C.G. Jung, 'Het ik en het onbewuste'

Servire, den Haag
(Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Inhoud


Carl Gustav Jung
(1875-1961)
bron: Wikipedia
Deel I
Het persoonlijke en het collectieve onbewuste
Gevolgen van de assimilatie van het onbewuste
De Persona als deel van de collectieve psyche
De poging tot bevrijding van de individualiteit uit de collectieve psyche
Deel II
De functie van het onbewuste
Animus en anima
De techniek van het onderscheid tussen het ik en de figuren van het onbewuste
De Mana-persoonlijkheid


Deel I

Het persoonlijke en het collectieve onbewuste
Door analyse van het onbewuste worden verdringingen opgeheven en verdrongen wensen bewust gemaakt. Bovendien bevat het onbewuste eveneens het materiaal dat de drempel van het bewuste nog niet heeft bereikt. Dit vormt de kiemen van de latere bewuste inhouden.
Het onbewuste is, getuige dromen en fantasieën voortdurend bezig zijn inhouden te ordenen en te veranderen, normaliter in samenhang met het bewuste, als elkaar aanvullende krachten.
Als het persoonlijk onbewuste is uitgeput, gaat het onbewuste rustig voort dromen en fantasieën te produceren. M.a.w. er is nog een deel dat boven het persoonlijke uitgaat.
Wordt een inhoud uit het bewuste verdrongen naar het onbewuste, dan vormt zich een deel van persoonlijk onbewust materiaal, dat de toegang tot het collectieve onbewuste afsluit, waardoor de natuurlijke wisselwerking met het bewuste verstoord wordt; het evenwicht wordt verbroken. Daardoor komt de ontwikkeling van het leven tot stilstand. Deze stilstand is de neurose. De stilstand wordt veroorzaakt door een voor het bewuste onverteerbaar conflict. Door deze stilstand in het innerlijke proces van uitwisseling vloeit psychische energie - onbeheerst - naar allerlei richtingen, bijvoorbeeld naar het autonome zenuwstelsel.
De droom is een objectief natuurproduct van de ziel, afkomstig van oerprocessen in de ziel, met een causale en een finale gerichtheid in de ontwikkeling van de dromen. Dromen zijn het verhaal van een onbewuste ontwikkelingsgang, die de mens doet uitgroeien boven het nutteloze van de eigen persoonlijke gebondenheid. Het bovenpersoonlijke doel wordt symbolisch uitgedrukt in een godsbeeld.
Hebreeuws en Arabisch 'ruach': adem en geest, wind. De wind is een archaïsch godsbeeld.
Het persoonlijk onbewuste bevat inhouden, die evengoed bewust hadden kunnen zijn. Hun verdwijnen uit het bewuste heeft een minderwaardigheid hiervan tot gevolg en wel een morele minderwaardigheid. Het verdrongene is eigen iets, wat niet mocht ontbreken. Wordt dit geheel bewust gemaakt, dan wordt de persoonlijkheid ruimer door zelfkennis. Deze zelfkennis is pijnlijk, want de inhouden uit het persoonlijk onbewuste waren immers verdrongen.
De droom probeert het evenwicht te herstellen en de verdrongen inhouden aan het bewuste op te dringen.

