Dr. R. Schippers - Het Evangelie van Thomas

Apocrieve woorden van Jezus - Boeketreeks
Uitg. J.H. Kok, Kampen, 1960
(Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Uittreksel

Apostel Thomas
3. Als gij uzelf kent, dan zult gegekend worden en gij zult weten, dat gij zonen van de levende Vader zijt.
5. Ken wat voor uw aangezicht is en wat verborgen is, zal u worden onthuld.
7. Zalig de leeuw dien de mens zal opeten en de leeuw wordt mens. En verafschuwd is de mens die de leeuw opvreet en de leeuw zal mens worden.
11. Toen gij één waart, werd gij tot twee. Als gij echter twee zijt, wat zult gij dan doen?
18. Waar de aanvang is, daar zal het einde zijn. Zalig wie in de aanvang zal staan.
22. Als gij de twee tot één maakt en als gij het inwendige gelijk het uitwendige maakt en het bovenste gelijk het onderste en als gij het mannelijke en het vrouwelijke één maakt, opdat het mannelijke niet meer mannelijk en het vrouwelijke niet meer vrouwelijk zij ... dan zult gij het koninkrijk binnen gaan.
24. Toon ons de plaats waar gij zijt, want wij moeten daar naar zoeken. Hij sprak: Een licht is er in een licht-mens en hij verlicht de hele wereld. Verlicht hij niet, dan is er duisternis.
27. Als gij niet vast ten opzichte van de wereld, zult gij het koninkrijk niet vinden.
41. Wie in zijn hand heeft, hem zal gegeven worden. En wie niet heeft, hem zal ook het beetje ontnomen worden wat hij heeft.
42. Jezus sprak: Wordt voorbijgaanden.
46. Wie onder u klein zal zijn, zal het koninkrijk kennen.
49. Daar gij uit het koninkrijk zijt, zult gij daar weer heen gaan.
50. Als de mensen vragen: Waar komt gij vandaan? zeg dan: Wij zijn uit het licht gekomen, daar, waar het licht uit zichzelf is ontstaan.
Als de mensen vragen: Wat is het teken van uw Vader in u? zeg dan: Het is beweging en rust.
67. Wie het heelal kent en zichzelf mist, mist de hele plaats.
70. Als gij diegene in u voortbrengt, die gij bezit, zal hij u redden. Als gij die niet in u bezit, zal hij, die gij niet in u bezit, u doden.
74. Velen staan om de put, maar niemand is in de put.
75. Velen staan voor de deur, maar het zijn de eenzamen, die het bruidsvertrek zullen binnentreden.
77. Ik ben het licht dat boven allen is. Ik ben het al. Het al is uit mij voortgekomen en het al is tot mij gemaakt.
Splijt het hout, ik ben daar.
82. Wie dicht bij mij is, is dicht bij het vuur; en wie ver van mij is, is ver van het koninkrijk.
83. De beelden openbaren zich aan de mens. En het licht in hen is verborgen in het beeld van het licht van de vader. Het zal openbaar worden, en zijn beeld is verborgen in zijn licht.
106. Wanneer gij de twee één maakt, zult gij zonen van de mens worden.
108 Jezus zei: Wie zal drinken uit mijn mond, zal worden als Ik; en Ik zal worden als hij; en het verborgene zal hem worden geopenbaard.


