Jakob Lorber, De Jeugd van Jezus (Het Jacobusevangelie)

Ankh Hermes, Deventer 1983 ISBN 90.202.4635.6
(Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Inleiding

Door de Heer Zelf medegedeeld als voorwoord op de geschiedenis van Zijn jeugd, en wel door dezelfde spreekbuis, die Hij voor de weergave van dit werk uitkoos in de periode van 22 juli 1843 tot 9 mei 1851

1 Zoals bekend is, leefde Ik in de tijd tot mijn dertigste jaar zoals iedere andere welopgevoede jongen, jongeman en man leeft; ook Ik moest, door mijn leven in te richten volgens de Wet van Mozes, eerst het goddelijke in Mij opwekken, net als iedere mens Mij in zichzelve tot leven moet wekken.
Zo goed als ieder ander ordentelijk mensenkind, moest ook Ikzelf beginnen met aan een God te geloven, waarna Ik Hem in alle denkbare zelfverloochening steeds meer en meer heb moeten omhelzen, en met steeds sterker wordende liefde Mij aldus geleidelijk aan volkomen aan de Godheid heb moeten onderwerpen.
Op die wijze was Ik, als de Heer Zelf, een levend voorbeeld voor iedere mens, en daarom kan iedere mens Mij nu dus ook op precies dezelfde wijze aantrekken als Ikzelf in Mij de Godheid heb aangetrokken, en kan hij door de liefde en het geloof zelfstandig evenzo volledig één worden met Mij, als ikzelf als Godmens in alle grenzeloze volmaaktheid één ben met de Godheid.

[Ter vergelijking tekstgedeelten uit de toespraak van Jezus tot zijn leerlingen tijdens het laatste Avondmaal:
Johannes 17:21-23
17:21 Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
17:22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
17:23 Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één …]

2 Op de vraag hoe de door het Kindje Jezus gedane wonderen, alsmede Diens overige goddelijk-geestelijke werkzaamheden zijn te rijmen met Zijn als het ware daarvan geïsoleerde mens-zijn tijdens Zijn jaren als jongeling en als man, ... en, hoe daarmee dan weer samenhangen de in die jaren verrichte wonderen - gesteld, dat men Hem ook in die jaren nog uitsluitend als mens zou willen denken ... : op die vragen moge als antwoord dienen een vergelijking met de aanblik die een boom biedt in de periode van de lente tot in de herfst:
In het voorjaar bloeit een boom wonderbaarlijk; hij wordt dan door een geweldige activiteit beheerst. Na het afvallen van de bloesem echter wordt hij weer schijnbaar inactief. Tegen de herfst toont de boom weer een enorme activiteit: de op zichzelf reeds wonderbaarlijke vruchten verkrijgen hun kleur en aroma, en zijn dan nog mooier dan de bloesem was. En zijn de vruchten aldus tot rijpheid gekomen, dan wordt de in hen geschonken zegen van de binding aan de boom vrij gemaakt, en die valt dan in de schoot van de ernaar hongerende kindertjes. blz. 15
Dit vergelijkingsbeeld zal men slechts kunnen begrijpen met de ogen van het hart, maar nooit met de ogen van wereldse wijsheid! Immers de bovengenoemde vragen zijn heel gemakkelijk op te lossen, mits je maar van-binnen-uit-zuiver-denken wilt, zonder daarbij de Godheid van Jezus te willen abstraheren, maar die juist vasthoudend in innerlijk geloven, omdat dat juist het licht is, dat voert tot de liefde voor God.
Immers, de volledige eenwording van de Goddelijke Volmaaktheid met Jezus' mensheid is niet ineens, niet plotseling tot stand gekomen, maar geleidelijk aan, zoals zulks onder Gods leiding steeds het geval is; juist zoals bij het geleidelijk ontwaken van de Goddelijke Geest in het mensenhart (alhoewel het Goddelijk Wezen ook reeds in al Zijn Volheid in het Jezuskind aanwezig was, maar Zich van daaruit slechts in noodgevallen door het doen van wonderen manifesteerde).