terug naar de Inhoud

Gevolgen van de assimilatie van het onbewuste
Sommige mensen bouwen hiermee een duidelijk tot het onaangename verhoogd zelfbewustzijn of gevoel van eigenwaarde op (inflatie van het bewuste). Andere worden sombergestemd en terneergedrukt. Het eerste is echter een compensatie voor een grote hulpeloosheid, achter het tweede schuilt een ijzeren wil tot macht.
Het doel is echter de vereniging van twee sferen, die eerst angstvallig uit elkaar werden gehouden. De mens bevindt zich, zonder het te weten, temidden van een oeroud mensheidsconflict en beleeft lijdend de botsing tussen twee eeuwige principes.
De zelfverzekerde wordt door onzekerheid gedreven zij n waarheid aan te prijzen en proselieten ervoor te maken.
De ene mens kan ondergaan in een sociale rol (Persona), de andere mens in een innerlijk visioen en daardoor voor de omgeving verloren gaan.
Het bewuste en persoonlijke deel van de ziel verhoudt zich tot de collectieve onbewuste ziel zo ongeveer als het individu tot de gemeenschap.
De menselijke geest én ziel is niet alleen een individueel maar ook een collectief fenomeen.
De analyse, die het persoonlijk onbewuste bewust maakt, geeft het individu inzicht in die dingen die hij bij andere mensen bewust waarnam, alleen niet bij zichzelf. Door deze erkenning wordt hij minder zelfgeconcentreerd, hij wordt collectiever.
Er kunnen zowel goede als slechte eigenschappen worden verdrongen.
De opheffing van persoonlijke verdringingen in het persoonlijk onbewuste brengt eerst persoonlijke inhouden in het bewuste over, maar daarna ook collectieve. Langzaam wordt een door veel mensen positief ervaren 'gelijkheid met de buitenwereld' geschapen: gemeenschapszin, liefde voor de medemens.
Als door de assimilatie van het collectieve onbewuste dit abusievelijk in de persoonlijkheid wordt opgenomen, dan lost de persoonlijkheid zich in haar beide tegenstellingen op, bijvoorbeeld in grootheidswaan en minderwaardigheidsgevoel.
In de collectieve ziel zijn de deugden en ondeugden van alle mensen opgenomen.
De een nu rekent zich de collectieve deugden als persoonlijke verdienste aan (grootheidswaan), de ander de collectieve ondeugd als persoonlijke schuld (minderwaardigheidsgevoel).
De innerlijke strijd begint pas, wanneer een persoonlijke ontwikkeling in de psyche plaatsvindt en verstand en gevoel de onverenigbaarheid van de tegenstellingen inzien. Dan volgt verdringing omdat men goed wil zijn, waarmee een eind komt aan de natuurlijke onschuld van de collectieve psyche. De verdringing was eenvoudig een noodzaak voor de ontwikkeling der persoonlijkheid!
Wie echter persoonlijkheid ontwikkelt, komt boven de collectiviteit te staan en heeft zo een persoonlijk overwicht op de gemeenschap in zoverre deze nog collectief is. Die mens gaat een bepaalde rol spelen, de Persona.
De collectieve gemeenschap heeft behoefte aan zo'n persoonlijkheid, leider; de behoefte aan macht van de ontwikkelde enkeling maakt misbruik van deze collectieve behoefte.
Voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid is dus een strengen afscheiding van de collectieve psyche een eerste vereiste. Hoe groter de gemeenschap, hoe meer het individu door de gemeenschap wordt gedragen en in dezelfde mate van de individuele verantwoordelijkheid ontheven. Hoe groter de gemeenschap hoe primitiever. Hoe kleiner echter, des te meer wordt de individualiteit van de leden gewaarborgd, des te groter is hun relatieve vrijheid en de kant op bewuste verantwoordelijkheid.
Zo vanzelfsprekend het ons lijkt dat iemand in zijn waardigheid verdringt (Persona-identificatie), zo totaal onbegrijpelijk lijkt ons iemand die iets anders zoekt dan de massa begeert.
Men zou beide gevoel voor humor toewensen, die Schopenhauer de enig ware goddelijke menselijke eigenschap noemde, die als geen ander in staat is de zielevrijheid te waarborgen.
Bij de bewustwording van collectieve inhouden is het van het grootste belang de integriteit van de persoonlijkheid in het oog te houden. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen persoonlijke en collectieve inhouden, daar de individuatie een onontkoombare psychische noodzakelijkheid is, die door het collectieve kan worden verstikt.

terug naar de Inhoud

De Persona als deel van de collectieve psyche
De bewuste persoonlijkheid is een min of meer willekeurig deel van de collectieve psyche. De persoonlijkheid vormt een geheel, waarbij alle andere inhouden, die er niet goed bij passen, worden verdrongen. De Persona zelf is een collectief verschijnsel. Wie zich met de Persona identificeert, wordt weer collectief!
De Persona is een compromis tussen individu en gemeenschap over de wijze waarop iemand zich voordoet of zijn rol speelt. Daarom hebben anderen dikwijls nog meer aandeel aan het in standhouden van de Persona dan het individu zelf. De Persona is een schijnwerkelijkheid.
Het ik-bewustzijn is voornamelijk identiek mat de Persona.
Door deze eenzijdigheid van het bewuste werkt het onbewuste compenserend en contrasterend d.m.v. collectieve fantasieën.
Het inzien van de identificaties van het ik door het bewustzijn, betekent een zich daarvan onderscheiden en een 'tot zichzelf komen'. Dit valt meestal samen met de herleving van een archaïsch godsbeeld.
Het collectieve onbewuste uit zich in dromen in kosmische eigenschappen: oneindigheid van tijd en ruimte, astrologische analogieën, mythologische en religieuze motieven, vliegen door de lucht, zich bevinden op onbekende plaatsen.
Het oplossen van de Persona wordt gevolgd door collectieve fantasieën en dromen, wat een psychische evenwichtsstoring betekent, die noodzakelijk is om een nieuwe ontwikkeling op gang te brengen. De energie die door het opgeven van verdringing en identificatie het bewuste verliet, heeft het collectieve onbewuste tot nieuw leven gewekt.
Het verlies van het geestelijke evenwicht is doeltreffend, want het vervangt het falende eenzijdige bewustzijn door de automatische, natuurlijke en instinctieve werkzaamheid van het onbewuste, die zich richt op de vorming van een nieuw evenwicht, met het Zelf als middelpunt, mits het bewuste in staat is de onbewuste inhouden te assimileren, te begrijpen en te gebruiken.

terug naar de Inhoud

De poging tot bevrijding van de individualiteit uit de collectieve psyche
Bij de ondergang van het ik keert de psyche weer terug tot de chaos van het eerste begin, men valt in de collectieve psyche terug, dat de leiding overneemt. Op dat kritieke ogenblik treden reddende gedachten op of een visioen of een 'innerlijke stem', dat een nieuwe richting aan het leven geeft.
Maar het kan ook een catastrofe betekenen, die het leven vernietigt.
Het collectieve onbewuste is de bron van psychische energie, van waaruit de psychische elementen ons toevloeien.
Slechts dat wat iemand werkelijk is, kan genezende kracht brengen.

