Jakob Lorber, Het grote Johannes evangelie Deel 4

De Ster, Tilburg 1991 ISBN 90.6556.012.2
(Het getal achter GJE 4 is het bladzijdenummer. Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

De heilige geest die ik eenmaal vanuit de hemelen over jullie zal uitstorten, die zal jullie met de hele waarheid bekend maken. Dat zal de geest van de liefde zijn, de Vader zelf, die jullie zal opvoeden (parakleitos: aanmoedigen) en leren, opdat jullie allen daar kunnen komen, waar ik ben. (GJE 4, 5)
Ieder moet ophouden met alleen zelf iets te zijn, om in míj alles te kunnen worden. God boven alles liefhebben, betekent: geheel in God op- en ingaan; en de naaste liefhebben betekent eveneens: ingaan (meeleven) met de naaste, omdat men hem anders nooit lief kan hebben. (GJE 4, 5)
De hoogste wijsheid is daarin gelegen, dat jullie wijs worden door de vurigste liefde. Alle kennis heeft geen zin zonder de liefde. Doe daarom niet zoveel moeite om veel kennis te vergaren, maar om veel liefde te geven, dan zal de liefde je geven wat geen kennis je ooit kan geven. (GJE 4, 6)
Streef naar mijn leer van het leven en van de ware kennis van God op de enige weg van de daadwerkelijke liefde. Deze liefde zal iedereen het ware licht en het juiste en onbegrensde inzicht geven in alles wat zich in de natuurlijke en geestelijke wereld voordoet. (GJE 4, 8)
Je zult mij in je hart slechts behoeven te roepen en dan zal ik bij je zijn en je antwoorden door de weliswaar zeer zachte, maar toch overduidelijk waarneembare gedachten in je hart. Als je die hebt gehoord, bedenk dan dat ik die in je hart heb gelegd. (GJE 4, 46)
Wie echter iemand de handen oplegt, moet dat in mijn naam doen, omdat zo?n behandeling anders geen nut en uitwerking zal hebben. Er is een vast, onwankelbaar geloof en een even onwankelbare, vaste wil voor nodig. De wens daartoe moet uit het diepst van het hart voortkomen en worden gevoed door de ware naastenliefde, dan vervult de liefdekracht de handen van de handoplegger, dringt door zijn vingertoppen en stroomt als een zachte dauw in de zenuwen van de zieke. (GJE 4, 73)
De ziel is ook een lichamelijke vorm(geestgedaante). (GJE 4, 90)
Deze eigenlijke oerlevenskern kan worden geprikkeld en opgewekt en daardoor gaan groeien totdat hij zijn gehele ziel, dat is zijn mantel, gevuld had met zijn zuiver geestelijke wezen. (GJE 4, 95)
Maar de ziel moet toch eerst het stoffelijke geheel afleggen voordat de geest het aan hem verwante in de ziel tot zich kan trekken als het hem eigene en daarmee een volmaakte eenheid kan vormen. Het stoffelijke van de ziel is voor de geest zichtbaar aan datgene, waarmee de ziel is bekleed. Dit kleed moet eerst worden afgelegd voordat de innerlijke geestmens, die goddelijk is, geheel over kan gaan in zijn ziel ... en waarmee hij dan een geheel kan vormen. (GJE 4, 96)
Daarna kan het nieuwe wezen of de nieuwe hemelse mens, die nu alles zèlf voelt, denkt, ziet, hoort, ruikt, en proeft (waarneemt), zelfstandig optreden (willen). Zorel: Mijn hele wezen is nu licht en ik zie geen schaduw, in noch buiten mij. Want ook om mij heen is alles licht. Binnen dit alom aanwezige licht zie ik echter nog een allerheiligst licht; het straalt als een zon en daarin is God! (God als algeest en als algeestmiddelpunt). (GJE 4, 96)
De menselijke vorm is de sluitsteen van alle vormen en zijn gestalte is een echt hemelse gestalte. (GJE 4, 97)

God zelf is de meest volmaakte, eeuwige oermens uit zichzelf. Dat wil zeggen:
deze mens is in wezen een vuur, waarvan het gevoel liefde is;
een licht, waarvan het gevoel verstand en wijsheid is;
en een warmte, waarvan het gevoel het leven zelf is, in het volste bewustzijn van zichzelf. (GJE 4, 98)

Het geschapene neemt steeds meer licht in zich op en ook warmte, het verlicht en verwarmt zo steeds verder en werkt daar, waar het komt, ook steeds verder. Zo plant alles zich eeuwig verder voort uit het oervuur, het oerlicht en uit de oerwarmte en vult steeds verder en verder de oneindige scheppingsruimte. (GJE 4, 98)
Alles komt oorspronkelijk uit het ene oerbestaan van God voort en blijft zich ontwikkelen (zelfverwekelijking) tot het gelijk wordt aan het oerwezen van de oermens (hereniging). (GJE 4, 98)
Eenmaal daaraan gelijk, blijft het dan ook in volledige, zelfstandige vrijheid in de menselijke vorm uit God bestaan, als een God op zichzelf, in innige verbondenheid met de oergod, doordat het datgene is, wat de oergod zelf is. Daarom is de mens éérst mens uit God en dan pas mens uit zichzelf. (GJE 4, 98)
Zolang hij alleen uit God is, lijkt hij op een vrucht in het moederlichaam. Pas wanneer hij uit zichzelf een mens wordt volgens Gods ordening (zelfverwerkelijking), is hij een voltooid mens, omdat hij daardoor tot een waar evenbeeld van God kan worden (hereniging).
