Jakob Lorber, Het Grote Johannes Evangelie Deel 1

De Ster, Tilburg 1988 ISBN 90.6556.401.2
(Het getal achter GJE 1 is het bladzijdenummer. Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

"In den beginne" betekent: in de diepste grond of ook wel in de grondoorzaak van al het zijn, was het licht, de grote, heilige scheppingsgedachte. (GJE 1, 12)
Dit licht was niet alleen in, maar ook bij God, hetgeen betekent, dat het licht zichtbaar uit God kwam. Dit is ook de grondslag voor de toekomstige menswording van God. (GJE 1, 12)
Dit licht, deze grote, heilige grondgedachte van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan, was God zelf, omdat in God, door God en uit God onmogelijk iets anders dan God zelf zich in zijn eeuwig volkomen wezen liet zien. (GJE 1, 12)
Al het geschapene ontstond uit de oergrond van de schepping, die in zichzelf de eeuwige, diepste grond van zijn algehele bestaan is. Het licht, het woord en de wil brachten uit dit eigen wezen het eigen licht, de eeuwige, eigen scheppingsgedachten in het vaste, zichtbare bestaan voort en er is niets in de eeuwige oneindigheid, dat niet op dezelfde manier uit dezelfde oergrond in het zich openbarende en zichtbare bestaan is gekomen. (GJE 1, 12)
Dit licht of leven riep de wezens uit zichzelf op en dit licht of leven was het licht of leven in deze wezens in deze uit God geschapen mensen. Deze wezens en mensen waren zo een volledig evenbeeld van de bron van alle licht, wat in hen de voorwaarde schiep voor een leven, gelijk aan het goddelijke, het Zijn, het licht en de eeuwige diepste grond van het Zijn. (GJE 1, 12)
Maar omdat de diepste grond van het leven van God volkomen vrij is en ook moet zijn, omdat het anders geen leven is, ... ligt het voor de hand, dat aan het geschapen wezen, de mens, slechts een volkomen vrij leven gegeven kon worden. (GJE 1, 12)
Het moet dat leven voelen als iets, wat op zichzelf volmaakt is, maar juist vanwege dat gevoel moet het ook vaststellen, dat zijn leven niet uit zichzelf, maar uit God ontstaan is. (GJE 1, 12)
Dit besef moet in alle geschapen wezens aanwezig zijn, net zoals het besef, dat hun leven en bestaan volledig aan dat van God gelijk moet zijn. (GJE 1, 12)
Het gevoel van het aan God gelijk zijn, is Gods oerlicht in hen. Door dit gevoel ontstaat het tweede gevoel, dat men ergens in het tijdelijke is ontstaan door de wil van de Schepper. (GJE 1, 12)
Het eerste gevoel zegt, dat het schepsel gelijk is aan de schepper en daarom volledig onafhankelijk van de oergrond, omdat het deze a.h.w. als een deel van zichzelf kan zien. Het tweede gevoel maakt, dat er een afhankelijkheidsgevoel ontstaat t.o.v. God, omdat het schepsel weet, dat het ontstaan is uit de oorspronkelijke, diepste grond en dat het zich pas in de loop der tijden zelf vrij heeft kunnen voordoen. Dit gevoel maakt echter het eerste hoogheidsgevoel ook tot deemoed, die beslist noodzakelijk is voor het hoogheidsgevoel. (GJE 1, 12)
Het hoogheidsgevoel verzet zich sterk tegen deze vernedering en wil het tweede gevoel, de vernedering, onderdrukken. (GJE 1, 12)
Door die strijd ontstaat haat tegen de diepste grond van al het bestaan en tegen het afhankelijkheidsgevoel. Daardoor wordt echter het hoogheidsgevoel verlamd en verduisterd, en Gods oerlicht in het geschapen wezen gaat over in duisternis. Dit wezen weet daardoor nauwelijks meer iets af van Gods licht in zichzelf en verwijdert zich daardoor van de diepste grond van zijn bestaan, alsof hij blind is en toch zelfstandig en hij wil dat in zijn blindheid niet toegeven. (GJE 1, 12)
Alleen door de deemoed kun je in verbinding blijven met de bron. (GJE 1, 12)
Het licht, dat alle mensen in het oerbeginsel vorm gaf voor het vrije bestaan, kwam nu om dat bestaan in alle volheid te verlichten en weer aan zichzelf gelijk te maken. (GJE 1, 12)
... de zielen en de geesten van de mensen moeten gezien worden als het eigenlijke eigendom van God en wel daarom als eigendom, omdat zij zelf oorspronkelijk licht uit mijn eeuwige bron van alle licht zijn en daarom met Mij één geheel vormen. Maar zij begrijpen niet meer dat zij heel persoonlijk een deel zijn van de diepste grond, dat nooit vernietigd kan worden, omdat dit van oorsprong Mijn wezen is. (GJE 1, 16)
Bij al degenen, die Mij niet opnamen, bleef de werkelijke orde verstoord en met deze verstoring bleef de lijdende toestand, het zogenaamde kwaad of de zonde. Bij wie Mij herkenden verdween dit kwaad, omdat ze weer met Mij en daarom met de orde en met de oerbron van al het zijn verenigd werden. Daarin vonden zij zichzelf en zij vonden ook Mijn oorspronkelijke licht als het genoemde deel van zichzelf en daarin het eeuwige, onverdelgbare leven. (GJE 1, 16)
Zij vonden. dat ze zonder twijfel Mijn kinderen zijn, die Mijn wil in alle vrijheid tot leven heeft gebracht. Hun licht, hun geloof is gelijk aan Mijn licht en bergt daarom in zich de volle macht en kracht van Mij. (GJE 1, 16)