terug naar de Inhoud

Deel II

De functie van het onbewuste
Individuatie is: zelfverwerkelijking.
De vorming van een eenzijdig ontwikkeld ik in de vorm van bijvoorbeeld een Persona-identificatie is in feite een 'ont-zelving'. (Persona-identificatie: vereenzelviging met het zelfbeeld)
Individualisme is een opzettelijke en nadrukkelijke accentuering van de eigenaardigheid in tegenstelling tot de collectieve belangen en verplichtingen. Het is het wederrechtelijk tot algemene geldigheid verheffen van de eigen gedachten en gevoelens.
Individuatie betekent juist een evenwicht tussen individuele en collectieve belangen.
Het menselijk individu bestaat als levende eenheid uit louter universele factoren. De individuatie streeft naar een zo goed mogelijk samenwerken van die factoren. Het doel van de individuatie is: het Zelf te bevrijden uit het bedrieglijke omhulsel van de Persona, het ik, en uit de suggestieve macht van onbewuste voorstellingen. (terwijl die onbewuste voorstellingen weer zijn ontstaan uit de verdringingen van het zich eenzijdig ontwikkelende ik)
De onbewuste werkzaamheid (kan dat eigenlijk wel?) uit zich in stemmingen, dromen, fantasieën, visioenen, onbegrijpelijke handelingen, versprekingen.
Deze onbewuste voorvallen hebben een compensatorisch verband met het bewuste. Bewust en onbewust vullen elkaar wederzijds aan tot een geheel, tot het Zelf.
De onbewuste invloed op het bewuste ik vormt een zelfregulering van de psyche.
Hoe meer men door zelfkritiek en door overeenkomstig handelen zich van zichzelf bewust wordt, hoe meer de laag van het persoonlijk onbewuste verdwijnt. Hierdoor ontstaat een persoonlijkheid die niet meer in een bekrompen en persoonlijk gevoelige ik-wereld is gevangen.
Door de opoffering van het ik is het bewustzijn een functie geworden.
De collectieve droom komt voort uit een conflict van verschillende houdingen en moet in verband worden gebracht met de bewuste houding, die hij compenseert. De mens die te ver van het onbewuste is afgedwaald, wordt door de droom a.h.w. gedwongen zich met het probleem bezig te houden.
Legitiem zijn de onderzoekingen van het collectieve onbewuste slechts dan, wanneer ze uit een diepe en waarachtige, individuele behoefte voortkomen; illegitiem wanneer het intellectuele nieuwsgierigheid betreft.
Het onbewuste schept slechts betekenisvolle beelden. Niet alleen is dit onbewuste spontaan, maar het kan zelfs de leiding nemen. (het zijn namelijk je geestelijke begeleiders) De neurose kan worden opgevat als een poging van het onbewuste de aandacht op het probleem te richten en is in diepste wezen een drang tot zelfverwezenlijking.
Ieder scheppend mens weet, dat het 'toeval' een grote rol speelt bij het scheppend bezig zijn. Het onbewuste is namelijk niet slechts een reactief spiegelbeeld, maar ook een zelfstandige, productieve werkzaamheid (je geestelijke begeleiders) en een ervaringsgebied met een eigen realiteit waarmee een wisselwerking bestaat, evenals er een wisselwerking bestaat met het ervaringsgebied van de uiterlijke wereld. Evenals hierin de materiële dingen de opbouwende factoren zijn, zijn de psychische factoren het voor die andere wereld.

