Jakob Lorber, Het Grote Johannes Evangelie Deel 2

De Ster, Tilburg 1989 ISBN 90.6556.491.8
(Het getal achter GJE 2 is het bladzijdenummer. Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Ik zeg: Kijk deze mensen hier. Zij zijn Gods vreugde, als zij in Gods orde datgene worden, waarvoor zij bestemd zijn. In hen vindt God zijnsgelijke terug! Hun voortdurende groei in alle soorten kennis en daardoor in liefde, wijsheid en schoonheid, is Gods vreugde en zaligheid! (GJE 2, 17)
Onderzoek alleen je hart; dáár zul je vinden wat je zoekt. Want in ieder mensenhart is het levende zaad gezaaid, waaruit het eeuwige leven zal opbloeien. (GJE 2, 20)
Ik zeg: De mensen van deze wereld moeten, om waarlijk Gods kinderen te worden, door water en vuur worden geleid. De oertoestand van de hemel is water en vuur; wat niet verwant is aan het water, wordt door het water gedood, wat zelf geen vuur is, kan in het vuur niet bestaan. Beide moeten in de juiste verhouding bestaan en dan verwekt en onderhoudt het ene voortdurend het andere. (GJE 2, 24)
Neem alle vuur, waaruit alle warmte ontstaat, op aarde weg en de hele aarde wordt een ijsklomp; neem al het water weg van de aarde en zij zal tot stof vergaan. (GJE 2, 24)
Ik spreek met mijn broeders innerlijk, geestelijk, door het hart. Maar mensen met een werelds hart, kunnen mij niet verstaan. (GJE 2, 34)
Als de mens sterft, wordt de ziel uit het lichaam genomen. De ziel komt dan als een zelfstandig, geestelijk mens op een plaats, die geheel overeenkomt met haar innerlijke gesteldheid. (GJE 2, 42)
... Jezus is in de geest dezelfde (Jahweh), die ongeveer 1000 jaar geleden aan Mozes op de Sinaï aan de Joden de wetten gaf. (GJE 2, 48)
Slechts datgene, wat een mens volgens zijn vrije inzicht en zijn vrije wil doet, is werkelijk gedaan en brengt op de een of andere wijze voordeel; maar ieder gedwongen werk en iedere gedwongen handeling is niets waard. (GJE 2, 61)
Het vrije inzicht in het ware en goede is het levenslicht van de geest; daarmee bepaalt hij zelf aan welke voorschriften hij wil voeldoen. (GJE 2, 62)
Dit is de eeuwige, zichzelf regelende orde van God. (GJE 2, 62)
Gods vrije wil bepaalt, volgens de eeuwige en volmaakte kennis en wijsheid van inzicht in zichzelf, de wet en bekrachtigt deze door de eigen, nog altijd vrije noodzaak. Dit is noodzakelijk voor de innerlijke ontwikkeling en zelfstandigmaking van de geest. (GJE 2, 62)
De menselijke geest moet net zo door en door volmaakt worden als de geest van God door en door volmaakt is, want anders is de geest geen geest. Om dat te kunnen worden, moet hem de gelegenheid worden geboden om zich in het tijdelijke net zo te kunnen ontwikkelen als de goddelijke geest de eeuwen door zich in God zelf en door God zelf heeft ontwikkeld. (GJE 2, 63)
Ik heb de macht om alle mensen te dwingen een gegeven wet op te volgen ... maar dan zou de mens ophouden mens te zijn en zou een dier gelijk zijn. Daarom moet je de gave van een mens om te kunnen zondigen niet zo laagt en ook als te misdadig aanslaan; want zonder die gave om tegen de gegeven wetten in te kunnen handelen, zou de mens een dier zijn en geen mens. Niemand moet met dwang worden afgehouden van de mogelijkheid tot zondigen. (GJE 2, 63)
God, die de mensen een aan God gelijke geest gaf, heeft de mensen niet geschapen om dieren te worden, maar om volledig vrij en aan God gelijk te worden. (GJE 2, 64)
De straf moet zodanig zijn, dat zij als een noodzakelijk gevolg van het niet opgevolgde voorschrift ondervonden wordt. Dan zal de menselijke geest beginnen met zelfstandig te denken en het voorschrift tot het zijne maken en er naar handelen. (GJE 2, 65)