Het geloof is een zeer bijzonder licht en Mijn naam, waarop dit geloof is gericht, is de kracht en de macht en het eigenlijke wezen van Mijn oerbron, waarin ieder in zichzelf het kindschap van God tot stand brengt. (GJE 1, 17)
Al het leven is een goddelijke genade, die de levendragende vorm geheel vervult. De grondlag van het leven in ieder mens is, omdat deze gelijk is aan de heerlijkheid van God, het eerste teken van Gods gunst. Hieraan werd echter afbreuk gedaan door het afhankelijke gevoel van de mens, omdat hij geschapen is en daardoor volkomen afhankelijk van de bron van alle licht en de diepste grond van alle bestaan. (GJE 1, 18)
Omdat daardoor het eerste teken van Gods gunst in de mens bijna geheel teniet werd gedaan, kwam de bron van alle licht zelf in de wereld en gaf de mensen een zodanig onderricht, dat ze dit eerste teken van Gods genade weer zouden herkennen, om vervolgens geheel terug te keren tot de diepste grond van het leven en daar het oude licht in te ruilen tegen een nieuw leven. (GJE 1, 18)
Door de wil van de bron van alle macht, God, werden de eerste scheppingsdenkbeelden in een afgezonderd, op zelfstandigheid gelijkend bestaan geplaatst; de afscheiding en het door ruimte en tijd beperkte bestaan werden vervolgens aan onveranderlijke wetten ondergeschikt gemaakt. (GJE 1, 19)
Het wezen, de mens, was, hoewel oorspronkelijk op een bepaalde manier de godheid zelf, of wel, het diepste wezen van God zelf, nu gescheiden van zijn diepste grond, die het nog wel kende, maar daarbij door onwrikbare wetten in een beperkte vorm gebonden gehouden. Die toestand beviel het op die manier vastgelegde wezen niet en zijn hoogheidsgevoel kwam geweldig in opstand tegen zijn gedwongen beperking en opsluiting. (GJE 1, 19)
Omdat tijdens de allereerste opeenvolging van wezens het gevecht steeds heftiger werd, moest de grote grondwet verscherpt worden en de wezens moesten opgenomen worden in een tijdelijk, vast oordeel. Dat gebeurde door de vorming van de stoffelijke, vaste hemellichamen en de daardoor ontstane grotere deling van de oorspronkelijke wezens. (GJE 1, 19)
Tijdens dat beperkte bestaan verschijnt de goddelijke oerbron in Zijn eigen, diepste volheid en wel in de persoon van Christus. De mensen konden nu door hem ook zichzelf en de geheel vrije levensbestemming zien en herkennen. (GJE 1, 20)
Ieder mens kan nu de oude mens inruilen voor de nieuwe mens uit Christus. Die het oude leven liefheeft, die zal het verliezen; die het wegdoet, doe zal het leven als een nieuw leven behouden. (GJE 1, 20)
De ware, die midden in hun harten een verblijf voor zich bouwde en die slechts daar te vinden is, die zoeken zij niet, in ieder geval niet op die ene plaats, waar Hij alleen maar te zoeken en te vinden is. (GJE 1, 23)
Omdat de zelfstandigmaking een echte daad van de geestelijke bron van alle leven was, begon toen pas de eerste tijdsperiode; daarvoor was er niets anders in de gehele oneindigheid dan Jehova, de bron van alle geestelijke kracht. (GJE 1, 25)
... als jullie uit Mij de wedergeboorte van jullie geest zullen verkrijgen ... . (GJE 1, 35)
... de drie toestanden, die ieder mens moet doormaken om tot de wedergeboorte van de geest te komen: ten eerste de beheersing van het vlees; ten tweede de reiniging van de ziel door het levende geloof, wat alleen bereikt kan worden door de werken van de liefde; ten derde de opwekking van de geest uit het graf van het gericht. (GJE 1, 38)
Alleen de wil is van uzelf. Al het andere is echter van Mij. Als u Mij uw wil vanuit de oprechte liefde van uw hart geeft en als u gelooft dat Ik en de Vader geheel één zijn, dan heeft u Mij alles gegeven wat Ik van u kan verlangen. (GJE 1, 49)
De tempel stelt de mens voor in zijn natuurlijke, wereldse omgeving. Net als in de tempel bevindt zich in de mens een allerheiligste. Zoals dat allerheiligste maakt, dat de rest van de tempel geheiligd en zuiver gehouden moet worden, zo moet bij de mens het geheel geheiligd en zuiver zijn, wil het allerheiligste in hem niet ontheiligd worden. (GJE 1, 52)
Want als iemand met zijn lichaam zondigt, dan verontreinigt hij niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn ziel en daardoor ook zijn geest; de geest, die in ieder mens het innerlijkste en allerheiligste symboliseert en dat ook werkelijk is. (GJE 1, 52)
Dit allerheiligste in de mens is, net als in de tempel, verborgen achter een dikke voorhang en alleen de liefde tot God, die alleen de ware hogepriester van God in ieder mens is, kan straffeloos de voorhang optillen en in dit allerheiligste komen. (GJE 1, 52)
Als echter deze unieke hogepriester in de mens zelf onrein wordt, omdat hij teveel waarde hecht aan onreine, aardse dingen en zich daarmee vereenzelvigt, hoe kan dan het allerheiligste heilig blijven bij het bezoek van zo een onreine hogepriester?
