Dr. M.M.J. Smits van Waesberghe S.J. - Katholieke Nederlandse Mystiek

Uitgeverij H. Meulenhoff Amsterdam 1947
(Dit is de volledige tekst om dit zo waardevolle werk voor vergetelheid te behoeden!
De spelling is deels aangepast en schuin is van mij, Freek.)

DEEL II  HET INKERENDE LEVEN

I  DE ZINNEN EN HET HART

Inhoud

1. De nadering van God (91)
2. Het drijven en aanvuren van de Heilige Geest (99)
3. Een innige oefening (109)
4. Verheven in de geest (120)
5. Strijd van de minne (136)
6. Mystiek Bruidschap (146)

1. De nadering van God
Met een vluchtige pennestreek laten wij Ruusbroec de gesteldheid beschrijven, waartoe de ziel gekomen was na de oefeningen van het Werkende Leven.
“Wanneer door liefde en omhoog strevende mening de mens in al zijn werken en in heel zijn leven zich opdraagt tot de eer en tot de lof van God en rust zoekt in God boven elk schepsel, dan zal hij met ootmoed, met geduld, met verloochening van zichzelf en met vast vertrouwen altijd nieuwe rijkdom en nieuwe gaven verbeiden, steeds onbekommerd of God die geeft of niet. Zo maakt hij zich geschikt en toebereid om een inwendig, naar God begerend leven te ontvangen. Als het vat gereed is, stort men het edele vocht er in uit. Geen edeler vat bestaat er dan de minnende ziel en geen heilzamer drank dan de genade Gods. Zo moet de mens al zijn werken en heel zijn leven aan God opdragen met eenvoudige, op Hem gerichtte mening en boven elk schepsel rusten in de hoge eenheid, waar God en de minnende geest samen vereend zijn en buiten iets dat scheidt.”
De opgang naar de sublieme rust in God - de tijdspanne, waarin God te kust en te keur de kostelijke wijn van zijn genade uitgiet in het gereinigde vat van de ziel, om haar te schenken de geneugten van de goddelijke vereniging - vindt plaats in het Inkerende Leven. Deze naam behoeft enige verklaring. Want niet aan de Nederlandse mystieken werd hij ontleend. Hielden wij aan hun getuigenis vast, dan zouden wij deze tweede hoofdfase van het mystieke leven moeten noemen het Innige of Begerende Leven, wel te verstaan het Godbegerende Leven. Wij meenden evenwel het overheersende kenmerk en de meest markante eigenschap van het Godbegerende leven nadrukkelijker te beklemtonen door dit Tweede Deel met de naam van het Inkerende Leven te betitelen. De Nederlandse (91) mystiek bezit immers als zéér karakteristieke hoedanigheid de geleidelijke inkeer van de mens naar de grond van zijn wezen, alwaar hij God vermag te ontmoeten. Men duidt dit aan met het woord ‘introversie’.
Het verschijnsel van de mystieke inkeer steunt vooreerst op een leerstellige waarheid. Reeds vroeger hebben wij verkondigd, dat God van nature verblijf houdt in het wezen van de ziel en daar in de diepste grond van het bestaan van de mens door de heiligmakende genade, door de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde, door het geheim van zijn bovennatuurlijke Inwoning de verborgen schatten en de geheimvolle luister van zijn driewerf heilige Natuur onthult. Op het complex van deze waarheden steunde de deelneming van de mens aan het leven van God in de Drie-eenheid van zijn bestaan. Die deelneming vormde de kern van de bovennatuurlijke verheffing van de mens en legde de grondslag voor een mogelijke mystieke ontplooiing van dit voorrecht.
Gesteld nu dat God door de heiligmakende genade op bijzondere wijze woont in de ziel van de mens, dan zal Hij van dit centrum uit door vermeerdering van de genade ook zijn werkzaamheid beginnen. En meer, naar datzelfde punt zal Hij zijn werkzaamheid weer terugleiden. Immers, God wil door de instorting van de genade de ziel aan Zich binden. Hierdoor wil Hij Zichzelf aan haar mededelen. Daarom leidt Hij de ziel naar het centrum, waar Hij verblijf houdt, omdat hier in deze diepste schuilhoek van het wezen van de mens de eigenlijke verbinding met Hem tot stand komt. Hier biedt Hij de mogelijkheid tot een inniger en zelfs innigste vereniging. Welnu, aan die van binnen komende en naar binnen neigende minzaamheid Gods moet de mens tegemoet komen, hiervoor moet hij zich openstellen. En dit houdt in, dat hij altijd dieper moet inkeren en terugkeren op zichzelf, ten einde in hem God meer nabij te komen en wellicht eenmaal Hem geheel en al te bereiken.

