Alla Selawry - Filokalia

Ankh-Hermes, ISBN 90 202 5398 0

Ten geleide
Inleiding
De starets Serafim van Sarov


Ten geleide

Bidden is een verheffen van hart en gedachten tot God. Voortdurend bidden is een voortdurend richten van verstand en hart op Hem. (Theophanes de kluizenaar)
De mare van het voortdurende innerlijke gebed, het 'gebed des harten', klinkt als een boodschap uit een verre - en tegelijk vertrouwde - wereld. In geschriften als De weg van een pelgrim worden de geestelijke ervaringen geschilderd van mensen die hun leven met dit gebed weten te doordringen. Maar dat zijn persoonlijke ervaringen.
De kerk van het Oosten beschikt evenwel over een veelomvattend weten, een beproefde methodiek voor het innerlijke gebed. Hierin openbaren zich de leerstellingen en aanwijzingen van verlichte gebedsbeoefenaars in een begaanbare weg van meditatie die een beroep doet op ons vrije bewustzijn en leidt tot eigen geestelijke ervaringen:
'Het voortdurende bedachtzame gebed des harten is de wetenschap van alle weten, de kunst der kunsten, het werk der werken dat voor iedere eenvoudige mens even toegankelijk is als voor de geletterde.'

Het voortdurende innerlijke gebed vanuit het hart gaat terug op de Heilige Schrift. Jezus Christus zelf leert te allen tijde te waken en te bidden, zonder ophouden te bidden, niet veel woorden te gebruiken, maar - in je hart - in het verborgene - in geest en waarheid - in Zijn naam - tot de Vader te bidden. En apostel Paulus wekt op te bidden in geest en denken, zonder ophouden, en liever vijf woorden overdacht te spreken dan duizenden alleen met de tong.
Je vraagt je af: is dat eigenlijk wel mogelijk? En hoe is dit te verwezenlijken? Inderdaad, het is werkelijk mogelijk en voor een echt christelijk leven onmisbaar. Want de begenadigde dialoog met God in het gebed is de polsslag van de mensenziel.

Sinds het oer-christendom hebben de zoekers naar God gestreefd naar deze voortdurende levende omgang met God en hebben zij zich steeds weer met korte veelvuldige aanroepingen innig en beheerst tot Hem gewend. De geestelijk ervarenen vonden het eenvoudigste en meest werkzame middel voor dergelijke korte aanroepingen in het zogenaamde Jezus-gebed - (9) het gebed van de tollenaar in de tempel, gericht tot Jezus Christus - dat dan luidt: "Jezus Christus, Zoon van God, wees mij, zondaar, genadig!"

Dit gebed bevat alle elementen van een waar gebed: lof, pijnlijke zelfkennis, een bede om redding. Het leent zich er bijzonder goed toe voortdurend je gedachten tot Christus te wenden, je hart voor Hem te verwarmen en te leven in het bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid. In zijn eenvoud en bondigheid is het voor een ieder toegankelijk en kan het op elk moment, op elke plaats en bij elke bezigheid worden uitgesproken.
Het Jezus-gebed dient tot innerlijke lering in het voortdurende gebed des harten. De ervaren gebedsbeoefenaars leiden de zoekende volgens een strakke methodiek van het eenvoudige mondelinge gebed van de beginner naar het begenadigde zelfwerkzame gebed van de meer gevorderde en naar een leven volgens het evangelie. Deze weg voert ons langs verschillende fasen: het formulegebed in woorden, het oplettend-verstandelijke gebed, het verstandelijk-innige gebed vanuit ons gemoed en ten slotte het voortdurende innerlijke gebed, het 'gebed des harten'.
In elke fase groeit de gemeenschap met Jezus Christus. Een leven in Gods tegenwoordigheid wekt geestelijke gevoelens op: een groeiende eerbied, pijnlijk zelfinzicht dat gepaard gaat met het zich bewust zijn van eigen zwakheid, het ervaren van vergevende goedheid en van de liefde tot God. Daardoor streeft de mens ernaar de wil van God te vervullen; daartegen komt zijn zelfzucht in het geweer, waartegen hij worstelt in een voortdurende onzichtbare strijd. Zo reinigt zijn innerlijk zich en worden hem, met een fijngevoeliger geweten, inzicht in het eigen hart, goedheid en zelfoverwinning geschonken. Het wezenlijke doel van het innerlijke gebed, het gebed des harten, is het verkrijgen van de genade van de Heilige Geest als een werkelijke ervaring. Want het christelijke leven is een begenadigd leven. Zo vormt het Jezus-gebed de kern van het christelijke leven van de kerk en is het slechts in het totale organisme van dit kerkelijke leven volledig te begrijpen.

De beoefening van het Jezusgebed berust op bijna tweeduizend jaren oude ervaringen van Godzoekers die de menselijke geest kenden. Zij leiden ons in tot het begrijpen ervan en geven richtlijnen voor de juiste toepassing. Deze richtlijnen stammen van kerkvaders, kluizenaars en gebedsbeoefenaars van de oer-kerk en in latere tijden van de Grieks-orthodoxe kerk van het Nabije Oosten en Rusland.
Het Griekse verzamelwerk van de berg Athos, de Philokaleia, omvat de belangrijkste teksten van vijfentwintig verlichte gebedsbeoefenaars uit de derde tot de veertiende eeuw, zoals Makarios en Antonius de Grote van Egypte, Johannes Chrysostomos, Efraïm van Syrië, Johannes Klimakos, Vader Dorotheos, Hesychios van Jeruzalem, Izaäk de Syriër, Philotheos van de Sinaï, Barsonufios en Johannes, Simeon de Nieuwe Theoloog en anderen. Het Russische werk: Wat is het Jezus-gebed volgens de traditie van de orthodoxe kerk? (10) (Walaamklooster, Finland, 1938) leidt in tot het innerlijke wezen van het 'gebed des harten' en zijn beoefening. Het bevat - in chronologische volgorde - de belangrijkste aanwijzingen van de Philokaleia alsmede die van de gebedsbeoefenaars in Rusland vanaf de veertiende tot de twintigste eeuw, zoals Nil Sorski, Dimitri van Rostov, Vassilij van Moldau en Paissij Velitsjkovski, Serafim van Sarov, bisschop Theophanos (de kluizenaar), bisschop Ignatius Brjantsjaninov en Johannes van Kroonstad.
De hier volgende tekst bevat uittreksels uit de Dobratolubije, de Russische bewerking van de Philokaleia, uit het werk uit Walaam en geschriften van Russische gebedsbeoefenaars, en met name van Theophanos de kluizenaar. De originele teksten zijn uit het Russisch vertaald en in vrije volgorde tot hoofdstukken verzameld in overeenstemming met de zinvolle opbouw van het gebed. Hierbij dienen de Walaam-teksten als raamwerk en worden bij aanvullingen en aanhalingen uit andere geschriften de namen van de auteurs achter de betreffende tekstgedeelten vermeld. Deze wijze van werken maakte het mogelijk de leer van de ervarenen in de gebedsbeoefening in hun eigen woorden van vele kanten te benaderen. Daarbij dienen de afzonderlijke onderwerpen - die vanzelfsprekend voor een deel meerdere malen voorkomen - bovenal als onderwerpen voor meditatie en ter opwekking van de geestelijke ontwikkeling.
Zo brengt dit verzamelwerkje in de eenvoudige vorm van uittreksels uit de originele teksten de grondprincipes van het innerlijke gebed en leidt het in tot zijn beoefening. Het wil een poging zijn de lezer toegang te geven tot het innerlijke gebed, het 'gebed des harten', dat tot eigen geestelijke ervaringen leidt. (11)