3 De lichamelijke dood van Jezus is feitelijk de diepste afdaling van de Godheid tot in de staat, waartoe alle materie veroordeeld is, waardoor de totaal nieuwe verhoudingsmogelijkheid tussen Schepper en schepping pas volledig tot stand kwam.
Eerst door de dood van Jezus wordt God-Zelf volledig mens, en door en vanuit die hoogste goddelijke genade-ingreep wordt de geschapen mens tot nieuw-verwekt Kind Gods - tot god dus! Daardoor kan die mens - een schepsel! - als volkomen evenbeeld tegenover zijn Schepper staan! Daarin kan hij nu zijn God zien, zijn Schepper en Vader schouwen, Hem spreken, Hem erkennen en boven alles liefhebben! En daardoor alleen ook is hij in staat het volmaakte onvergankelijke leven in God, uit God en met God te beërven.
Daardoor is echter ook Satans heerschappij (of beter: diens drijven) in zoverre doorbroken, dat hij niet langer bij machte is deze meest intensieve toenadering van de Godheid naar de mensen toe, en omgekeerd die van hen naar de Godheid, te verhinderen.
Nog korter gezegd: Door de dood van Jezus kan de mens zich nu volop met God verbroederen, terwijl het voor Satan onmogelijk is geworden dat nog te beletten, ... en dat is dan ook de reden, waarom tot de vrouwen, die het heilig graf kwamen bezoeken, wordt gezegd: 'Gaat heen en zegt het Mijn broeders' ... Satans wroeten in de uiterlijke dingen moge dan nog steeds merkbaar zijn, ... nooit meer zal hij in staat zijn het eenmaal verscheurde voorhangsel tussen God en de mensen opnieuw aan te brengen; noch ooit opnieuw een onoverbrugbare kloof te doen ontstaan tussen enerzijds de Godheid en anderzijds de mensheid.
Door deze korte uiteenzetting van deze stof nu, kan voortaan iedereen, die bereid is innerlijk, geestelijk te denken en te mediteren, heel gemakkelijk en duidelijk het grenzeloze nut inzien, dat de lichamelijke dood van Jezus voor hem of haar betekent. Amen! blz. 16


Jacobus-evangelie

3
Aankondiging van de geboorte des Heren door een engel. Maria's nederige overgave

Toen Maria nu op een vrijdagmorgen weer eens met de kruik naar buiten ging om water te halen, hoorde zij plotseling een stem, die haar als volgt aansprak:
2. 'Wees gegroet, Gij vol van genade des Heren. De Heer is met U. Gij zijt de Gezegende onder alle vrouwen.'
3. Maria schrok hevig van die stem; zij begreep niet waar die vandaan kwam. Snel keek ze naar links en naar rechts, maar ze kon niemand ontdekken, die gesproken kon hebben. ... .
4. Hierdoor werd ze nog angstiger, pakte ijlings de reeds gevulde kruik en rende terug, naar huis en naar binnen ... .
5. Bevend van schrik kwam zij daar aan, zette eerst de waterkruik op z'n plaats, nam vervolgens het purper weer ter hand, ging op het spinstoeltje zitten en begon toen ijverig verder te spinnen.
6. Ze was echter maar nauwelijks weer op dreef, of zie, daar stond de Engel des Heren voor het nijvere meisje en zei:
7. 'Wees maar niet bang, Maria, want je hebt voor het aanschijn des Heren grenzeloos grote genade gevonden. Je moet namelijk weten dat je zwanger zult worden van het Woord Gods!'; blz. 22
8. Toen Maria dit gehoord had, trachtte zij zich op de betekenis van deze woorden te bezinnen, maar ze kon de zin ervan niet begrijpen. Ze zei dus tegen de Engel:
9. 'Hoe zou dat dan wel moeten gebeuren, ik ben immers niet eens getrouwd? Hoe zou ik dan zwanger kunnen worden zoals andere vrouwen, die wel getrouwd zijn en die kinderen baren? Ik heb niet eens kennis gemaakt met een man, die met mij zou willen trouwen! ... .
10. Nu sprak de Engel opnieuw tot Maria: 'Luister uitverkorene maagd van God! Zó zal het niet gebeuren, maar de Kracht des Heren zal je overschaduwen!
11. Daarom zal het Heilige dat uit je geboren zal worden dan ook de "Zoon des Allerhoogsten" worden genoemd!
12. Bij Zijn geboorte moet je Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn Volk verlossen van al zijn zonden, van het vonnis en van de eeuwige dood.'
13. Maria viel echter voor de Engel op haar knie¨n en ze zei: 'Omdat ik des Heren dienstmaagd ben, geschiede mij naar Zijn Wil, overeenkomstig hetgeen U gezegd hebt!' Toen verdween de engel en Maria ging weer aan het werk.