Deze gevolgtrekking bevat voor de kennis van het inwendige leven een allergewichtigste waarheid. Zij bewijst de noodzakelijkheid van een tot zichzelf neigende inkeer voor iedere geestelijke opgang, ook voor de niet-mystieken. Die opgang eist bezinning, verdieping, verinnerlijking. Zo de mens God in de genade en de liefde wil ontmoeten, dient hij af te dalen in het heiligdom van zijn ziel. Op de plaats waar God woont en werkt, zal hij Hem bereiken.
Die waarheid doet bijgevolg uitspraak over een feitelijke, met het bewustzijn te ervaren werkelijkheid. Zij is psychisch te beleven. Is de gevolgtrekking juist, dan zal de mens zijn opgang naar God als een steeds diepere inkeer in zichzelf ervaren; moet hij vastsstellen, dat naarmate hij dieper terugkeert tot zichzelf, hij met God in hechter en inniger contact treedt. De werkelijkheid van (92) deze psychische beleving bevestigt op haar beurt de zekerheid van de verkondigde leerstellige waarheid.

De geestelijke inkeer is de grondwet van het inwendige leven. Op de vele consequenties die hieruit voortvloeien, kunnen wij thans niet ingaan. Wij dienen ons te bepalen tot de Nederlandse mystiek. Welnu, de Nederlandse mystieken hebben op dit fundament hun meesterlijke mystieke leer gebouwd. Zij onderscheiden drie geledingen in de mens:
- als eerste de zinnelijke krachten, welke naast de vijf uitwendige zintuigen het zinnelijke voorstellingsvermogen, de verbeeldingen, het zinnelijke streefvermogen, de begerende en zich verzettende kracht, omvatten samen het gehele lagere gemoedsleven;
- dan de geestelijke krachten, die uit de vermogens van geheugen, verstand en wil bestaan;
- ten slotte de wezensgrond van de ziel, de ziel zelf beschouwd als de zelfstandigheid, de grondslag van de drie geestelijke vermogens.

Nu openbaart zich door de genadewerking van God het verschijnsel van de geestelijke inkeer. Omdat de Nederlandse mystieken in de structuur van de mens drie geledingen onderscheiden, beantwoordt in hun systeem hieraan een drievoudige inkeer:
- de zinnelijke krachten moeten zich inkeren in de eenheid van het hart, dat als de oorsprong en de zetel van het lichamelijke leven gedacht wordt;
- de geestelijke krachten behoren zich in te keren in de tweede eenheid, de eenheid van de geest, de wezenheid van de ziel, waarin deze vermogens als het ware geworteld staan;
- de wezensgrond zelf dient zich in te keren, dit wil zeggen zich te verliezen in de eenheid, welke de ziel ín God en mét God bezit en die zij dus alleen uitrijzende boven haar wezen, door schouwing en genieting, in God bereiken kan. Dit is de derde, bovenwezenlijke eenheid.
De inkeer zal telkens bestaan in een volmaakter loslaten van het schepsel, in een volkomener prijsgeven van zichzelf, in een steeds subliemer vervuld raken van de heerlijkheid Gods.

Wat wij hier in enkele woorden samenvatten, is voor het ogenblik onverstaanbare taal. Doch deze eerste kennismaking laat reeds genoegzaam zien, hoe kenmerkend voor de Nederlandse mystiek het inkerende verschijnsel is. Geloofswaarheid en psychische realiteit versmelt zij tot een wonderlijk samenstel ineen. In elke mystiek zal men aan dit verschijnsel nauwlettende aandacht besteden. Mystiek móet een proces van inkeer zijn. Maar de Nederlandse mystiek doet dit op háár wijze. Zij handelt niet enkel over dit verschijnsel, maar legt ook de grondslagen bloot waarop het steunt. En meer, die grondslagen vormen de pijlers van haar mystieke leer. Zij zijn als de gewrichten van het lichaam. Omdat de Nederlandse mystiek dus voortbouwt op het dogmatische en (93) psychologische fundament, waarop de geestelijke inkeer steunt, verdient zij de naam van ‘Inkeringsmystiek’ ten volle. De titel die wij voor dit Tweede Deel kozen, is hiermee gerechtvaardigd.