Als hij dat heeft bereikt, blijft hij eeuwig als een god en is zelf een schepper van de verdere werelden en wezens en mensen geworden. Want het is wonderlijk dat ik nu al mijn gedachten en gevoelens kan zien en mijn wil vormt het omhulsel van hetgeen ik heb gedacht en gevoeld. Zo gaat het scheppen steeds opnieuw door. (GJE 4, 98)
Het gevoel als warmte, als liefde heeft de behoefte aan verwerkelijking (wilskracht); hoe sterker dat gevoel wordt, des te meer vlammen en warmte wekt het daardoor in zich op en des te krachtiger wordt ook het licht. (GJE 4, 99)
De behoefte (de wil) van de liefde drukt zich uit in vormen van licht. Maar de vormen ontstaan en vergaan meteen weer. Er komen steeds weer andere beelden (beeldenstroom). Bij voltooide mensen blijft de gedachte in zijn vorm bestaan, doordat hij, door de wil gegrepen, meteen door een snelle omhulling in de opgetreden vorm wordt vastgehouden en deze niet meer kan veranderen (door de wilskracht neemt de gedachte vaste vormen aan). (GJE 4, 99)
Doordat de omhulling echter oorspronkelijk slechts heel etherisch teer en daardoor ook doorschijnend is, dringt er van de schepper van de nu vastgelegde gedachte voortdurend meer licht en warmte naar binnen. Dit vergroot het eigen licht en de eigen warmte van de vastgelegde gedachte, die oorspronkelijk uit deze beide elementen ontstond. De gedachte ontwikkelt zich en wordt vervolgens het licht en de wijsheid van de volmaakte kennis. (GJE 4, 99)
Als je volmaakt wilt worden, moet je jezelf ontdekken en mag er geen geheim (iets verdrongens) in je ziel zijn. Pas als al het verkeerde uit je is verdwenen, kun je beginnen aan de vervolmaking. (GJE 4, 117)
De wil van de mens is tweevoudig, gericht op de waarheid en geestelijke ontwikkeling, en gericht op de zintuiglijke wereld met haar verleidingen. (GJE 4, 130)
De waarachtige en enige God is de zuivere geest die de hoogste graad van zelfbewustzijn bezit en de hoogste en verlichtste wijsheid heeft en zo'n onwrikbare wil, dat daarvoor niets onmogelijk is. (132)
Min of meer ligt in de zintuiglijkheid (de 'vleselijke lust') het voornaamste kwaad bij alle mensen. Uit deze lust komen bijna alle lichamelijke ziekten voort en eveneens de zielsziekten. Deze zonde vindt haar beweegredenen in zichzelf en in het 'zondige vlees'. Alle andere zonden hebben een beweegreden buiten zichzelf. Geen duivel is daarom moeilijker uit een mens te verdrijven dan de 'vleesduivel'. (GJE 4, 141)
... zodra je een wat beter leven gaat leiden, zal 'je vlees' (je vereenzelviging ermee) ... zich beginnen te roeren (je eigen gehechtheid) en het zal je veel moeite kosten om het tot rust te brengen. (GJE 4, 143)
Het hart van een vriendelijke gever lijkt op een vrucht die snel rijp wordt, doordat zij een overvloed aan echte warmte in zich heeft, die hoogst noodzakelijk is voor de rijping van een vrucht, doordat in de warmte het overeenkomstige levenselement, de liefde, heerst. De vreugde en vriendelijkheid van de gever en helper is de overvloed van echte, innerlijke levenswarmte. (GJE 4, 145)
... het wilde vuur van de hoogmoed ... . (GJE 4, 147)
Iedere ziel heeft een ?hoogheidsgevoel? (zelfgevoel) dat naar Gods gedachte en wil uit God is geërfd. (GJE 4, 148)
Zolang de mens niet de laatste rest van hoogmoedigheid in zichzelf heeft uitgeroeid, kan hij noch hier, noch in het hiernamaals overgaan tot een volledige voltooiing van het zuiver geestelijke, hemelse leven. (GJE 4, 149)
De weg van de innerlijke, geestelijke voltooiing (de levensweg). (GJE 4, 149)
Johannes: In Jezus woont de volheid in lichamelijke vorm. Als de Zoon, die echter geen andere persoonlijkheid is en kan zijn, zie ik zijn lichaam slechts als een middel tot het doel; maar als geheel is hij evenwel dezelfde als de in alle volheid in hem wonende godheid. (GJE 4, 159)
Of is mijn lichaam soms een andere persoonlijkheid dan mijn ziel? Zijn zij samen niet één mens, hoewel mijn ziel in de aanvang van mijn bestaan zich eerst dit lichaam moest vormen en men gevoegelijk zou kunnen zeggen: de ziel heeft een tweede, lichamelijke mens over zich heen aangetrokken en zodoende een tweede persoonlijkheid over zich heen gevormd. Men kan wel zeggen dat het lichaam een zoon is ('zoon' van Sanskriet 'suyate', hij is verwekt), of iets dat door de ziel is gevormd, maar daarom vormt het daarmee, of zelfs alleen, geen tweede persoonlijkheid. (GJE 4, 159)
En nog minder kan men dat van de geest in de ziel zeggen; want wat zou dan een ziel zonder de goddelijke geest in haar zijn? Zij wordt toch pas een volledig mens, als zij geheel doordrongen is van haar geest! Dan zijn immers geest, ziel en lichaam volkomen één en dezelfde persoonlijkheid (m.a.w. 'ziel' is 'persoon'). (GJE 4, 159)
De ziel, die is samengesteld uit gemengde, op elkaar inwerkende delen (zevenvoudig) is geheel en al van etherisch-substantiële aard. (GJE 4, 165)
In ieder reeds op zichzelf staand leven bevindt zich de onverzadigbare behoefte steeds meer leven in zich te verenigen; dit eenwordingsbeginsel is de liefde (het streven naar vereniging). (GJE 4, 166)
Doordat echter juist in het leven zelf het beginsel bestaat tot eenwording van al het leven, is ieder vrij leven voortdurend bezig met één te worden met een ander, op hem lijkend en verwant leven ... . (GJE 4, 166)
De op zichzelf volmaakte, geestelijke mens, die als toevallig de jonge, zoekende ziel tegenkomt, mag van zijn volmaaktheid vooral niets laten merken, maar moet aanvankelijk hetzelfde zijn wat de 'jonge ziel' is (geest en ziel als ontwikkelingstoestanden). (GJE 4, 168)
Naar al het hogere en volmaakte gaat het van zulke zielen helemaal niet uit en zij bekommeren zich er in?t geheel niet om. Zij hebben zelfs vrees en angst voor andere dingen, omdat zij alles, wat hen enige last zou kunnen bezorgen, verafschuwen. (GJE 4, 169)
Dan heeft de begeleidende geest voorlopig niets anders te doen dan zo?n ziel ongestoord zijn gang te laten gaan. (GJE 4, 169)
Zo wordt de ziel langzaam maar zeker tot ontwikkeling gebracht. (GJE 4, 170)
In de hemel wonen de reeds voor eeuwig volmaakte kinderen Gods en alleen op deze aarde de kinderen gods in wording. (GJE 4, 172)
Het deemoedige dienen bevordert de ontwikkeling van het leven het meest. Deemoed is het verdichten (verenigen) van het leven zelf, hoogmoed is het verstrooiien (uiteenvallen) van het leven. Bij hoogmoed is aan de vorming van het leven een einde gekomen en zo ook de ontwikkeling. (GJE 4, 172)
... op deze wereld wordt het leven beproefd. (GJE 4, 172)
Ik wil dat van nu af aan al mijn gedachten door jullie, mijn kinderen, volledig ten uitvoer worden gebracht, hier reeds voor ziel, hart en geest van jullie broeders en zusters en aan gene zijde dan in alle grote werkelijkheid vanaf hun meest innerlijke, geestelijke ontstaanssfeer tot aan hun meest uiterlijke, stoffelijke vorming, om het van daaruit weer terug te voeren naar het toegenomen, zuiver en zelfstandig geestelijke, volmaakte leven. Voor die ontwikkeling zijn ontelbaar vele, myriaden aardejaren nodig. (GJE 4, 175)