terug naar het literatuuroverzicht

Inleiding
De Grieks en Russisch Orthodoxe kerk kent naast het gewone, uiterlijke gebed ook het zogenaamde innerlijke of geestelijke gebed, ook wel genoemd het gebed des harten. Het woord gebed zou tot een misvatting kunnen leiden. Meer op zijn plaats lijkt het woord meditatie en wel zoals speciaal beoefend in de Oosterse religies. Gebed veronderstelt de mens die bidt tot een God, kortom een tweeheid. Bij meditatie valt het accent van de beleving meer op de eenheid. Het onverlichte bewustzijn van degene die mediteert, blijkt in wezen het Verlichte Bewustzijn. Het kleine ik blijkt samen te vallen met de Totaliteit, met Tao. Ik en mijn Geliefde zijn één. God en zijn toegewijde zijn één in wezen. Bij het gewone gebed blijft dikwijls een absolute kloof bestaan, een afgrond, tussen de beperkte, zondige mens en God.
Het geestelijke gebed is in de Orthodoxe kerken reeds vanaf de vroegste christentijd een soort esoterische traditie geweest, die van geestelijke vader op leerling werd overgedragen. Naast alles wat als officieel kerkgebeuren aangemerkt kan worden is er daar die merkwaardige lering, waarvan de christelijke kerken in het Westen geen weet hebben.

Bij een goede beschouwing blijkt de traditie van het innerlijke gebed er een, die niet alleen gekend wordt in het Oosterse Christendom. Het Hindoeïsme kent zijn Japa-yoga, de Islam zijn praktijk van de dhikr en het Boeddhisme zijn Nembutsu. Al deze vormen van innerlijk gebed hebben met elkaar gemeen de voortdurende herhaling van een korte spreuk. 'Heer Jezus Christus, Zoon Gods, ontferm U over mij zondaar'of 'Namo Amida Butsu - Geprezen zij de Boeddha van het oneindige Licht en het oneindige Leven' of 'Lâillâhâ illâh-Llâh - Er is geen god dan God'. (13) Hoe kan nu de niet ingewijde lezer tot een begrip komen van de denkwereld, die achter de praktijk van het innerlijk gebed ligt? Met andere woorden: op wat voor wijze moeten we de waarden ervan benaderen?

De mens die zich bewust is geworden van zijn beperktheid, van zijn staat van onwetendheid of eventueel van zijn zonde, probeert hier aan te ontkomen.
De eerste ervaring van het beperkt zijn, brengt met zich mede een, zij het misschien heel verborgen, weten van een onbeperkt zijn. Het komt de betrokkene over als een genade die hij ervaart. Een genade die God hem schenkt. De vage intuïtie van het Licht achter de duisternis van het dagelijkse leven, doet hem verder zoeken. Gewend als wij zijn door ons verstand geleid te worden, hoeft het geen verwondering te wekken, dat bij het op weg gaan op het geestelijke pad de eerste stappen bestaan uit een analyse, een verstandelijke bezigheid, van de situatie waar wij in verkeren. Dit uit elkaar denken onderscheidt dan al gauw het 'ik', dat gebukt gaat onder zijn betrekkelijkheid en beperking, en dan dat onbeperkte, dat zich voordoet als 'het andere'. Ons ik gaat nu pogingen ondernemen om tot dat andere in relatie te komen. Het beperkte zoekt vanuit het onbeperkte steun te ontvangen om aan zijn eigen beperking te kunnen ontkomen. Dit is de fase van het gewone gebed. De mens bidt tot God, die staat voor het Almachtige, de Wijsheid, de vervolmaking van Liefde, voor alomtegenwoordigheid en eeuwigheid.

Zolang het verstand de boventoon blijft voeren in het bewustzijn, kan de mens niet echt tevreden uit het gebed tevoorschijn komen. Vele zaken laten zich rationeel benaderen en vele problemen komen zo tot een oplossing. Sinds de mens gegeten heeft van de boom van de kennis van het goede en het kwade - men leze in het eerste boek van de bijbel het allegorische verhaal over de zondeval - gaat het hem goed af als subject te denken over objecten. De paradijselijke éénheid werd opgebroken doordat de mens deel kreeg aan de kennis van goed en kwaad, d.w.z. aan die wijze van denken, die alle zaken goed weet uiteen te denken en tegenover elkaar te zetten. Hier wordt het verstandelijke, rationele denken ingevoerd in het bijbelverhaal. Een groot besef van rechten en plichten, begeleid door geboden en verboden is hiervan het gevolg. De ervaring van het paradijs echter, van de eenheid van alle dingen, is voorbij.
De mens ontdekte dat hij naakt was, Adam zag dat hij man was en Eva dat zij vrouw was. Het menselijke bewustzijn had zijn oorspronkelijke eenheid en vrijheid verloren en vertoonde zich alleen nog maar in een beperkte zelfidentificatie. Het begrip van de totaliteit, het besef van 'wij' had plaatsgemaakt (14) voor de mens die zichzelf aanwijst als 'ik' en over zijn medemens spreekt als over 'de ander'. De oorspronkelijke nondualiteit van het hogere - paradijselijke - bewustzijn gaat verloren in een durende scheiding tussen subject, denker, en object, dat of diegene waar over wordt gedacht. De kleine ik-zegger ziet zich niet meer met alles verbonden, maar ervaart zichzelf als gesteld tegenóver alles. Hij valt samen met zijn beperking. En dat wordt een treurige, smartelijke toestand. Niet langer zijn licht en duister, manlijk en vrouwelijk, goed en kwaad, actief en passief, leven en dood, facetten van hetzelfde wezen. De mens valt samen met één van beide, gedrongen door de werking van zijn uit elkaar denkende, rationele bewustzijn. Het innerlijke overzicht is hij kwijtgeraakt.
Dat wat hij als niet-eigen ervaart, maakt hem bang. Zo ontstaat de grote angst van de levende mens voor de dood, de angst van de mens die in het licht verkeert voor de duisternis maar ook de angst van de mens die in het duister zit voor het licht. Ook de mens die met zijn manzijn samenvalt wordt onrustig wanneer hij zijn tegenstelling, de vrouw ontmoet. De oorspronkelijke harmonie en vrede lijkt uiteen te vallen in gedeeltelijk begeerte, gedeeltelijk haat en afkeer. De ratio, het verstand dat zo nauw betrokken is bij het verhaal van de zondeval, lijkt nauwelijks het instrument waarmede wij hier onze kennis moeten vergaren. Er is echter nog een ander kennisinstrument en dat is het geëigende dat wij moeten gebruiken bij alle zaken die te maken hebben met het geestelijke, religieuze, innerlijke gebied. Ondanks zondeval, ondanks zijn verstandelijke instelling blijft de mens zijn vage intuïtie van de totaliteit, en wanneer zijn bewustzijn geraakt wordt door de Liefde, blijkt deze intuïtie niet langer vaag en onduidelijk te zijn. Er komt als het ware een weten van 'Ik en mijn geliefde zijn één'.