Luisteren wij nu naar Ruusbroec. De meester gaat spreken over het Inkerende Leven en vat de voorwaarden samen, welke voor de instorting van het mystieke licht en het verkrijgen van de mystieke vereniging vervuld moeten zijn. Hij spreekt hier over een verzameling en invloeiing van alle krachten in de ‘eenheid Gods’. Men moet bedenken, dat als kardinaal punt van Ruusbroecs mystieke leer God in het wezen van de ziel woont en daar in genade, geloof en liefde bereikbaar is. De ‘eenheid Gods’ is dus de vereniging met God in het centrum, waar Hij woont en werkt.

“Zo iemand bovennatuurlijk met innige oefeningen wil zien, dan zijn voor hem drie dingen onontbeerlijk.
Het eerste is: het licht van de genade Gods op een hogere wijs, dan men dit gevoelen kan in het uitwendige, werkende leven, zonder inwendige verkleefdheid.
Het tweede is: ontbloting van vreemde indrukken en beteugeling van de bekommernis van het hart, zodat de mens vrij en geestelijk onbelemmerd, ongeacht en onbevangen zij van elk schepsel.
Het derde is: vrije toekeer van de wil, met verzameling van alle geestelijke en lichamelijke krachten, en verlost van elke neiging van de ongeregelde liefde, invloeiende in de eenheid Gods en in de eenheid van de geest, opdat het redelijke schepsel op bovennatuurlijke wijze de hoge eenheid Gods kan verkrijgen en bezitten.
Hierom heeft God hemel en aarde geschapen en ieder ding. Hierom is Hij mens geworden en leerde ons, en leefde voor ons en was Zelf de Weg tot die eenheid. En Hij is gestorven in de band van de liefde en voer omhoog, en heeft diezelfde eenheid voor ons ontsloten, waarmede wij zullen bezitten de eeuwige zaligheid.”

In het Inkerende Leven vindt de eerste voelbare toenadering plaats tussen God en de ziel. Zulk een ontmoeting is uiteraard een buitengewoon gunstbewijs van God. Zij overschrijdt de grenzen van het gewone genade-bestel. Dit wil echter niet zeggen, dat de ziel deze bevoorrechting ook meteen als een buitengewone gunst ervaart. Zeker, het kan gebeuren dat God de ziel met een onverwacht licht, met een plotselinge verbijstering vervult. Gelijk Saulus neerstortte op de (94) weg naar Damascus... De ziel ontvangt dan eensklaps de genade van een hoger gebed. Maar de overgang naar het mystieke leven behoeft niet altijd zo plotseling te geschieden. In vele gevallen bereidt God de ziel voor op zijn komst. In het Werkende Leven heeft Hij haar reeds vaak met verlichtingen, opwekkingen, vertroostingen overstelpt. Deze gewis opvallende, maar nog niet buitengewone genade maakten haar reeds vertrouwd met het bijzondere liefde-noden van God. De voelbaarheid van God zal in de eerste fasen van het mystieke leven bovendien dikwijls gematigd en getemperd zijn. Zo kan het gebeuren, dat de ziel het eerste buitengewone, dat is tastbare nadertreden van God niet dadelijk als buitengewoon, voor haar nieuw en vreemd verschijnsel ervaart. De aannemelijkheid hiervan springt des te meer in het oog, wanneer men in het Werkende Leven, gelijk wij verklaarden, de rechtstreekse voorbereiding tot het Inkerende ziet.

Men denke dus niet, dat het eerste mystieke ingrijpen van God altijd met verwondering en ontzetting vergezeld gaat. Ongetwijfeld is de ziel er zich van bewust dat zij dingen ondergaat, wier aard zij niet verklaren kan, die haar wellicht met argwaan en wantrouwen vervullen, soms zelfs angst en schrik aanjagen. Het kan zijn dat zij later, terugblikkende op de afgelegde weg, het ogenblik van Gods eerste tastbare ontmoeting bij benadering, misschien zelfs met nauwkeurigheid te bepalen weet. Op het moment zelf zal zij zich hiervan in de meeste gevallen niet duidelijk bewust zijn. Zij is mystiek begenadigd, lang voordat zij het zelf weet! De overgang van het Werkende naar het Inkerende Leven mag men zich dus niet steeds als een bruuske wending, een schokkende omkeer voorstellen. De geestelijke opgang behoeft geen in het oog vallende breuk te vertonen; hij kent geleidelijke voortgang en harmonieuze voleinding. Het kan dus voorkomen dat de ziel Gods eerste nadering niet als een buitengewoon verschijnsel ervaart. Hieruit volgt echter geenszins dat deze ontmoeting niet met heftige emoties gepaard gaat. Het tegendeel is waar: felle aandoeningen beroeren de ziel. Met dorstig verlangen smacht zij naar een zuiverder liefde, haar te schenken door een inniger bezit van God. Onlesbaar en onstilbaar is dit sterke, machtige begeren. En het vervult haar met smart. Totdat Gods machtige hand in één oogwenk de teug van de bevrediging reik ten zij rust in een heerlijke omkoestering.