terug naar het literatuuroverzicht

Volledige tekst

Het Evangelie volgens Thomas

1 Dit zijn de geheime woorden, die Jezus de levende 
heeft gesproken en die Didymus Judas Thomas heeft
 opgeschreven.

En Hij zei: Wie de duiding van deze woorden 
vindt, zal de dood niet smaken.
2 Jezus zei: 
Wie zoekt, houde niet op te zoeken tot dat hij vindt 
en wanneer hij vindt, zal hij versteld staan en wanneer
 hij versteld staat, zal hij verwonderd zijn en hij zal
 heerschappij voeren over het al.
3 Jezus zei: 
Wanneer zij, die u leiden, tot u zeggen: Zie, het 
koninkrijk is in de hemel, dan zullen de vogelen des 
hemels u voor zijn. Wanneer zij tot u zeggen: Het is
 in de zee, dan zullen de vissen u voor zijn. Maar
 het koninkrijk is binnen u en het is buiten u.
Wanneer gij uzelf kent, dan zal men u kennen en 
gij zult weten dat gij zonen zijt van de Vader, de
 Levende. Maar wanneer gij uzelf niet kent, dan zijt
 gij in armoede en gij zijt de armoede.
4 Jezus zei: 
De man die oud van dagen is, zal niet aarzelen om 
een klein kind van zeven dagen te vragen naar de 
plaats van het leven en hij zal leven. Want vele eersten zullen de laatsten worden en zij zullen een
 enkeling worden.
5 Jezus zei: 
Ken wat voor uw aangezicht is en wat u verborgen is, zal u worden geopenbaard. Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden.
6 Zijn discipelen stelden Hem een vraag; zij zeiden tot
 Hem: Wilt Gij, dat wij vasten en op welke wijze
 zullen wij bidden? Zullen wij aalmoezen geven en 
welke spijsvoorschriften zullen wij in acht nemen?
Jezus zei: Liegt niet; en wat gij haat, doet dat niet, want alles is openbaar voor de hemel. Want er is niets verborgen,
 dat niet openbaar zal worden en er is niets bedekt,
 dat niet zal worden ontdekt.
7 Jezus zei: 
Zalig de leeuw, die door de mens zal worden gegeten, en de leeuw zal mens worden; en vervloekt
 de mens, die door de leeuw zal worden gegeten 
en de leeuw zal mans worden.
8 En Hij zei: 
De mens is gelijk een wijze visser, die zijn net in zee
 wierp; hij trok het op uit de zee vol kleine vissen.
 Tussen hen vond die wijze visser een grote, goede 
vis. Hij wierp al de kleine vissen weg in de zee; hij
 koos zonder moeite de grote vis. Wie oren heeft om
 te horen, die hore.
9 Jezus zei: Zie, de zaaier ging uit, hij vulde zijn hand en hij
 wierp. Een deel viel op de weg; de vogelen kwamen, zij verzamelden het. Een ander deel viel op de rotsbodem en schoot geen wortel in de aarde en bracht
 opwaarts geen aren voort. Een ander deel viel op de
 dorens; zij verstikten het zaad en de worm at het op.
 En een ander deel viel op de goede aarde; en dat 
bracht opwaarts goede vrucht voort; het droeg 
zestig per maat en honderdtwintig per maat.
10 Jezus zei: Ik heb een vuur geworpen op de wereld en zie, Ik 
bewaar het tot zij brandt.
11 Jezus zei: Deze hemel zal voorbijgaan en de hemel boven hem
 zal voorbijgaan. En de doden leven niet en de levenden zullen niet sterven. Wanneer gij eet wat dood is, 
maakt gij het levend. Wanneer gij in het licht komt,
 wat zult gij dan doen? Op de dag, dat gij één waart, werd gij twee. Wanneer gij (weer) twee wordt, wat zult gij dan doen?
12 De discipelen zeiden tot Jezus: Wij weten, dat Gij
 ons zult verlaten. Wie zal (dan) groot zijn over ons?
 Jezus zei tot hen: 
Waar gij zijt gekomen, zult gij gaan tot Jacobus de 
Rechtvaardige, om wie hemel en aarde zijn gemaakt.
13 Jezus zei tot zijn discipelen: 
Vergelijkt Mij en zegt Mij op wie Ik gelijk.
 Simon Petrus zei tot Hem: Gij gelijkt op een rechtvaardige engel.
 Mattheus zei tot Hem: Gij gelijkt op een verstandige filosoof.
 Thomas zei tot Hem: Meester, mijn mond zal in het
 geheel niet kunnen bevatten, dat ik zeg op wie Gij
 gelijkt.
Jezus zei: 
Ik ben uw meester niet, want gij hebt gedronken, u 
bedronken aan de fontein van stromend water, die Ik 
heb uitgemeten. 
En Hij nam hem, trok zich terug en zei tot hem 
drie woorden. Toen echter Thomas weer bij zijn 
makkers terugkwam, vroegen zij hem: Wat heeft Jezus 
tot u gezegd? Thomas zei tot hen: Wanneer ik u 
één van de woorden zeg, die Hij tot mij zei, zult
 gij stenen nemen en op mij werpen; en vuur zal uit 
de stenen komen en u verbranden.
14 Jezus zei tot hen: 
Wanneer gij vast, zal dat een zonde voor u tengevolge hebben en wanneer gij bidt, zult gij een veroordeling 
krijgen en wanneer gij aalmoezen geeft, zult gij uw
 geest kwaad doen. En wanneer gij gaat naar een of
 ander land en reist door een gebied, wanneer men u
 ontvangt, eet, wat u wordt voorgezet; geneest de
 zieken die er zijn. Want wat uw mond binnengaat,
 zal u niet onrein maken, maar wat uw mond uitkomt,
 dat maakt u onrein.
15 Jezus zei: 
Wanneer gij Hem ziet, die niet geboren is uit de vrouw, werpt u op uw aangezicht ter aarde en aanbidt Hem: Hij is uw Vader.
16 Jezus zei: 
Misschien denken de mensen, dat Ik gekomen ben
 om vrede te werpen op de wereld en zij weten niet,
 dat Ik ben gekomen om verdeeldheid op de aarde
 te werpen, vuur, zwaard en oorlog. Want er zullen
 er vijf zijn in één huis; drie zullen zijn tegen twee en twee tegen drie, vader tegen zoon, en zoon tegen vader en zij zullen staan als eenlingen.
17 Jezus zei: 
Ik zal u geven wat geen oog heeft gezien en geen oor
 heeft gehoord en wat geen hand heeft getast en in
 geen mensenhart is opgekomen.
18 De discipelen zeiden tot Jezus: Zeg ons, hoe zal ons einde zijn?
 Jezus zei: 
Hebt gij dan het begin ontdekt, dat gij naar het einde
 vraagt? Want waar het begin is, daar zal het einde
 zijn. Zalig wie zal staan in het begin; hij zal het einde 
kennen en de dood niet smaken.
19 Jezus zei: Zalig hij, die was, eer hij werd. Wanneer gij voor
 Mij discipelen wordt en naar mijn woorden hoort,
 zullen deze stenen u dienen. Want gij hebt vijf bomen
 in het paradijs, die niet bewegen in de zomer of in de
 winter en hun bladeren vallen niet af. Wie hen zal
 kennen, zal de dood niet smaken.
20 De discipelen zeiden tot Jezus: Zeg ons: Waaraan is het koninkrijk der hemelen gelijk? Hij zei tot hen: 
Het is gelijk aan een mosterdzaadje, kleiner dan alle
 zaden. Maar wanneer het valt op aarde, die wordt bewerkt
, brengt het een grote tak voort en wordt tot
 beschutting voor de vogelen des hemels.
21 Maria zei tot Jezus: Op wie gelijken Uw discipelen?
Hij zei: 
Zij gelijken op kleine kinderen, die zich bevinden op 
een stuk land, dat hun niet toebehoort. Wanneer de 
eigenaars van het stuk land komen, zullen zij zeggen: 
Laat ons ons land. Zij zijn ontkleed in hun tegenwoordigheid om het land hun te laten en het hun terug te geven.
 Daarom zeg Ik: 
Als de heer des huizes weet, dat de dief zal komen, 
zal hij waken voor hij komt en hem niet in zijn huis
 van zijn koninkrijk laten inbreken om zijn huisraad
 te roven
Gij dan, weest waakzaam ten opzichte van de wereld, 
opdat de rovers niet een weg vinden om tot u te 
komen; want de voorziening, waarop gij rekent, zullen 
zij vinden. Moge er in uw midden een verstandige man 
zijn. Wanneer de vrucht rijp is, zal hij terstond komen 
met zijn sikkel in zijn hand en heeft haar gegoogst.
 Wie oren heeft om te horen, die hore.
22 Jezus zag kleine kinderen, die gezoogd werden.
 Hij zei tot zijn discipelen: deze kleinen, die gezoogd worden, gelijken op hen 
die ingaan in het koninkrijk.