Paulus, geraakt door de Liefde, die hem verschijnt op de weg naar Damascus in de gestalte van Christus roept uit: 'Dood, waar is uw prikkel'. Van hem af valt de beperking, het samenvallen met maar een deel van de totaliteit. Hij heeft de ervaring van Christus als pleroma, de volledigheid van de Liefde, als de vervulling van de wet die zich tenslotte alleen maar met het goede en het kwade bezig houdt.
Hegel gebruikt in zijn filosofie naast het manlijke woord: der Verstand, het verstand, het vrouwelijke woord: die Vernunft, de rede. Gabriël Mareel spreekt over de innerlijke concentratie die een ruimer kennen met zich meebrengt dan het verstandelijke begrijpen. De mens wordt dan bijvoorbeeld voor de denker een présence' en is niet langer een object zonder meer. (15) Karl Jaspers, een andere belangrijke existentialistische denker zegt duidelijk: "Wir philosophieren nicht aus der Einsamkeit, sondern aus der Kommunikation. Kommunikation ist ein liebender Streitkampf. Philosofiert wird aus dem Umgreifenden. Das ist Sein über Subjekt und Objekt hinaus, ein beides Umgreifendes."
Berdjajef, de grote Russische existentialistische denker, zegt van het juiste filosoferen: "De filosofische kennis is een kennis die door een integrale geest wordt verkregen. Hierbij is het verstand een vereniging aangegaan met de wil en het gevoel."
Thomas van Aquino vat het geheel zeer simpel, maar ook zeer doeltreffend samen: "Res tantum cognoscitur, quantum diligitur" - De mate waarin wij iets kennen hangt af van de mate waarmee we iets liefhebben. Een nieuw kennisinstrument komt hierbij naar voren. Het is niet die éne faculteit van de mens, het verstand, waarmede we gaan werken, maar het totale wezen van de mens wordt erbij betrokken. Het is de kennis van de liefde, van het hart, de geestelijke intuïtie. Niet langer is hierbij de blik naar buiten gericht, zij is integendeel naar binnen gekeerd.

Bepaalde zaken zijn problemen, d.w.z. zij zijn vóór ons neergelegd - het Griekse werkwoord 'proballo'. Hun oplossing geschiedt door het verstand. Andere zaken zijn mysterie - mustèrion, samenhangend met het Griekse werkwoord 'muo', de ogen sluiten. Mysterie is dus datgene wat zich binnen in het hart van de mens afspeelt, en niet iets dat van buitenaf in ons bewustzijn binnenkomt. Hier heeft het verstand niets op te lossen. Het mysterie wordt ervaren en wel in het hart door de mens als totaliteit, en niet door het verstand alleen. Nu wij weten hoe wij deze denkwereld moeten benaderen, rest ons nog een antwoord op de vraag wat de inhoud van deze denkwereld is.

In de eerste plaats vinden we daar de mens die getroffen is door de zondeval. Het is de door zijn verstandelijke denken beperkte en gevangen, onvrije mens. Daarnaast worden we geconfronteerd met het begrip van het onbeperkte, vrije zijn: God en wel als heilige drie-eenheid. Tenslotte blijkt er een relatie tussen deze God en deze mens. Zij staan niet zomaar zonder meer tegenover elkaar. Er is een relatie tussen beiden die het gewone bestaan bevrijdt van zijn beperking. Over de door de zondeval getroffen mens vormden we reeds op de vorige bladzijden onze mening. Het begrip God laat zich onderscheiden in God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. God de Vader staat hier filosofisch gezien voor het totale bewuste Zijn. Het is de totaliteit van het Zijn op bewuste wijze - dus niet zoals een steen bijvoorbeeld is -, evenals het Brahman bij de Hindoes of het (16) Tao van het Taoïsme.
God de Zoon, de Logos, het Woord, stelt hierbij voor het beeld in de mens van dit bewuste Zijn. Het is het verbeelde bewuste Zijn, de idee - denk aan het Griekse woord eidos, het innerlijk geschouwde, het Hogere Bewustzijn in de mens.
God de Heilige Geest stelt voor de werking van de Vader door de Zoon in de mens. Het is het Hogere Bewustzijn dat in de mens is gewekt en op volle gang is gebracht, zodat de mens als wezen der verlichting zegenend door de wereld gaat.

De Vader is niet te kennen door de mens, behalve wanneer Hij 'verbeeld', dus vorm gegeven is. Dit beeld, de Zoon, wordt beschouwd als het wezenlijke van het menselijke bewustzijn: het hogere Bewustzijn. De omzetting van de mens door dit hogere Bewustzijn tot een totaal bewust Zijn is de werking van de Heilige Geest. Dit voert op zijn beurt naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Van fundamentele betekenis is hier het begin van het Johannes Evangelie: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen."
De Zoon als Verlosser krijgt hier zijn diepste betekenis. Centraal staat hier niet op de eerste plaats Jezus Christus als historische figuur, maar Jezus Christus als mythe. Mythe heeft hier de betekenis van het gesproken woord waarin zich de eeuwige waarheid openbaart. Op deze wijze wordt ook duidelijk wat Jezus van zichzelf zegt: "Eer Abraham was, ben ik". Waar Christus genoemd wordt het Licht der Wereld, wordt bij het innerlijk gebed graag gesproken over de aanschouwing van het ongeboren Licht, hetwelk duidt op het Hogere - en dus bovenrationele - bewustzijn in de mens. Wanneer we dan lezen: "Niemand komt tot de Vader dan door de Zoon", dan weten we dat we niet met ons rationele denken tot de bevrijding of opstanding kunnen komen maar door dat Hogere Bewustzijn in ons. In de eerste brief van Johannes, hoofdstuk 5 vers 11, lezen we dan ook: "God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet".
Het wezenlijke kenmerk van dit Hogere Bewustzijn is de liefde. In dezelfde brief van Johannes, hoofdstuk 4 vers 7, lezen we: "Een ieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. Hierin is de liefde Gods jegens ons (17) geopenbaard, dat God zijn enig geboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem".