De geest, die in en uit zichzelf geest is, is de enige, die weet wat de geest is en hoe zijn leven eruit ziet. Het vlees is echter alleen maar d buitenste bast en weet niets van de geest, tenzij de geest het aan het omhulsel openbaart. Uw geest wordt echter nog teveel door uw vlees beheerst en afgeschermd en kent hem daarom niet. Eens zal uw geest echter vrij worden. (GJE 1, 60)
Het levenswater welt zo uit God, het leven van alle leven, in de mens op als het eeuwige leven. Daar wordt het een nooit opdrogende bron van eeuwig blijvend leven, dat weer in het leven van God terugstroomt; en het is een geheel vrij leven, dat gelijk is aan dat van God. (GJE 1, 77)
Wat de Vader doet, dat doe Ik ook, want Ik en de Vader zijn in de oorsprong een! Wie Mij aanvaart, die neemt ook de Vader aan, want de Vader is in Mij, zoals Ik in de Vader. (GJE 1, 94)
De geest moet t.g.v. de orde, die God genoodzaakt was in te stellen, een bepaalde tijd in het vlees van deze wereld ondergedompeld zijn om sterk te worden in zijn vrijheid en bijna volledige onafhankelijkheid van God. Wordt hij dit niet, dan kan hij God niet zien en nog minder kan hij dan in, naast en bij God bestaan. Juist wanneer de geest echter in de stof rijp wordt en gehard wordt in de vrijheid en onafhankelijkheid van God, dan loopt hij onvermijdelijk gevaar zelf door de stof verslonden te worden en samen daarmee gedood te worden, uit welke dood men slechts zeer moeilijk en met veel lijden weer tot leven in god gewekt kan en moet worden. (GJE 1, 109)
Als het licht van de wereld je teveel aantrekt, verzet je dan en keer je van dat licht af, want het zou je in de dood van de stof trekken. Ontneem je dus zelf, als geestelijk mens, het lege genot van de wereldse zaken en wend je met je ziel naar de zuivere hemelse dingen. (GJE 1, 110)
God waarschuwt niet het vlees, dat geen eigen leven heeft, maar de geest, om zich liever niet met de wereld bezig te houden als deze hem teveel zou aantrekken. (GJE 1, 110)
De geest moet de wereld wel zien en leren kennen, maar moet er niet verzot op raken. Als hij merkt dat de wereld hem aantrekt, moet hij zich er meteen van afwenden, omdat hij dan al gevaar loopt. Kijk, dat noodzakelijke afwenden, stemt overeen met het beeld van het uitrukken van de ogen. (GJE 1, 110)
Het voornaamste is de liefde. Zonder liefde is de geest niet vruchtbaar en geeft geen vruchten. (GJE 1, 111)
U kunt beter niet klaarstaan om de fouten van uw naaste te zien, maar het is beter inschikkelijk en geduldig met hen te zijn. (GJE 1, 111)
... de linkerhand is de hand van het hart, de rechter die van de wereldlijke bezigheden. (GJE 1, 112)
Men moet alles met mate doen. (GJE 1, 116)
God wil, dat de mensen als Zijn kinderen in alles aan hem gelijk zullen zijn. (GJE 1, 122)
... waarom zegt u dan wat anders, dan u in uw hart voelt en denkt. (GJE 1, 136)
... de mensen zijn over het algemeen heerszuchtig en hoogmoedig tegenover elkaar. Iedereen wil meer zijn dan zijn naaste. (GJE 1, 138)
Wat de liefde op aarde doet, dat is ook in de hemel gedaan en blijft eeuwig. (GJE 1, 141)
... als Ik bij iemand zie, dat hij het goede wil, dan vind Ik die wil al meteen net zoveel waard als het werkelijke doen. (GJE 1, 144)
Ik heb je innerlijke gezichtsvermogen ontsloten en nu kun je ook de hemelse geesten zien. (GJE 1, 147)
De engelen zijn niets meer of minder dan de verpersoonlijkte wil van God. (GJE 1, 152)
Van Adam tot ons heerste de wet van de wijsheid en er behoorde veel wijsheid en een krachtige en onverzettelijke wil toe, om die wet te gehoorzamen. God zag dat de mensen de wet van de wijsheid nooit zouden kunnen opvolgen en God kwam toen zelf in de wereld om hen een nieuwe wet van de liefde te geven, die ze gemakkelijk zouden kunnen gehoorzamen. (GJE 1, 159)
God heeft de mensen uit zichzelf geschapen, maar daarom zijn ze nog niet God zelf. Maar door en in de liefde komt Jehova zelf naar de mensen en gaat in volle werkelijkheid geestelijk zelf in de mens wonen en maakt de geschapen mens daardoor volledig gelijk aan zichzelf. (GJE 1, 159)
Kan ieder mens net zo volmaakt worden als u? Ik zeg: Oh ja, als hij datgene doet wat ik leer om volmaakt te worden. Het geweten moet hij als grondslag hebben van de liefde tot Mij en alle mensen. (GJE 1, 161)
Er is slechts één waarheid in de mens: de liefde; maar de liefde is een echt vuur uit God en woont in het hart; nergens anders dan in deze liefde is de waarheid, want de liefde is zelf in ieder mens de diepste grond van alle waarheid in en uit God. (GJE 1, 163)
Alleen met geweld kan de mens de knoop met de geest der liefde doorhakken, waarna hij dan kan beginnen met in het hart te denken, waar te nemen en te herkennen. (GJE 1, 163)
Die Mijn woord zullen geloven en ernaar zullen leven, zullen het echte levende teken in zichzelf ontdekken, namelijk het eeuwige leven en dat zal dan niemand meer van hen af kunnen nemen. Als een mens zou leven volgens de innerlijke, zuivere waarheid en daardoor zelf een deel van die waarheid zou worden en niet meer aan zijn waarheid zou twijfelen, dan zou hij een berg kunnen verzetten. (GJE 1, 166)
Alles wat Ik voor jullie ogen doe, wordt alleen gedaan door de macht van de innerlijke, levende waarheid. Slechts door die waarheid wordt het geloof, dat voor de menselijke geest de rechter hand is, levend en kan daden verrichten; en de arm van de geest reikt ver en doet grote dingen!