4.
5. ... ik ben pas een meisje van veertien ...
13. Toen zij deze wooren vormde, voelde Maria zich zachtjes gestreeld door een lichte ademtocht, terwijl een uiterst tedere stem zachtjes tot haar sprak:
14. Maria, maak je geen onnodige zorgen; je hebt ontvangen en de Heer is met je. blz. 23

6 Maria bij Elizabeth
8. Ga moeder, ga vlug, want de moeder van mijn en uw Heer, van mijn en uw God, staat op de deur te kloppen! Zij komt op familiebezoek.
11. O, Maria, jij bevoorrechte onder alle vrouwen, jij bent de Gezegende onder alle vrouwen en gezegend is de Vrucht van je schoot!
16. Nu bezon Maria zich en bedacht wat de engel Gabriël haar had gezegd.
31. Elizabeth bemerkte zeer goed, dat er een goddelijke geest van Maria uitstraalde.

9
Maria's verhaal over de heilige en geheimzinnige gebeurtenissen. Jozefs angst en zijn zorg; zijn besluit om Maria weg te sturen. Wenk van de Heer aan Jozef in een droom. Maria blijft in Jozefs huis

Nu vertelde Maria aan Jozef wat haar was overkomen toen zij nog aan het purperspinsel werkte. Zij besloot haar verhaal met deze plechtige verzekering.
2. 'Daarom Vader zeg ik het nogmaals: Zowaar de Heer van Hemel en Aarde leeft, zo waarlijk ben ik rein en weet ik van geen man iets af! Maar evenmin weet ik iets af van het geheim Gods, dat ik nu, tot mijn eigen groot verdriet onder het hart moet dragen!'
3. Vreselijk geschrokken en als met stomheid geslagen stond Jozef daar nu voor Maria: Maria's woorden drongen diep door in zijn van kommer vervulde ziel; zijn heimelijke vermoedens bleken dus inderdaad bevestigd!
4. Piekerend over wat hem nu te doen stond, dacht hij bij zichzelf:
5. Als ik haar - voor het oog van de wereld onweerlegbare - zonde zou negeren, alsof ik daarin geen kwaad meer zou zien, zal ik ongetwijfeld voor een schender van de Wet worden gehouden, en de daarop staande straf zou ik beslist niet kunnen ontgaan ... .
6. Maar als ik - tegen mijn rotsvaste overtuiging in - haar als een ordinaire zondares bij Israëls zonen zou gaan aangeven, terwijl wat zij onder het hart draagt - en daarin was zij niet mis te verstaan! - nota bene van een engel is. ... ,
7. dan zal ik door God de Heer worden beoordeeld als iemand, die onschuldig bloed uitlevert aan de doodstraf!
8. Wat kan ik dus met haar beginnen? Moet ik haar stilletjes verlaten, dat wil zeggen kan ik haar heimelijk verwijderen uit mijn huis, en haar ergens in de buurt van de Griekse enclave/grens in het gebergte verstoppen? Of zou ik het moeten zien uit te houden tot de dag des Heren, waarop Hij mij Zelf dan wel zal zeggen, wat ik moet doen.
9. Maar stel dat er morgen of overmorgen iemand uit Jeruzalem bij mij komt die Maria zou herkennen, wat dan? Ja, het zal wel het beste zijn dat ik haar in het geheim doe verdwijnen, zonder dat - buiten mijn kinderen uiteraard - iemand anders er iets van te weten komt!
10. Mettertijd zal de Heer haar onschuld zeker doen blijken, dan zal alles weer veilig in orde zijn; ja, zo moet het dan maar, in de Naam des Heren!
11. Jozef deelde dit nu heimelijk aan Maria mee, en zij beloofde zich te zullen schikken in dit goed bedoelde besluit van Jozef, waarna zij, het was inmiddels laat geworden, naar bed ging.
12. Jozef, moe van het vele gepieker, viel eveneens in een sluimer ... en zie, nu verscheen hem een Engel des Heren in een droom, die tot hem sprak: blz. 31
13. 'Jozef, voor Maria, die des Heren zuiverste maagd is, hoef je niet in angst te zitten! Want wat zij onder het hart draagt, is verwekt door de Heilige Geest Gods; en bij Zijn geboorte moet je hem de naam Jezus geven!