Wie mijn woord hoort, het aanvaardt en er naar leeft, die heeft mijzelf in zich opgenomen. Wie echter mij opneemt, die neemt ook hem op, die mij in de wereld heeft gezonden, maar toch geheel één met mij is. Want wat Ik wil, dat wil hij ook. En hij is geen ander dan ik en ik geen ander dan hij. (GJE 2, 68)
Als bij iemand, net als bij mij, liefde en wijsheid in één hart wonen, dan is hij als ik en als degene, die mij in de wereld heeft gezonden. De eeuwige liefde in God is de Vader. Wat uit het vuur van de liefde voortkomt, het licht, is de wijsheid in God. Zoals echter liefde en wijsheid één zijn, zo zijn ook de Vader en de Zoon één. Wie van jullie heeft niet wat liefde en een daarbij behorend verstand? Bestaat hij daarom echter uit twee wezens?(68)
Onzichtbaar voor je aardse ogen zullen de beide engelen je beschermers blijven, zoals zij vanaf je geboorte reeds waren. Ook als je ze niet ziet, kun je met ze spreken en van alles aan ze vragen en zij zullen hun antwoord aan je hart kenbaar maken, als een uitgesproken gedachte. (GJE 2, 82)
Hoe zou God de vrouw schoonheid hebben kunnen geven, als die niet eerst in God zelf was?(84)
Het verschil tussen schepper en schepsel is in een bepaald opzicht niet zo bijzonder groot als jij je dat voorstelt, want het schepsel is geheel en al de wil van de schepper, die beslist volkomen goed en waardig is. Als deze vrije wil, die van de schepper is uitgegaan en zijn beeld draagt, zèlf in zijn persoonlijke, vrije bestaan onderkent wat hij eigenlijk is en daar naar handelt, dan is hij an zijn schepper gelijk en in het klein volkomen gelijk aan wat de schepper in het oneindige grote is. (GJE 2, 84)
Om voor jullie vrijgelaten wilsdeeltjes, die mensen heten, het zichzelf herkennen te vergemakkelijken, heeft de schepper door alle tijden heen openbaringen, wetten en leringen vanuit de hemelen aan de mensen gegeven en is nu zelfs lichamelijk zelf naar de aarde gekomen, om de mensen te helpen bij het werk van de zelfherkenning. (GJE 2, 85)
... in de mens ben ik de volheid van het werkelijke leven door de liefde tot mij in zijn ziel en deze liefde is mijn geest in iedere mens. Wie de liefde tot mij opwekt, die wekt zijn door mij aan hem gegeven geest en omdat ikzelf deze geest ben en moet zijn, omdat er buiten mij geen andere levensgeest bestaat, wekt hij daardoor dus mijzelf als God in hem op en is daardoor in het eeuwige leven geheel ingeboren ... omdat hij één is met mij. (GJE 2, 86)
Wie alles aan mij offert, die offer ik ook alles ... . (GJE 2, 93)
Buiten God bestaat er immers geen enkel wezen in de gehele oneindigheid. Als je dus met God spreekt als met je gelijke, dan doe je daar heel goed aan, want God heeft niemand buiten zichzelf, waarmee God zou kunnen spreken. Maar de schepselen, die uit God zijn voortgekomen, zijn zó vrij, dat ze nu met God kunnen spreken en God met hen spreekt, als de ene mens met de andere. Je spreekt met God als met je gelijke, want het schepsel is zijn schepper waard en de schepper zijn schepsel. (GJE 2, 124)
Ieder schepsel is een getuigenis van de almacht, wijsheid en liefde van God. Zonder Gods macht is ook de machtigste geest niet in staat om iets uit zichzelf te scheppen, dat kan slechts God. (GJE 2, 124)