terug naar de Inhoud

Animus en anima
Denken en gewaarwording (uitgekeerd waarnemen) zijn meer mannelijke functies, voelen en intuïtie (ingekeerd waarnemen) meer vrouwelijke.
Er bestaat geen menselijke ervaring en er zou zelfs geen ervaring mogelijk zijn, zonder 'subjectief bereidzijn'. Dit bestaat uit een aangeboren 'psychische structuur', die de mens in staat stelt ervaringen op te doen (waarnemen).
Zo vooronderstelt het oog licht, de darm voedsel, het oor geluid; op psychisch gebied vooronderstelt het wezen van de man de vrouw, de moeder het kind, het kind de ouder, enz.
De vorm van de psychische wereld waarin de mens wordt geboren, is hem reeds als virtueel beeld aangeboren, zoals ook de zintuigen geheel zijn ingesteld op het fysische aspect van de wereld.
Zo zijn ouders, vrouw, huwelijk, kinderen, geboorte en dood als virtuele beelden aangeboren, zij worden als een collectieve oersituatie herkend. Daarom heten deze beelden oerbeelden of archetypen. Zij zijn van aprioristische aard. (Daar zij tot de natuur behoren, zijn zij van instinctieve, aangeboren aard. Er is een instinctieve behoefte aan ouders, man, vrouw, kinderen, enz.. Deze beelden zijn aanvankelijk onontwikkeld. Pas door de levenservaring gaan deze beelden zich ontwikkelen tot een bepaalde omklede voorstelling, b.v. 'zo is de vrouw')
Er bestaat in het onbewuste van de man een collectief beeld van de vrouw, dat hem helpt haar wezen te begrijpen, en omgekeerd. Bij de man heet dit beeld de Anima, bij de vrouw Animus. (Het Latijnse woord 'anima' is de vrouwelijke vorm van 'ziel', 'animus' is de mannelijke vorm van 'ziel')
Dit zij halfbewuste, psychische complexen (samengestelde beelden) met een gedeeltelijk autonome functie (bij de man het onontwikkelde voelen, bij de vrouw het onontwikkelde denken).
De autonomie van het zielecomplex ondersteunt de voorstelling van een onzichtbaar, persoonlijk wezen, dat in een andere wereld leeft (het onbewuste) dan het onze.
Tussen Persona en Anima bestaat een compensatorisch verband (de persona bevat de ontwikkelde vermogens. de anima de onontwikkelde)
De Persona is een gecompliceerd complex (een samengestelde voorstelling) of systeem om het individuele bewuste met de gemeenschap te verbinden, het is een masker (de letterlijke betekenis van het Griekse 'persona') dat indruk op anderen moet maken en waarachter men zijn ware aard kan verbergen, dat wat men het privé-leven noemt.
De identificaties met de Persona zijn een bron van neurosen. De mens kan zich niet ongestraft van een deel van zichzelf ontdoen, ten gunste van een kunstmatige, eenzijdige persoonlijkheid. Dit veroorzaakt onbewuste reacties, grilligheid, affecten, angst, dwangvoorstellingen, zwakheden. enz.
In dezelfde mate als het 'ik' zich identificeert met de Persona, is het ik prijsgegeven aan de inwerking van het innerlijk. Van binnenuit dringt het tegendeel naar voren (het onontwikkelde vermogen laat zich gelden). De Persona, het ideaalbeeld van de man, wordt innerlijk gecompenseerd door vrouwelijke zwakheid (terwijl het ideaalbeeld van de vrouw innerlijk wordt gecompenseerd door mannelijke hardheid); hoe meer het individu naar buiten de sterke man speelt, hoe meer hij van binnen de zwakke vrouw wordt, de Anima, want de anima stelt zich tegenover de Persona.
(Hoe meer de geest zich met de Persona vereenzelvigt, hoe meer het innerlijke evenwicht verstoord is en hoe meer deze functies autonome complexen worden, die zich in dromen en fantasieën gepersonifieerd voordoen. Bevrijd het ik zich uit de vereenzelviging, dan vloeit de aandacht ook weer naar het innerlijk waardoor dit in evenwicht komt.)
Daar het ik zich met de uiterlijke Persona vereenzelvigt, blijft de anima in het duister en onbewust, waardoor zij wordt geprojecteerd. Een eerste vereiste voor individuatie is het zich leren onderscheiden van de Persona en het zich bewust worden van de onzichtbare band met het onbewuste, de Anima.
De onbewuste factoren zijn even werkelijk als de machten die het gemeenschapsleven regelen; Beide zijn in gelijke mate collectief. Het ik is meestal weinig meer dan een speelbal van uiterlijke en innerlijke eisen.
Het conflict der tegenstelling tussen innerlijk en uiterlijk is de energiebron voor het levensproces, de potentiële spanning die onontbeerlijk is voor zelfregulatie (de spanning tussen introversie en extraversie). Juist doordat zij op elkaar zijn aangewezen, komen zij samen in een middelpunt, dat in het individu zelf ontstaat.
Ieder autonoom complex heeft de neiging om gepersonifieerd op te treden. De Persona treedt op als een persoonlijkheid, maar ook de Anima en het ik kan in verwarring geraken welke nu de ware persoonlijkheid is.
Zolang een autonoom complex onbewust blijft, wordt het geprojecteerd, want al het onbewuste wordt geprojecteerd (zodra een geschikte projectiedrager aanwezig is).
De eerst draagster van de Animaprojectie is de moeder, later al die vrouwen die positieve of negatieve gevoelens bij de man opwekken. Het zich losmaken van de moeder betekent het terugnemen van de projectie en dat is een zeer moeilijk proces, opvoedkundig van de eerste orde.
Zoals de vader voor de zoon een voorbeeld voor de Persona wordt, is de moeder een voorbeeld voor de houding tegenover het onbewuste. (Zoals de moeder voor de dochter een voorbeeld voor de Persona wordt, is de vader een voorbeeld voor de houding tegenover het onbewuste)
Blijft de Anima onontwikkeld door eenzijdige ontwikkeling van het ik, dan blijft het verbonden met het moeder-imago (moederbeeld), wat dan als zodanig op de vrouw wordt geprojecteerd. Het gevolg is dat de man zich als een kind tegenover de vrouw gedraagt en of kinderlijk en overgevoelig is of veeleisend en verwend en bezorgd voor zijn prestige (eer).
Zo zoekt de man bescherming bij de 'moeder' en de vrouw bij de 'vader'.
De eenzijdige gerichtheid van het ik kan worden overkomen door het onbewuste materiaal (dromen, fantasieën) dezelfde waardering en aandacht te geven als de buitenwereld.
Mensen zonder Persona zijn naïef en roerend als kinderen, maar zij maken tactloze opmerkingen en beseffen niet wat zij doen (hebben geen zelfbesef). Zij zien nooit de wereld zoals die is, maar alleen zoals zij zich die voorstellen.
De mens met een goed zittende Persona heeft niet het minste begrip voor het bestaan van innerlijke realiteiten.
De wereld is evenzeer buiten mij als in mij en de realiteit omvat zowel het uiterlijke als het innerlijke leven. Aan beide moet de mens zich leren aanpassen. De mens die alleen naar buiten leeft, kan daar een moderne Europeaan zijn, maar binnen is hij een holbewoner.
Het gaat er nu om een juist begrip te krijgen van de machten en factoren (van Latijn 'facere', maken, dus oorzaken) uit de andere wereld. Daartoe moet men gesprekken voeren met zichzelf. Dat kan, daar de psyche een geheel is van autonome complexen, waaronder het ik.
Door de verdringing door het ik was het onbewuste gedwongen zich emotioneel en primitief te uiten; nu moet men de andere partij, het onbewuste, de gelegenheid geven zichzelf kenbaar te maken. Men moet oefenen met zichzelf te praten, zonder de kritiek van het verstand.
Men krijgt begrip voor het leven van de andere zijde door de levens te lezen van hen, die werkelijk naar hun godsdienst leefden.
De dingen der innerlijke wereld hebben een grotere subjectieve invloed op ons, naarmate ze onbewuster zijn. Wie zijn beschaving op een hoger peil wil brengen, moet daarom de animawerking naspeuren en proberen te begrijpen. De eisen van de innerlijke en uiterlijke wereld moeten beide in acht worden genomen, ondanks het eventuele conflict dat daaruit kan voortkomen.
Maar voor de middenweg waarop deze beide tegenstellingen (extraversie en introversie) worden verenigd, heeft het Westen nog niet eens een begrip gevonden, zoals bijvoorbeeld het Tao.
De mens gaat uit van de naïeve gedachte baas te zijn in eigen huis. Wij zijn wel de bewoner van een huis, maar het huis zelf en alles wat daarin gebeurt, behoort ons niet toe. Evenmin hoeven onze medemensen dezelfde psychologie te hebben als wijzelf.
Onderscheidenheid is conditio sine qua non van het bewustzijn. Al het onbewuste is dus niet onderscheiden (de alchemistische 'massa confusa').