Als een gedachte eenmaal als een iets wordt gevoeld, moet zij als vorm aanwezig zijn; en bestaat zij eenmaal als een vorm, dan is zij ook al geestelijk omhuld en bevindt zij zich, als een voorwerp dat in staat is licht op te nemen, voor oss, omdat wij het anders niet als een vormgegeven voorwerp zouden kunnen waarnemen. (GJE 4, 175)
In de hemel wil iedereen dienen, in de hel wil iedereen bediend worden. (GJE 4, 180)
Eerst krijg (vorm) je allerlei gedachten; daaruit ontwikkel je dan ideeën en vormen. Als je eenmaal uit de gedachten en ideeën een bepaalde vorm hebt ontwikkeld, wordt deze door de wil om die te behouden, omhuld. Zodra dat is gebeurd, blijft deze vorm feitelijk bestaan en het beeld ervan kun je oproepen zo vaak je dat maar wilt. (GJE 4, 185)
Hoe langer je een op deze wijze gevormde gedachte in jezelf als een voorwerp bekijkt, des te meer voorliefde vat je op voor het gevormde en geestelijk ?belichaamde? gedachte; er ontwaakt liefde in je voor dit denkbeeld, deze geestelijke vorm. (GJE 4, 185)
De liefde neemt toe, het vuur brandt ervoor in je hart en door de levenswarmte en door het licht van de liefdesvlam wordt het denkbeeld, dat nu steeds vastere vormen aanneemt, vollediger, mooier ... en wil je het gaan toepassen. ... het volledig ontwikkelde beeld in je geest ... kan worden verwerkelijkt in de buitenwereld. (GJE 4, 185)
Toen ik in het eerste begin de geesten als mijn rijpgeworden gedachten uit mij naar buiten bracht en deze zo lang met mijn kracht vervulde, dat zij zelf begonnen te denken en te willen, moesten hun ook voorschriften worden gegeven volgens welke zij moesten denken, willen en vervolgens handelen. Samen met deze meegedeelde regels moest echter ook de prikkel om zich niet aan deze regels te houden in deze eerste wezens worden gelegd, omdat zij anders nooit hun wil hadden kunnen gebruiken. De in hen gelegde prikkel veroorzaakte in hen een levensgevoel (zelfgevoel), ten gevolge waarvan zij besluiten begonnen te nemen, te willen en te handelen. (GJE 4, 186)
Het zelfgevoel deed heel veel van de eerste geesten van de regels afwijken en doordat zij zich steeds krachtiger begonnen te verzetten, verhardden zij tenslotte en werden de oorzaak van het scheppen van de stoffelijke werelden. (187)
Alles, wat nu stof is, was eerst iets geestelijks, dat vrijwillig Gods goede orde heeft verlaten, op grond van de verkeerde aandrang leefde en daarin verhardde, waardoor de stof werd gevormd. De stof zelf is daarom niets anders dan iets geestelijks, dat uit zichzelf is verhard; het is de zware huid of omhulling van de geest. (GJE 4, 187)
Het geestelijke kan echter ondanks de verharding zelf nooit volkomen stof worden, maar leeft als iets geestelijk voort in de stof, van welke aard die dan ook is. (GJE 4, 187)
Als de stof erg hard is, dan is het geestelijke leven daarin ook erg aan banden gelegd en het kan zich niet op de een of andere wijze verder uiten en ontplooien als er van buitenaf geen hulp wordt gegeven. (GJE 4, 187)
Alles wat wereld en stof heet, is iets 'verkeerds', dat altijd noodzakelijkerwijs tegen de ware, geestelijke orde van God ingaat, omdat het oorspronkelijk als een tegenwerkende prikkel daarin gelegd moest worden om de vrije wil op te wekken in het tot leven gewekte en als afzonderlijk wezen uit God naar buiten gebrachte, op de juiste wijze gevormde gedachte en het is te beschouwen als het onkruid op de geestelijke levensakker. (GJE 4, 188)
Hoewel het onkruid (het zelfgevoel) oorspronkelijk een noodzakelijkheid is ter bevestiging van een volledig vrij, geestelijk leven, moet het uiteindelijk toch door het vrij geschapen menselijke wezen als zodanig (als zelfzucht) worden herkend (zelfbewustwording)en weggewerkt (zelfverwerkelijking), omdat dit wezen daarmee onmogelijk kan voortbestaan. Het is wel een noodzakelijk middel om het doel te bereiken, maar het kan nooit één worden met het doel. (GJE 4, 188)
Zo moet ook de prikkel (het zelfgevoel) tot het overtreden van het gebod aanwezig zijn. Deze prikkel is een opwekker van het kenvermogen (waarnemen) en van de vrije wil. (GJE 4, 189)
Het onkruid of de prikkel tot het overtreden van de wet mag nooit hoofdzaak worden. Wie het ondergeschikte tot hoofdzaak maakt, lijkt op een dwaas, die zich wil verzadigen met de pot, waarin de spijzen worden gekookt (de onbewuste vereenzelviging). (GJE 4, 189)
Waaruit bestaat dan het onkruid, dat door te vergaan het leven moet bemesten? De naam ervan is de eigenliefde, zelfzucht, hoogmoed en tenslotte heerszucht. (GJE 4, 189)
Door de eigenliefde zoekt de levende vorm weliswaar zichzelf, maar met een hebzucht, die alles in zichzelf opneemt ... uit vrees ergens gebrek aan te zullen krijgen. Door dit in zichzelf opnemen ... moet in het wezen een toenemende verdichting ontstaan en een zekere degelijkheid en daardoor een buitengewone tevredenheid met zichzelf, wat zelfzucht is, die de eigen persoon als iets gewichtigs boven de andere personen wil verheffen. Als de zelfzucht haar doel bereikt, verheft zij zich boven alles (zelfverheffing) en kijkt met minachting op anderen neer. (GJE 4, 189)
Op een zeker tijdstip ontwaakte in de betere geesten de ernstige wil om door het nakomen van de goddelijke orde, over te gaan in het oorspronkelijke, zuiver geestelijke. Velen bestrijden nu de in hen gelegde prikkel (de zelfzucht) en worden oorspronkelijk geschapen geesten. (GJE 4, 192)
Alleen bij de mensen van deze aarde doet zich het volkomen unieke geval voor, dat zij bij de geboorte al hun herinneringen kwijtraken (de zelfvergeting) en daardoor van het begin af aan met een geheel nieuwe levensorde beginnen, die zo is gemaakt, dat ieder mens tot een volkomen evenbeeld van God kan uitgroeien. (GJE 4, 194)
De erfzonde is de eigenliefde als de vader van de leugen. De leugen de oude, zondige stof, die op zichzelf niets anders is dan een lelijke verschijningsvorm van de eigenliefde, de zelfzucht de hoogmoed en de heerszucht.
Het waren allemaal gevolgen van de noodzakelijke prikkel (het zelfgevoel) die ik terwille van het beseffen (bewust zijn) van de eigen, vrije wil (geestkracht) in de geesten moest leggen. (GJE 4, 197)
Laat je niet door je eigenliefde overmeesteren, maar bestrijd deze met de liefde tot mij en tot je naaste. Voorkom dat je eigenliefde je steeds meer in beslag gaat nemen, want je zuiver geestelijke wezen gaat dan steeds meer in de stof over (de toestand van onbewuste vereenzelviging). (GJE 4, 197)
Juist nu, nu ikzelf alle stof zegen doordat ik mijzelf in jullie oude vloek heb gehuld en hem daardoor de zegen heb gebracht! De gehele oude orde van de hemelen houdt op en ook de hemelen houden op en nu wordt op de grondslag van de thans door mij gezegende stof een nieuwe orde en een nieuwe hemel gemaakt en de gehele schepping moet, evenals de aarde, opnieuw worden ingericht.