11
32. Maar, omdat het meisje nu toch zwanger is, moet zij - als boete - jouw vrouw zijn, omdat zij zwanger is geworden ... (Uitspraak van de Joodse Hoge Raad)

14
Zo naderde ons vrome gezelschap Bethlehem tot op nog geen zes uren gaans, waar in de open lucht een rustpauze werd gehouden.
2. Jozef, die Maria in het oog hield, stelde vast, dat ze wel veel pijn moest hebben. In grote verlegenheid vroeg hij zich af:
3. Wat zal dat betekenen? Maria's gezicht is vertrokken van pijn en haar ogen staan vol tranen! Misschien is haar tijd al inderdaad gekomen?!
4. Nog nauwkeuriger toeziend, zag hij tot zijn verbazing dat ze nu zat te lachen!
5. Hij vroeg haar dus terstond: 'Vertel mij eens Maria, waar denk je wel aan?... Ik zie je gezicht het ene ogenblik vertrokken van pijn, een volgend ogenblik echter zie ik je lachen en stralen van vreugde!'
6. Maria gaf Jozef ten antwoord: 'Weet U, voor mij zie ik twee volkeren: Als het ene huilen moet, kan ik niet anders dan meehuilen...
7. Maar zie ik het andere lachend voor mij uittrekken, dan word ik ook blij en opgewekt; ik moest dus wel lachen en in hun vreugde delen... Vandaar dat mijn gezicht zowel pijn uitdrukte als vreugde!'
8. Dit stelde Jozef weer gerust, want hij wist al dat Maria vaker visioenen had. Hij liet dus weer opbreken en trok verder naar Bethlehem.
9. Maar, toen ze in de nabijheid van Bethlehem waren gekomen, riep Maria op 'n gegeven moment plotseling naar Jozef: 10. 'O Jozef, kunnen we hier niet stoppen..., Degene, Die in mij is, begint mij nu toch wel vreselijk te benauwen; laat daarom stilhouden!
11. Door deze plotselinge noodkreet van Maria werd Jozef volkomen verrast; hij begreep dat nu te gebeuren stond, wat hij het meest van alles vreesde!
12. Hij liet dus onmiddellijk halt houden en Maria zei vlug:
13. 'Til mij alsjeblieft van die ezel af, want Wat in mij is wil eruit, en ik kan de druk niet langer 
weerstaan!'
14. Jozef was echter ten einde raad en zei: 'Om Godswil Maria, je ziet toch dat hier nergens een 
herberg is, waar moet ik dan met je heen?'
15. Maria antwoordde: 'Kijk, daar in die berg is een grot! 't Is nog geen honderd passen van hier. Breng me daar maar heen; ik kan onmogelijk verder!'
16. Vlug stuurde Jozef zijn groepje nu in die richting en tot zijn grote opluchting bemerkte hij dat deze grot de herders uit die omgeving tot een soort noodstal diende. Er lag wat stro en hooi, waarvan hij onmiddellijk een noodbed voor Maria liet maken (zie noot 29).