Wat is nu de heilsweg die betreden wordt bij het innerlijke gebed? De beperkte zelfidentificatie van de mens met zijn verstandelijke bewustzijn - ik ben dat wezen dat door tijd en ruimte bepaald is - dient vervangen te worden door een ruimer bewustzijn. Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten: "Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij". Aan de Corinthiërs schrijft hij in zijn eerste brief hoofdstuk 15: "Er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt." En iets verder: "Dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen."
Hoe zal dit proces van verandering van onze zelfidentificatie zich voltrekken?
In de eerste plaats moeten wij geloven dat er een bewustzijn bestaat dat ruimer is dan het beperkte door het verstand bepaalde. Ergens ligt dit geloof in iedere mens. Immers, hoe kunnen we zo goed onze beperking kennen, wanneer wij niet ergens een intuïtie zouden hebben van het onbeperkte zijn? In het Johannes Evangelie, hoofdstuk 11, zegt Christus: "Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven." Met dit geloof moeten wij nu ons innerlijk oor te luisteren leggen. Het is de inkeer, de bekering van de mens. We brengen ons verstandelijke denken tot rust en tot zwijgen. We proberen te luisteren naar hogere bovenrationele aspecten van ons wezen, het Hogere Bewustzijn in ons. "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, wie Mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij heeft gezonden, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven." Johannes 5:24.
Eenzelfde procédé speelt zich af in de Oosterse meditatiesystemen. Met de aandacht naar binnen gekeerd houden wij de lampen brandende in afwachting van de komst van de Meester. Zijn komst is het ontwaken van het hogere Bewustzijn in ons. Op dat moment, bij het doorbreken van de verlichting in onze onwetendheid, ervaren we pas werkelijk de betekenis van de tekst uit de Evangeliën: "De Meester is daar en Hij roept U!" Dan zal ons bewustzijn geheel opgaan in dat van het Hogere Bewustzijn. Johannes 6:53: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U, tenzij U het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. (18) Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en Ik in hem... Wie dit brood eet, zal in eeuwigheid niet sterven." Het bloed verbeeldt hier het leven, de geest van Gods Zoon, het vlees de vormgeving aan deze geest. De vergoddelijkte mens realiseert zich zijn 'God-zijn', zijn Liefde-zijn. Hij realiseert dit, hij maakt dit waar door deze liefde te hebben, door deze te zijn en door deze uit te dragen. Zo zal de oude wereld een nieuwe wereld worden.
Voor het oude door het verstandelijk denken bepaalde bewustzijn betekent dit de dood. Maar het is de opstanding van het door de liefde bepaalde bewustzijn. In Johannes 12:24 lezen we dan ook: "Voorwaar, voorwaar ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf, maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort. Wie zijn leven liefheeft maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven." Het vergankelijke doet zo onvergankelijkheid aan, het sterfelijke doet zo onsterfelijkheid aan. En dat is het waarom het bij het innerlijke gebed gaat.

Het geestelijke gebed nu houdt zich bezig met het levend maken van deze ervaring. Door de methode van training van het bewustzijn - het herhaaldelijk uitspreken van hetzelfde korte gebed - verliest het verstandelijk denken zijn superioriteit in het menselijke bewustzijn. De dualiteit tussen het ik en het andere, tussen subject en object van het denken vervaagt. Niet langer roept de zondaar Christus aan als een buitenstaander. Beiden vloeien ineen en op een gegeven moment is het duidelijk dat het de Christus zelf is die het gebed zegt. Het ik valt samen met de Christus. Voor de Boeddhist wordt de oude spreuk waar die zegt: 'Gij zijt Boeddha'.
De intuïtie van onbeperktheid, die van de totaliteit, wordt tot een weten. Het beperkt zijn valt samen met de onbeperktheid, het sterfelijke met het eeuwige. "Niet langer zien wij als in een toverspiegel, maar van aangezicht tot aangezicht; niet langer kennen wij ten dele, maar wij kennen ten volle, zoals wij zelf zijn gekend." Aldus Paulus in zijn beroemde hooglied van de liefde in zijn eerste brief aan de christengemeente te Corinthe. Het innerlijke gebed is gebaseerd op de uitspraak van Christus: "Het Koninkrijk der hemelen is in Ulieden". De Kracht en de Heerlijkheid, zij liggen in de menselijke ziel, maar versluierd. Het innerlijke gebed neemt deze sluiers weg en voert ons tot onze ware Zelfidentificatie, hetzij door de naam van Boeddha, van Allah of van Christus. Doordat elke tegenstelling wegvalt, bereikt ook de dualiteit Schepper ‑ schepping de eenheid. De mens gaat nu pas de taal van de (19) schepping verstaan. In: 'De weg van een pelgrim' (uitgegeven bij Servire), een beschrijving van een beoefenaar van het innerlijke gebed, lezen wij hoe voor deze de mogelijkheid tot werkelijkheid wordt om met alle schepselen Gods, hoe verschillend ook, in volledig begrip om te gaan. Ook tijd en ruimte blijken hun beperkingen voor het bewustzijn te hebben verloren volgens dit verhaal.

De geest of het bewustzijn dat deel heeft aan deze zaken wordt in de oorspronkelijke Griekse tekst van de verzamelde geschriften over het innerlijke gebed, de Philokaleia - vertaald: de Liefde tot het Schone - aangeduid met 'Nous'. Deze 'Nous' heeft de eigenschap van directe kennis of intuïtie van de Waarheid of Werkelijkheid. Dit bewustzijn ervaart de totaliteit als zodanig: "De ziel wordt omkleed met God en wordt in zekere zin God zelf. Zij transcendeert de stoffelijke dualiteit en gaat de wetten te boven in de liefde. Daar verenigt zij zich met de alles te bovengaande en de leven gevende Drievuldigheid, door het licht licht ontvangend en zich voortdurend verheugend in een eeuwige vreugde".
Niet alleen wordt de totaliteit als zodanig ervaren. Elk deel hiervan wordt ervaren als corresponderend met alle andere delen, terwijl zij alle tegelijkertijd de totaliteit weergeven. In de woorden van de Philokaleia: "Daar hebben de heiligen innerlijke omgang met elkaar, terwijl de Heilige Geest door hen spreekt".
Deze ervaringen corresponderen wonderwel met die uit het Mahayana-boeddhisme en beschreven in de Hua-yen filosofie van Fatsang. Van de bedrevene in het innerlijke gebed wordt gezegd: "Hij is zonder bepaalde gedachten, omdat hij één is geworden met Hem, die boven elke gedachte is". Deze 'Hij' wordt verder aangeduid als de Godheid, als het goddelijke, oneindige of innerlijke Licht. Dit is zonder vorm, niet geschapen, zonder begin en de oorzaak van alles wat is.
Het innerlijke gebed zorgt er voor dat: "De mens de verschillende en onderscheiden dingen achter zich laat en zich één maakt met de Ene, de Enige, de Eenmakende. Dit is een vereniging die het verstand te boven gaat". "Het Licht van de Godheid begint te schijnen in het bewustzijn, wanneer dit vrij is van alle zaken en volledig ledig van elke vorm. Daar de Heer niet woont in tempels door mensenhanden gemaakt, zo woont hij ook niet in verbeeldingen of fantasieën van het bewustzijn welke de menselijke ziel omringen als een muur waardoor deze machteloos is de Waarheid direct te aanschouwen en doorgaat met zich te hechten aan spiegels en waarzeggerij". (20) Bij het innerlijke gebed is niet langer sprake van een of andere antropomorfe vorm van mystiek, maar van mystiek van de zuiverste en dus ook universele soort. Bij herhaling wordt gesproken van het Licht, de verlichting en de beeldloze Godheid, die boven alle tegenstelling verheven is.