Zij zeiden tot hem: Wanneer wij klein zijn, zullen wij 
dan ingaan in het koninkrijk?
Jezus zei tot hen: 'Wanneer gij de twee tot één maakt en wanneer gij
 de binnenzijde maakt als de buitenzijde en de buiten
zijde als de binnenzijde en de bovenzijde als de onder
zijde en wanneer gij het mannelijke en het vrouwelijke 
tot één maakt, zodat het mannelijke niet mannelijk en 
het vrouwelijke niet vrouwelijk is, wanneer gij maakt 
ogen in de plaats van een oog en een hand in de
 plaats van een hand en een voet in de plaats van een voet, een beeld in de plaats van een beeld, dat zult
 gij ingaan in het koninkrijk.
23 Jezus zei: Ik zal u uitkiezen één uit duizend en twee uit tienduizend en zij zullen staan, tot één gemaakt.
24 Zijn discipelen zeiden: Toon ons de plaats, waar Gij zijt, want wij moeten haar zoeken.
 Hij zei tot hen: 
Wie oren heeft, die hore. Er is licht in een mens 
van het licht en hij verlicht de hele wereld. Wanneer
 hij geen licht geeft, is er duisternis.
25 Jezus zei: 
Heb uw broeder lief als uzelf, bewaar hem als uw 
oogappel.
26 Jezus zei: De splinter in het oog van uw broeder ziet gij, maatr de balk in uw eigen oog ziet gij niet. Wanneer gij de
 balk uit uw oog weg doet, dan zult gij scherp zien, om de splinter uit het oog van uw broeder weg te 
doen.
27 Jezus zei: Wanneer gij niet vast met betrekking tot de wereld,
 zult gij het koninkrijk niet vinden; wanneer gij de
 sabbat niet als sabbat viert, zult gij de Vader niet zien.
28 Jezus zei: Ik ging staan in het midden van de wereld en Ik
 openbaarde Mij aan hen in het vlees. Ik vond hen 
allen dronken, Ik vond niemand onder hen die dorst 
had. En mijn ziel was bekommerd om de kinderen 
der mensen, want zij zijn blind in hun hart en zien niet; omdat zij ledig in de wereld gekomen zijn, trachten zij weer ledig uit de wereld te gaan. Maar nu
 zijn zij dronken; wanneer zij de wijn laten staan, dan 
zullen zij zich bekeren.
29 Jezus zei: Wanneer het vlees ontstaan is om de geest, is het 
een wonder; maar als de geest ontstaan is om het
 lichaam, is het een wonder der wonderen. Maar Ik
 verwonder mij hierover: Hoe is deze grote rijkdom
 komen wonen in deze armoede?
30 Jezus zei: Waar drie goden zijn, zijn zij goden; waar er twee
 zijn of een, ben Ik met hem.
31 Jezus zei: Geen profeet is aangenaam in zijn stad, geen dokter
 geneest hen, die hem kennen.
32 Jezus zei: Een stad, die gebouwd is op een hoge berg en die versterkt is, kan niet vallen en ook kan zij niet verborgen 
blljven.
33 Jezus zei: Wat gij zult horen in uw oor, predikt het in het oor
 van een ander op uw daken; want niemand steekt 
een lamp aan en zet die onder de korenmaat noch zet
 hij haar op een verborgen plaats, maar hij plaatst haar 
op de standaard opdat allen, die ingaan en uitgaan,
 haar licht zien.
34 Jezus zei: Indien een blinde een blinde leidt, vallen zij beiden in een put.
35 Jezus zei: 
Niemand kan het huis van de sterke binnengaan en 
het overweldigen, als hij niet zijn handen heeft gebonden; dan zal hij zijn huis plunderen.
36 Jezus zei: 
Weest niet bezorgd van ‘s morgens tot ‘s avonds en
 van ‘s avonds tot ‘s morgens, waarmee gij u zult kleden.
37 Zijn discipelen zeiden: Op welke dag zult Gij Uzelf 
aan ons openbaren en op welke dag zullen wij U zien?
Jezus zei: 
Wanneer gij u uitkleedt en u niet schaamt en dan uw 
kleren neemt en die legt onder uw voeten als de kleine 
kinderen, en er op trapt, dan (zult gij zien) de Zoon
 van de Levende en gij zult niet vrezen.
38 Jezus zei: 
Vele malen hebt gij begeerd deze woorden te horen,
 die Ik tot u zeg en gij hebt geen ander, van wie gij
 ze kunt horen. Er zullen dagen komen, dat gij Mij 
zult zoeken en Mij niet zult vinden.