15
Toen dat noodbed klaar was, bracht Jozef vlug Maria in de grot; zij nam op het noodbed plaats en bij die houding, die zij zich daarop kon veroorloven, vond zij onmiddellijk wat verlichting.
2. Nu Maria dus op dat bed wat gerieflijker liggen kon, zei Jozef tot zijn zoons:
3. 'De twee oudsten moeten nu bij Maria gaan waken en in geval van nood moeten jullie haar zo goed mogelijk helpen, ... vooral jij Joel! Jij hebt immers door de relatie die je met mijn vriend te Nazareth onderhoudt, al wat kijk op dit soort dingen gekregen ... !'
4. De andere drie moesten de os en de ezel verzorgen en de kar in de grot onderbrengen; die was daar namelijk ruim genoeg voor.
5. Na alles zo redelijk mogelijk te hebben geregeld, zei Jozef tegen Maria: 'Nu ga ik de berg op om in deze stad, die mijn vaderstad is, een vroedvrouw te zoeken. Die breng ik dan mee, zodat zij jou de nodige hulp kan verlenen!'
6. Hierna ging Jozef vlug de grot uit. Inmiddels was het al vrij laat geworden, zodat de eerste sterren al aan de hemel te zien waren...
7. Maar, welke wondere dingen Jozef allemaal beleefde toen hij de grot verliet, dat kunnen we Jozef beter met diens eigen woorden laten vertellen, zoals hij dat deed aan zijn zonen toen hij met de vroedvrouw die hij vond, in de grot terugkeerde, waar Maria inmiddels reeds gebaard had! (zie noot 30).
8. Dat verslag van Jozef dan luidde als volgt: 'Kinderen, wij staan aan de vooravond van grote gebeurtenissen! Nu begin ik iets te begrijpen van die Stem, die ik op de vooravond van ons vertrek heb beluisterd! Werkelijk, ware de Heer niet echt met ons, zij het ook onzichtbaar, dan zouden er onmogelijk dingen gebeurd kunnen zijn, zo wonderlijk als ik ze zojuist heb zien gebeuren! ...
9. Luister! Toen ik daarjuist naar buiten stapte om weg te gaan, leek het net alsof ik niet liep! Ik zag de opkomende volle maan en de sterren, zowel de opkomende als de ondergaande, allemaal stilstaanl De maan kwam niet los van de horizon en de sterren wilden er niet achter verdwijnen! ...
10. Ook zag ik meerdere zwermen vogels op de boomtakken zitten, die allemaal in deze richting 
keken, terwijl ze - zoals ze dat ook doen bij opkomende aardbevingen - hun vleugels lieten trillen.
 Ze bleken niet te verjagen te zijn, noch door te schreeuwen, noch ook door met stenen te gooien!
11. Verder over de vlakte rondkijkend zag ik vlakbij een groepje werklui rondom een schaal met voedsel gezeten. Enkelen van hen hielden hun hand onbeweeglijk in die schaal, maar konden er niets uitnemen.
12. En zij, die al eerder iets uit de schaal hadden genomen, konden dat niet naar hun mond brengen om het te verorberen; zij konden hun mond niet eens openen! Zij hielden hun gezicht en hun blikken zonder uitzondering omhoog gericht ... , als zagen zij aan de hemel boven hen grootse dingen gebeuren!
13. En ik zag ook schapen, door herders geweid. Maar die schapen stonden onbeweeglijk stil, terwijl ook een hand, die een herder geheven had om achterblijvers op te jagen, als versteend omhoog geheven bleef; kennelijk kon de herder hem niet bewegen!
14. En ook zag ik nog een grote kudde bokken, die hun snuiten boven de waterrand hielden, maar drinken konden ze niet; ze leken wel helemaal verstard te zijn!
15. En er was ook nog een beekje, met een sterk verval van de berg neerkomend. Maar zijn water stroomde niet omlaag het dal in, maar het stond - of hing - stil in zijn bedding! Het leek wel of op de aardbodem alles plotseling levenloos was geworden... ; je zag geen enkele beweging!
16. Maar toen ik daar nu stond of liep - terwijl ik zelf niet eens wist of ik liep dan wel stilstond! -
zag ik eindelijk toch iets levends:
17. Er kwam namelijk een vrouw bergafwaarts, die precies op mij afkwam en ze vroeg: "Man, waar wil jij zo laat nog naar toe?"
18. Ik zei haar dat ik een vroedvrouw zocht omdat er in de grot een vrouw moest baren.
19. De vrouw vroeg nu weer of zij van het volk Israel was, en ik zei: "Ja mevrouw, ik en zij, we zijn beiden uit Israel: David was onze vader!"
20. Nu vroeg de vrouw verder: "Wie is zij, die in de grot wil bevallen? Is zij uw vrouw of een familielid, ... of is 't een meisje?…"
21. Ik gaf haar ten antwoord: "Sinds kort - alleen voor God en de hogepriester - is zij mijn vrouw. Maar toen ze zwanger werd, was zij nog niet mijn vrouw. Ze werd mij namelijk door een goddelijk getuigenis vanuit de Tempel in bescherming gegeven. Ze was in de Tempel, ja in het Allerheiligste, opgevoed.
22. Maar u moet u over haar zwangerschap niet verwonderen, want wat in haar leeft is op wonderbare wijze verwekt door Gods Heilige Geest!" De vrouw hoorde daar verbaasd van op en zei:
 "Man, zeg liever de waarheid!" maar ik heb geantwoord: "Kom, zie, en overtuig u met uw eigen 
ogen!" '

