ervaring. Praktische ervaring is dus het voornaamste middel om kennis te vervolmaken en zij schenkt ook licht aan kennis. De uiteindelijke zekerheid van kennis wordt verkregen door ervaring met ieder deel van deze kennis.
Dit is wat in de Islam is gebeurd. De Almachtige God heeft de Moslims de gelegenheid verschaft om wat hen ook werd geleerd in de Heilige Qor'aan in hun praktijk te illustreren om zo met het licht ervan te worden vervuld.

terug naar de Inhoud

Twee stadia in het leven van de Heilige Profeet
Daarom heeft de Almachtige God het leven van de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, verdeeld in twee stadia: het ene stadium van ongemak, rampspoed en lijden en het andere van overwinning, zodat gedurende het stadium van het lijden, die hoogstaande morele eigenschappen die gedurende zulke tijden gelden, zouden worden tentoongespreid en gedurende het stadium van overwinning en gezag, die hoogstaande morele eigenschappen zouden worden geïllustreerd, die niet bij de afwezigheid van gezag kunnen worden getoond. Deze beide soorten eigenschappen werden dus op volmaakte wijze geïllustreerd in het leven van de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, omdat hij deze beide stadia en omstandigheden doormaakte. Gedurende de periode van beproevingen in Mekka, die zich over dertien jaren uitstrekte, toonde de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, in de praktijk (129) alle hoogstaande eigenschappen die een volmaakt rechtschapen persoon in zulk een tijd moet tonen, zoals vertrouwen in God, een volmaakte kalmte gedurende lijden, het met standvastigheid en geestdrift uitvoeren van de plichten en een moed zonder vrees. Toen zij zijn standvastigheid zagen, geloofden velen van de ongelovigen in hem en legden aldus getuigenis af dat het alleen iemand is die een volledig vertrouwen in God heeft die zulk een standvastigheid en uithoudingsvermogen tijdens lijden kan tonen. Gedurende het tweede stadium, dat wil zeggen het stadium van overwinning, gezag en voorspoed, toonde hij zulke hoogstaande eigenschappen als verdraagzaamheid, vergevensgezindheid, weldadigheid en moed, zodat een groot aantal ongelovigen in hem geloofde, omdat zij getuige waren van zijn beoefening van deze hoogstaande eigenschappen. Hij vergaf hen die hem hadden vervolgd ,schonk hen veiligheid die hem uit Mekka hadden verdreven.,schonk grote rijkdom aan diegenen onder hen die behoeftig waren en nadat hij gezag had verkregen over zijn bittere vijanden, vergaf hij hen allen. Toen zij zijn hoogstaande morele eigenschappen waarnamen, getuigden velen van hen dat zulke eigenschappen alleen konden worden getoond door iemand die van God afkomstig is en waarlijk rechtschapen is.
Daarom werd alle ingewortelde haat die zijn vijanden jegens hem gedurende een lange periode hadden gekoesterd in één ogenblik uit hun harten weggewassen. Zijn grootste eigenschap was die welke in de Heilige Qor'aan in de volgende woorden wordt uiteengezet:
Zeg hen: Mijn aanbidding, mijn opofferingen. mijn leven en mijn sterven zijn alle geheel voor Allah (6:163).
Dit betekent dat het gehele doel van zijn leven het tonen van de glorie van God was en het zorgen voor vertroosting voor Zijn schepselen, zodat zij door zijn voortdurende blootstelling aan de dood, leven mochten verkrijgen. Niemand moet door het noemen van zijn dood voor de zaak van God en voor het welzijn van Zijn schepselen worden misleid en denken dat hij ooit (God beware ons) heeft overwogen zichzelf te vernietigen, en zich hierbij als de onwetenden en de dwazen voorstellen dat zijn zelfmoord anderen tot nut zou zijn. Hij was geheel vrij van dit soort onzinnige denkwijzen en was hiertegen ten zeerste gekant. De Heilige Qor'aan acht iedereen die zich schuldig maakt aan zelfmoord een groot overtreder, die blootgesteld is aan ernstige kastijding, omdat hij zegt: (130)
dat wil zeggen, bega geen zelfmoord en word niet de oorzaak van uw eigen vernietiging (2:196).
Het is duidelijk dat als X last heeft van buikpijn, het voor Y nutteloos zou zijn om zich uit medelijden met X een gat in het eigen hoofd te slaan. Dit zou geen deugdzame daad zijn, maar slechts nodeloos lijden uit domheid. In de gegeven omstandigheden zou het van de kant van Y deugdzaam zijn geweest om X op een passende en nuttige wijze hulp te verlenen, door bijvoorbeeld medisch advies in te winnen en de benodigde medicijnen voor hem te verkrijgen. Het zich een gat in het eigen hoofd slaan zou X geen goed doen. Het zou het toedienen van nodeloos lijden zijn aan een belangrijk deel van zijn eigen lichaam.