Zo luidt de ervaring van de mystieken en zo beschreef haar de bevoorrechte vrouw Beatrijs van Nazareth in de derde en vierde wijze van minnen. De onbaatzuchtigheid van het enkel God beogen en enkel God beminnen breekt met nieuwe onstuimigheid baan. De ziel is door liefde in zo’n felle gloed ontstoken, dat zij zich geheel wil schenken aan de liefde. (95) Maar juist als zij die gloed het heftigst ervaart, gevoelt zij tevens het smartelijke onvermogen, de menselijke onmacht om de liefde te dienen gelijk het behoort. Zij zinkt terug in zichzelf, terneer geslagen en dodelijk bedroefd. Maar de liefde gunt haar geen rust. Opnieuw ontvlamt de hunkering om de liefde alles te geven en haar alles te zijn en opnieuw ervaart zij de mislukking van haar armelijke pogen. Hoe ook zou een nietig verlangen een onmeetbaar Goed naderbij kunnen komen?

“De derde manier van minnen is voor de heilige ziel een tijd, waarin veel pijn en lijden besloten ligt. Dit is wanneer ze verlangt de minne te bevredigen en te voldoen in alle eerbetoon en dienstbewijs en in volle gehoorzaamheid en onderdanigheid aan de minne.

Dit begeren welt soms tot een storm in de ziel en dan, bij zulk een machtige opstuiving, bestaat zij het om alles te doen en alle deugd te volbrengen, alles te lijden en te verduren en al haar zwoegen onverdeeld en zonder maat in de minne te voleinden. En nu is ze volgaarne bereid tot alle dienst, willig en onvervaard in moeite en leed. En toch, onvoldaan blijft ze en onbevredigd bij alles wat ze verricht.
Bovenal echter doet haar dit de meeste pijn, dat ze naar de wijdheid van haar begeren niet voldoen kan aan de minne en dat ze zozeer in de minne moet te kort schieten. Zij weet wel dat dit uitreikt boven menselijk werk en boven haar kracht om het te volbrengen. Want wat ze verlangt, dat is onmogelijk en door geen schepsel te volvoeren. Zij verlangt immers alléén evenveel te kunnen doen als alle mensen ter wereld en alle geesten in de hemel en al wat schepsel is boven of beneden, ja onnoemelijk veel meer nog in dienst en liefdeblijk en eerbetoon overeenkomstig de waardigheid van de minne. En wat haar nog zozeer ontbreekt in werken, dat zoekt ze aan te vullen met heel haar willen en met haar sterk verlangen. Nochtans kan het haar niet bevredigen. Zij begrijpt wel, dat dit verlangen te vervullen ver uitgaat boven haar vermogen en boven menselijk begrip en boven alle zin en toch kan ze zichzelf niet betomen noch bedwingen noch tot rust brengen. Ze doet al wat ze vermag: zij dankt en looft de minne, ze werkt en zwoegt om de minne, ze geeft zich geheel weg aan de minne en al wat ze onderneemt, wordt in de minne volbracht.
Dit alles schenkt haar geen rust en het blijft haar een heftige smart, steeds te moeten smachten naar wat ze niet kan verkrijgen. En hierom moet ze in hartepijn gedompeld blijven en verwijlen in verdriet en het is haar of ze al levende sterft en al stervende de pijn van de hel gevoelt en heel haar bestaan is gelijk een hel en als verwerping en weerbarstigheid (96) om de ontzetting van het folterende begeren, dat ze kan bevredigen, noch stillen noch verzadigen. In dit lijden moet ze blijven tot het ogenblik, dat onze Heer haar komt troosten en haar plaatst in een andere wijze van minnen en begeren met nog inniger kennis van Hem. En dan zal ze handelen al naar het haar van onze Heer wordt gegeven.”