16
Nu stemde de vrouw toe en ging met Jozef mee naar de grot. Maar, toen zij vlak bij de grot kwamen, verdween deze plotseling in een dichte witte wolk, zodat zij de ingang niet konden vinden! De vroedvrouw verbaasde zich hogelijk over dit verschijnsel (zie noot 31).
2. Ze zei dan ook tegen Jozef:
 3. 'Mijn ziel maakt vandaag grootse gebeurtenissen mee! Vanmorgen heb ik namelijk ook al een zeer wonderlijk visioen gehad, waarin alles juist zo voorviel als ik het nu in werkelijkheid zie gebeuren ... reeds zag gebeuren ... en zal zien gebeuren! …
4. U bent dezelfde man, die ik in dat visioen zag komenl Tevoren zag ik al dat iedereen op heel de wereld midden in zijn bezigheden stilhield. Ook de grot heb ik gezien, waarover zich een wolk spreidde. En met u sprak ik, zoals ik nu deed!
5. En in de grot zag ik nog veel meer wonderbare dingen en toen kwam mijn zuster Salome mij achterna. Alleen aan haar heb ik mijn visioen vanmorgen toevertrouwd.
6. Daarom durf ik nu dan ook voor u en voor God te getuigen: Er is aan Israël een groot geluk ten deel gevallen! Er is een Redder gekomen, van boven gezonden ... , juist nu, in deze tijd van grote nood!'
7. Nadat de vroedvrouw deze getuigenis had gezegd, week de wolk van de grot terug en vanuit de grot 'sprong' als het ware een geweldig sterk licht de vroedvrouw en Jozef tegemoet, ... zo sterk, dat hun ogen het niet konden verdragen! De vroedvrouw zei dan ook nu: 'Alles wat ik in het visioen heb gezien is dus waar! Gelukkige mens: Hier is meer dan Abraham, Izaak, Jacob, Mozes en Elia te zamen!
8. Het geweldig sterke licht begon nu wat dragelijker te worden, en - juist op het moment dat het voor het eerst de borst van de Moeder nam - werd het Kindje zichtbaar.
9. Nu ging de vroedvrouw met Jozef mee de grot binnen; zij bekeek het Kindje en Diens Moeder en bevond dat heel de bevalling volmaakt verlopen was. Daarom zei ze:
10. 'Inderdaad, dit is werkelijk de door alle profeten bezongen Verlosser, Die reeds in de moederschoot vrij zal zijn van alle boeien en banden, om daardoor aan te tonen dat Hij alle harde wettelijke boeien verbreken zal!
11. Of heeft soms iemand ooit eerder gezien dat een pasgeboren kind al direct naar de borst van de moeder grijpt?!
12. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk te betekenen, dat dit Kind eens, als man, de wereld berechten zal naar maatstaven van Liefde niet naar die van de Wet!
13. Gelooft U mij maar gerust, gelukkige man van deze jonkvrouwe: alles is in orde! En laat mij nu maar vlug uit deze grot verdwijnen, want het begint mijn gemoed te benauwen en ik besef, dat ik niet rein genoeg ben om deze al te heilige nabijheid van mijn en uw God en Heer te kunnen verdragen!'
14. Van deze kennelijk profetische woorden van de vroedvrouw schrok Jozef heel erg. Maar zij liep snel weg en verdween uit de grot.
15. Toen ze de grot uitkwam trof ze echter buiten haar zuster Salome aan, die haar - vanwege dat visioen - gevolgd was.
16. De vroedvrouw zei dus tegen haar zuster: 'Salome, kom en zie! Mijn visioen van vanmorgen is door de feiten volledig bevestigd! De Maagd heeft gebaard! Nooit zal dit door menselijke wijsheid of door een natuurlijke wet verklaard kunnen worden!'