De mens hoeft zich echt niet te schamen voor wat hij is, want hij is het waarste meesterwerk va de schepper, als hij volgens de in vrijheid aanvaarde wil van God leeft. Maar als een mens tegen de wil van God handelt, dan verknoeit hij zichzelf en voldoet niet meer aan datgene, wat hij in het begin was en eeuwig zijn en blijven moet. Zo moet dan de zonde een handeling zijn tegen de oorspronkelijke orde van God, waardoor de mens zelf, als schepper van het in hem tot ontwikkeling komende deel, zijn eigen, aan God gelijk moeten wordende natuur ontkracht en daardoor zichzelf onwaardig maakt om een schepsel van de eeuwige, almachtige meester te zijn. (GJE 2, 124)
Alleen dat, wat de mens vrij uit zichzelf doet, baat de mens. Al het andere brengt hem veel schade toe. Door dwang zou van de in alle vrijheid de zichzelf volledig aan God gelijk moeten makenede mens slechts een stom, levens werktuig worden gemaakt, die zichzelf niet zou kunnen opwerken tot doelmatige en vrije werkzaamheid. Door dwang gaat het daarom niet. Het gaat alleen door de ware leer en vervolgens door de vrije zelfbescikking te handelen volgens de gehoorde leer. (GJE 2, 124)
In een wereld, waarin een mens zichzelf moet vormen tot een waar kind van God, moeten hem ook alle mogelijke goede en kwade mogelijkheden ten dienste staan om de leer van God volledig te beproeven. (GJE 2, 126)
Er moeten sterken en zwakken zijn, om de sterken de gelegenheid te geven de zwakken te ondersteunen en om de zwakken in de deemoed van hun hart te laten onderkennen dat zij zwak zijn. (GJE 2, 126)
In deze school voor zelfontwikkeling van mensen tot vrije kinderen Gods moeten er zich zoveel mogelijk goede en kwade mogelijkheden ten dienste staan, waardoor de kinderen zich grondig in alles kunnen oefenen en ontwikkelen, omdaqt ze anders onmogelijk ware, almachtige kinderen van de allerhoogste zouden kunnen worden. Zolang een mens niet bij alle mogelijke omstandigheden met geheel eigen macht de satan kan overwinnen, is hij nog geen volledig kind van God. (GJE 2, 126)
Alle krachten, die de mensen zijn gegeven en die zich aanvankelijk voordoen als moeilijk te beheersen hartstochten, moeten in staat zijn om zich volledig te ontwikkelen. (GJE 2, 128)
Dus alles komt op deze aarde bij de mensen alleen maar op de vrije wil aan en op een onderricht met de minst mogelijke dwang. Deze leer is door God ook zo geformuleerd, dat het verstand van ieder welwillend mens het ook al na eenmaal te hebben gehoord kan begrijpen: Heb God lief boven al en je naaste als jezelf. (GJE 2, 129)
Iedere nog zo geringe gedachte moet toch eerst door een prikkel worden opgewekt. Nadat de gedachte werd opgewekt in het hart, stijgt zij op naar de hersenen om door de ziel te worden onderzocht. Die zet dan de ledematen van het lichaam in beweging, zodat de gedachte in woord of daad wordt omgezet. (130)
Want een gedachte is een geestelijke schepping en kan nergens anders ontstaan dan in de geest van een mens, die in het hart van de ziel woont en van daaruit de hele mens 'bezielt'. (130)
Ieder mens moet eerst in het hart geestelijk wedergeboren worden ... . (GJE 2, 130)
Streef slechts voor alles naar het rijk van God en de ware gerechtigheid daarvan ... . (GJE 2, 133)
Alles kan ik voor de mens doen en daarbij blijft hij mens; maar het hart is van de mens zelf, dat moet de mens geheel en al zelf bewerken als hij voor zichzelf toegang wil krijgen tot het eeuwige leven. Want als ikzelf eerst het hart van de mens zou bijschaven, dan zou de mens een werktuig en nooit vrij en zelfstandig worden; maar aqls de mens wordt geleerd wat hij moet doen om zijn hart voor God te vormen (geestkunde!), dan moet hij dat ook ongedwongen ten uitvoer brengen en het hart vormen volgens de leer. (GJE 2, 157)