39 Jezus zei: 
De Farizeeën en de schriftgeleerden hebben de sleutels der kermis ontvangen en die verborgen. En zij
 zijn niet binnengegaan en hen, die wilden binnengaan lieten zij niet toe. Gij echter, weest voor
zichtig als de slangen en argeloos als de duiven.
40 Jezus zei: ’
Een wijnstok is geplant buiten de Vader en hij staat niet vast; hij zal uitgetrokken worden met zijn wortel
 en te gronde gaan.
41 Jezus zei: Wie heeft in zijn hand, hem zal gegeven worden: en
 wie niet heeft, ook het weinige, dat hij heeft, zal hem 
ontnomen worden.
42 Jezus zei: 
Wordt voorbijgaanden.

43 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Wie zijt Gij, dat Gij
 deze dingen tot ons zegt?
 Jezus zei tot hen: 
Uit wat Ik tot u zeg, weet gij niet wie Ik ben; maar 
gij, gij zijt geworden als de doden; want zij beminnen 
de boom en haten zijn vrucht en zij beminnen de vrucht 
en haten de boom.
44 Jezus zei: 
Wie zal lasteren tegen de Vader, hem zal vergeven worden; en wie zal lasteren tegen de Zoon, hem zal 
vergeven worden; maar wie tegen de Heilige Geest
 zal lasteren, hem zal niet vergeven worden, noch
 op aarde noch in de hemel.
45 Jezus zei: 
Men leest geen druiven van dorens, noch plukt men
 vijgen van distels; zij geven geen vrucht. Want een
 goed mens brengt uit zijn schat het goede voort; een
 slecht mens brengt uit zijn boze schat, die in zijn hart 
is, het boze voort en spreekt slechte dingen. Want
 uit de overvloed des harten brengt hij boze dingen 
voort.
46
 Jezus zei: 
Van Adam tot Johannes de Doper is er onder hen, die 
uit vrouwen zijn geboren, niemand hoger dan Johannes 
de Doper, zodat zijn ogen niet zullen breken. Maar 
Ik heb u gezegd, dat hij, die onder u een klein kind 
zal worden, het koninkrijk zal kennen en hij zal hoger
 worden dan Johannes.
47 Jezus zei: Niemand kan twee paarden bestijgen en twee bogen
 spannen; en geen slaaf kan twee heren dienen, anders
 zal hij de een eren en de ander krenken. Niemand
 drinkt oude wijn en begeert terstond jonge wijn te drinken. Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken, opdat zij niet barsten; en men doet geen oude wijn 
in een nieuwe zak, opdat deze hem niet bederft. Men
 naait niet een oude lap op een nieuw kleed, omdat er anders een scheur zou ontstaan.
48 Jezus zei: Wanneer twee vrede met elkaar maken in dit ene huis, zullen zij zeggen tot de berg: Verplaats u, en 
hij zal zich verplaatsen.
49 Jezus zei: Zalig de eenlingen en de uitverkorenen, want gij 
zult het koninkrijk vinden; want gij zijt daarvan afkomstig en gij zult daar weer terugkomen.
50 Jezus zei: Als zij tot u zeggen: Vanwaar komt gij? zegt tot hen: 
Wij zijn gekomen uit het licht, waar het licht uit 
zichzelf is ontstaan. Ha ... openbaart zich
 in hun beeld. Wanneer zij tot u zeggen: Gij?, zegt: 
Wij zijn zijn zonen en wij zijn de uitverkorenen van de Vader, de Levende. Wanneer zij u vragen: Wat 
is het teken van uw Vader in u, zegt tot hen: Het is een beweging en een rust.
51 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Op welke dag zal de 
rust der doden tot stand komen en op welke dag zal
 de nieuwe wereld komen?
 Hij zei tot hen: 
Wat gij verwacht, is gekomen maar gij kent het niet.
52 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vier en twintig pro
feten hebben in Israël gesproken en zij hebben allen
 in U gesproken.
 Hij zei tot hen: 
Gij zijt voorbijgegaan aan de Levende, die hier voor 
u staat en gij hebt over de doden gesproken.