Maar eensklaps, terwijl zij weer hunkert om de liefde te geven wat haar toekomt, ervaart de ziel dat haar pogen niet faalt. In plaats van te zinken in haar niet, voelt zij zich boven zich uit geheven. Zij kan grijpen, omklemmen, omhelzen. Zij ervaart het tastbare bezit van de liefde. Haar gemoed is vervuld van vredige geneugten en verkwikkende genieting. En zij bezwijkt weer, maar nu om de volheid van het eindelijk verkregen geluk. Zo ervaart zij de nadering van God, welke zich voor de eerste maal aan haar voltrekt. Het hartepijn, waarover zij bij de aanhef spreekt, duidt meer op de vijfde manier van minnen.

“In de vierde manier van minnen pleegt onze Heer soms grote zieleweelde te geven en soms diepe hartepijn, waarvan we nu zullen spreken.
Soms gebeurt het dat de minne licht en zoet in de ziel wordt gewekt en zich blijde verheft en het hart doorstromen gaat zonder enig toedoen van menselijk bemoeien. Dan wordt het hart zo teder van minne bewogen, zo onweerstaanbaar getrokken, zo hartelijk van minne omvangen, zo sterk door minne vermeesterd en zo lieflijk in minne omhelsd, dat de ziel zich geheel en al van de minne gewonnen moet geven.
Hierbij doorhuivert haar het besef van God dicht genaderd te zijn en ze gevoelt een geestelijke klaarheid en wonderlijke weelde, een adellijke vrijheid en een totaal bedwongen zijn door de kracht van minnen, een overvloeiende volheid van heerlijke geneugten. En dan voelt ze, hoe al haar zinnen opgaan in de minne en heel haar wil geworden is minne en dat ze zo diep is verzonken en verzwolgen in het werk van minnen en zelf ganselijk geworden is minne. De schoonheid van de minne heeft haar aanvallig gemaakt, de felheid van de minne haar verteerd, de zoetheid van de minne heeft haar doen verzinken, de gerechtigheid van de minne haar verzwolgen, de adeldom van de minne heeft haar omhelsd, de zuiverte van de minne haar met haar luister omkleed, de hoogheid van de minne haar opwaarts getrokken en in zich besloten, zodat ze geheel aan de minne moet zijn en daarbuiten niets meer vermag.
Als ze zo zichzelf in de overstelping van weelde gevoelt en de volle verkwikking van haar hart ervaart, dan gaat haar geest geheel en al verzwinden in minne. Haar lichaam gaat haar ontzinken, haar hart (97) versmelten en al haar krachten begeven. En zozeer wordt ze overweldigd door minne, dat ze nauwelijks weet hoe zich te houden en dikwijls de macht verliest over haar leden en al haar zinnen. En gelijk een vat dat vol is, meteen overloopt en uitvloeit als men het even verroert, zo wordt ook zij meteen heftig bewogen en door de volheid van haar hart geheel overmand, zodat het dikwijls naar buiten breekt en overvloeit zonder dat zij het wil.” (98)

terug naar de Inhoud

2. Het drijven en aanvuren van de Heilige Geest
Iets bezit de mens alléén: het eigen hart als de zetel van menselijke aandoeningen, als de spiegel van emoties, opwellende uit de vibratie van stof en geest.
Twee werelden komen in hem bijeen, ‘engelsheit’ en ‘diersheit’ door Neerlands grootste dichter genoemd. Naar geen van beide componenten op zich beschouwd is hij mens. Waar zij echter elkander raken en het zuiverst samentrillen, daar is hij wel mens en ook het meest mens, omdat hij daar het meest menselijk reageert. Welnu, dit geschiedt in de opwellingen van het hart, in de onuitputtelijke en onnaspeurlijke rijkdom van indrukken, gevoelens, begeerten, stemmingen, strevingen, die het onafgebroken te voorschijn roept. Hierom bezit hij alléén: het eigen hart als zetel en spiegel van het menselijke gemoed.
In het hart trilt het menselijkste van de mens en de Nederlandse mystieken spreken van terugkeer en inkeer in die zo menselijke grond. Dit was de eerste eenheid, die hij moest trachten te bereiken. Zij kende bovendien een tweede en derde eenheid. Evenals nu het verschijnsel van de mystieke inkeer in zijn geheel genomen niet op fantasie of suggestie berustten, maar op de natuur en structuur van de werkelijke gegevens, zo steunt ook het feit van de drievoudige inkeer met de hieraan beantwoordende drievoudige eenheid op het hechte fundament van reële verhoudingen. Met name voor de eerste en de tweede eenheid, die van het hart en de geest, is dit niet moeilijk in te zien.