Met alle meditatiepraktijken uit het Oosten heeft de beoefening van het geestelijke gebed gemeen de aandacht die gegeven wordt aan een goede, geregelde en natuurlijke ademhaling. Vervolgens dient het bewustzijn geplaatst te worden, en wel in het hart. Dan volgt de concentratie op het gebed - de mantram - dat de goddelijke naam bevat als het van de Totaliteit vervulde symbool. Hieraan vooraf, of nog beter uitgedrukt, hierbij vindt tegelijkertijd plaats het ledigmaken van het bewustzijn (kenosis). Aan indrukken opgedaan door de werking van onze zintuigen en verwerkt door het verstand wordt geen verdere aandacht besteed. Zij vervagen. Hier speelt het niet-gehecht zijn aan deze beelden een belangrijke rol. Het zich vervuld weten van het goddelijke (Theosis) - het albewustzijn - vormt hierop de aanvulling. De begrippen Sunyata en Prajna uit het Boeddhisme zijn hier direct naast te leggen.
Het innerlijk gebed, door de aanroep ook wel 'Jezus-gebed' genoemd, en gebaseerd op de geestelijke ervaringen van kerkvaders, kluizenaars en gebedsbeoefenaars van de oude Christelijke kerk, later de Grieks-orthodoxe kerk en nog later de Russisch-orthodoxe kerk, voert de mens van de duisternis naar het Licht, van het onware naar het ware en van de dood naar het leven.

'Heer, Jezus Christus, Zoon Gods, ontferm U over mij, zondaar.'

Ernst Verwaal

terug naar het literatuuroverzicht


De starets Serafim van Sarov (1759-1833)

Seraphim van Sarov
Starets (oudere), Russische heilige
Serafim (geboren Prochor Misjnin) van Sarov (ook Wonderdoener), Rusland; kluizenaar.
Hij staat te boek als een van de grootste Russische mystici uit de geschiedenis. Hij werd in 1759 geboren als Prochor Misjnin. Op twintigjarige leeftijd trad hij toe tot klooster Sarov. Vanaf dat moment heette hij Serafim. Eenmaal priester gewijd trok hij zich terug in de eenzaamheid van de Russische wouden en woonde in een blokhut. Alleen op zondag nam hij deel aan de liturgie in het klooster.
Na zestien jaar zo geleefd te hebben, werd hij overvallen door zwervers. Dat knakte zijn gezondheid. Hij betrok een afgelegen cel in het klooster waar hij zijn kluizenaarsleven voortzette. Intussen wisten mensen met allerlei noden hem te vinden. Ze vonden een luisterend oor en vaak genezing en soms zelfs waren ze deelgenoot in één van zijn visioenen en mystieke ervaringen. In 1903, zeventig jaar na zijn dood, werd hij officieel door de Russische Kerk heilig verklaard.

Tekst uit de Filokalia
"Eerbied is iedere denkende mens eigen. Elke blik in de heerlijkheid van de natuur roept diepe verering voor de Schepper in ons wakker, die deze wereld in Zijn wijsheid heeft geschapen. Een nog diepere eerbied ontstaat voor de Schepper van de mensenziel, die zelf mens werd om ons uit onvolmaaktheid te leiden tot volmaaktheid naar het beeld van God. De ware godvrezendheid vindt de mens, wanneer hij alle uiterlijke zorgen achterwege laat, zijn hele aandacht, zijn gedachten en gevoelens richt op het evangelie en zich verdiept in de aanschouwing van Christus en de toestand der zaligen." (Serafim van Sarov)
"Diepste eerbied en dankbaarheid voor Christus, de Albeminnende, die de schuld van de wereld op zich nam, komt bij ons op; tegelijkertijd vervult ons de grootste godvrezendheid voor Hem, als richter der wereld. Houd deze gevoelens in evenwicht en laat nu eens het ene, dan weer het andere op je inwerken. Laat niet de angst voor (80) het laatste oordeel je van alle levensvreugde beroven en laat je nooit door Gods goedheid tot nalatigheid verleiden. Maar groei door beide." (Theophanos de kluizenaar) "Wie het pad van de innerlijke aandacht kiest, moet godvrezendheid bezitten als begin van alle wijsheid. Hij trede uiterst behoedzaam, in eerbied voor al het heilige. Ben je godvrezend, dan zul je alle goed doen. Maar vrees de duivel niet. Wie godvrezend is zal hem overwinnen, want hij is machteloos voor God." (Serafim van Sarov) (81)

Welke geest heerst in je?
Maak onderscheid tussen de geest die leven schenkt en de ziel dodende geest die de dood brengt in je hart. (Serafim van Sarov)
Voor vooruitgang in het geestelijk leven is je zielstoestand doorslaggevend. Want alles gaat hier om de verandering van onze natuurlijke aard. Daarom is het noodzakelijk de opwellingen van je ziel te toetsen, en te weten welke omstandigheden bevorderlijk zijn voor het gebed en welke het tenietdoen. Twee krachten werken in tegengestelde richtingen in de mens: de leven schenkende kracht van het goede en de dood brengende kracht van het kwaad. De ziel is hun strijdperk.
Beide zijn aan bepaalde eigenschappen te herkennen: "Wanneer er goede gedachten zijn in je ziel, wanneer je hart vrede en blijdschap voelt en je je goed voelt en het je licht te moede is, dan is de goede Heilige Geest in je; de geest van de deugdzaamheid, van geestelijke vrijheid en grootmoedigheid, van vrede en vreugde." (Johannes van Kroonstad)
"De goede geest maakt je bescheiden, rustig en welwillend. Hij spreekt met je over waarheid, reinheid, deemoed, eerlijkheid, rust en alle goede daden en deugden. Zijn die eigenschappen in je hart, dan is blijkbaar de bode der waarheid in je. Wanneer daarentegen duistere gedachten en boze opwellingen op- komen in je hart en je neerslachtig bent of in opstand komt, dan is de verleider in je. Dan valt het je zwaar in de benardheid van je hart en in je verwarring God aan te roepen vanuit je hart, want de vijand houdt je ziel in boeien. De boze geest is een geest van twijfel en ongeloof, van begeerten, nood, kommer en verwarring. De boze geest maakt je hard van hart, zwartgallig en buiten zinnen." (Serafim van Sarov) (96)
"Hij verduistert je geweten, verhardt je hart en vult het met zelfingenomen verblinding. Hij verstoort je innerlijke concentratie door nutteloze fantasieën, stort je in een stroom slopende gevoelens, pijnigt je door begeerten en legt je in boeien door hartstochten. Hij vervult je met brutaliteit, eigengereidheid en eigenzinnigheid. Hij jaagt je van de ene bezigheid in de andere, die goed schijnen, maar niet op het juiste moment, niet op de juiste plaats en niet in de juiste mate worden gedaan. Daardoor verwart hij je ziel. Dan laat hij kleine foutjes insluipen, die onschuldig lijken. Loop je daarin, dan verleidt hij tot fouten die je als zodanig herkent, maar verontschuldigt, omdat ze maar een enkele keer gebeuren en omdat ze onder bepaalde omstandigheden geoorloofd zijn. Wie ook hiertoe vervalt, heeft zich prijsgegeven aan het kwaad. Want de duivel zal niet vanzelf ophouden je voortdurend in diezelfde richting voort te drijven." (Theophanos de kluizenaar)
"Scheidt de mens zich van God, dan wijkt ook de door God verleende kracht van hem. Hij is niet meer in staat klaar te komen met zijn opwellingen, zijn lichaam en met uiterlijke omstandigheden. Hij vervalt in drukdoenerij en aan zijn begeerten, leeft geheel naar het uiterlijke en vergeet God. Aan deze kenmerken kun je herkennen wanneer de geest van God, en wanneer de verzoeker in je is. Het ware doel van christelijk leven is het verwerven van de Heilige Geest." (Serafim van Sarov)