Ieder mens heeft een bepaalde graad van eigenliefde en moet die ook hebben, omdat hij anders niet zou kunnen leven. (GJE 2, 160)
... het enig ware gebed is de oprechte liefde tot God en tot de medemensen, jullie naasten. Alle andere gebeden hebben voor God geen waarde. Wie niet in het hart kan bidden, kan beter helemaal niet bidden. De mens moet zonder ophouden bidden om niet in verzoeking te raken. (GJE 2, 234)
Wie niet zoals dit meisje naar mij toekomt, zal de weg naar het rijk van God niet vinden! Jullie moeten met liefde, met de vuurigste liefde tot mij komen als je het eeuwige leven wilt oogsten. (GJE 2, 236)
Angst wordt veroorzaakt door de nog niet geheel losgelaten wereld in hun binnenste. Als deze, zoals bij jou, al helemaal uit hun binnenste verbannen zou zijn, dan zouden zij net als jij niet bang zijnen ook geen angst kunnen hebben, doordat de geest sterk genoeg is om de stof te beheersen. (GJE 2, 277)
De ziel van de mens leeft door een onjuiste koers bij het vlees of door een juiste koers bij haar geest, die altijd één is met God, zoals het zonlicht één is met de zon. (GJE 2, 277)
Leeft een geest bij het vlees, dat in zichzelf dood is, en slechts voor een bepaalde tijd, als het lichaam niet wordt beschadigd, door de ziel leven krijgt, dan wordt de ziel helemaal één met het lichaam. (GJE 2, 277)
Maar als de ziel zich steeds meer op het vleselijke instelt, zodat zij ten slotte zelf helemaal vlees wordt, dan bevangt haar ook het gevoel van vernietiging dat bij het vlees hoort en dit gevoel is dan de vrees, die de mensen voor alles onbekwaam en machteloos maakt. (GJE 2, 277)
Geheel anders gaat het met een mens, wiens ziel door een juiste koers vanaf zijn prilste jeugd naar de geest heeft geleefd. Haar gevoel lijkt dan op de geaardheid van haar eeuwige, onverwoestbare geest. Zij kan geen dood meer zien en voelenomdat zij één is met haar eeuwige, levende geest, die heer is over de gehele, zichtbare natuur. (GJE 2, 277)
Daarom moeten mensen zich ook zo weinig mogelijk zorgen maken over wereldse zaken, maar alleen zorgen dat hun ziel één wordt met hun geest en niet met hun vlees!(277)
Doet hij dat echter niet, dan kan hij op geen andere manier worden geholpen dan door veel werelds lijden, opdat hij de wereld met haar heerlijkheden leert verachten, zich tot God bekeert en zo begint zijn geest in zich te zoeken en zich meer en meer met God te verenigen. (GJE 2, 277)
De weg naar de hemel zal door weinigen worden betreden, want het moeilijkste voor de mens is de zelfverloochening. (GJE 2, 279)
Uit de engelen straalt overal rechtstreeks mijn liefde en wijsheid, die helemaal op mij lijkt. Een engel is geheel uit mijn liefde en wijsheid samengesteld. Uit die twee levenselemenrten zijn ook de mensen samengesteld. (GJE 2, 282)
Wij engelen zijn ontvnagers voor de goddelijke wil en vervolgens dragen wij die wil uit. Wij zijn in zekere zin de vleugels van de wil en zodoende eigenlijk de goddelijke wil zelf. (GJE 2, 284)
De mens moet als hij volwassen wordt vrij en zelfstandig beslissen. Daarom trek ik mij op een bepaald ogenblik terug van de mens en kijk niet naar wat hij met zijn vrijheid doet, behalve wanneer hij mij dringend vraagt hem te helpen bij zijn vrije strijd tegen de wereld. Dan kijk ik naar hemhelp hem op de goede weg en geef hem bij de strijd tegen de wereld nieuwe kracht. (GJE 2, 288)
Ook de beschermengel zal je alleen laten, maar wanneer je uit eigen kracht de wereld volledig zult hebben overwonnen, komt hij weer bij je en zal je in alles dienen. (GJE 2, 288)
Jouw aardse oog is tot oog van je wil geworden en het oog van je ziel is tot oog van je geest geworden. (GJE 2, 294)
