Jakob Lorber - Bijbelteksten en hun verborgen betekenis (Hoofdstuk 8)



Christus Pantokrator
Noord-Rusland
"En Hij, Jezus, toen Hij optrad, was ongeveer dertig jaar, een zoon naar men meende van Jozef." (Lukas 3:23)

Hij was ongeveer dertig jaar toen Hij begon te onderwijzen en men meende dat Hij de natuurlijke zoon was van Jozef, de timmerman.
Wie is deze 'Hij'? Deze 'Hij' is de Heer zelf, die in alle eeuwigheid dezelfde Heer was en zal zijn! Maar hoe kon Hij ongeveer dertig jaar zijn, Hij die eeuwig is? De Eeuwige schiep Zichzelf hier voor de eerste en laatste keer tot mens en als mens moest Hij ook rekening houden met de tijd, die van eeuwigheid af aan uit Hem voortkwam.
Hij was bijna dertig jaar. Wat wil dat zeggen? Kon Hij als God dertig jaar zijn? Zeker niet, want Hij was eeuwig; dus slechts als mens kon Hij dat zijn. Hij begon toen te onderwijzen. Hoe dan? Als God of als mens? Door de bijzin: "En men meende dat Hij de zoon van Jozef, de timmennan, was" blijkt duidelijk, dat de nauwelijks dertigjarige 'Hij' niet als God, maar als mens het leraarschap op Zich nam. Want de God in Hem stond in dezelfde verhouding tot de nauwelijks dertigjarige timmennanszoon als de innerlijke geest staat tot elk mens. Deze moet eerst door passende uiterlijke werken, voortvloeiend uit liefde, worden opgewekt, voordat Hij als zelfstandig wezen eigenmachtig kan optreden.

Deze, naar Zijn uiterlijk te oordelen, nauwelijks dertigjarige zoon van Jozef de timmennan, begon dus Zijn leraarschap geheel als mens en geenszins als God. De Godheid werd in Hem slechts bij bepaalde gelegenheden werkzaam, naarmate Hij die door Zijn werken als mens in Zich vrijmaakte. Maar als er geen werken nodig waren, kwam Zijn Godheid niet naar voren.
Vraag: hoe kon deze nauwelijks dertigjarige mens als leraar optreden; hiervoor is toch een grote geleerdheid vereist, hetgeen veel studie en een grote belezenheid veronderstelt. Waaraan ontleende Hij deze wijsheid?
Want we kennen Hem immers? Hij is de zoon van de timmerman en we hebben Hem het beroep van Zijn vader vaak genoeg zien uitoefenen. We weten dat Hij nooit scholen heeft bezocht; ook kunnen we ons nauwelijks herinneren of Hij ooit bij gelegenheid wel eens het boek ter hand nam en daarin las. Hij was tot op dat moment een gewone handwerker en zie, nu is Hij leraar en Zijn leer is stichtelijk en vol diepzinnige wijsheid, ofschoon voor het overige de timmerman in Hem nog duidelijk te herkennen is. Hoe lang is het eigenlijk geleden dat Hij met Zijn broers een ezelsstal voor ons bouwde? Kijk maar eens naar Zijn vereelte timmermanshanden en zie, nu is Hij leraar en zelfs profeet zonder ooit de profetenschool van de Essenen van binnen te hebben gezien. Hoe moeten we dit nu opvatten?"

Kijk, dit is een letterlijke weergave van hoe men sprak over de timmermanszoon in Kapernaüm. Hieruit blijkt dus duidelijk dat aan deze nauwelijks dertigjarige timmerman niet zoveel goddelijks te zien was, want anders had men toch wel op een andere manier over Hem gesproken. Waar haalde deze volkomen zuivere mens dan Zijn leraarschap vandaan, want Hij had niet gestudeerd en evenmin veel gelezen. Deze mens ontleende Zijn bekwaamheid als leraar alleen aan Zijn optreden.
Zijn handelen kwam alleen voort uit Zijn voortdurende grote liefde voor het goddelijke en dus ook uit Zijn liefde tot de naaste. Elke daad droeg Hij aan God op, waarbij Hij nooit Zijn eigen voordeel, maar alleen dat van Zijn naaste voor ogen hield. Bovendien wijdde Hij elke dag drie uur in algehele rust aan God.
Zodoende wekte Hij steeds meer de in alle volheid in Hem sluimerende Godheid in Zich op en bond die naar gelang de mate en graad van Zijn werken aan Zich. En toen Hij, zoals gezegd, amper de leeftijd van dertig jaar had bereikt, was de Godheid in Hem dermate ontwaakt dat Hij door haar geest van wijsheid een dusdanige verheven bekwaamheid had verkregen, dat Hij het bekende leraarschap waartoe Hij geroepen was, kon gaan uitoefenen.

Na deze inleiding vraag Ik jullie of je in deze tekst dat sterk schitterend licht al ziet? Ja, je ziet het al en je ziet ook waar het naartoe gaat. Daarom zullen we de nabeschouwing ook kort houden om de zaak niet nodeloos uit te breiden. Hoe moet derhalve het nawoord luiden? In het kort zo: "Ga heen en doe hetzelfde!"
Denk niet dat men alleen door veel lezen en studeren de goddelijke geest in zich opwekt; eerder doodt men die daardoor en draagt hem dan als een lijk naar het graf. Handel daarom volgens de grondregels van het leven; dan wordt je geest levend en zal in zichzelf alles vinden wat je anders door het lezen van duizend boeken zeker niet gevonden zou hebben! Maar als de geest levend is, kun je ook wel lezen en je zult dan door het lezen of het horen van Mijn woord vruchten verzamelen die een levende kern of grondslag hebben. Zonder voorafgaande opwekking van de geest oogst je slechts lege bolsters van de vrucht, zonder levende kern. Want de levende kern is het innerlijke, levende, geestelijke begrijpen.

Waar zou dat vandaan moeten komen als de geest niet van tevoren vrij en levend gemaakt wordt?
Het lichaam is een uiterlijk omhulsel dat afvalt en vergaat; de ziel is de voeding en het lichaam van de geest [de geestgedaante].

Als je echter alleen maar leest om je uitwendige, natuurlijke inzicht te verrijken, wat moet er dan van de geest worden die nog niet in voldoende mate tot leven is gewekt en het gelezene dus ook niet met zijn levende, geestelijke inzicht opneemt en het van buiten verhuld gelezen woord met zijn levende kern vult en het daardoor pas levend en werkzaam maakt. Daarom geldt hier het aloude beginsel: wees niet alleen hoorders van Mijn woord, maar handel er ook naar; dan pas zullen jullie je levend bewust worden van het Goddelijke daarin!

Overgenomen uit de Nieuwsbrief van de Jakob Lorber Stichting, dec. 2016


terug naar het overzicht

terug naar het weblog







^