Als u door die waarheid uw geestelijke armen voldoende krachtig hebt gemaakt, dan zult u zelf doen, wat Ik nu gedaan heb. (GJE 1, 166)
Zoals de Vader Mij voor het bestaan van de wereld heeft onderwezen, zo onderwijs Ik nu ook, opdat de Vader, die nu in Mij leeft, ook in u zal gaan wonen en in u, net als in Mij, de oereeuwige, zuivere waarheid tot leven zal brengen uit het oorspronkelijke fundament, zijnde de liefde in God, het eigenlijke wezen van God zelf. Jullie zijn allemaal geroepen om net zo volmaakt te worden als de Vader in de hemel zelf volmaakt is. Onderzoek zijn leer door de daad. (GJE 1, 166)
Waar jullie in Mijn naam bij elkaar zult zijn, daar zal Ik, weliswaar niet zichtbaar, maar toch jullie zo krachtig mogelijk versterkend, in jullie midden zijn. (GJE 1, 170)
Engelen zijn er altijd bij de mensen en ze beïnvloeden hun gevoelens en gedachten, zonder de mens tot iets te dwingen en daardoor kan de mens vrij kiezen en toch die gedachten, wensen en neigingen als de zijne aannemen en volgen. (GJE 1, 175)
Wie toegeeft aan zijn aandoeningen is nog ver van Mijn rijk verwijderd. (GJE 1, 175)
Zonder de wereld geheel overwonnen te hebben, kun je geen kinderen van de Vader in de hemel worden. Dat wil niet zeggen dat je wereldvreemd moet worden, maar wijze gebruikers van de wereld. (GJE 1, 188)
De wijsheid van de eeuwige Zoon, die van oorsprong de wijsheid van de Vader is, maakte het grote scheppingsplan en de liefde van de Vader voegde daar het grote ?word? aan toe en zo werden deze aarde, zon, maan en sterren geschapen. (GJE 1, 190)
Wie Mij verlaat, zal ook door Mij verlaten zijn en wie Mij niet zoekt, die zal Ik ook niet ijverig zoeken. (GJE 1, 196)
Wees altijd en in alles zo ordelijk mogelijk. (GJE 1, 209)
Ieder mens heeft de vrijheid om zich op ieder ogenblik tot God te richten en God om hulp te smeken en God zal zijn aangezicht tot de smekende wenden en zal hem uit elke nood helpen. (GJE 1, 209)
Behalve dat heeft ieder mens toch al een onzichtbare beschermgeest meegekregen, die de mens vanaf de geboorte tot aan het graf begeleiden moet. (GJE 1, 209)
Zo?n beschermgeest beïnvloedt altijd het geweten van de mens, maar zal de aan hem toevertrouwde mens steeds meer aan zijn lot overlaten als deze, geleid door zijn eigenliefde, al het geloof en al de naastenliefde vrijwillig laat varen. (GJE 1, 210)
De mens op deze aarde is dus volstrekt niet zo verlaten als jij je dat voorstelt; want het hangt allemaal van zijn vrije willen en handelen af of hij door God begeleid en beschermd wil zijn of niet. (GJE 1, 210)
Als de mens het wil, dan zal God het ook willen, wil de mens echter niet, dan laat God hem helemaal vrij en God bekommert zich ook helemaal niet om hem, behalve voor datgene, wat hem volgens de algemene, natuurlijke ordening toekomt. Maar verder bemoeit God zich niet met de mens en m?g hij zich vanwege zijn onaantastbare vrijheid niet met hem bemoeien. (GJE 1, 210)
Alleen als de mens God uit de vrije wil van het hart zoekt en God vraagt, dan zal God dat vragen en zoeken meteen beantwoorden, tenminste als het de mens helemaal ernst is. (GJE 1, 210)
God is zelf de zuiverste liefde en wendt zijn aangezicht alleen maar tot diegenen, die eveneens uit de ware liefde van hun hart tot God komen en God ter wille van God zelf zoeken, God als hun schepper dankbaar willen leren kennen en de vurige wens hebben om door God beschermd en begeleid te worden. (GJE 1, 210)
... tracht God zonder ophouden te zoeken en vraag God jou bij de hand te nemen en op de goede weg te leiden. (GJE 1, 210)
Wat Mij betreft moet niemand ooit tot wat dan ook gedwongen worden. Wie Mij wil aannemen, die neme Mij aan en wie Mij en mijn wil wil volgen, die volge. Want Ik en mijn rijk zijn vrij en willen daarom ook in alle vrijheid het loon zijn van eigen inspanning. Voor Mij geldt slechts de absoluut vrije zelfbeschikking. (GJE 1, 211)
Want iedere dwang ergens anders vandaan dan uit het eigen hart, is vreemd en kan voor het persoonlijke, eigen leven van de mens onmogelijk enige waarde hebben in mijn eeuwig vrije orde. Zo is de algehele ontwikkeling van het eigen leven aan ieder mens persoonlijk in eigen handen gegeven. (GJE 1, 211)
Wie (het geestelijke) heeft, die zal het behouden en hij krijgt er nog veel meer bij; wie echter niets eigens (geestelijks) heeft, die zal worden ontnomen wat hij heeft, omdat het niet van hemzelf, maar van een vreemde is. (GJE 1, 211)
Een echt en geheel vertrouwen op God is meer waard, dan alle schatten op aarde. (GJE 1, 211)