De ware betekenis van het vers dat hierboven is aangehaald is in het kort dat de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, uit ware sympathie zijn leven had toegewijd aan het werk voor het welzijn van het mensdom en, terwijl hij hun vervolging doorstond door smekingen en vermaningen, en door ieder gepast en verstandig middel, voor deze zaak zijn leven en zijn gerief had opgeofferd, zoals de Glorierijke God heeft gezegd:
Misschien zult gij de dood riskeren terwijl gij treurt omdat zij niet geloven (26:4), en: Laat uw ziel zichzelf niet te gronde richten in het smachten naar hen (35:9).
De verstandige manier van het geven van zijn leven in de dienst van zijn volk is dus het verdragen van ongemak in hun dienst in overeenstemming met de heilzame natuurwet, en het besteden van zijn leven met het tot dat doel uitwerken van gepaste plannen en niet het zich met een steen op het hoofd slaan wegens de gevaarlijke toestand van zijn volk die het gevolg is van hun dwalingen of beproevingen of het uit het leven scheiden na twee of drie korrels strychnine te hebben ingeslikt, waarbij men zich voorstelt dat men door dit belachelijke middel de weg van de redding van zijn volk kan openen. Dit is geen mannelijke methode, maar een neiging die niet getuigt van dapperheid. Het is altijd de manier van laffe mensen geweest die zichzelf niet in staat achten om ongemak te verdragen, die hun toevlucht nemen tot zelfmoord. Welke uitleg ten (131) aanzien hiervan ook wordt gegeven, er kan geen twijfel bestaan dat zulk een daad louter dwaasheid is. Het is verder duidelijk dat het verdragen van ongemak en het geen verzet bieden aan een vijand, door iemand die nooit in de gelegenheid heeft verkeerd om wraak te nemen, niet kan worden beschouwd als een morele eigenschap, want het is niet bekend hoe hij zich zou hebben gedragen als hij de gelegenheid zou hebben gehad om wraak te nemen. Tenzij iemand ongemakken doormaakt en dan gezag en voorspoed verkrijgt, kunnen zijn ware eigenschappen zich niet manifesteren. Het is duidelijk dat iemand wiens gehele leven is doorgebracht in een toestand van zwakte, gebrek en hulpeloosheid, terwijl hij de gehele tijd vervolging heeft moeten ondergaan en die nooit een positie van gezag, macht en voorspoed heeft gehad, niet kan worden beoordeeld als iemand die hoogstaande morele eigenschappen bezit. Als hij niet de gelegenheid heeft gehad om aan een strijd deel te nemen, kan niet worden vastgesteld of hij dapper is of een lafaard. Wij kunnen geen enkele schatting maken van zijn karakter, omdat wij niet weten hoe hij zijn vijanden zou hebben behandeld als hij hen had overwonnen of hoe hij zijn rijkdom zou hebben besteed als hij welvarend zou zijn geworden. Zou hij deze hebben opgehoopt of zou hij deze onder de mensen hebben verdeeld? En als hij op het slagveld aanwezig zou zijn geweest. zou hij dan zijn weggelopen of zou hij zich hebben gedragen als een dappere strijder?
In het geval van de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, heeft de Goddelijke gunst en genade hem alle gelegenheid geboden voor de presentatie van zijn morele eigenschappen. Hij toonde bij de passende gelegenheden en tot zulk een perfectie edelmoedigheid, dapperheid, zachtmoedigheid, verdraagzaamheid en rechtvaardigheid dat het een vergeefse inspanning zou zijn het gelijke hiervan bij iemand anders te zoeken. In beide stadia van zijn leven, tijdens zwakte en macht, armoede en welvaart, toonde hij de gehele wereld in welke hoge mate hij alle morele eigenschappen omvatte. Er is geen hoogstaande morele eigenschap ten aanzien waarvan de Almachtige God hem niet de gelegenheid gaf deze te beoefenen. Alle voortreffelijke morele eigenschappen, zoals dapperheid, edelmoedigheid, standvastigheid, verdraagzaamheid, zachtmoedigheid, enz., waren in zijn geval zo duidelijk tot stand gekomen, dat het niet mogelijk is zijn gelijke te zoeken. Het is ook waar dat zij die hem tot het uiterste hadden vervolgd en de vernietiging van de Islam voorhadden, niet door God ongestraft werden gelaten. Het in hun geval eerder doen plaatsvinden van de kastijding, zou hebben gelijkgestaan met de vernietiging van de rechtschapenen onder de voeten van hun vijanden. (132)
terug naar de Inhoud