In de mens kunnen wij blinde en ziende vermogens onderscheiden. Blind zijn de zinnelijke krachten - in zeker opzicht ook het lichamelijk gezicht - ziende de geestelijke. Immers met de vermogens van de geest, is de mens tot denken en willen, tot overlegd en verantwoordelijk handelen in staat. Nu is zien volmaakter dan niet zien en hierom past het dat de geestelijke vermogens van de mens de lichamelijke richten en leiden. Ook voegt het, dat hij de blik van zijn geest wendt en gewend houdt op Hem, die het doel van zijn leven is. Zo kunnen wij als regel en norm in zijn volmaaktheid opstellen: het schikken en vastleggen van de lagere vermogens onder de hogere en van de hogere onder God.

Wij zouden in herhaling vallen indien wij opnieuw in het licht stelden, dat de mens bij zijn oorspronkelijke verheffing die ordening in alle volmaaktheid bezat. De natuurlijke spanning tussen stof en geest was door (99) de speciale gave van onverletheid volkomen opgeheven. Wel is het goed er op te wijzen, dat door die harmonie de mens een uitzonderlijke geschiktheid verkregen had voor de instorting van het mystieke licht. Zo menen vele godgeleerde schrijvers en zij kennen op grond van die ontvankelijkheid de mens vóór zijn val de mystieke beschouwing metterdaad toe. Adam bezat een bijzonder licht des geestes: hij schouwde in de klaarheid van God. De mystieke genade bekroonde de verrukkelijke heerlijkheid van zijn voorrechten. Diezelfde schrijvers stippen hierbij aan, dat de krachten van de eerste mens inwaarts gericht stonden. De lagere waren gebonden aan de hogere, de hogere aan God, aan God die woonde in de wezensgrond van de ziel. Van dit centrum uit overstroomde Hij de geest van de mens met de lichtende glans van zijn liefde.
En hieruit blijkt de fatale ommekeer, die de erfschuld teweegbracht. In de tijd vóór de zondeval zijn de krachten van de mens binnenwaarts gericht, de lagere vermogens verbonden aan de hogere en de hogere aan God, na de zondeval staan diezelfde vermogens averechts gewend. De hogere krachten keren zich opstandig van God af en vallen terug op de lagere. De lagere zwerven eigenmachtig weg, plegen verzet tegen wil en verstand en zoeken verstrooiing in het schepsel. De mens staat in zijn krachten naar buiten gericht. Dit is helaas - proefondervindelijke waarheid.

Deze averechtse gesteldheid mag niet blijven bestaan. Ze strookt immers niet met de waardigheid en mogelijke volmaaktheid van het redelijke schepsel. Zo zien wij een nieuwe reden waarom de mens, buitenwaarts gewend, zich binnenwaarts keren moet. Het is zijn taak, de naar buiten neigende lagere krachten opnieuw te vergaderen en samen te trekken, zo ook de hogere. De zin hiervan is: de mens moet zijn zinlijke en geestelijke vermogens volkomen in de hand hebben. De zinnen mogen geen beletsel vormen voor de geest door een te grote verkleefdheid aan het aardse, zinnen en geest geen hindernis voor God en diens souvereine welbehagen. De inkeer van de mens in de eenheid van het hart en in die van de geest dient men hierom op de eerste plaats als een proces van voortgezette reiniging en loutering te beschouwen, waardoor hij het ideaal van zijn natuurlijke en bovennatuurlijke volmaaktheid meer nabij komt. De kracht tot deze zuivering gaat heel voornamelijk van God uit, die door zijn bijzondere werking het gemoed ontvlamt, het hart verinnigt, de geest verlicht, de wil bindt en zo de vermogens van veelheid en verdeeldheid tot eenheid trekt. Dat de Nederlandse mystieken hier over ‘eenheid van het hart’ spreken, pleit voor hun psychologische inzicht. Het hart is de zetel van het gemoed van de mens, waarin alle aandoeningen vibreren. Zo begrijpt men Ruusbroec waar hij schrijft, dat door (100) de mystieke aanraking van God in het lagere deel van de mens, het hart als centrum van alle lichamelijke vermogens en in het bijzonder van de begerende kracht “geheel en al gezuiverd, versierd, ontvlamd en naar binnen getrokken moet worden.”
Hiermee hebben wij de naam van de Grootmeester van de Nederlandse mystiek opnieuw genoemd en men zal het ons niet euvel duiden, dat wij ons bij de beschrijving van de mystieke ervaringen van de mens in het lagere deel van zijn krachten meerdere malen op hem beroepen. Van het wonderlijke dat de mens hierbij ondergaat, heeft hij in zijn hoofdwerk Die Geestelike Brulocht een imposant beeld ontworpen, opziende naar de zon, die omhoogrijst boven het laagland en hoogland van de ziel. Wat voor de Brabander Ruusbroec het lage land was, behoeft geen betoog. Het lag “omstreeks het einde van de aarde”, de streek, waar hij was geboren en getogen, waar hij leefde en stierf. Om het hoge land te bereiken, moest hij reizen naar het bergland van Namen, Henegouwen, Luxemburg, naar het Rijnland, naar de Elzas en verder Zuid-Duitsland in. In beide regionen van het aardrijk schijnt dezelfde zon, maar haar kracht en vruchtbaarheid zijn in beide streken niet dezelfde. Dit brengt Ruusbroec op een schone en diepzinnige gedachte.