De mens sterft pas echt door zelfzucht, die zich uit in de hoogmoed en de eerzucht. (GJE 1, 228)
God is meer dan alle kunstenaars en de allergrootste kunst is, talloze aparte wezens uit zichzelf een zelfstandig, vrij leven te laten scheppen. (GJE 1, 240)
Ik wil mijn leer zo geven, dat niemand slechts door het evangelie te lezen of door er naar te luisteren de kern van de levende waarheid bereiken kan, maar deze alleen kan bereiken door Mijn leer toe te passen en door de toepassing zal mijn licht in ieder mens steeds helderder gaan schijnen. (GJE 1, 249)
Ook legde Ik het gezelschap uit, waarom God de mens schiep en hoe de mens als een vrij wezen uit zichzelf in volle vrijheid datgene tot stand moet brengen, waarvoor God hem heeft geschapen, om daardoor een volmaakt, onvergankelijk, geestelijk wezen te worden. (GJE 1, 265)
... door kinderlijke dankbaarheid en vreugde vind je de weg naar Gods hart. Daarom zeg Ik jullie: Wie niet tot Mij komt als deze kleinen, die zal de Vader niet vinden. (GJE 1, 291)
God alleen ziet in en weet het beste, wat de mens te allen tijde nodig heeft, opdat diens geest vrij zal worden van de almacht en van de toorn van God en voor eeuwig de ware zelfstandigheid zal bereiken. (GJE 1, 298)
Want het aardse leven geeft de geest geen leven en ook geen vrijheid, maar de dood; de aardse dood is echter de overgang van de geest naar het eeuwige leven en de daarbij behorende eeuwige vrijheid. (GJE 1, 298)
Geestelijk zijn de mensen dood en buiten het dierlijke, natuurlijke leven, hebben ze geen leven in zich. Hun zielen zijn vleselijk en hun geest is zo goed als dood en lijkt op de geesten die in het gesteente rusten en door hun gerichte traagheid de overigens losse stof samengebonden houden. (GJE 1, 305)
... de verschillende kleuren van stenen hangen samen met de aard van de zich daarin bevindende geesten. Wat de geesten in de stenen vrijmaakt, zoals het vuur, de strijd, zware druk en harde slagen, dat wekt ook de geesten in de mensenharten die veranderd zijn in harde stenen en makt ze vrij, vooral de harten van de groten en de rijken ... . (GJE 1, 305)
Wie zijn vader en moeder meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard; en wie zoons en dochters heeft en ze meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard. (GJE 1, 305)
Wie zijn last, ook al drukt ze hem nog zo zwaar als het doodskruis van de Romeinen, niet gewillig op de schouders neemt en Mij volgt, is Mij al helemaal niet waard en zal geen deel hebben aan het Godsrijk. Ieder, die het leven van deze wereld zoekt en het ook zonder moeite vindt, zal het eeuwige leven verliezen. (GJE 1, 305)
Hoewel de ruimte in de eeuwigheid nergens eindigt en daarom in de ware zin des woords naar alle kanten oneindig is, is er toch in de eindeloze diepen en verten van de ruimte geen puntje, waar de geest van de wijsheid en macht van God niet net zo aanwezig is als hier nu bij jullie op deze plaats. (GJE 1, 306)
Alleen als het woord in het hart dringt, wordt het levend, gaat al gauw de wil beheersen die het zwaartepunt van de liefde is en drijft van daaruit de hele mens tot de daad. (GJE 1, 306)
Ik mag en Ik kan met mijn wil niemand mijn kracht en macht schenken, tenzij iemand komt en ze zelf neemt ... men kan mijn kracht en macht nemen als men die voor een goed doel nodig heeft. Maar wie niet zelf komt, zal ook niets krijgen. (GJE 1, 315)
Ik zelf ben de weg naar het leven en het leven zelf. (GJE 1, 315)
Ieder moet ernaar streven om reeds hier gewekt te worden. (GJE 1, 322)
Een geest ziet steeds alleen maar dat, wat met zijn innerlijke oog overeenstemt. (GJE 1, 328)
Iedere geest moet zijn rijpheid in volle en ongedwongen vrijheid verkrijgen. (GJE 1, 328)
... uiterlijk ben Ik Gods zoon ... . (GJE 1, 332)
Ik liet je zien dat God zelf ook een mens is en dat dit de enige reden is waarom ook jij en alle aan jou gelijke wezens mensen zijn. Ik toonde je ook in het geheim, dat ieder mens geroepen is omdat te worden en voor eeuwig te zijn, wat Ik zelf ben. (GJE 1, 332)
Het geloof staat dichter bij het zieleleven dan het grootste verstand. Door een dwangmatig geloof wordt de ziel geketend; als de ziel echter geketend is, dan kan er in haar geen sprake zijn van een vrije ontwikkeling van de geest. (GJE 1, 332)
Als echter het verstand eerst het juiste inzicht verkregen heeft, dan blijft de ziel vrij. (GJE 1, 332)