53 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Heeft de besnijdenis 
nut of niet?
 Hij zei tot hen: 
Als zij nut had, zou hun vader hen besneden uit hun moeder voortbrengen. Maar de ware besnijdenis in
 de Geest heeft volledig nut.
54 Jezus zei: 
Zalig gij armen, want uwer is het koninkrijk der 
hemelen.
55 Jezus zei: 
Wie niet haat zijn vader en zijn moeder, die kan voor
 Mij niet een discipel zijn; en wie niet haat zijn broe
ders en zijn zusters en zijn kruis niet opneemt zoals
 Ik, is Mij niet waardig.
56 Jezus zei: 
Wie de wereld heeft gekend, heeft een lijk gevonden; en wie een lijk heeft gevonden, hem is de wereld niet
 waardig.
57 Jezus zei: Het koninkrijk van de Vader is gelijk aan iemand, die 
zaad had. Zijn vijand kwam in de nacht, hij zaaide 
onkruid op het goede zaad. De man stond zijn werk
lieden niet toe het onkruid uit te trekken. Hij zei
 tot hen: Anders gaat gij er heen, denkende: we zullen
 het onkruid uittrekken; en gij zoudt de tarwe er mee 
uittrekken. Want op de dag van de oogst zal het on
kruid herkenbaar zijn, men zal het uittrekken en verbranden.
58 Jezus zei: Zalig de mens, die zich heeft afgetobd, hij heeft het
 leven gevonden.
59 Jezus zei: Ziet op de Levende, zo lang gij leeft, opdat gij niet
 sterft en Hem zoekt te zien, maar Hem niet kunt zien.
60 (Zij zagen) een Samaritaan, die een lam droeg, gaande naar Judea.
 Hij zei tot zijn discipelen: 
(Wat moet) die (daar) met dat lam?
 Zij zeiden tot Hem: Doden en opeten.
 Hij zei tot hen: 
Zolang het leeft, zal hij het niet opeten, maar pas
 als hij het doodt en het een lijk wordt.
 Zij zeiden: Anders kan hij het (ook) niet doen.
 Hij zei tot hen: 
Zoekt gij u ook een plaats om te rusten, opdat gij geen
 lijk wordt en wordt opgegeten.
61a Jezus zei: 
Twee zullen rusten op één bed; de een zal sterven,
 de ander zal leven.
61b Salome zei: Wie zijt gij mens, als uit wie?
 Gij zijt op mijn bed geklommen en hebt van mijn tafel 
gegeten. 
Jezus zei tot haar: 
Ik ben degene, die werd uit Hem, die ongedeeld is;
 Mij werd gegeven van de dingen van mijn Vader.
 (Salome zei:) Ik ben uw discipel.
‘ (Jezus zei tot haar:) 
Daarom zeg Ik: Wanneer iemand ongedeeld is, zal hij
 vol licht zijn, maar wannerer hij verdeeld is, zal hij
 vol duisternis zijn.
62 Jezus zei: 
Ik zeg mijn geheimenissen tot hen, die (mijn) ge
heimenissen (waardig zijn). Wat uw rechterhand zal 
doen, laat uw linkerhand niet weten, wat zij doet.
63 Jezus zei: 
Er was een rijk man, die veel bezittingen had. Hij 
zei: Ik zal mijn bezittingen gebruiken om te zaaien,
 te oogsten, te planten en mijn schuren te vullen met
 vruchten, zodat ik aan niets gebrek heb. Dit was wat 
hij dacht in zijn hart. En in die nacht stierf hij. Wie
 oren heeft, die hore.
64 Jezus zei: 
Een man had gasten. En toen hij de maaltijd had aan
gericht, zond hij zijn slaaf uit, om de gasten uit te 
nodigen. Deze kwam tot de eerste en zei tot hem: 
Mijn heer nodigt u uit. Hij zei: Ik moet geld ontvangen van kooplieden, zij komen vanavond bij mij; 
ik zal een regeling met hen treffen; ik verontschuldig 
mij voor de maaltijd. Hij kwam tot een ander en zei 
tot hem: Mijn heer heeft u uitgenodigd. Hij zei tot 
hem: Ik heb een huis gekocht en zij vragen mij een 
dag (te komen); ik zal geen gelegenheid hebben. Hij 
kwam tot een ander en zei tot hem: Mijn heer
 nodigt u uit. Hij zei tot hem: Mijn vriend zal gaan 
trouwen en ik zal het feestmaal aanrichten; ik zal niet 
kunnen komen; ik verontschuldig mij voor de maaltijd.
 Hij kwam tot een ander en zei tot hem: Mijn heer 
nodigt u uit. Hij zei tot hem: Ik heb een landgoed
 gekocht, ik ga de pacht ophalen; ik zal niet kunnen
 komen; ik verontschuldig mij. De slaaf kwam terug en hij zei tot zijn heer: Zij, die gij hebt uitgenodigd voor de maaltijd, hebben zich verontschuldigd.
 De heer zei tot zijn slaaf: Ga de wegen op, 
breng hen, die gij zult vinden, opdat zij de maaltijd houden. De kopers en de kooplieden (zullen) niet komen in de plaatsen van mijn Vader.