"Het christelijke leven is niet een gewoon natuurlijk leven, maar een begenadigd leven. Zijn doel is de vergoddelijking van de mens, zijn levende vereniging met God." (Theophanos de kluizenaar) "Alle goede daden zijn slechts middelen om de Geest te verwerven. En alleen dat goede, dat wij doen in Christus' naam, brengt ons deze vrucht. Wat wij omwille van Christus doen, vervult ons boven alle maat met de genade van de Geest. Alleen het verwerven van de Heilige Geest, als vrucht van alle deugd, houdt verlossing in. Deze bereidt Zijn inwoning voor in lichaam en ziel; Zijn goddelijke genade neemt intrek in ons wezen en verandert het; zij leidt ons uit het vergankelijke naar het onvergankelijke, uit zieledood naar het leven in de geest, van het donker naar het licht, (130) uit de stal van ons leven, waar hartstochten als dieren huizen, naar de lichte tempel van God. Daarom wordt gezegd: 'Waakt en bidt', opdat gij niet zonder de Heilige Geest blijft. Voor alle deugden voert ons het gebed tot de genade van de Geest, want het ligt te allen tijde in onze eigen hand." (Serafim van Sarov)

Een getuigenis van de geest
Mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou berusten op de wijsheid van mensen, maar op de kracht van God. (Paulus; 1 Kor. 2:4-5)

Het gesprek van de grote Russische starets Serafim van Sarov met de grootgrondbezitter en rechter Nikolai Motovilov in november 1831 geeft een inzicht in de toestand van verlichte geesten. Motovilov wordt zijn leven lang geboeid door de vraag naar het doel van christelijk leven. Vader Serafim wijst als dit doel aan het verwerven van de genade van de Heilige Geest. Door zijn gebed wordt aan Motovilov direct de verlichting geopenbaard. Aantekeningen van Motovilov geven deze gebeurtenis aan ons door: (169)
Het was op een donderdag in november 1831. Het was een sombere dag. Een kwart meter sneeuw bedekte de aarde en er viel een dichte fijne sneeuw toen vader Serafim naast zijn kluizenaarsblokhut een gesprek met mij begon. Hij vroeg mij te gaan zitten op de stomp van een boom die hij net had omgehakt en hurkte tegenover mij.
"De Heer openbaarde mij," zei de grote starets, "dat u sinds uw kinderjaren ijverig zoekt naar het doel van het christelijke leven en dat u daarnaar veel navraag hebt gedaan zonder ooit iets zekers te horen … Nu zal ik, armzalige, vanwege uw liefde voor God opheldering geven op deze vraag: het ware doel van het christelijke leven ligt in het verkrijgen van de genade van de Heilige Geest; u moet hier wel aan denken: alles wat niet ter wille van Christus geschiedt, ook al is het goed, verleent deze goddelijke genade niet. Alle goede werken, zoals waken en bidden, onthouding en weldadigheid, die wij terwille van Christus doen, zijn slechts middelen voor het verwerven van de goddelijke Geest."

"Wat bedoelt u met verwerven?" vroeg ik vader Serafim. "Dat begrijp ik niet helemaal."
"Verwerven is hetzelfde als verkrijgen; u begrijpt toch wat geld verwerven betekent? Met het verwerven van de goddelijke Geest zit het netzo.
Gewoonlijk streven de mensen naar het verwerven van vermogen, naar erkenning, eer en roem. Het verwerven van de Heilige Geest is eveneens verwerven van kapitaal, maar dan een begenadigd, eeuwig kapitaal. Het wordt verkregen met dezelfde middelen als al het uiterlijke. De God-mens vergelijkt ons leven met een markt, ons levenswerk met een koop en beveelt ons onze tijd nuttig te gebruiken om voor aardse goederen onvergankelijk goed te verkrijgen. De aardse goederen zijn de werken van de deugd. Als zij in Christus' naam worden verricht, brengen zij de genade van de Heilige Geest. Verwerf ook door alle andere deugden de gave van de Geest en doe vooral datgene, wat u de meeste winst brengt. Beoordeel dus alle goede werken in de naam van Christus. De heilbrengende wil van God eist al het goede alleen daarom te doen, dat u de Heilige Geest als onschatbaar, onuitputtelijk en hoogste goed verkrijgt. Zonder Hem is er geen heil. Elke ziel wordt door Hem tot leven gebracht, door vereniging met de Drieëenheid op geheimzinnige wijze doorlicht.
De Heilige Geest zelf komt bij ons inwonen, wanneer wij ons op alle mogelijke manieren inspannen Hem te verkrijgen: "Ik zal komen en in u woning nemen en word uw God, en gij wordt Mijn mensen."
Er staat geschreven: "Waakt en bidt, opdat gij niet in verleiding komt." (170) Want wee hem, die in het werk van alledag, in zorgen en kommer ondergaat en de Geest er bij inschiet. Waken en bidden verlenen vooral Zijn genade. In het gebed worden wij waardig gekeurd ons te wenden tot de Heer, die onuitputtelijke bron van genade en met Hem zelf, de algoede, leven schenkende God en Heiland te spreken. Zo lang, tot de Heilige Geest in zekere mate tot ieder van ons afdaalt. Komt echter door de almachtige kracht van geloof en gebed de God der Geest in de volheid van Zijn goedheid tot ons, dan verstomt ons gebed; in diep innerlijk zwijgen hoort de ziel alle woorden van het eeuwige leven die Hij haar mededeelt.

Hoezeer wens ik uw liefde voor God toe, dat u de onuitputtelijke bron van de goddelijke genade deelachtig wordt en daar steeds aan blijft denken, of u haar verkrijgt of niet. Bevindt u zich in de Geest van God, dan bent u, en God zij daarvoor geprezen, van alle kommer verlost. Bent u niet in Hem, ga dan na op welke grond Hij u verliet en blijf zo lang naar Hem zoeken tot Zijn genade weer met u is. Geef ook de gaven van de genade door aan hen, die ernaar vragen, als een brandende kaars, die zelf licht geeft en andere kaarsen aansteekt. Hoe meer u geeft, des te sterker groeit de genade. De Heer zelf zei tot de Samaritaanse vrouw: "Wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven."