Zo vormt zich uit een goed ontwikkeld verstand een waar, vol en levend geloof, waardoor de geest in de ziel de juiste voeding krijgt en daardoor steeds sterker en machtiger wordt; wat een mens meteen kan waarnemen als zijn liefde tot Mij en tot de naaste steeds sterker en machtiger wordt. (GJE 1, 332)
Onderzoek alles wat je tegenkomt en behoud daarvan wat goed en waar is. (GJE 1, 332)
Zo volkomen de Vader in de hemel in alles is, zo volkomen moeten jullie ook zijn, omdat je anders nooit zijn kinderen kunt worden. (GJE 1, 332)
Hoe meer de mensen met hun verstand de aardse dingen trachten te vinden, des te zwakker wordt in hun hart het goddelijke licht van de liefde en van het geestelijke leven. (GJE 1, 336)
Het inzicht van de mens omgeeft de liefde aan alle kanten en wordt verlicht en verwarmd door het vuur van de liefde en de mens wordt dan ook in alles steeds werkzamer en tot daden bereid. Dit betekent, dat de liefde in het hart van de mens aanstonds verlangt en wil wat het ware, door hemelse wijsheid verlichte verstand nu goed en waarachtig vindt. Ofwel de echte kennis wordt in het hart omgezet in de daad en uit de daad volgen de werken. (GJE 1, 339)
Om de geestelijke mens gaat het, daarvoor zijn Mozes en alle andere profeten in de wereld gekomen, net als Ik nu zelf. (GJE 1, 339)
... de vaste wil volgens de ordening van God, komt voort uit het juiste begrip en uit de liefde. Deze echte liefde, tezamen met het juiste inzicht en het ware verstand, hetgeen zich in de mens uit als een levend geloof, is de hemel in de mens en de daaruit ontsproten vaste wil om te voldoen aan Gods orde, is het uitspansel in de mens. (GJE 1, 342)
Ieder mens is, als een natuurlijk schepsel, slechts een bruikbaar vat ten nutte van de echte mens, die zich daarin met voortdurende hulp van God kan ontwikkelen. (GJE 1, 342)
Maar in deze algehele verbinding van de zuivere geest met de ziel, kan de ziel door de geest die zij krijgt God zien en de geest kan door de ziel het natuurlijke zien. (GJE 1, 343)
De mens wordt door veel kennis eigenlijk zelden of nooit in zijn hart iets beter, maar wel vaak slechter. Want degene, die veel weet, wordt niet zelden trots en hoogmoedig en ziet dan neerbuigend uit zijn vermeende onbereikbare hoogte op zijn broeders neer. (GJE 1, 344)
Maar zoek vóór alles in uw hart het rijk van God en zijn gerechtigheid. (GJE 1, 344)
... het vlees is slechts een middel, maar kan nooit een doel zijn, omdat uiteindelijk alles toch weer geestelijk en nooit meer stoffelijk moet worden. Deze aarde en deze hele eigenlijk lichamelijke hemel met haar zonnen, manen en werelden, zullen eenmaal vergaan, als al de daarin door het oordeel gevangen gehouden geesten langs de vleselijke weg zuivere geesten zijn geworden. (GJE 1, 349)
In zijn eeuwige orde heeft God gewild, dat de geesten die in de aarde in het gericht gevangen zijn, zich uit het kneedbare leem van de hen gevangen houdende aarde een lichaam zouden vormen in overeenstemming met de geestelijke vorm. (GJE 1, 349)
Omdat ze daarin veel bewegingsvrijheid zouden hebben, zouden ze daardoor hun oorspronkelijke wezen en daardoor God weer herkennen. Zo zouden ze weer vrij de goddelijke ordening aanvaarden om daardoor weer te worden wat ze oorspronkelijk waren, namelijk geheel reine engelen. (GJE 1, 349)
Als jullie je echter weer door de verleidingen van de wereld gevangen laten nemen, dan moet je het ook aan jezelf wijten, als de hemel zich steeds meer voor je gaat sluiten. Want het is onmogelijk dat iemand, die met wat dan ook aan de wereld hangt, tevens in gezegende verbinding met de hemel staat. (GJE 1, 353)
Zolang de mensen de aarde bewonen, zal er ... hebzucht ... en heerszucht onder hen zijn. (GJE 1, 353)
Niemand moet een zondaar haten omdat hij een zondaar is; iedereen doet goed en voldoende als hij de zonde alleen haat. Liefde moet in alles het voornaamste levensdoel zijn van ieder mens. (GJE 1, 369)
De maat waarmee iemand meet, is dezelfde als waarmee het leven eenmaal in de andere wereld weer vergolden wordt. (GJE 1, 370)
Als Ik over thuiskomen spreek, dan bedoel ik daarmee het innerlijke van de mens, wat een werkelijk geestelijke verzamelplaats is voor al het leven, de kracht, de macht en de wijsheid. (GJE 1, 370)
Een brandende oven bevindt zich in het eigen hart van de kinderen van het kwade en bestaat uit hoogmoed, zelfzucht, heerszucht ... hebzucht ... . (GJE 1, 420)
Daarom geef Ik jullie voor deze wereld geen vrede, maar het zwaard; want door de strijd met de wereld en met alles wat zij je biedt, moet je de vrijheid van het eeuwige leven bevechten. (GJE 1, 426)