Volgens de oude orde kon niemand die eens in de stof was gehuld, in de hemelen komen; maar van nu af aan zal niemand werkelijk tot mij in de hoogste en zuiverste hemelen kunnen komen die niet, zoals ik, de weg van de stof en het vlees heeft doorlopen. (GJE 4, 198)
Als in jullie de reine geest de alleenheerschappij verkrijgt, zal in hem en door hem niet alleen de ziel, maar ook het lichamelijke vlees en bloed met huid en haar opstaan tot het volmaakte, eeuwige leven. Want zoals ik jullie heb gezegd, maak ik nu alles nieuw en alle oude toestanden moeten worden veranderd, omdat ik mijzelf heb veranderd door mijzelf te bekleden met stof. (GJE 4, 199)
Het is beter de waterdoop pas te laten verrichten als een mens zèlf in staat is alle voorwaarden tot heiliging van zijn ziel en lichaam vanuit èigen inzicht en vrijwillige zelfbeschikking te vervullen. Overigens is de waterdoop voor de heiliging van ziel en lichaam helemaal niet nodig, maar alleen het inzicht en het handelen naar de juiste kennis van de waarheid uit God. (GJE 4, 201)
De echte en voor mij als enige geldige doop is die met het vuur van de liefde tot mij en de naaste en met de levendige en vurige wil en met de heilige geest van de eeuwige waarheid uit God. Deze drie punten zijn het, die in de hemel voor iedereen een geldige getuigenis geven. Het zijn:
de liefde als de ware Vader;
de wil als het levende of daadwerkelijke woord of de Zoon van de Vader;
en het begrip als de heilige geest van de eeuwige en levende waarheid uit de Vader;
maar dan levend werkzaam in de mens en alleen maar in de mens! Want wat niet in de mens is en niet uit de geheel eigen wilsimpuls geschiedt, heeft voor de mens geen waarde. (GJE 4, 201)
Ik zeg jullie uitdrukkelijk, dat je allemaal met al je krachten ernaar moet streven even volmaakt te worden als je vader in de hemel volmaakt is. (GJE 4, 201)
Zoals de vader zich echter altijd in mij vindt, zo vindt ik mij in de vader en zo moeten jullie je in jezelf vinden, dan zullen jullie jezelf daardoor ook in God vinden en God zal zichzelf in jullie vinden.
Zoals ik en de vader één zijn, zo moeten jullie ook eerst in jezelf één zijn met het ?evenbeeld van de vader in je? (de geest). Als jullie dat zijn, dan zijn jullie ook met mij en met de eeuwige vader in mij één geworden, omdat ik en de vader in mij van eeuwigheid volkomen één zijn!(GJE 4, 201)
De vader en de zoon verhouden zich net zo als de liefde en de wijsheid of warmte en licht. Ik heb jullie laten zien hoe uit warmte licht ontstaat, omdat warmte het eerste teken van een bepaalde werkzaamheid is; maar de verschijningsvorm van werkzaamheid is licht. (GJE 4, 202)
God is in zichzelf eeuwig en oneindig (de eeuwige oneindigheid). De oneindige ruimte is alleen met God gevuld. (GJE 4, 215)
(het binnendringen van de geest in het lichaam tijdens de groei van het embryo in de baarmoeder)
De ziel ziet (na de geboorte) en herkent nu, geheel in het vlees opgesloten, voorlopig alleen maar dat, wat haar door de zintuigen wordt aangeboden. Van iets anders heeft zij helemaal geen weet, daar zij door haar eigen vleesmassa verduisterd is (onbewuste vereenzelviging) en ook moet zijn, waardoor zij meestal onkundig is van het feit, dat zij zelf ook buiten het vlees kan bestaan. Zij voelt zich gedurende lange tijd helemaal één met het vlees (onbewuste vereenzelviging) en er moet veel gebeuren om een ziel in het vlees zo ver te brengen, dat zij zich als iets zelfstandigs begint te voelen (bewustwording en bevrijding), wat echter heel noodzakelijk is, want zonder dat zou zij geen geest in zich kunnen dragen en die natuurlijk ook nooit kunnen opwekken. (GJE 4, 221)
Pas nadat de geest in de ziel begint te ontwaken, wordt het langzaam maar zeker lichter in de ziel; zij begint zichzelf beter te leren kennen (zelfbewustwording) en in zichzelf heel verborgen dingen te ontdekken, waarmee zij evenwel nog niet veel weet aan te vangen. (GJE 4, 221)
Pas als de geest en zijn krachtige licht helemaal werkelijkheid worden in de ziel, keert ook de hele herinnering terug in de ziel, maar in een hoger licht. Daarbij doet zich geen begoocheling meer voor, maar alleen de stralende, hemelse waarheid en de ziel is dan zelf één met haar goddelijke geest. (GJE 4, 221)
Besef hoe weinig een mens uit zichzelf is en dat zijn bestaan, weten, kennen, en kunnen alleen van God afhangt. Met je eigen wil (alleen) zul je eeuwig tot niets in staat zijn, zoals ook deze engel met zijn (eigen) wil niets zou kunnen doen. Als je echter mijn wil tot de jouwe hebt gemaakt, zul je ook kunnen doen wat deze engel kan. (GJE 4, 223)
... als je je mijn wil en mijn wijsheid niet eigen hebt gemaakt, baat alle kennis en inzicht je niets. Het bezorgt je, als je vol dadendrang bent, alleen maar pijn. Dat is ook goed, want slechts door de deemoed wordt een mens pas mens en een echt kind van God. (GJE 4, 223)
Overigens wordt jullie dit alles niet ter navolging getoond, maar alleen om God in mij volledig te leren kennen, teneinde dan des te vastberadener dat te doen, wat ik, als de schepper van al het leven, jullie ter wille van het vervolmaken van het leven heb geleerd en toevertrouwd. (GJE 4, 223)
Jullie moeten daartoe eerst geestelijk worden wedergeboren, want anders kan mijn wil niet metterdaad in jullie wortelen. Als jullie je maar eenmaal met je wil in zoverre mijn wil eigen maakt, dat je vrijwillig je daden ondergeschikt maakt aan mijn wil ... dan wordt daardoor mijn geest in jullie overvloedig levend in je en zal weldra je hele wezen doordringen. Door het onvermoeibaar oefenen in het doen van mijn wil (geweten en deugden) krijgt deze zijn volle kracht en wat hij dan geheel in overeenstemming met mij zal willen, zal je gebeuren ... De kennis moet nu eigenlijk de teugel zijn, waarmee je je wil laat ingaan in de mijne.
Alleen door het opvolgen van mijn wil, kan jullie geest tot de volle wedergeboorte komen. (GJE 4, 223)

Ik alleen ben het eeuwige middelpunt van mijzelf; maar van daaruit vervul ik toch eeuwigdurend en onveranderlijk de oneindige ruimte. (GJE 4, 225)
Ik ben overal de eeuwige 'ik', maar hier bij jullie ben ik nu het eeuwige middelpunt van mijn bestaan, van waaruit de gehele oneindigheid eeuwig zonder ophouden en onveranderlijk op gelijke wijze wordt bewaard in haar eindeloze uitgestrektheid. (GJE 4, 225)
... ik ben overal thuis door de uitstroming van mijn wil, die overal even krachtig werkt. (GJE 4, 225)

De belangrijkste reden van het bederf van de mensenzielen ligt in de allereerste, gewoonlijk op apenliefde berustende opvoeding. Men laat het boompje groeien zoals het groeit en draagt door misplaatste verwennerijen nog al het mogelijke ertoe bij om de stam maar echt krom te laten groeien.