De geest van elk mens is zo geaard, dat hij net als Gods geest de gehele oneindigheid bevat. (GJE 2, 294)
Als je nu een nog zo ver verwijderde ster in je hart opneemt, dat een geestelijk oog is en tevens het oog van je zieldoor het vleselijke oog richtop het door het geestelijke oog beschouwde voorwerp, dan botst het innerlijk in je geest aanwezige beeld met de uiterlijke, overeenkomstrige vorm daarvan. (GJE 2, 294)
Wie God niet als een volmaakt mens liefheeft, kan nog minder zijn naaste liefhebben, die een nog heel onvolmaakt mens is! Als er echter geschreven staat, dat God de mens naar zijn beeld heeft geschapen, wat moet God dan anders zijn dan ook een mens, maar dan geheel volmaakt!(GJE 2, 300)
De gest van God in de mens kan slechts worden gewekt door de liefde tot God en uit die liefde tot de liefde voor de naaste. (GJE 2, 300)
God is en blijft God en de menselijke geest kan God pas dan geheel naderen, als hij zich met de aan hem gegeven krachten zelf heeft gevormd en ontwikkeld, waarbij de mens tijdens deze zelfverwerkelijking geheel aan zichzelf wordt overgelaten. (GJE 2, 304)
De zon stemt geheel overeen met het wezen van God, de aarde geheel met de uiterlijke mens. (GJE 2, 310)
Als de geest van de volle waarheid in jullie zal ontwaken, dan zal hij jullie zelf in alle wijsheid inleiden; en deze geest is het goddelijke evenbeeld in jullie harten en jullie zelf zullen hem in jullie wekken door het juiste vieren van de sabbath (de innerlijke rust des harten)(312)
Satan: Ik ben een geest en moet dat eeuwig blijven ter wille van jullie heil. (GJE 2, 315)
De slechtheid van jou (Satan) is hardnekkig en je wilt jezelf daarvan nooit bekeren, omdat het je een helse vreugde geeftdat je God met je vrije wil kunt trotseren. (GJE 2, 315)
In onze staat van oergeschapen geesten vind je bij ons, die ontelbaar zijn, zonder uitzondering alleen het mannelijk-positieve wezen, maar toch is ook het vrouwelijk-negatieve beginsel in ieder van ons geheel aanwezig en daarom vind je in iedere engel (die een afspiegeling is van God!) het volmaakte huwelijk van de hemelen van God. (GJE 2, 324)
Het is helemaal van onszelf afhankelijk of wij ons in een en hetzelfde geestelijke omhulsel in de mannelijke of in de vrouwelijke vorm willen laten zien. In het feit dat wij in onszelf een dubbel wezen zijn, ligt ook de reden, waarom wij niet ouder kunnen worden, omdat de twee polen in ons elkaar eeuwig blijven ondersteunen. (GJE 2, 324)
Het godsrijk kost geweld! Die het niet met geweld tot zich trekken, zullen het niet veroveren. Maar ieder, die terwille van het hemelrijk met zichzelf vecht, is een wijze en verstandige bouwheer. (GJE 2, 332)
Jullie zijn uit God en moeten daarom in alles aan God gelijk zijn. God neemt er echter de tijd voor als hij schept. Zoals het in het klein met een plant gebeurt, zo gaat het ook met de hele wereld. (345)
Laten we nu gaan rusten en ons nogmaals oefenen in de innerlijke zelfbeschouwing, die gelijk staat met een echte sabbathviering. (GJE 2, 346)
De juiste maat van alle dingen is zowel voor de mens als voor de geesten in de hemel; een overmaat van dezelfde diongen is voor de mensen in de hel. (GJE 2, 386)
Je moet zelf geestelijk werkzaam worden, anders zou je nooit de diepere waarheden van de hemelse wijsheid kunnen begrijpen. (GJE 2, 386)
Neem wat men je geeft en gebruik het, maar hecht er geen waarde aan. Laat iedereen vóór alles het Godsrijk zoeken en dan zal al het andere hem naar behoefte worden gegeven. Maar wat hij krijgt, ontvangt hij niet om het op te hopen, maar om het verstandig en wijs te gebruiken voor de bestwil van zichzelf en anderen. (GJE 2, 387)