Alles wat persoonlijk, subjectief is, vindt de vrouw in de regel boeiender dan objectieve feiten en hun onderlinge verband, vooral persoonlijke verhoudingen.
De Anima uit zich meestal in stemmingen (onbeheerste gevoelens), de Animus uit zich in collectieve meningen ('men' zegt toch altijd dat ...), irrationele vooroordelen, die bij de man irritatie veroorzaken.
De Anima is monogaam, verschijnt als één persoon, de Animus is polygaam, verschijnt als meervoud, collectief.
De Animus doet zich voor als een verzameling 'vaders' of autoriteiten, die onaanvechtbare oordelen uitspreken. De Animus is een schatkamer vol vooroordelen en meningen. De uitspraken worden gedaan in de vorm van: 'men zegt toch dat ...', 'vroeger zei men altijd ...', 'iedereen zegt toch dat ...', 'het werd toch altijd zo gedaan ...'.
De Animus is dus: primitief, collectief denken, de Anima is: primitief, collectief voelen. De Anima vervangt het gehate denken door meningen, de Anima vervangt gevoelsuitingen door sentimenten, die onbeheerst zijn (m.a.w. de Anima is het onontwikkelde voelen in de mannelijke geest, de Animus is het onontwikkelde denken in de vrouwelijke geest).
De Animus lokt altijd de Anima uit haar tent, de man wordt dan giftig.
De man of de vrouw die door resp. Anima of Animus overheerst wordt, lijdt aan een psychische geslachtsverwisseling, die daaruit voortkomt dat de functie, die naar binnen gericht behoorde te blijven als brug naar het onbewuste, naar buiten gaat werken, dus als een extraversie van de Anima of Animus.
Als beide bewust kunnen worden gemaakt, houden zij op zich als autonome complexen te gedragen. Zij worden dan een functie (bewust beheerst vermogen) die een weg opent naar het onbewuste, i.p.v. een storende personificatie.
Niemand is in staat iets werkelijk te begrijpen zonder het zelf te hebben ondervonden.