18
25. Hun gezang, evenals dat van de engelen, luidde: "Dauwt Hemelen van boven de Gerechtige! Vrede op aarde aan de mensen, die van goede wille zijn! Eer aan God in den hoge, aan hem, die komt in de naam des Heren!"

30
De aanbidding van de Heer in het Kindje door de drie Wijzen. Hun toespraken. Hun geesten: Adam, Kaïn en Abraham.

Toen de goede Jozef al dit besprokene vernomen had, werd het al wat lichter om zijn benauwde hart, en, omdat hij begreep dat de hoofdman zou binnenkomen, bereidde hij zich voor om die te ontvangen.
2. De hoofdman kwam inderdaad binnen, groette Jozef en begon toen: 'Hooggeachte man!
3. Door een wondere samenloop van omstandigheden zijn die nu ongeduldig buiten wachtende mannen toch tot hier doorgedrongen. Ik heb hen scherp verhoord, maar niets kwaads in hen gevonden.
4. Door hun God daartoe aangezet wensen zij het Kindje hun hulde te betuigen. Als het je past kun je hen volgens mij zonder de minste vrees binnen laten komen. blz. 64
5. Jozef zei daarop: 'Als dat echt zo is, dan wil ik mijn God loven en prijzen; want Hij heeft opnieuw een gloeiende steen van mijn hart weggenomen!
6. Maar, Maria is erg geschrokken toen de Perzen hun tenten rondom de grot opsloegen; ik moet dus eerst even zien hoe het met haar is, opdat niet een onvoorbereid binnenkomen van die gasten haar nog meer verschrikke!'
7. Vanzelfsprekend was de hoofdman het met de voorzorg van Jozef eens, en dus ging Jozef naar Maria en vertelde haar alles wat hij van de hoofdman had gehoord.
8. Maria, nu weer helemaal opgewekt, zei: 'Vrede op aarde aan alle mensen die van goeden wille zijn en die zich door God laten leiden!
9. Als de Geest des Heren zulks als Zijn Wil te kennen geeft, laat hen dan komen en laat hun de zegen oogsten, die hun trouw toekomt. Ik voor mij, ik ben helemaal niet bang meer.
10. Alleen dit: Als ze binnenkomen moet jij wel dicht bij me staan; het lijkt me minder geschikt hen in mijn tent alleen te ontvangen.'
11. Jozef nu weer: 'Maria, als je je ertoe in staat voelt, sta dan liever met het Kindje op; neem het kribje en leg het Kindje erin aan je voeten. En laat dan de bezoekers binnenkomen om het Kindje te huldigen.'
12. Maria voldeed meteen aan Jozefs wens, en Jozef zei nu tot de hoofdman:
13. 'Wij zijn gereed. Als het drietal binnen wil komen, dan kunnen wij hen doen blijken, dat wij - onze armoede in aanmerking genomen - geheel op hun ontvangst zijn voorbereid.'
14. Nu ging de hoofdman naar buiten en deelde zulks aan de drie mee. Eerst wierpen die zich ge-drieën ter aarde, God voor deze toestemming lovend, vervolgens namen zij hun goudgeborduurde zakken op, en begaven zich met grote eerbied naar de grot.
15. De hoofdman deed de deur open en zij traden hoogst eerbiedig binnen ..., en zagen een machtig Licht dat op dat moment van het Kindje straalde.