God wil dat ieder mens eerst volkomen zichzelf leert vinden, voordat God tenslotte zijn al het leven voltooiende hand op hem legt en met zijn licht in het hart van de mens gaat wonen. (GJE 2, 391)
Daarom zegt God ook niemand rechtstreeks at hij fout doewt in zijn leven, maar hij geeft hem alleen bepaalde schokkende ervaringen. Daardoor dwingt hij de ziel zichzelf nader te bekijken, haar fouten door zijn licht te ontdekken, deze uit te bannen en dan op te gaan in gods orde. (GJE 2, 391)
De hemelse leraren voeden de geest vrij op en helpen hem zelfstandig te worden, door hem met allerl,ei vragen wakker te schudden. De wereldse leraren trachten de geest alleen maar te onderdrukken en te doden. (GJE 2, 397)
Als de mens overlijdt, dan zal een engel hem als geest uit het stoffelijke vrijmaken. De stof geeft hij over aan de volledige ontbinding, maar de ziel en haar levensgeest en ook alles wat zich in de stof bevindt en bij de ziel hoort, zal hij, terwijl hij het samenvoegt tot een volmaakte mensenvorm (geestgedaante), naar de geestelijke wereld overbrengen. (GJE 2, 405)
De stof is eigenlijk niets anders dan geest, die door de wil van God is gebonden. Een engel is niets anders dan het verpersoonlijkte zinnebeeld van de wil van God; hij kan dus niets anders willen dan wat God wil. (GJE 2, 405)
Het lichaam is stof en is samengesteld uit de ergste zelfstandige delen van de oerziel, die door de macht en de wijsheid van de goddelijke geest in die stoffelijke vorm worden gehouden. (GJE 2, 430)
Een in het lichaam wonende ziel is in het begin niet veel reiner dan het lichaam, doordat ook zij afstamt van de onreine oerziel van de gevallen satan. Het lichaam is voor de onzuivere ziel eigenlijk nog niets anders dan een heel wijs en doelmatig ingericht 'zuiveringswerktuig'. (GJE 2, 430)
Maar in de ziel woont al de zuivere vonk van de geest van God, waaruit de ware zelfkennis en de goddelijke orde zich kenbaar maken door de stem van het geweten. (GJE 2, 430)
Tevens is het lichaam naar buiten toe van allerlei zintuigen voorzien en kan horen, zien, tasten, ruiken en proeven. Daarmee krijgt de ziel allerlei gegevens over de buitenwereld. Door het oordeel van de in haar wonende geest voelt zij weldra wat goed en slecht is. (GJE 2, 430)
Het lichaam is, doordat het uit delen bestaat die nog geheel in het diepste staan en daardoor dood kunnen gaan, voor ieder mens de hel in zijn meest uitgebreide vorm (Jozef Rulof). Wie veel voor het lichaam zorgt, zorgt voor zijn persoonlijke hel. (GJE 2, 430)
Als de ziel teveel luistert naar de eisen van het lichaam en daaraan gehoor geeft, stelt zij zich daarmee in verbinding en daalt zo af in haar persoonlijke hel en dood. Als de ziel dat doet, zondigt zij tegen Gods orde in haar. (GJE 2, 430)
Bij hen (de onbewusten) verbond hun ziel zich van kinds af aan zo sterk met hun lichaam, dat zij volledig één daarmee is en daardoor in zichzelf ook geen andere behoefte kent dan die van het lichaam. (GJE 2, 432)
De geschiedenis is een voortbrengsel van de geestelijke ontwikkeling van de mens en niet van de geschapen natuur. (GJE 2, 439)
Wie, door de geest geleid, de overeenkomsten ziet tussen de zintuiglijke wereld en de geestelijke wereld, kan ook opmaken hoe de zintuiglijke we
reld uit de geestelijke is voortgekomen. (GJE 2, 439)
De mens leefde eerst onstoffelijk als een natuurziel in de lucht van de aarde. Pas toen de bodem van de aarde rijp was, werd een zeer sterke ziel uit haar luchtbestaan geroepen om voor zichzelf uit de aarde een lichaam te maken volgens de orde van de in de ziel aanwezige oervorm van God. (GJE 2, 439)