65 Hij zei: 
Een goed mens had een wijngaard en hij gaf die aan
 pachters om hem te bewerken, opdat hij van zijn 
vrucht zou ontvangen. Hij zond zijn slaaf, op dat de 
pachters aan hem van de vrucht van de wijngaard zon
den geven. Zij maakten zich meester van zijn slaaf en 
sloegen hem; het scheelde niet veel of ze hadden hem
 gedood. De slaaf kwam terug en zei het tot zijn 
heer. Zijn heer zei: Misschien kenden zij hem niet.
 Hij zond een andere slaaf, maar de pachters sloegen 
ook de andere. Toen zond de heer zijn zoon; hij 
zei: Misschien zullen zij mijn zoon ontzien. Daar de 
pachters wisten, dat hij de erfgenaam van de wijngaard was, grepen zij hem en doodden hem. Wie 
oren heeft, die hore.
66 Jezus zei: 
Onderricht Mij over deze steen, die de bouwlieden 
teruggebracht hebben: het is de hoeksteen.
67 Jezus zei: Wie alles kent behalve zichzelf, mist alles.
68 Jezus zei: 
Zalig gij, wanneer men u haat en vervolgt, zij zullen 
geen plaats vinden daar, waar zij u hebben vervolgd.
69a Jezus zei: 
Zalig zij, die vervolgd worden in hun hart; zij zijn 
het, die de Vader hebben gekend in waarheid.
69b Zalig die hongeren, want de maag van hem die
 begeert, zal worden gevuld.
70 Jezus zei:
Wanneer gij dat, wat gij hebt, in uzelf voortbrengt, 
zal het u behouden. Wanneer gij dat niet in u hebt,
 zal dat, wat gij niet in u hebt, u doden.
71 Jezus zei: 
Ik zal (dit) huis (afbreken) en niemand zal het (weer)
 kunnen opbouwen.
72 Iemand zei tot Hem: Zeg tot mijn broeders, dat
 zij de bezittingen van mijn Vader met mij delen.
 Hij zei tot hem: 
Mens, wie heeft Mij tot scheidsman gemaakt.
 Hij wendde zich tot zijn discipelen en zei tot hen: 
Ik ben toch geen scheidsman?
73 Jezus zei: 
De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig;
 maar bidt de Heer, dat Hij arbeiders uitzende in de oogst.
74 Hij zei: 
Heer, velen zijn rond (de opening van) de put, maar
 niemand is in de put.
75 Jezus zei: 
Velen staan bij de deur, maar de eenlingen zijn het,
 die zullen binnengaan het bruidsvertrek.
76 Jezus zei: 
Het koninkrijk van de Vader is gelijk aan een koopman, die met koopwaren liep en een parel vond. Die
 koopman was verstandig. Hij verkocht de koopwaar
 en kocht de éne parel voor zichzelf. Zoekt ook gij 
naar zijn schat, die niet vergaat, die blijft daar, waar
 geen mot bij komt om te eten en geen worm verderft.
77 Jezus zei: Ik ben het licht dat boven hen allen is, 
Ik ben het al en het al is uit Mij voortgekomen en
 het al is tot aan Mij toe gekomen.
 Klooft een stuk hout en Ik ben daar; tilt de steen op
 en gij zult Mij daar vinden.
78 Jezus zei: 'Waarom zijt gij uitgegaan naar het veld? Om een riet 
te zien, dat door de wind wordt bewogen? En om 
een mens te zien, in weelderige klederen gekleed?
Zie, uw koningen en uw groten zijn het, die weelde
rige klederen dragen en zij zullen niet in staat zijn de waarheid te kennen.
79 Een vrouw uit de schare zei tot Hem: Zalig de schoot die U heeft gedragen en de borsten
die U hebben gevoed.
 Hij zei tot haar: Zalig, die het woord van de Vader horen en die het
bewaren in Waarheid. Want er zullen dagen komen, waarop gij zeggen zult: 
Zalig de schoot, die niet heeft ontvangen en de borsten, die niet hebben gezoogd.
80 Jezus zei: Wie de wereld heeft gekend, heeft het lichaam gevonden; en wie het lichaam heeft gevonden, hem is de wereld niet waardig.