Buig jullie kinderen al recht tijdens hun jeugd, waarin zij gemakkelijk te leiden zijn, dan zal er weldra nog maar sporadisch zo'n erg stoffelijke ziel zijn te vinden, die het geestelijke niet zou kunnen begrijpen en zich niet gemakkelijk zou kunnen voegen naar het juiste werk op de weg van de ware goddelijke levensorde. (GJE 4, 230)
Een kind is tot aan het zevende jaar nog veel meer dier dan mens. Want wat bij een kind mens is (de geest) ligt voor het merendeel nog in een diepe slaap verzonken (is onbewust). (GJE 4, 230)
Wie zijn kinderen werkelijk lief heeft, moet het er toch voor alles aan gelegen zijn hun zielen zo op te voeden, dat zij niet door de stof worden verslonden (vereenzelvigd raken). (GJE 4, 234)
Gewen jullie kinderen er daarom reeds vroegtijdig aan om het ware rijk van God in hun hart te zoeken, dan hebben jullie ... voor hen het beste erfdeel verworven, zowel tijdelijk als eeuwig. (GJE 4, 234)
De vertroetelde kinderen zullen echter nooit volgroeide mensen worden. Er vormt zich mettertijd bij hen een bepaalde zwakke zijde, die door geen mens beledigd of zelfs maar besproken mag worden. Zo'n zwakke zijde is eigenlijk niet iets slechts dat voortspruit uit de vrije wil en de kennis, maar het is toch een zwakke plaats in de ziel, waar deze mens kwetsbaar blijft en dat niet alleen hier, maar ook nog lang aan gene zijde. (234)
Deze zwakke zijden zijn oude verwondingen van de ziel, die moeilijk zijn te genezen (het zijn onvolgroeidheden, eenzijdige ontwikkelingen van één van de vermogens). (GJE 4, 234)
... angst om te sterven hebben mensen, die opgaan in een aangenaam leven en van het leven genieten. (GJE 4, 236)
Het nevelige uiterlijk van een van het lichaam scheidende ziel is het gevolg van de grote benauwdheid van de ziel. Het is de grote krachtsinspanning van de scheidende ziel om zichzelf te handhaven in het bewuste bestaan. Al haar delen worden daardoor in een buitengewoon heftige trilling gebracht ... waardoor haar vorm nevelig wordt, te vergelijken met een trillende snaar. (GJE 4, 240)
Als de ziel op het ogenblik van scheiden het onbruikbare lichaam verlaat, trilt zij vaak met trillingen ter grote van een handbreedte en wel zo snel, dat zij in een ogenblik wel duizend maal heen en weer en op en neer gaat. (GJE 4, 340)
Het Sanskriet was de oertaal van de eerste mensen op deze aarde. De Egyptische en de Griekse taal stammen bijna geheel af van deze taal. Dit is ook de engelentaal waarmee in het hiernamaals met elkaar wordt gesproken. (GJE 4, 240)
Alles is afhankelijk van jullie liefde. Richt die naar de orde van God, dan zullen jullie je eigen verlossers zijn; maar behalve jullie kan niemand in heel Gods oneindigheid je verlossen! Het is jullie leven en ook jullie liefde, als jullie je liefde kunt veranderen, dan zal dit ook geheel jullie leven en bestaan veranderen! Jullie lot zal zijn zoals jullie zelf willen door jullie liefde. (GJE 4, 247)
Pas als de mensenzoon daarheen is teruggekeerd waarvan hij is gekomen, dan zal hij de geest van alle waarheid, die heilig is, naar jullie zenden. Die zal jullie pas volledig opwekken en jullie harten vervolmaken en de geest van alle waarheid in jullie opwekken, dat wil zeggen, in het hart van jullie ziel; en jullie zullen door die daad dan wedergeboren zijn in de geest en alles, wat de hemelen in hun diepte bevatten, begrijpen. (GJE 4, 250)
Wanneer de geest der waarheid zal komen, dan zal deze jullie binnenvoeren en begeleiden in alle wijsheid. (GJE 4, 250)
Doordat het denken van een rechtschapen mens voornamelijk van het hart uitgaat, zoals ook de zetel van de liefde en de wil alleen daar te zoeken is, wordt het licht van de wil der vrije ziel, dat in het aardse leven alleen samen met 'het verstand van het hoofd' moest werken, nu als gordel van het kleed der liefde en gerechtigheid en geduld zichtbaar om de lendenen van de vrije ziel. (GJE 4, 260)
De hoed getuigt van een nieuwe gave van het zuivere hemelse licht, dat echter alleen maar aan diegene wordt meegegeven, die reeds op aarde hebben gestreefd naar de ware, hemelse wijsheid en daardoor mensen vol liefde, wijsheid en gerechtigheid zijn geworden. Zo?n stralende hoed is een voortbrengsel van de wijze wil van de oergeschapen engelen der hemelen en betekent bij degene die hem draagt, dat hij nu als een geheel volmaakt en op God gelijkend wezens ingewijd in alle kennis en alle wijsheid van alle hemelen. (GJE 4, 260)
Zo'n hemelse geest, die ook het vlees van het aardse leven heeft doorlopen, heeft dan zelf net zoveel kennis als alle andere oergeschapen engelengeesten bij elkaar, die de weg van het vlees nog niet hebben betreden. (GJE 4, 260)
Er waren daar nog een aantal geesten aanwezig, die Mathael niet kon zien, doordat deze geesten zo rein en zuiver zijn, dat zij nog niet kunnen worden gezien met het oog van de ziel, maar alleen met de ogen van de geest, die zelf helemaal rein is. (GJE 4, 263)
Wat heeft de mens aan alle kennis en wetenschap van de hele wereld als hij zichzelf niet tot in de diepste levenswortel kent en vooral in de bestaanssfeer van zijn ziel en zijn geest (geestkunde). Slechts wat van de geest is, blijft voor eeuwig onveranderlijk. Alles wat tot de stof behoort, is vaak nog onderworpen aan talloze veranderingen voordat het het peil van de geest zal hebben bereikt. (GJE 4, 263)
God schiep de mens naar Gods beeld als man en vrouw. (GJE 4, 302)
Hoe kon ik de mensen voor de geslachtsgemeenschap geschikt hebben gemaakt zonder daar zelf toe in staat te zijn? Als de geslachtsgemeenschap voor de voortplanting volgens Gods orde is, dan moet God die net zo goed kunnen uitvoeren als de mens! (GJE 4, 331)
Want het moet toch voor iedereen duidelijk zijn, dat bij God alle dingen mogelijk zijn. (GJE 4, 332)
Deze toenadering van de schepper tot het schepsel en omgekeerd, moet uiteindelijk een volledige vereenzelviging van het scheppende oerwezen met het later geschapen wezen ten gevolge hebben. (GJE 4, 333)
God wordt één met ons en wij worden één met God, zonder de geringste beperking van onze persoonlijkheid en met volkomen vrijheid van wil. Want zonder de volmaakte 'vereenzelviging' (vereniging) van het schepsel met de schepper kan nooit aan een volkomen wilsvrijheid worden gedacht, omdat alleen de wil van de schepper geheel onbeperkt kan zijnen de wil van het schepsel alleen maar dan, als hij volmaakt één is geworden met de wil van de schepper. (GJE 4, 333)