Tijdens de lichamelijke geboorte uit de moeder wordt de eeuwige levenskiem als een vonkje van de zuivere geest van God in het hart van de ziel gelegd, net als bij de vrucht van een plant. (GJE 2, 443)
De ziel gaat geheel over in het leven van de kiemgeest in de kern. (GJE 2, 443)
Als je brood eet, wordt de stof van het meel weer langs de natuurlijke weg uit het lichaam verwijderd, maar het 'kiemleven' gaat door zijn geestelijke vorm meteen in het leven van de ziel over en wordt volgens zijn overeenstemmende geaardheid één met haar. Dat dient de ziel tot vorming en voeding van de organen van de ziel (de knooppunten) en haar ledematen, haren enz. en verder voor de vorming en voeding van het lichaam. (GJE 2, 444)
Een ziel bestaat uit dezelfde delen als het lichaam. (GJE 2, 444)
In de scheppingsgeschiedenis heeft het zielkundige zich eerst uit het geestelijke ontwikkeld en het stoffelijke uit de ziel. (GJE 2, 446)
... de gave van het verstandelijke vermogen. Die is als een spiegel, die in staat is om de afbeelding van voorwerpen geheel juist op te nemen en weer te geven. (GJE 2, 444)
Met de aarde bedoelt Mozes het vermogen tot opneming en tot aantrekking van het met elkaar verwante: gedachten verbindingen. (GJE 2, 444)
Als een mens gedachten wil samenvoegen en ze uit wil voeren, moet hij liefde bij zijn gedachten voegen. Daardoor worden de gedachten steeds levendiger en nemen steeds meer vorm aan. Deze liefde is de genoemde geest van God zelf, die 'boven de wateren zweefde', boven de nog vormloze gedachten van God. (GJE 2, 446)
Levens gemaakt door deze liefde, begonnen de gedachten van God op te lichten: Er zij licht. (GJE 2, 446)

Mozes onderscheidt zes dagen, daar iedereen vanaf zijn oerbegin tot aan zijn vastgestelde voleinding, steeds op de weg van één en dezelfde goddelijke orde de zes perioden door moet maken. (GJE 2, 449)
1e dag: zaadlegging in de aarde, ontkiemen (lichaam)
2e dag: vorming halm, wortels, schutbladeren (vormenkrachtveld)
3e dag: aanzet tot de aarvorming (ziel)
4e dag: vaataanleg en bloeiwijze: de ontvangst en verwekking van het vrije leven (indaling van de geest, zelfbewustwording)
5e dag: het afvallen van de bloem, het ontstaan van de vrucht die het vrije leven draagt met haar vrije werkzaamheid, tussentoestand tussen gebondenheid en vrijheid, groei naar volledige vrijheid. (geestelijke ontwikkeling)
6e dag: het losmaken van de rijpgeworden vrucht, waarvan de kern verlangt naar het geestelijke voedsel, het vrijworden van het leven, (zelfverwerkelijking)
7e dag: de toestand van rust, van gereed zijn voor de eeuwigheid, op dezelfde wijze als God toegerust (hereniging). (GJE 2, 449)
Mozes had het vermogen en ook de wil om al de mensen het waarachtige nieuws te brengen over de grote geheimen van God en over alle geschapen dingen. (GJE 2, 449)

Doordat de ziel aandacht schenkt aan de wereld wordt zij er tenslotte bijna geheel één mee en bekommert zich nog maar weinig om haar geest. Dat is de zogenaamde 'erfzonde' (de onbewuste vereenzelviging). (GJE 2, 454)
Iedere wereldse zorg is een stoffelijke band, waardoor een ziel zich met de stof verbindt (vereenzelviging). Hoe meer de ziel zich verbindt met de stof van haar vlees, des te meer moet de vorming van de eigenlijke geest van God in haar verkommeren. Hoe meer de ziel zich door haar zorgen bindt aan het lichaam ... des te meer verliest zij het besef en de kennis van het eeuwige, onvergankelijke leven (de geest) in haar (onbewustheid). (GJE 2, 456)