Het doel van de oorlogen van de Heilige Profeet

Het doel van de oorlogen van de Heilige Profeet, mogen de vrede en de zegeningen van Allah met hem zijn, was niet het nodeloos veroorzaken van bloedvergieten. De Moslims waren verdreven uit de huizen van hun voorouders. Veel onschuldige Moslim mannen en vrouwen waren gemarteld en nog waren de overtreders niet bereid zich in bedwang te houden en zij belemmerden voortdurend de vooruitgang van de Islam. In deze omstandigheden vroeg de Goddelijke wet van veiligheid de bescherming van de vervolgden tegen totale vernietiging. Daarom werd hen die het zwaard hadden getrokken, tegenstand geboden met het zwaard. Deze oorlogen waren er dus op gericht het kwaad van hen die uit waren op moord uit te roeien en zij hadden tot doel het kwaad af te weren. Zij hadden plaats in een tijd dat de overtreders uit waren op de vernietiging van de rechtschapenen. Als Islam in deze omstandigheden geen toevlucht had genomen tot maatregelen van zelfverdediging, zouden duizenden onschuldige vrouwen en kinderen zijn afgeslacht en zou de Islam tot een eind zijn gekomen. Het is een grote vergissing van de kant van onze tegenstanders dat zij zich voorstellen dat geopenbaarde leiding onder geen omstandigheden verzet tegen de vijand in zich moet sluiten en altijd haar liefde en barmhartigheid toont door middel van zachtmoedigheid en vriendelijkheid. Zulke mensen stellen zich voor dat zij een grote eerbied voor God, de Heer van Eer en Glorie, tonen door Hem slechts de eigenschappen van vriendelijkheid en tederheid toe te schrijven. Maar zij die nadenken en overpeinzen kunnen gemakkelijk waarnemen, dat zulke mensen zijn verwikkeld in een grove en duidelijke dwaling. Een beschouwing van de Goddelijke natuurwet toont duidelijk dat deze louter genade is. Maar die genade manifesteert zich niet in alle omstandigheden door middel van vriendelijkheid en tederheid. Uit louter barmhartigheid. zoals bij een deskundig geneesheer, dient deze genade soms een zoete drank toe en op andere tijden schrijft zij ons een bitter medicijn voor. De goddelijke barmhartigheid behandelt ons zoals ieder van ons zijn lichaam met barmhartigheid behandelt. Er kan geen twijfel bestaan dat ieder van ons van zijn gehele lichaam houdt en als iemand maar één enkele haar van ons wil uittrekken, zijn we erg boos op hem. Toch is het, ondanks het feit dat de liefde die we voor ons lichaam hebben zich uitstrekt tot het gehele lichaam en al onze ledematen ons dierbaar zijn en we niet het verlies van of pijn aan één ervan wensen, duidelijk dat onze liefde voor elk van onze ledematen niet van dezelfde mate en hoedanigheid is. In feite domineert de (133) liefde voor onze voornaamste ledematen, van welke het bereiken van onze doelen in belangrijke mate afhangt, over onze harten. Op gelijke wijze is onze achting voor het totaal van onze ledematen veel groter dan onze liefde voor een bijzonder lichaamsdeel. Als wij dus worden geconfronteerd met een situatie waarin het welzijn van een belangrijker lichaamsdeel afhangt van het verwonden van, het snijden in of het breken van een ondergeschikt lichaamsdeel, verzoenen wij ons met een dergelijke operatie. Wij zijn bedroefd bij het verwonden van of het afsnijden van een lichaamsdeel dat ons lief is, maar door de bezorgdheid dat de kwaal van een ondergeschikt lichaamsdeel de vernietiging van een belangrijker lichaamsdeel kan teweegbrengen, zijn wij met tegenzin verzoend met het afsnijden ervan. Deze illustratie moet ons helpen te beseffen dat als God waarneemt dat Zijn rechtschapen dienaren het gevaar lopen door de aanbidders van de leugen te worden vernietigd en dat dit tot grote wandorde zou leiden, Hij Zijn gepaste plan manifesteert, hetzij uit de hemel of uit de aarde, voor de bescherming van de rechtschapenen en voor het beëindigen van wanorde, want zoals Hij Barmhartig is, zo is Hij ook Wijs.

Alle lof behoort aan Allah, de Heer van het Heelal! (134)


terug naar de Inhoud

terug naar het literatuuroverzicht







^