Als wij willen wat God wil, is ons willen volkomen vrij, omdat ook de wil van God vrij is. (GJE 4, 333)
... alles, wat je je eenmaal ècht ter harte hebt genomen, blijft beslist ook vast in je herinnering (geheugen) zitten en als je het nodig hebt, laat je geheugen je niet in de steek. Wat je je eenmaal ter harte hebt genomen, is in het leven overgegaan en blijft voor eeuwig. Alles, wat je alleen in je geheugen hebt opgenomen, daarvan zal in het hiernamaals niets overblijven. Wereldse geleerden weten dan helemaal niets meer. (GJE 4, 337)

Wij zagen in Egypte in Karnak twee merkwaardige beelden: ten eerste dat van Isis (de voedingskracht van het oerleven) achter een dikke sluier verborgen en daarnaast de afbeelding van Osiris (ou sir iez: de weide van de zuivere, geestelijke mens). (GJE 4, 192, blz. 365)
Het eerste beeld was dat van een reusachtige vrouw, waarvan de borst helemaal bedekt was door borsten; ooit moet er in plaats van dat beeld ook wel een koe hebben gestaan. Het tweede beeld, dat van Osiris, stelde een merkwaardig wezen voor. Op een grote, weelderig begroeide weide stond een man, omgeven door een groot aantal kudden, die ijverig graasden en de man stond temidden van allerlei vruchten, die hij at. (GJE 4, 365)
Met deze twee beelden stelden de Egyptenaren, het eerste versluierd, het oerbestaan voor van het goddelijke wezen, dat schept en het geschapene voedt en onderhoudt (Isis = Astarte = Jahweh); en met het tweede, niet versluierde beeld al het geschapene, levende en verterende van de gehele schepping. Toen begon de overste van de priesters ons het wezen van de enige, eeuwige, altijd scheppende God uit te leggen. Wij beseften dat er een almachtig, alwijs (en alliefhebbend) oerwezen moet zijn, waaruit alle wezens zijn ontstaan en die door dat wezen ook steeds worden gevoed en onderhouden. Dat goddelijke wezen is voor niemand ook maar zichtbaar of begrijpelijk, doordat het de gehele oneindigheid vervult en heel verborgen overal aanwezig en tegenwoordig is, zowel in de ruimte als in de tijd, wat de reden was, waarom het beeld van Isis steeds verhuld was. (GJE 4, 365)
... rechtvaardige en vrome mensen, die in een zekere geestesvervoering zijn gebracht, waarin zij de geest van God zagen als een licht, dat alle ruimten der oneindigheid vervulde (algeest) en waarvan zij waarnamen, dat zij zelf een deel van dat licht waren (algeestvonk). (GJE 4, 193, blz. 366)
Allen, die zo'n genade ten deel vielen, getuigen dat zij in dit licht door en door gegrepen werden door een onuitsprekelijk geluksgevoel en begonnen te profeteren ... . (GJE 4, 366)
Aan het einde van de drie hallen (in de tempel) bevindt zich nogmaals het gesluierde beeld van Isis en het ongesluierde van Osiris en op een altaar staan, uitgehouwen in de steen, de woorden 'Ja bu sim bil' (Ik was, ben en zal zijn) (m.a.w. Isis is Jahweh). (GJE 4, 367)
De voortreffelijkheid van de ziel en haar geest zit in ... de eigenschap van de ziel om gemakkelijk kennis op te nemen (geheugen). (GJE 4, 374)
De grote pyramide was een schoolgebouw voor zelfkennis. Hierin ... kon men tot zelfkennis komen en daaruit tot de kennis van de allerhoogste geest van God. Omdat God zelf zuiver liefde is, kan de mens zich alleen uit liefde met God verenigen. (GJE 4, 392)

Bij ons (de Nubiërs) bestaat het echte opvoeden hieruit, dat wij eerst het gemoed van onze kinderen zoveel mogelijk veredelen; is het gemoed eenmaal in orde, dat krijgt ook het verstand dezelfde ontwikkeling. (GJE 4, 397)
De eigenlijke overeenkomst met mijn goddelijke zijn, was in het eerste mensenpaar reeds volmaakt aanwezig. (GJE 4, 409)
De in het gemoed volmaakte ziel is persoonlijk weliswaar ook in de volmaakte mensenvorm in het lichaam aanwezig, maar haar voelen en willen straalt, net als de lichtstralen van de zon, naar alle kanten ver en volop werkzaam uit. Hoe dichter bij de ziel, des te intensiever en werkzamer is ook de voortdurende stroom van het denken, voelen en willen. (GJE 4, 409)
De sfeer van het uitstralende licht van de zon, waarin zich deze aarde en de maan bevinden, is in zekere zin de uitstralende levenssfeer van de zon, waardoor alles, wat zich binnen haar bereik bevindt, wordt gewekt tot een bepaald, natuurlijk leven. Alles moet zich daarbij min of meer voegen naar de orde van de zon en die is dan wetgever of heerser over alle andere hemellichamen die zich binnen het bereik van haar stralen bevinden. (GJE 4, 409)
Men kan van de zon niet beweren dat zij denkt en wil; maar haar licht is toch een heel grote gedachte en de warmte een erg vaste wil. (GJE 4, 409)
Zoals de zon enkel d.m.v. haar uitstralende levenssfeer een wonderbaarlijke uitwerking heeft, zo gebeurt dat ook bij een onbedorven en in haar oorspronkelijke aard volmaakte ziel, die vol leven is en daardoor vol van liefde, geloof en vaste wil. (GJE 4, 409)
Zo'n ziel bestaat geheel uit licht en warmte en straalt naar alle kanten ver uit. Deze uitstraling vormt dan haar krachtige, uitstralende levenssfeer. Zoals echter in de uitstralende levenssfeer van de zon het mijn wil is, die overal wonderbaarlijk tot uitdrukking komt en die geen macht kan weerstaan, evenzo komt de wil van een volmaakte, onbedorven ziel, die - doordat zij zich in mijn orde bevindt - ook mijn wil is, op wonderbaarlijke wijze tot uitdrukking. (GJE 4, 409)
... jullie geestelijke levenslicht en geestelijke levenswarmte ... . (GJE 4, 411)
Want de zielen van zowel planten als van dieren hebben immers de aan jullie weliswaar nog onbekende bestemming, eens zelf mensenzielen te worden (GJE 4, 411)
Deze dierenzielen voelen de uitstraling van een geordende mensenziel en de daaruit gevormde sfeer van uitstralend levenslicht en levenswarmte. (GJE 4, 411)
Van de ontwikkeling van het hart, die men eerst ter hand zou moeten nemen, is helemaal geen sprake en dat kan ook niet, doordat zowel de ouders als de leraren geen begrip meer hebben van het hart en van de ziel. Alles wordt daarentegen gedaan om het verstand maar zo vroeg mogelijk te ontwikkelen en te scherpen. (GJE 4, 413)
Bij de juiste vorming van de menselijke ziel is en blijft de ziel iets innerlijks dat werkzaam is en dat wat jullie verstand noemen is het uitstromende gevolg van de innerlijke werkzaamheid van de ziel. Het licht van het verstand dat naar buiten is gericht, verlicht voor de ziel alle mogelijke kritieke, uiterlijke omstandigheden en de wil van de ziel vermengt zich dan met dit uitstralende licht en maakt op wonderbaarlijke wijze alles vruchtbaar. Want als op die wijze de orde van de mens volgens mijn orde is, komt de wil en het vertrouwen ook uit mij of mijn almachtige wil voort, waarnaar zich immers beslist ieder schepsel moet voegen. (GJE 4, 414)