"Vader," merkte ik op, "U spreekt van het verwerven van de genade van de Heilige Geest als doel van het christelijke leven. Maar hoe en waar moet ik haar waarnemen? Goede daden zijn te zien; is Gods Geest dan ook waar te nemen? En hoe weet ik of Hij bij mij is of niet?"
Starets Serafim antwoordde: "Wij zijn tegenwoordig bijna allen zo koud in ons geloof, zo achteloos tegenover de werking van Zijn voorzienigheid en de gemeenschap met God, dat wij de uiteenzettingen van de Heilige Schrift over de omgang met God of de Heilige Geest vreemd vinden en de vraag stellen of wij, mensen, God zo direct kunnen waarnemen. Dat komt, doordat wij ons van de eenvoud van het vroeg-christelijke geloof hebben verwijderd en - onder het voorwendsel van verlichting - zijn vervallen tot de totale duisternis van het niet weten. Daarom lijkt ons moeilijk te begrijpen, wat mensen vroeger volkomen duidelijk hebben begrepen, tot in hun dagelijkse leven. Bij de Joden en bij de heidenen bestond er een besef van God, hoe God, de Heilige Geest, in de mens werkt en aan welke innerlijke of uiterlijke verschijnselen men dat kon merken. Dit weten heeft ook de Messias hen leren kennen. (171)

Jezus Christus verleende de discipelen de gave van de Heilige Geest, die hen alle waarheid zal leren. Na Zijn opstanding blies Hij hen aan en hergaf hen de sinds de zondeval verloren gegane gave van de Heili- ge Geest. Op de Pinksterdag deed Hij de Heilige Geest opnieuw op hen nederdalen in een geweldige windvlaag. De Geest kwam over ieder van hen in de vorm van tongen van vuur, drong in hun binnenste en vervulde hen van een vurige, blijdschap verwekkende kracht van goddelijke genade. Deze vuur ademende genade van de Heilige Geest wordt ons met de doop verleend en door de zalving voor eeuwig bezegeld. Door een achteloos, zondig leven verliezen wij haar levende invloed op onze geest. Zij blijft echter rusten in het diepst van onze ziel en streeft ernaar ons te wekken en te leiden tot God.
Op de gehele wereld is er niets kostbaarders, hogers en meer noodzakelijk, niets dat meer leven geeft, dan deze genade van de Heilige Geest. Zij roept het woord van Christus in herinnering en werkt steeds in eenstemmigheid met Hem, brengt blijdschap in onze harten en verleent ons vrede.

Over deze genade, die in de God-mens Jezus Christus aan de mensheid is verschenen, staat geschreven: "In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duistemis en de duisternis heeft het niet begrepen." (Joh. 1:4) Dat wil zeggen, dat de genade van de Heilige Geest - ondanks alle menselijke zonde en duisternis - licht geeft in het hart van de christen. Dit licht doet zijn werk in het gebed, het brengt ons tot diep berouw. Na ons berouwen maakt de genade alle sporen van onze verkeerde daden geheel ongedaan. Dat wil zeggen: wie, ondanks alle banden van het kwaad die hem binden, probeert deze banden te verscheuren, die wordt door middel van de genade rein en verlicht (Ps. 51). Door het goede, dat de mens om wille van Christus doet, verkrijgt hij de Heilige Geest, die in hem werkt en het koninkrijk Gods in hem sticht.

Verder moet u weten, wat we onder de goddelijke genade moeten verstaan en hoe deze werkt in degene die erdoor wordt verlicht. De genade van de Heilige Geest is een licht, dat de mens doorlicht. In de geboden van de Heer werkt Hij als dat licht, dat het pad van de mens in de duisternis van zijn zorgen en aanvechtingen verlicht. In mensen, die door God zijn doorlicht en verlicht, openbaart Hij dit licht voor vele getuigen. Herinner u Mozes na zijn gesprek met God op de berg Sinaï. Zijn gezicht straalde zozeer in een bovennatuurlijk licht, dat het volk niet in staat was hem aan te kijken. Hij moest zich omhullen. Denk ook aan Christus' verlichting op de berg Tabor. Een geweldig licht omgaf Hem, Zijn gewaad werd witter dan sneeuw en de discipelen vielen uit vrees ter aarde. (172) Dan verscheen er een wolk en bedekte het te helle licht van Gods genade, dat hun ogen verblindde. (Markus 9:3) Zo ook verschijnt de genade van de Allerheiligste Geest in een onuitsprekelijk licht aan allen aan wie God haar werkzaamheid openbaart."

"Maar hoe merk ik of ik zelf mij in de genade van de Heilige Geest bevind?" vroeg ik.
"Dat is dank zij een zuiver bewustzijn van de Geest zeer eenvoudig. Dat zuivere bewustzijn is het bewustzijn, dat zonder hoogmoed is en vervuld van liefde voor God en de medemens. Van dit zuivere bewustzijn zegt de Heer: "God wil, dat allen verlost worden en het ware bewustzijn krijgen." Dit bewustzijn openbaarde de Heer aan de apostelen, opdat zij de Schrift zouden verstaan! Wie dit bewustzijn bezit, ziet nauwkeurig of hij in de Heilige Geest is of niet. Zo moeten wij het verschijnen van de Heilige Geest in ons verstaan."

"Toch begrijp ik niet, wat mij de vaste wetenschap geeft, dat ik in Gods Geest ben. Hoe moet ik in mijzelf Zijn ware verschijnen herkennen?" hield ik vol.
Vader Serafim greep mij stevig bij mijn schouders en zei: "Wij beiden zijn nu in Gods Geest ... Waarom kijkt u mij niet aan?"

Ik antwoordde: "Ik kan u niet aankijken, vader, want uw gezicht straalt helderder dan de zon; uit uw ogen schieten bliksemstralen, zodat mijn ogen er pijn van doen."
Vader Serafim zei toen: "Wees niet bang ... u bent nu zelf net zo licht als ik. U bent nu in de volte van Gods Geest, want anders zou u mij niet zo zien."
Vervolgens boog hij zijn hoofd over naar mij en fluisterde zacht in mijn oor: "Dank God voor Zijn onuitsprekelijke genade, die Hij u bewijst ... Ik had slechts stil in mijn hart tot de Heer gebeden:
"Heer, keur hem waardig duidelijk met zijn lijfelijke ogen die afdaling van de Heilige Geest te aanschouwen, die U Uw dienaren waardig keurt, wanneer U in het licht van Uw geweldige heerlijkheid verschijnt ..."
En op hetzelfde ogenblik vervulde de Heer de deemoedige bede van de armzalige Serafirn ... Hoe kunnen wij Hem niet dankbaar zijn voor Zijn onuitsprekelijke genade tegenover ons beiden? Het heeft Gods genade behaagd als een liefhebbende moeder uw ontstelde hart te troosten. Kijk mij rustig aan en wees niet bang."