De wereldse zorgen moeten door de ziel zelf worden opgelost (onthechting), een ander middel is er niet. Als die wereldse zorgen terzijde worden gezet (onthechting), komt bij de mens alles weer in de goddelijke orde terug ... . (GJE 2, 458) ... alleen de veelvoudige zorg voor het vlees (onbewuste vereenzelviging) is de moeilijk op te heffen 'zonde van Adam' bij al zijn nakomelingen. (GJE 2, 458)
Waar blijft die zelfwerkzaamheid, die als enige in staat is een geschapen wezen tot volle vrije onafhankelijkheid en zelfstandigheid te brengen?(459)
Het lichaam van een mens is niets dan een kunstig werktuig, dat door de vrije wil van de ziel in werking kan worden gezet. (GJE 2, 459)
Men moet de wezens zelf tonen dat het wezen dat het gebod overtreedt, misschien in het begin wel een kortdurend voordeel kan hebben, maar dat daaruit later steeds een langdurig nadeel zal voortkomen, dat slechts met veel moeite te niet kan worden gedaan. Daarmee voorzienkan het wezen pas een waar en vrij gebruik gaan maken van zijn verstand en de daaruit voortvloeiende daadkracht. (GJE 2, 459)
Het nieuw beschapen wezen wordt nu uit zichzelf werkzaam en begint zo aan de voornaamste fase tot de volle en echte zelfstandigheid en daar gaat het bij alle geschapen, zelfstandige wezens om. (GJE 2, 459)
Dat toen een del der wezens het gebod opvolgde en een deel niet, is duidelijk in de zichtbare, stoffelijke schepping te zien, die als een gericht of als een straf op het niet houden van het gegeven gebod moest volgen en die op zichzelf in geestelijk opzicht, niets anders is dan de langere weg naar het zalige, vrije bestaan van de geschapen geesten. (GJE 2, 459)
Alles wat er is, kan niet anders bestaan dan door een zekere doorlopende strijd. Ieder bestaan, het geestelijke niet uitgezonderd, heeft in zichzelf alleen maar tegenstellingen, zoals ontkennende en bevestigende, die steeds zo tegenover elkaar staan als koude en warmte, donker en licht, hard en zacht. (GJE 2, jang en jin) Geen enkele kracht kan iets doen, als er geen tegenovergestelde kracht is. (GJE 2, 461)
Toen God een maal uit zichzelf op God gelijkende vrije wezens wilde scheppen, moet God ze ook voorzien van deze tegendelen, die in God zelf eeuwig in evenwicht zijn. (GJE 2, 462)
In God waren alle tegendelen eeuwig met elkaar in evenwicht. Meer bij de geschapen wezens moesten zij door de vrijheid uit zichzelf, door zelfwerkzaamheid in evenwicht worden gebracht. Bij veel wezens hebben de tegendelen een juiste verhouding volgens de orde van God bereikt en hun bestaan is daardoor volkomen, omdat zij zich door hun geestelijke vermogens evenwichtig laten ondersteunen. (GJE 2, 463)
Als een kracht in een zich vrij ontwikkelend wezen door een overwegend, hardnekkig streven alle ander tegenkrachten tot werkeloosheid brengt, dan doodt zo'n kracht in zekere zin zichzelf, doordat zij alle gelegenheid te niet doet waarbij zij haar kracht evenwichtig had kunnen gebruiken (eenzijdigheid). (GJE 2, 463)
... door de zo ontstane traagheid in de geest ontstaat een verstarring van de geest en dat wordt in het stoffelijke tot uitdrukking gebracht. Stof is door eenzijdige traagheid verstarde geest. (GJE 2, 467)
Het zo ontstane omhulsel, het lichaam van de geest, is een verlossingsinrichting, waarin de gbeest weer zijn volkomen vrije zelfstandigheid en onafhankelijkheid kan bereiken. (GJE 2, 467)
... een nog domme geest... een zwakke geest ... een nog zo volmaakte geest ... . (GJE 2, 469)


terug naar het literatuuroverzicht






^