81 Jezus zei: Wie rijk is geworden, laat hij koning zijn; en wie kracht heeft, laat hij verloochenen.
82 Jezus zei: Wie Mij nabij is, is nabij het vuur; en wie ver van Mij is, is ver van het koninkrijk.

83 Jezus zei: De beelden zijn voor de mens openbaar, en het licht,
 dat in hen is, is verborgen. In het beeld van het licht
 van de Vader zal hij zich openbaren en dan is zijn beeld verboggen door zijn licht.
84 Jezus zei: Wanneer gij uw gelijkenis ziet, verheugt gij u; maar
 wanneer gij uw beelden ziet, die voor u ontstaan zijn, die niet sterven en niet openbaar worden, hoeveel
 (vreugde) zult gij (dan) ervaren?
85 Jezus zei: 
Adam ontstond uit een grote kracht en een grote rijkdom, en hij werd uwer niet waardig; want zou hij zou waardig geweest zijn, hij (zou) de dood niet (hebben gesmaakt).
86 Jezus zei: 
(De vossen hebben) hun (holen) en de vogelen hebben hun nest, rnaar de Zoon des mensen heeft geen 
plaats om zijn hoofd neer te leggen en te rusten.
87 Jezus zei: 
Ellendig is het lichaam, dat afhangt van een lichaam;
 en ellendig is de ziel, die van deze beide afhangt.
88 Jezus zei: 
De engelen zullen tot u komen en de profeten en zij 
zullen u geven wat u toekomt. En gij op uw beurt geeft hen wat in uw hand is en zegt bij uzelf: Op
 welke dag zullen zij komen en in ontvangst nemen 
wat hun toekomt?
89 Jezus zei: 
Waarom wast gij de buitenzijde van de beker? Begrijpt gij niet, dat Hij die de binnenzijde heeft gemaakt,
 ook degene is, die de buitenzijde heeft gemaakt?
90 Jezus zei: 
Komt tot Mij, want mijn juk is zacht en mijn heerschappij is licht en gij zult rust vinden voor u.
91 Zij zeiden tot Hem: Zeg ons wie Gij zijt, opdat
 wij in U geloven.
Hij zei tot hen: 
Gij beproeft het aanzien van de hemel en van de aarde en Hem, die voor u staat, kent gij niet en deze tijd
 weet gij niet te beproeven.