Als jullie overwinnende strijders voor mijn rijk willen zijn, maak dan uit de zuivere waarheid een scherp zwaard; maar dat moet dan door de zuiverste, onbaatzuchtigste liefde gesmeed zijn. (GJE 1, 426)
Je mag de vijand niet vernietigen, maar je moet je alle moeite getroosten om het hart van de vijand door verstand, geduld, liefde en wijsheid te overwinnen. (GJE 1, 426)
Ik geef jullie nu een volkomen vrije kerk, waarbij geen omheining nodig is, dan voor ieder mens het heel persoonlijke hart waarin de geest en de waarheid woont en alleen daar wil God door de echte vereerders erkend en aanbeden worden. (GJE 1, 428)
God is de hoogste en volkomenste geest. (GJE 1, 434)
Het echte vasten bestaat daaruit, dat men zich onthoudt van alle zonden en dat men zich t.a.v. alle wereldse dingen met alle kracht zelf verloochent, zijn kruis op zich neemt en op deze wijze Mij navolgt, zonder met het eten en drinken angstig te zijn, maar ook zonder meer te gebruiken dan noodzakelijk is. (GJE 1, 434)
Wees vanaf heden in alle dingen rechtvaardig, heb God boven alles lief en uw medemensen als u zelf, of het nu vrienden of vijanden zijn. Doe wel aan diegenen, die u kwaad doen. Zegen, die u vervloeken en bid voor hen, die u vervolgen, dan zullen jullie als kinderen van de allerhoogste worden opgenomen. Dat is alles, wat ik van jullie verlang. (GJE 1, 443)
... omdat iedere ziel haar eigen dokter moet zijn. Maar vooraf heb ik jullie het geestelijke medicijn al gegeven; gebruik deze, dan zullen jullie in je ziel gezond worden en daardoor zullen jullie je omvormen tot echte kinderen van God. (GJE 1, 446)
Het gaat erom een geheel nieuw schepsel te worden en wel uit en in God. (GJE 1, 451)
In de talloze andere werelden word je in- en uitwendig gevormd tot wat je moet zijn; maar hier laat God de uiterlijke vormgeving over aan de ziel, die haar lichaam zelf vormt volgens de ordening waarin zij geschapen is; maar iedere geest, die in de ziel geplaatst is, moet in het bijzonder de ziel eerst vormen door het opvolgen van de hem uitwendig gegeven wetten. Als de ziel daardoor de juiste rijpheid en vorming heeft bereikt, dan worden geest en ziel een eenheid en dan is de gehele mens volledig, een nieuw schepsel, van oorsprong altijd uit God, omdat de geest in de mens niets anders is, dan een kleinste weergave van God, omdat deze volledig uit het hart van God komt. (GJE 1, 452)
Maar de mens bereikt dit niet door de daad van God, maar door zijn eigen persoonlijke handelen en is juist daardoor een echt kind van God. (GJE 1, 452)
Op alle andere hemellichamen wormen de mensen niet zichzelf, maar worden ze door God, of wat hetzelfde is, door zijn engelen, gevormd. (GJE 1, 452)
Hier moeten de mensen zich echter geheel zelf vormen volgens de geopenbaarde ordening, anders kunnen ze onmogelijk kinderen van God worden! En zo is een voltooid mens op deze aarde als een kind van God is alles aan God gelijk; maar een niet voltooid mens is daarentegen veel minder dan een dier. (GJE 1, 452)
Als je leeft, zoals God zegt dat je leven moet, dan is dat al die goddelijke levensorde, die zorgt dat men het kindschap van God bereiken kan. In de hele schepping is echter - en wel op alle hemellichamen die hoe dan ook door denkende wezens in mensengestalte bewoond worden - de algehele menswording van God in het vlees door ons bekend gemaakt; maar slechts op een zeer gering aantal werelden is het aan heel weinig geesten toegestaan om in het vlees van deze aarde te komen. God weet het beste of een geest geschikt is voor het vlees van deze aarde of niet. (GJE 1, 452)
Als iemand bij al zijn doen en laten zijn schreden niet in een rechte lijn op Mij richt, is al zijn doen en laten nutteloos voor zijn leven. Maar wie komt, wordt aangenomen. (GJE 1, 452)
Je moet niet aan deze wereld gebonden zijn want je bent niet van benedenaf in deze wereld gekomen, maar van boven uit een andere wereld. (GJE 1, 452)
Ik heb echter juist deze aarde uitgekozen, omdat haar kinderen de laatsten en de laagsten zijn van de hele oneindigheid, daarom heb Ik het nederigste kleed aangetrokken, om het alle schepsels in Mijn eindeloze schepping mogelijk te maken om Mij te benaderen. Vanaf de allerlaagste planeetbewoner tot en met de allerhoogste bewoners van de oorspronkelijke zonnen van het midden, moet iedereen op dezelfde wijze naar Mij toe kunnen komen. (GJE 1, 454)