Wat dan zo?n binnen mijn orde levend mens wil, moet in de wijde omtrek gebeuren, want door de uitstralende levenskracht van zo?n mens stroomt in wezen mijn geest, waardoor alle dingen mogelijk zijn. (GJE 4, 414)
Als zo'n mens dan helemaal door of uit zijn geest wordt wedergeboren, is hij volkomen aan mij gelijk en kan hij zelf in alle levensvrijheid willen wat hij maar wil binnen mijn orde, die hij dan zelf is geworden en volgens zijn vrije wil moet het er zijn en moet het gebeuren. In die volmaakte levenstoestand, doordat hij aan mij volledig gelijk is, is de mens dan niet alleen heer en meester over de schepselen en de elementen van deze aarde, maar zijn heerschappij strekt zich dan, net als de mijne, uit over de hele schepping in de eindeloze ruimte en zijn wil kan de talloze werelden wetten voorschrijven en die zullen worden opgevolgd. (GJE 4, 414)
Want zijn verheerlijkte gezichtsvermogen (waarnemingsvermogen) doordringt alles net als het mijne en zijn onbeperkte waarneming ziet overal wat er nodig is in de schepping en kan waar dan ook voorschrijven en scheppen en helpen; want hij is immers in alles een met mij. (GJE 4, 414)
Een mens die verstandelijk is ontwikkeld, kan door veel zelfverloochening ook naderhand zijn hart doeltreffend ontwikkelen. Daarom raad ik jullie voor alles de naastenliefde aan, die afkomstig is uit de liefde tot God. Want die alleen is in staat om van jullie algehele verkeerdheid weer mensen in mijn orde te maken. (GJE 4, 418)
De ziel moet zich eerst helemaal omkeren voordat de ziel in de geest kan worden wedergeboren. Om een terugval zoveel mogelijk te verhinderen, heb ik nu de nieuwe weg zo voorbereid, dat mijn geest, die ik nu als een vonk van mijn vaderliefde in het hart van iedere ziel leg en heb gelegd, door jullie liefde tot mij en daardoor daadwerkelijk tot de naaste, wordt gevoed, in jullie ziel groeit en na het bereiken van de juiste grote en kracht zich volledig met de genezen ziel verenigt en daarmee één wordt, wat dan de wedergeboorte van de geest heet. (GJE 4, 418)
Bij een opvoeding volgens mijn orde die nu aan jullie is uitgelegd, moet vóór alles het hart en van daaruit pas het verstand worden gevormd. Het hart wordt gevormd door de ware liefde en door zachtmoedigheid en geduld. (GJE 4, 419)
Wie zijn leven waarachtig wil verstaan en wil verheffen tot het eigenlijke leven, moet het eerst door en door kennen, hoe het bestaat, zich uit, hoe het reageert (de geestelijke vermogens); en hoe het, als het bedorven en verkeerd is geworden (onbewuste vereenzelviging), weer te verbeteren (zelfverwerkelijking) is en hoe een volmaakt verbeterde levenstoestand is te behouden en ook op de naasten is over te brengen om uiteindelijk tot één herder en één kudde te komen (hereniging). (GJE 4, 421)
Maar jullie moeten van te voren levendig voelen wat je mist, anders zouden jullie je er met je vrije wil nooit bezorgd over kunnen maken, want als iemand iets heeft verloren, maar het niet weet, zal hij dan wel gaan zoeken? Wat maalt hij om die buitengewoon belangrijke zelfkennis, zonder welke een ware kennis van God ondenkbaar is?(GJE 4,gje4,423)
De ziel zal zich steeds zo tot de geest verhouden als het aardse lichaam tot de ziel. (GJE 4, 426)
Het lichaam van een ziel, al is die nog zo volmaakt, heeft in zekere zin ook een eigen wil om te genieten, waardoor de ziel kan worden bedorven als zij daarop ingaat. (GJE 4, 426)
Zolang de ziel helemaal opgaat in de wil van de geest, zolang gebeurt alles volgens de wil van de geest, die ook mijn wil is; maar wanneer de ziel echter, door herinneringen aan vroeger, meer bezig is met de zintuiglijke dingen, dan treedt op zulke ogenblikken de geest terug en laat de ziel over aan de uitvoering van haar wens. (GJE 4, 426)
... de ziel, die een teer, geestelijk organisme is. Zij kan slechts door de hersenen van het lichaam zien en horen. Zolang de ziel het lichaam bewoont, zijn en blijven de hersenen het belangrijkste gezichtsorgaan van de ziel. (GJE 4, 428)
Ik zie echter wat innerlijk in de geest is en door mij ziet dan weer de geest van de mens die met mij is of met mijn geest overeenkomt; want deze is een weerspiegeling van mij in de ziel. (GJE 4, 428)
Mijn ware kinderen moeten vanuit hun eigen zwakheid sterk worden. (GJE 4, 430)
Iedere ziel moet ooit zichzelf tot ontwikkeling brengen; hier gemakkelijk, in het hiernamaals moeilijk, daarvoor zijn haar de middelen ingeplant. Verzuimt zij het hier, doordat zij zich teveel door de wereld en haar verlokkende schatten heeft laten verleiden, dan zal zij het in het hiernamaals moeten doen. (GJE 4, 448)
Het spreekt vanzelf dat God, als de hoogste en zuiverste liefde, die eeuwig onveranderlijk dezelfde is, nooit op een of andere wijze liefdeloos kan zijn en dat zij alle haar ten dienste staande middelen zoveel mogelijk zal aanwenden om een ziel, hoe ziek ook, te genezen. (GJE 4, 455)
Maar de eigen persoonlijkheid van de ziel kan zij niet aantasten, zij moet deze haar zelfstandigheid laten en de ziel in zodanige toestanden terecht laten komen, dat die haar, als al het andere tot niets leidt (godsdienst, voorlichting), door een soort les op het goede spoor brengen. (GJE 4, 455)
Het ligt echter geheel aan de krachtige eigen wil van de ziel, zij wil het zo en zij doet alleen maar wat haar goed dunkt. Wel, dan helpt geen almachtige en dus zeer krachtige tegenwerking, want dat zou de ziel pas de allerongehoordste kwelling bezorgen - want reeds de minste inmenging in haar persoonlijke vrijheid, bezorgt haar onnoemelijke pijnen. (GJE 4, 455)
Want God is vuur en wie kan vuur verdragen als hij zelf geen vuur is?(GJE 4,455)
Om tot het kindschap van God te kunnen komen, kan slechts de leerstof voor de eigen bouw (ontwikkeling) worden gegeven en daarnaast de leer hoe de bouw (ontwikkeling) moet worden uitgevoerd. (GJE 4, 459)
Een ziel maken, die in alles volledig aan mij gelijk is, is ook voor de almachtige schepper een bijzonder moeilijke zaak, omdat almacht mij daarbij niet kan helpen, maar alleen wijsheid, geduld en de grootste lankmoedigheid. (GJE 4, 460)