terug naar de Inhoud

De techniek van het onderscheid tussen het ik en de figuren van het onbewuste
In de opeenvolging van de fantasieën en de verwerking ervan wordt geleidelijk de verdwijning van de autonomie van het complex, door de bewustwording ervan, zichtbaar. Deze verandering is het doel van de gedachtewisseling met het onbewuste. De onbewuste voorstellingen die in de vorm van dromen en fantasieën het bewuste bereiken, moeten worden verwerkt, doorleefd. Niet alleen intellectueel verklaard. Met het verstand kan alles volkomen juist worden ingezien, maar daarmee blijven de gevoelens dezelfde.
De libido (letterlijk 'ik wil', dus geestkracht, in Jungs termen 'psychische energie') is nooit anders te benaderen dan in een zekere vorm, zij drukt zich altijd uit in beelden, fantasiebeelden, dromen, ideeën. (Geestkracht is immers een 'bewuste kracht', die zich uit in licht en warmte. Dat licht verschijnt als een lichtbeeld en daarmee is de kracht als warmte verbonden). Wij kunnen de libido alleen bevrijden uit het onbewuste wanneer wij ons met deze beelden bezig houden. (Wij kunnen de geestkracht, die door verdringing aan de verdrongen ervaring is gebonden, alleen weer vrijmaken door deze ervaring alsnog te verwerken.)
De ziel heeft haar doel, dat aan gene zijde van ons bewuste doel ligt en daar zelfs vijandig tegenover kan staan. Doch slechts dan vinden wij een vijandig optreden van het onbewuste tegenover het bewuste, als dit zich op een verkeerde of aanmatigende wijze gedraagt.
Het onbewuste heeft een onaantastbaar overwicht, d.w.z. het beschikt over een aantrekkingskracht die in staat is alle waarde te ontnemen aan de bewuste inhouden, m.a.w. de libido aan de bewuste wereld te onttrekken, waardoor een 'depressie' ontstaat. Er ontstaat dan een opeenhoping van psychische energie in het onbewuste, waardoor dromen en fantasieën ontstaan.
De bewuste houding kan zo eenzijdig zijn, dat het onbewuste ertegen in opstand komt, d.w.z. de natuur zelf. (Hier stelt Jung het 'onbewuste' dus gelijk aan de 'natuur'.) Maar die functies, die nodig zijn om de eenzijdigheid op te heffen, zijn nu juist in datzelfde onbewuste te vinden. (Het zijn die vermogens in zichzelf, waarvan de geest zich niet bewust is en ze daardoor niet bewust gebruikt.)
Wordt het beeld dat het onbewuste produceert door het bewuste begrepen en aanvaard, dan is weer een klein stukje energie uit het onbewuste in het bewuste overgegaan. ( De geest is er in geslaagd een bepaald vermogens beter te gebruiken en de ermee samenhangende voortbrengselen te begrijpen en te verwerken.)
Het gaat erom dromen en fantasieën ernstig te nemen, zodat men bestaansrecht en waarde aan het onbewuste toekent. (Ergens aandacht aan besteden betekent ergens waarde aan hechten) Het onbewuste moet worden doorleefd.
De fantasiebeelden mogen niet concreet worden gemaakt. De mens heeft een beangstigende neiging om dit te doen. Alle onwil tegenover fantasieën en alle kritische afbreken ervan komt voort uit angst door de neiging fantasiebeelden concreet te zien.

Werkelijk is alles wat werkt. En fantasieën werken. Daarom moeten ook de uitingen van het onbewuste ernstig worden genomen. Maar men mag de fantasieën niet als concreet opvatten. Het blijven beelden, door het onbewuste deel van de ziel geproduceerd.
Fantasieën beelden iets anders uit. (Het zijn zinnebeelden) Daarom moeten we de schijn, het fantasiebeeld, niet verwarren met wat erachter ligt.
Verschillende dingen werken op ons in; van buiten door onze zintuigen, van binnen door onze intuïtie.
Fantasiebeelden zijn zinnebeelden, symbolen, beelden met een er achterliggende zin.
De scherpe tegenstelling en afscheiding tussen bewust en onbewust, die zo duidelijk wordt aangetroffen bij neurotici en bij tot conflicten neigende naturen, berust altijd op een opmerkelijk eenzijdige instelling van het bewuste, waarbij één functie de voorrang krijgt en de andere op de achtergrond wordt gedrongen.
Komt het tot een tweegesprek tussen bewuste en onbewuste, dan vindt een diepgaande verandering van de persoonlijkheid plaats. Dit vermogen van de menselijke ziel om zich te kunnen veranderen, noemt Jung de transcendente functie, het voornaamste onderwerp van de alchemistische filosofie. (Instincten daarentegen zijn aangeboren, van tevoren vastgelegde in onveranderlijke gedragspatronen).
Het geheim van de alchemie bestond uit de transcendente functie: de verandering der persoonlijkheid door het vermengen en verbinden van edele en onedele bestanddelen, van gedifferentieerde en ongedifferentieerde functies, van het bewuste en het onbewuste. (M.a.w. het doel was het ontwikkelen en evenwichtig gebruiken van alle geestelijke vermogens en daarmee vervolgens het verwerken van verdrongen en onverwerkte inhouden van de ziel)
De persoonlijkheidsverandering heeft tot doel het middelpunt van de persoonlijkheid te bereiken, het Zelf. (Het middelpunt van de persoonlijkheid is de persoon. Die persoon is de menselijke geest)
Bij de assimilatie van het onbewuste naderen het bewuste en het onbewuste elkaar, waarbij het centrum van de totale persoonlijkheid niet meer met het ik samenvalt, maar met een punt midden tussen het bewuste en onbewuste.
De transcendente functie komt voort uit de vereniging van de tegenstellingen. De methode van de transcendente functie is geheel individueel.
Naarmate de mens actief deelneemt aan de fantasieën, verdwijnt de personificatie van de Animus en de Anima, die dan een functie wordt in de verhouding tussen bewust en onbewust. Als de onbewuste inhouden (dromen en fantasieën) niet verwerkt worden, blijven Animus en Anima als autonome complexen in gepersonifieerde toestand bestaan. Er ontstaan dan toestanden van bezetenheid door Animus-Anima, de mens 'is zichzelf niet meer', van gewone stemmingen tot aan psychose toe. Het onbewuste heeft de macht gekregen, waar een dwang van uitgaat zo te zijn en te handelen als men zelf, het bewuste ik, niet is. Dit onenig zijn met zichzelf is de neurotische toestand.
De geïntroverteerde vindt het onbewuste in zichzelf, de ge-extraverteerde als projectie op uiterlijke zaken, projectiedragers.