92 Jezus zei: 
Zoekt en gij zult vinden, maar dat, waar naar gij
 Mij hebt gevraagd in die dagen, heb Ik u toen niet
 gezegd. Nu wil Ik het zeggen en gij vraagt er niet naar.
93 Jezus zei: Geeft het heilige niet aan de honden, opdat zij het
 niet op de mesthoop werpen; werpt de paarlen niet
 de zwijnen toe opdat zij het niet maken ...
94 Jezus zei: Wie zoekt, zal vinden (en wie klopt), hem zal open
gedaan worden.
95 Jezus zei: Wanneer gij geld hebt, geeft (het) niet met het oog 
op rente; maar geeft aan hem, van wie gij het 
niet zult (terug) ontvangen.
96 Jezus zei: Het koninkrijk van de Vader is gelijk aan een vrouw
 die een weinig zuurdesem nam en in meel deed en
 er grote broden van maakte.
 Wie oren heeft, die hore.
97 Jezus zei: Het koninkrijk van de Vader is gelijk aan een vrouw
 die een kruik vol meel draagt en die een lange weg 
gaat. Het oor van de kruik brak en het meel stroomde 
achter haar op de weg, zonder dat zij het bemerkte; zij had er geen verstand van zich moeite te getroosten.
 Toen ze thuis kwam, zette ze de kruik neer en bevond
 haar leeg.
98 Jezus zei: 
Het koninkrijk van de Vader is gelijk aan een man,
 die een machtig man wilde doden; thuis trok hij het
 zwaard en stootte ermee in de muur om te weten, of
 zijn hand sterk genoeg zou zijn. Toen doodde hij de
 machtige.
99 De discipelen zeiden tot Hem: 
Uw broeders en uw moeder staan buiten. 
Hij zei tot hen: 
Dezen hier, die de wil van mijn Vader doen, die zijn
 mijn broeders en mijn moeder; zij zijn het, die zullen 
binnengaan in het koninkrijk van mijn Vader.
100 Zij toonden aan Jezus een goudstuk en zeiden tot
 Hem: De mensen van de keizer eisen van ons be
lasting. 
Hij zei tot hen: 
Geeft de keizer wat des keizers is, geeft Gode wat Gods is en geeft Mij wat het Mijne is.
101 Jezus zei: 
Wie niet haat zijn vader en zijn moeder zoals Ik, die 
kan voor Mij niet een discipel zijn; en wie zijn 
vader en zijn moeder (niet) liefheeft zoals Ik, die 
kan voor mij niet een discipel zijn. Want mijn
 moeder ... maar (mijn) ware (moeder) gaf mij het leven.
102 Jezus zei: 
Wee hun, de Farizeeën, want zij gelijken op een
 hond, die op de voerbak van de ossen slaapt. Want
 hij zelf eet niet noch (laat) hij de ossen eten.
103 Jezus zei: 
Zalig de man die weet in welk deel de rovers zullen
 binnenkomen, opdat hij zal opstaan en zijn ... 
verzamelen en zijn lendenen omgorden, voordat ze 
binnenkomen.
104 Zij zeiden (tot Hem): Komt, laat ons heden bidden en vasten.
 Jezus zei: 
Wat is dan de zonde, die Ik heb begaan of waarin 
ben Ik overwonnen? Maar, wanneer de bruidegom
 uit het bruidsvertrek gaat, laten ze dan vasten en 
bidden.
105 Jezus zei: 
Wie vader en moeder zal kennen,
 zal een hoerenkind worden genoemd.
106 Jezus zei: 
Wanneer gij de twee tot één maakt, zult gij zonen van het mannelijke worden; en wanneer gij zegt: Berg, verplaats u, en hij zal zich verplaatsen.
107 Jezus zei: 
Het koninkrijk is gelijk aan een herder, die honderd
 schapen heeft; één ervan raakte verdwaald en 
dat was het grootste. Hij liet de negen en negentig 
achter en hij zocht dit ene, tot dat hij het vond. Nadat hij zich er veel moeite voor getroost had, zei hij tot het schaap: Ik heb u meer lief dan de negenennegentig.
108 Jezus zei: Wie zal drinken uit mijn mond, zal worden als Ik; en Ik zal worden als hij; en het verborgene zal hem worden geopenbaard.
109 Jezus zei: 
Het koninkrijk is gelijk aan een mens, die in zijn akker 
een (verborgen) schat heeft, waarvan hij niet wist
 en (...) hij stierf; hij liet hem na aan zijn (zoon.
 De) zoon wist (er) niet (van), hij aanvaardde de
 akker, hij verkocht (hem). En die hem gekocht had,
 ging heen, ploegde (en vond) de schat: hij begon
 geld op rente te geven aan (wie) hij wilde.
110 Jezus zei: 
Wie de wereld gevonden heeft en rijk is geworden,
 laat hij de wereld verloochenen.
111 Jezus zei: 
De hemelen zullen samengerold worden evenals de 
aarde in uw aanwezigheid; en Wie leeft uit de Levende, zal de dood niet aanschouwen ... ,
omdat Jezus zegt: 
Wie zichzelf zal vinden, de wereld is hem onwaardig.
102 Jezus zei: Wee het vlees, dat afhangt van de ziel; wee de ziel,
 die afhangt van het vlees.
113 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Wanneer zal het
koninkrijk komen?

Jezus zei: 
Het komt niet zó, dat het te berekenen is; men zal 
niet zeggen: zie hier, of zie daar maar het koninkrijk van de Vader is uitgebreid over de aarde, en de 
mensen zien het niet.
114 Simon Pettus zei tot hen: 
Maria moet bij ons weggaan, want de vrouwen zijn
 het leven niet waardig.
 Jezus zei: 
Ziet, Ik zal haar (tot Mij) trekken om haar mannelijk
 te maken, opdat ook zij een levende geest worde,
 gelijk aan u, mannen. Want elke vrouw die zich man
nelijk maakt, zal binnengaan in het koninkrijk der hemelen.


terug naar het literatuuroverzicht






^