16. Toen de drie het kribje, waarin het Kindje lag, tot op enkele schreden waren genaderd, wierpen zij zich languit met hun aangezicht ter aarde en aanbaden in die houding het Kindje ...
17. Wel een uur lang lagen ze zo - van grote schroom vervuld - voor het Kindje ter aarde; daarna richtten zij zich langzaam op en knielend hieven zij hun gezichten, nat van tranen, omhoog, hun blikken op de Heer slaand, op de Schepper van de oneindige eeuwigheid ... !
18. De namen van de drie waren: Caspar, Melchior en Balthazar
19. De eerste, die door Adams Geest geleid werd, sprak: 'God zij geëerd, aan Hem zij lof gebracht; Hij zij geprezen, Hosannah, Hosannah voor God, de Drie-enige van eeuwigheid tot eeuwigheid Amen.'
20. Nu pakte hij de met gouddraad bestikte zak op, met daarin drie en dertig pond van de fijnste wierook, en gaf die onder veel eerbetoon aan Maria, zeggende:
21. 'Aanvaard, Moeder, zonder schroom, dit nietig getuigenis van datgene, waarvan ik met heel mijn wezen voor eeuwig vervuld zal zijn! Aanvaard dit als een simpele uiterlijke aflossing van wat elk denkend wezen, uit de grond van zijn hart, eeuwig verschuldigd is aan zijn almachtige Schepper!'
22. Maria nam de zware buidel aan en gaf hem aan Jozef. De schenker ervan richtte zich nu op, begaf zich naar de deur, en knielde daar nogmaals neer om in het Kind je de Heer te aanbidden.
23. Terstond nam nu de Tweede, die een Moor was en door de Geest van Kaïn werd geleid, een ietwat kleinere zak op, die niettemin hetzelfde gewicht had en die met zuiver goud gevuld was. Hij reikte die aan Maria over met de woorden:
24. 'Aan U, Heer der eeuwige Heerlijkheid, breng ik een nietig offer, iets wat de Koning der Geesten rechtens toekomt van de mensen op aarde ...! Aanvaard het, o Moeder, Gij, die hebt gebaard Degene, wiens Naam in der eeuwigheid geen engelentong in staat zal zijn uit te spreken!' blz. 65
25. Maria nam nu die tweede buidel aan en gaf hem aan Jozef. De offerende Wijze richtte zich op, voegde zich bij de eerste, en deed wat die gedaan had.
26. Vervolgens richtte de derde zich op, nam zijn buidel, die gevuld was met goud-myrrhe, een toendertijd zeer kostbare specerij, en gaf die aan Maria, zeggende:
27. 'In mijn gezelschap is Abrahams Geest. Hij ziet nu de dag des Heren, waarop hij zich zozeer verheugd had.
28. Ik heet Balthazar en bied U hierbij aan wat het Kindje der kinderen toekomt. Aanvaard het, Moeder van alle genaden. Een beter en waardiger offer is geborgen in mijn hart: het is mijn liefde, die voor eeuwig een waarachtig offer aan dit Kindje zal zijn!'
29. Maria nam nu ook deze, eveneens drie en dertig pond wegende buidel aan, en gaf die aan Jozef. Nu ging ook deze Wijze weer staan en voegde zich bij de twee anderen, en nadat ook hij het Kindje aanbeden had, ging hij met de eerste twee naar buiten, waar hun tenten stonden.


terug naar het literatuuroverzicht

terug naar Kerstmis







^