Want bij het scheppen van een ziel die volledig aan mij gelijk is, dus een tweede godheid, mag mijn almacht maar heel weinig doen, maar moet alles door de nieuw wordende god uit mij zèlf worden gedaan en uitgevoerd! Van mij krijgt hij alleen het geestelijke materiaal (de aanleg) en naar behoefte ook het natuurlijke. (GJE 4, 460)
Het inwendige vuur komt overeen met wat ik 'vader' noem en uit alle elementen die door het inwendige vuur worden opgelost, wordt de lucht voortgebracht, die dan overeenkomt met wat wij 'ziel' noemen. (GJE 4, 469)
Tijdens mijn doop in de Jordaan zagen allen de vlam in de vorm van een vlammend kruis, of, met wat verbeelding, de vorm van een duif. De stem was de stem van de vader in mij en de vlam ontstond uit mijn oneindige, uitstralende levenssfeer, die de werking is van mijn heilige geest. (GJE 4, 471)
Ik kan mij, ook al verplaats ik mij in mijn gedachten ook eeuwigheden terug, van God geen einde voorstellen. De oneindige ruimte blijft en daarmee de oneindige tijdsduur. (GJE 4, 472)
In deze noodzakelijk eeuwige, oneindige ruimte moet ook de oereeuwige kracht aanwezig zijn, die de oorzaak is geweest van de oneindige uitbreiding van de ruimte, die eeuwig steeds maar doorgaat, zonder welke de ruimte niet denkbaar zou zijn, terwijl die kracht net zo min zonder de ruimte denkbaar zou zijn. Deze kracht kan er maar één zijn, zoals de ruimte er maar één is. (GJE 4, 472)
Deze kracht moet zelfbesef hebben, want hoe zou zij kunnen bestaan als zij niet waar zou kunnen nemen dat zij bestaat. Wat voor de ruimte geldt, geldt ook voor de daarin aanwezige kracht, ook deze moet noodzakelijkerwijs van zichzelf waarnemen, dat zij bestaat. Dat zijn de kenmerken van het geestelijke bestaan van God. (GJE 4, 472)

Wanneer de geest zich weer terugtrekt in de ziel, reikt de werkzaamheid van de ziel, met haar uitstralende levenssfeer, slechts in het gunstigste geval tot daar, waar zij nog iets vindt dat met haar overeenkomt. Haar uitstralende levenssfeer lijkt op de uitstraling van een aards, zichtbaar licht (de aura). (GJE 4, 478)
Zo is het niet met de uitstralende levenssfeer van de geest. Die is als de ether die de gehele, eindeloze ruimte in gelijke mate vervult. Zodra de geest eenmaal vrij in de ziel doorbreekt en in beweging komt, wordt ook zijn uitstraling op datzelfde ogenblik eindeloos ver werkzaam en zijn zien, voelen en werking reikt dan zonder de minste beperking net zo eindeloos ver naar buiten als de ether, die tussen en in de scheppingen de ruimte volledig vult; want deze ether is hetzelfde als de eeuwige levensgeest in de ziel, welke een verdicht brandpunt is van de algemene levensether, die de gehele oneindigheid vervult. (GJE 4, 478)
Wanneer de levensgeest van de ziel, uitstralend uit de ziel, met de vrije ether van de ruimte in aanraking komt, verenigt zich zijn zien, denken en voelen met de oneindige, vrije levensether en gaat zonder af te zwakken tot in de eindeloze verten. Wat de grote levensether in de eindeloze ruimte, terwijl het alles omstroomt en doordringt, overal ziet, denkt, voelt en wil en bewerkstelligt, dat ziet denkt, voelt, wil en veroorzaakt dan ook op hetzelfde ogenblik de afzonderlijke geest in de ziel; en dat ziet, denkt, voelt en wil dan ook de ziel zolang zij door haar geest wordt doordrongen en de geest in verbinding staat met de hem zeer nauw verwante, oneindige en algemene, vrije levensether in de ruimte. (GJE 4, 478)
Zo is het de geest mogelijk zich met zijn denken, voelen en willen en zijn uitwerking over een onbeperkt grote afstand te verplaatsen, ja, de gehele eeuwige oneindigheid te doordringen, doordat hij in de gehele, eeuwige oneindigheid volkomen ononderbroken op alle punten onverminderd een en dezelfde is. (GJE 4, 479)
Ook al zijn dan, door de inwoning in de zielen, delen van de algemene geest van elkaar afgezonderd, toch vormen zij steeds een volmaakte eenheid met de algeest, zodra zij de ziel tengevolge van de hiervoor vereiste wedergeboorte van de geest, geheel doordringen. Hun persoonlijke zelfstandigheid blijft echter volkomen gehandhaafd, doordat zij, daar zij levensbrandpunten zijn in de ziel met haar menselijke vorm, ook diezelfde vorm bezitten en daardoor met hun ziel, die eigenlijk hun lichaam is ... . (GJE 4, 479)
... deze uitleg over de geest en zijn vermogens ... dit zeer belangrijke punt ... . (GJE 4, 479)
... de eeuwige scheppingsruimte is eeuwig en oneindig en deze is met niets anders gevuld dan overal en eeuwig met mijn geest, die bestaat uit liefde, dus leven, licht, wijsheid, zelfbewustzijn en een heel nauwkeurig gewaarworden, zien, horen, denken, voelen, willen en werken. (GJE 4, 480)
In mij bevindt zich weliswaar het brandpunt van deze enige geest, maar dat vormt wel een eenheid met zijn oneindig grote, de gehele oneindigheid vullende, vrije levensether, die bij mij door het voornaamste levensbrandpunt steeds met alles wat hij bevat, ten nauwste is verbonden. Deze vrije levensether van mij doordringt en omvat echter alles in de gehele, eeuwige oneindigheid en ziet, hoort, denkt, voelt en wil en werkt overal op dezelfde wijze. (GJE 4, 480)
Maar de vrije levensether van de geest kan eeuwig op geen vreemde elementen stoten, doordat alles in feite deel is van hemzelf; en daardoor kan hij ook vrij en ongehinderd eindeloos van alles wat is, alles zien, horen, voelen en volkomen begrijpen. (GJE 4, 481)

Een met het vlees vergroeide ziel lijkt op een met as bedekte, inwendig gloeiende steenkool. Zij heeft al haar matte levensvuur nodig om de haar omringende, duistere stof te vormen. Zo'n ziel weet tenslotte van haar eigen bestaan nauwelijks iets, kent haar grondslag beslist niet en als zij iets geestelijks over zichzelf hoort, staat haar dat tegen. (GJE 4, 487)
... van nu af aan heeft ieder van jullie de volkomen nieuwe reden om zijn ziel zoveel mogelijk te vervolmaken en te reinigen om door de daadwerkelijke navolging van mijn woord te komen tot de daarvan afhankelijke wedergeboorte van de geest in de ziel. Wie dat heeft bereikt, heeft opeens wonderbaarlijke krachten in zich. (GJE 4, 489)
... de onbeperkte kracht van de geest, zodra deze eenmaal geheel in de ziel is wedergeboren, want daardoor krijgt hij de volle gemeenschap met mijn oneindige en eeuwige almacht, mijn liefde en wijsheid, inzicht, kennis en wil. Wanneer hij dat alles volledig bezit, is hij pas waarachtig mijn kind. (GJE 4, 489)


terug naar het literatuuroverzicht






^