Na deze woorden keek ik hem in zijn gezicht en werd gegrepen door een nog sterkere huivering van eerbied. Stelt u zich de zon voor en daar middenin, in de helderste straling rond het middaguur, het gezicht van een mens, die met ons spreekt. We zien zijn lippen bewegen, zijn ogen van uitdrukking veranderen, we horen zijn stem, we voelen hoe zijn armen onze schouders omvat houden en toch zien wij noch zijn handen, noch zijn gestalte, noch onszelf; (173) wij zien alleen maar het verblindende licht, dat zich enige meters rondom verspreidt en de met sneeuw bedekte open plek, de vallende sneeuwvlokken, onszelf en de grote starets doorlicht.

"Wat voelt u nu?" vroeg vader Serafim.
"Ik voel me buitengewoon goed."
"Wat bedoelt u met goed? Omschrijf het nauwkeuriger."
"Ik voel de diepste stilte, een niet te omschrijven innerlijke vrede."
"Dat is nu de vrede waarover de Heer tot zijn discipelen zei: "Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u." en "En de vrede Gods, die alle denken te boven gaat." (Joh. 14:27 en Filipp. 4:7) Geen woord is in staat het welgevoelen daarvan weer te geven. Dat is de vrede Gods, die door Jezus Christus wordt verleend. Wat voelt u nog meer?"
"Een ongemene liefelijkheid en zaligheid."
"Dat is de zaligheid, die onze harten vult en ons gehele gestel doordringt met ongekende liefelijkheid. In deze liefelijkheid smelten onze harten en wij worden door onzegbare zaligheid vervuld. En wat voelt u verder nog?"
"Een ongewone blijdschap in mijn hele hart."
"Als de Geest van God neerdaalt op de mens en hem in Zijn volheid overgiet, wordt de ziel vervuld van onbeschrijfelijke blijdschap, want de Geest doet alles wat Hij aanraakt opgaan in vreugde. Dat is de blijdschap waarvan de Heer in het evangelie zegt: "Maar Ik zal u wederzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap". (Joh. 16:22). Maar hoe troostrijk ook deze blijdschap des harten is, zij is nietig tegenover de blijdschap die de Heer verleende aan hen die Hem liefhebben:
"Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen." (1 Kor. 2:9) Al onze blijdschap is slechts een kleurloze voorproef van die onuitsprekelijke hemelse blijdschap. Daarom is het zaak zich steeds opnieuw in te spannen en van kracht tot kracht te gaan om de maat van Christus' tijd te bereiken. Dan zal onze blijdschap volkomen zijn, en niemand neemt haar ons af. Voelt u nog iets anders?"
"Ik voel een onbeschrijfelijke warmte."
"Hoe warmte? We zitten hier toch in het bos, het is winter, we hebben sneeuw onder onze voeten en sneeuwvlokken vallen op ons neer. Wat is dat dan voor een warmte?"
"Een warmte als in een weldadig stoombad."
"Geurt zij misschien ook, zoals in het bad?" vroeg vader Serafim.
"Nee, het is een wonderlijk welriekende geur, waarmee ik niets kan vergelijken. In de verte heeft het iets van de geur van echt parfum."
Vader Serafim glimlachte en zei: "Ik ken dat precies, maar ik vraag het u met opzet om na te gaan of u dit ook ervaart. U zegt de zuivere waarheid. Geen aardse geur is met die welriekendheid van de Heilige Geest te vergelijken, die ons omgeeft. Wat zou daarop moeten lijken? Let wel, u sprak van warmte en op ons ligt sneeuw, (174) die niet smelt. Blijkbaar bevindt deze warmte zich niet in de lucht, maar in ons eigen binnenste. Dat is die warmte, waarom wij de Heer bidden: "Verwarm mij door de warmte van Uw Heilige Geest." Deze warmte verwarmde ook de kluizenaars, die gehuld in de goddelijke genade als in een warme mantel, geen vorst of winter vreesden. En zo moet het inderdaad ook zijn, want de goddelijke genade moet in ons hart wonen. God zelf zegt: "Het koninkrijk Gods is in u".

Daaronder verstond Hij de genade van de Heilige Geest. Dit koninkrijk Gods is nu in ons binnenste en de genade van de Heilige Geest straalt door ons heen en verwarmt ons, vult de lucht met welriekend- heid, verzaligt ons en vervult ons hart met onzegbare vreugde. Wij ervaren: "Het koninkrijk Gods bestaat niet in eten of drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest." (Rom. 14:17)
Ons geloof berust niet op overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar op het aantonen van kracht en geest. In die toestand bevinden wij ons nu. Hiervan zei de Heer: "Velen zijn er onder u, die de dood voorzeker niet zullen smaken voor zij het koninkrijk Gods hebben aanschouwd, dat in kracht is getreden."
Deze onuitsprekelijke vreugde viel ons nu ten deel. Dit is "in de volheid van de Heilige Geest zijn". Nu hoeft u er niet meer naar te vragen op welke wijze de mens verwijlt in de genade van de Heilige Geest. En ik denk, dat de Heer u zal helpen dit steeds in herinnering te houden, anders had de goddelijke genade niet zo onmiddellijk mijn deemoedige bede verhoord. Ook is deze ervaring niet aan u alleen verleend, maar door u aan de gehele wereld om velen van nut te zijn. Dat u wereldlijk bent en ik een monnik heeft niets te betekenen. God vraagt slechts naar het goede geloof in Hem en in Zijn Eniggeboren Zoon. Daarvoor verleent Hij in overmaat de genade van de Heilige Geest.
God zoekt harten die van liefde voor Hem en voor de naaste vervuld zijn; in hen verschijnt Hij in de volheid van Zijn heerlijkheid: "Zoon, geef Mij je hart, al het andere zal Ik jou verlenen." Zo zult u in uw liefde voor God alles van God ontvangen, waarom u Hem zult vragen, wanneer het tot eer van God of tot nut van de naaste dient. De Heer is oneindig goed; Hij vervult de wens van diegenen die Hem liefhebben en verhoort hun gebed. (175)

Starets (Wikipedia)
Een starets (russisch 'oudere', 'ouderling', mv. startsi) is een geestelijk leider in een Russisch-orthodox klooster. Meestal is het een oudere monnik, veelal geen priester, die, na een leven van stilzwijgend gebed een apostolisch mens wordt, gezegend met de door Christus aan de apostelen beloofde charismata. Er worden bovennatuurlijke gaven aan hem toegekend zoals genezende krachten, profetieën, exorcisme en spirituele raadgevingen en voornamelijk het charisma van de onderscheiding der geesten en de genezing van de zieken, en daardoor begenadigd met het vermogen om Gods wil te herkennen.
Hij heeft inzicht in Gods plan. Een starets wordt niet aangesteld door een autoriteit, maar manifesteert zichzelf als geïnspireerd door de Heilige Geest. Hij wordt een starets als het volk hem erkent als zodanig. Hij ontvangt bezoekers, onderhoudt zich met hen, neemt de biecht af, bidt en zegent.

Het is geen officiële titel, maar staretsen worden door leken geraadpleegd en hebben vaak een belangrijke rol bij het nemen van ingrijpende besluiten in het geestelijke leven van de gelovigen.

In de Grieks-orthodoxe Kerk wordt een starets 'geronda' genoemd (ouderling).


terug naar het literatuuroverzicht






^