De vader in de hemel heeft je alles gegeven wat je nodig hebt; nu komt het erop aan hoe gewetensvol jullie dat zullen gebruiken voor het echte en eeuwige welzijn van je leven. Van je eigen doen en laten zal het afhangen en je eigen woorden en daden zullen je rechter zijn. (GJE 1, 456)
Wij zagen een licht ons lichaam binnengaan en toen waren we gezond. (GJE 1, 459)
Als een mens alles heeft wat hij behoeft, dan voelt hij zich heel behaaglijk; hij doet niets en vraagt zich niet af of er een God is en een leven na de dood. Zo?n mens leeft dan net zo rustig als een gemeste os in de stal en is dan ook niets meer dan een genietend dier in een menselijke gestalte. (GJE 1, 460)
Ik laat ze dan het ene ongeluk na het andere overkomen, daardoor krijgen ze allerlei zorgen, angsten en vrees, beginnen na te denken, de zoeken en te vragen hoe dat toch komt dat ze nu van alle kanten belaagd worden, terwijl ze toch nooit iemand onrecht aangedaan hebben en altijd als nette, fatsoenlijke mensen hebben geleefd. Daardoor zal hun geest weer gaan werken. (GJE 1, 460)
Er ontstaat in feite niets zonder een voorafgaande strijd. Als in het innerlijk van de mens niet echt een gevecht met zichzelf plaatsvindt en met zijn verschillende eigenschappen, dan is alles nutteloos wat men van buitenaf met hem wil doen. (GJE 1, 460)
Wat een mens zichzelf niet verschaft door zijn oorspronkelijk ontvangen eigenschappen te gebruiken, dat kan geen God hem geven. God kan alles, maar daar heeft de mens niets aan. (GJE 1, 460)
Als iemand zichzelf niet eerst kent, hoe zal hij dan een ander of tenslotte zelfs God kennen?
Wees alle niet alleen slechts hoorders van mijn woord, maar geestdriftige daders, dan pas zullen jullie de zegeningen daarvan in je gaan waarnemen. Want het leven bestaat uit doen en niet uit het ongebruikt laten van de krachten, waarvan het leven afhankelijk is en het leven moet zelfs door de aanhoudende werkzaamheid van de gezamenlijke krachten eeuwig in stand gehouden worden. (GJE 1, 460)
Er is ook een echte rust, die vol leven is, maar dat is een rust in God en dat is het zaligmakende gevoel van tevredenheid over het bezig zijn volgens de wil van God. (GJE 1, 460)
Het hart van de ziel heet liefde. Hoe vlijtiger het zielehart slaat ... hoe meer zich een voldoende hoge levensenergie in de ziel ontwikkelt ... , daardoor wekt zij het leven van de goddelijke geest in zich op (zie blz. 452: daar is het de geest, die de ziel moet vormen). (GJE 1, 464)
Deze geest, die zuiver leven is omdat hij de onvermoeibare hoogste werkzaamheid zelf is ... . (GJE 1, 464)
Want de mensen moeten door de nood en allerlei tegenspoed aangezet worden tot werkzaamheid, omdat ze anders trage, gemeste ossen zouden worden die zichzelf vetmesten als voer voor de eeuwige dood. (GJE 1, 464)
Er is voor de mensen niets heilzamer dan een oefening in zelfbeschouwing en zo nu en dan zichzelf innerlijk te onderzoeken. Wie zichzelf en zijn krachten ontdekken wil, moet zich meermalen zelf onderzoeken. (GJE 1, 470)
Jullie hebben nu een nieuwe manier en methode (de zelfbeschouwing) leren kennen, waardoor de mens van de stof over kan gaan naar het steeds zuiverder en reiner geestelijke en hoe hij op deze weg heer over zichzelf en daardoor uiteindelijk ook over de gehele uiterlijke, wereldse natuur kan worden. (GJE 1, 472)
Volg daarom regelmatig deze weg in mijn naam en je zult een grote beheersing over je hartstochten en daardoor over de hele natuur en in de andere wereld over alle schepselen krijgen. Zo vaak je zo'n oefening zult doen, zul je door de satan verontrust worden zolang je in de geest nog niet volledig nieuw geboren wordt. Zijn jullie echter eenmaal in de geest nieuw geboren, dan heeft de satan voor eeuwig alle macht over jullie verloren. (GJE 1, 472)
Als Ik eenmaal opgevaren zal zijn naar de hemel en mijn geest jouw geest zal vrijmaken, dan zul je de wedergeboorte van de geest wel begrijpen ... . (GJE 1, 472)
Door het opvolgen van Mijn leer en door deze levensoefeningen zul je ten slotte uit en in jezelf het licht bereiken. Je kunt dat door geen leer en door geen onderricht van buitenaf begrijpen, maar het moet uit jezelf voortkomen op de weg, die Ik je nu voor alle tijden heb laten zien. (GJE 1, 472)
... de slechte geesten zijn nergens zo ijverig als juist bij de kinderen en zij zijn zeer dienstvaardig om bij het vormen van het zielelichaam zodanig te helpen, dat het lichaam ook voor hen een groot aantal vrijere en aangenamere woningen zal bevatten. ... er kunnen zich slechte en onreine geesten in het jonge zielelichaam binnensmokkelen. (GJE 1, 505)


terug naar het literatuuroverzicht






^