De individuatie is een heilig ideaal, wat evenzeer het oerchristelijke ideaal is van het Rijk Gods, dat 'in u' is. Dit ideaal is gegrondvest in het denkbeeld dat uit een goede gezindheid ook goede daden voortkomen.

terug naar de Inhoud

De Mana-persoonlijkheid
(Het begrip 'mana' komt van de Afrikaanse negers. Zij duiden er een geestelijk overwicht mee aan, zoals het stamhoofd dat heeft. In het westen heet dit ook wel 'uitstraling', 'persoonlijkheid')
Het gaat om de overwinning op de Anima als autonoom complex en haar verandering tot functie (het bewust leren gebruiken van het voelen) bij de verhouding tussen het bewuste en het onbewuste. (Bij Jung bestaat het bewuste uit dat gedeelte van de geestelijke vermogens dat de geest bewust beheerst en dat gedeelte van de inhouden van het geheugen dat de geest kent; het onbewuste bestaat uit dat gedeelte van de vermogens dat de geest niet bewust beheerst en dat gedeelte van de inhouden van het geheugen dat de geest niet kent, grotendeels door verdringing)
Door dit proces verliest de Anima de demonische macht van het autonome complex, zij wordt tot een psychische functie van intuïtief karakter en zo niet meer de psychische factor die zich op de meest ongelooflijke wijze aan de bewuste wil kan onttrekken.
Als de Anima de psychische energie (mana) verliest dan gaat die naar de overwinnaar, het bewuste ik. Zo wordt dit ik tot een manapersoonlijkheid. Maar door de inflatie van het bewustzijn dat hierdoor volgt, kan alles weer worden vernietigd wat werd gewonnen in de strijd met de Anima. Het ik heeft zich iets toegeëigend, wat het niet toebehoort. De tweespraak tussen bewuste en onbewuste moet niet de heerschappij brengen van het bewuste over het onbewuste, maar moet beide werelden in evenwicht brengen! Het ik moet geen aanspraak maken op macht. De psychische energie is nu in het midden terecht gekomen en brengt het Zelf tot leven, als resultaat van de energetische spanning tussen bewust en onbewust.
De werking van het onbewuste is te beschouwen als een zuiver natuurproces. Het doel van het ontwikkelingsproces is een bewustwording van onbewuste inhouden (een bewustwording van de onbeheerste geestelijke vermogens en de daarmee verbonden onverwerkte inhouden), waarbij Anima en Animus een functie worden in de verhouding met het onbewuste. Tot dan zijn zij autonome complexen, storende factoren die door de controle van het bewuste heenbreken (wat de geest niet kent kan de geest ook niet beheersen) en zich als rustverstoorders gedragen.
Wie het onbewuste met zijn complexen heeft doorgrond en overwonnen, heeft zichzelf bevrijd, hij is psychologisch zindelijk geworden en het ik is onaantastbaar geworden, onversaagd als oppermens, superieur als Wijze, zoals bijvoorbeeld Napoleon en Lao tse. Jung noemt deze persoonlijkheid een 'mana-persoonlijkheid'. Zij komt overeen met een archetype uit het collectieve onbewuste, dat van de Held, de mens met goddelijke kracht. In zekere zin zijn priester en arts nog steeds zulke Manapersonen.
Tijdens het ontwikkelingproces komt haast altijd een moment voor van identificatie met het archetype van de Held, de manapersoonlijkheid, zij het van voorbijgaande aard. Het kan haast niet anders of men gaat zichzelf een beetje bewonderen vanwege het diepe inzicht dat men heeft gekregen, boven anderen. De anderen (de volgelingen) hebben veelal ook de behoefte aan zo'n superieure persoonlijkheid (de goeroe).
De bezetenheid door een oertype maakt echter dat de mens een collectieve figuur wordt, een masker waarachter het menselijke zich niet verder kan ontwikkelen, waardoor de persoonlijkheid in verval raakt.
Men moet zich dus bewust blijven van het gevaar door het oerbeeld van de manapersoonlijkheid te worden beheerst, voor het gevaar van vereenzelviging van het ik met het oerbeeld van de Held (de profeet, de wereldhervormer).
Het leren begrijpen van de Anima betekent dat men inzicht heeft gekregen in de stuwende machten van het onbewuste, niet dat ze werkeloos zijn gemaakt (Sint Joris en de draak, die door hem wordt beheerst!).
Macht staat tegenover macht. Als het ik macht uitoefent op het onbewuste, dan reageert het onbewuste met een subtiele aanval, in de vorm van de verleiding van de manapersoonlijkheid. Daardoor wordt het ik weer in de boeien geslagen, nu niet door het archetype der Anima, maar door het archetype van de Held (... wie zichzelf zoekt, wacht de toorn van God. Joh. 3:36)
Daartegen kan men zich alleen beschermen door zijn eigen zwakheid te erkennen tegenover de machten van het onbewuste. Dan stellen wij geen macht tegenover het onbewuste, waardoor wij het onbewuste ook niet provoceren. Het onbewuste bestaat uit natuurlijke functies, die buiten het bereik van het menselijke persoonlijke liggen (het zijn o.a. de geestelijke begeleiders). Alleen het bewustzijn is persoonlijk.
DE provocatie van het onbewuste is een verstoring van het psychische evenwicht door de eenzijdige, blinde houding van het bewuste. Het onbewuste reageert automatisch met een compensatie. Deze maakt het bewuste belachelijk. Het is a.h.w. de 'wraak' van de beledigde goden(!).
Het bewustmaken van de inhouden die het archetype van de manapersoonlijkheid (de Held) opbouwen, betekent voor de man de tweede en waarachtige vrijmaking van de vader, voor de vrouw van de moeder en daarmee het eerste besef van individualiteit. Dit betekent de losmaking van de 'vleselijke' ouders en de wedergeboorte in de toestand van het 'geestelijke kind zijn' (door de doop) zoals dat ook door het Christendom wordt geformuleerd.
Maakt men echter het beeld van de manapersoonlijkheid concreet (waartoe de mens een onbedwingbare neiging blijkt te bezitten) als een bovenwereldse 'Vader in de Hemel' met het attribuut van absoluutheid (letterlijk: afgetrokkenheid), dan wordt aan het onbewuste een even absoluut overwicht verleend t.o.v. het bewustzijn, waardoor alle waarde naar boven wordt afgevoerd.
Absoluut (Latijn absolutus) betekent: bevrijd, losgemaakt. Een absolute God staat buiten de samenhang met de mensen en de behoefte daaraan komt voort uit de vrees dat God psychologisch (persoonlijk) zou kunnen worden, m.a.w. reëel. De kerk nu schijnt een magisch werktuig te zijn om de mens hier tegen te beschermen.
Het gevolg hiervan is dat er slecht een minderwaardig, met zonden belast hoopje mens overblijft (door de erfzonde). Deze oplossing is een historische wereldbeschouwing geworden (van het Christendom).
Als ik echter de hoogste waarde op de zijde van het onbewuste overbreng, moet ik ook een duivel bedenken die het hoogste goed in psychologisch evenwicht houdt. Maar het is natuurlijk ondenkbaar dat ik mijzelf met de duivel vereenzelvig.
Vermijd ik het echter de manapersoonlijkheid te concretiseren en geen godheid van hem maak, dan vermijd ik ook de projectie van waarde en onwaarde op God en duivel, waardoor de ziel leeg wordt en ik mijn waarde als mens verlies, die ik zozeer nodig heb om geen speelbal van onbewuste machten te worden.
Er zijn factoren in het onbewuste waar wij ons bij moeten neerleggen.
Onze ziel bevindt zich tussen belangrijke invloeden van binnen en buiten, en aan beide moeten wij recht laten wedervaren.
Zo vinden wij na de verdwijning van de manapersoonlijkheid door het bewust maken van haar inhouden, geleidelijk onszelf terug, als een levend en op zichzelf staand iets, dat is ingeklemd tussentwee werelden met hun duidelijk gevoelde krachten.
Dat 'iets' (de menselijke geest) is ons vreemd en tegelijkertijd toch dichtbij, het is geheel onszelf en toch ondoorgrondelijk voor ons (door de geestesgesteldheid van onbewuste vereenzelviging met de stof), het is een virtueel middelpunt, het Zelf, met een geheimzinnige consistentie (het is de geest als 'bewuste kracht'). Dit 'iets' eist alles en het is heilzaam naar deze stem te luisteren.
Dit Zelf zou evengoed als de 'God in ons' aangeduid kunnen worden. Het begin van ons hele zieleleven schijnt onontwarbaar uit dit punt te ontspringen en alle draden die naar het hoogste doel lopen, schijnen erop gericht te zijn. Het Zelf en het ik kunnen niet met elkaar verwisseld worden.
Het begrip 'God' is psychologisch te formuleren als de onafhankelijkheid van sommige psychische inhouden, die tot uiting komt in het vermogen onze bewuste wil te doorkruisen, het bewuste te obsederen en onze stemmingen en handelingen te beïnvloeden.
Verreweg de meesten kunnen niet buiten autoriteit, leiding en wetten. Slechts weinigen zijn in staat hun geweten in de plaats van de wet te stellen.
De opvatting van God als een autonome, psychische inhoud maakt God tot een moreel probleem, wat ongemakkelijk is. Maar als deze problematiek niet bestaat, dan is ook God niet werkelijk, want dan grijpt hij nergens in ons leven in. Dan is God niets dan een historisch begrip of een filosofische spitsvondigheid.
Het Zelf zou gekarakteriseerd kunnen worden als een soort compensatie voor het conflict tussen innerlijke en uiterlijk. Het Zelf is evenzeer het levensdoel, want het is de meest volledige weergave van het geheel van mogelijkheden die men individu (persoon) noemt.
Het doel der individuatie is bereikt, wanneer het ik geen tegenstelling vormt met welk deel van de ziel ook en het er ook niet aan onderworpen is, maar ermee samenhangt.
Het ik is de enige inhoud van het Zelf, die wij kennen. Het geïndividueerde ik wordt ondervonden als het object van een onbekend en oppermachtig subject, het Zelf (door de vereenzelviging met de tijdelijke persoonlijkheid beseft de persoon niet de eeuwige menselijke geest te zijn). Het Zelf blijft dus een transcendent postulaat.


terug naar het literatuuroverzicht






^