“Christus' eerste komst met vurige oefeningen openbaart zich door een inwendig, gevoelig aandrijven van de Heilige Geest, die het hart drijft en stookt tot alle deugden.
Die komst willen wij vergelijken met de schijn en de kracht van de zon, die in één oogwenk van de plaats waar zij opgaat, heel de wereld bestraalt, doorschijnt en verhit. Desgelijks glanst en schijnt en straalt de eeuwige zon Christus, die in het opperste van de geest verblijft en zij verlicht en ontvlamt het nederste van de mens, dat is zijn lichamelijk hart en de gevoelige krachten. En dat geschiedt sneller dan in een ogenblik tijds. Want God werkt met spoed. Wie het echter overkomen zal, die moet inwendig ziende zijn met de ogen van het verstand.
In het hoge land, omtrent het midden van de wereld, daar schijnt de zon tegen de bergen aan. Ze bereidt er vroege zomer en veel goede vruchten en sterke wijn, en brengt vreugde-stemming in het land. Die zon werpt haar stralen ook in het lage land, omstreeks het einde de aarde. Die landstreek is kouder en de hitte is er minder fel. De zon brengt niettemin ook daar veel goede vruchten voort, maar men vindt er haast geen wijn.
De mensen die in het laagste deel van hen zelf wonen, bij de (101) uitwendige zinnen en toch met goede mening in zedelijke deugden, met uitwendige oefeningen en in de genade Gods (hun ijver betonen), die brengen veel goede vruchten van de deugden voort en dit op velerlei wijs. Doch van de wijn van de inwendige vreugde en geestelijke vertroosting bespeuren zij weinig. Gebeurt het nu dat een mens de schijn wil gevoelen van de eeuwige zon die Christus Zelf is, dan moet hij ziende zijn en met verzameling van al zijn krachten wonen in de bergen van het hoogland en hij moet zijn hart tot God geheven houden, vrij en onbevangen van lief en leed en van elk schepsel. Hier schijnt Christus, de zon van de gerechtigheid, in de vrije, opgeheven harten. Dit zijn de bergen, die ik bedoel.”

Hoe hoger het land, des te feller werpt de zon haar stralen. Zij zal verwarmen, verhitten, zelfs het vlambare in vuur zetten. Hetzelfde doet Christus in de harten die zich als de bergen van het hoogland ten hemel verheffen. De hitte van deze goddelijke zon openbaart zich in verschillende mystieke ervaringen. De eerste is eenheid van het hart. Door de werking in de gevoelige krachten voelt de mens zich naar binnen gedreven. Er openbaart zich een neiging naar ingetogenheid en ingekeerdheid, waarbij hij zich als het ware terugtrekt in zichzelf. Opmerking verdient, dat naar Ruusbroecs opvatting de eenheid van het hart zowel oorsprong als bekroning is van Gods mystieke komst in het lagere deel van de mens. Bij het volkomen bezit van die eenheid heeft de mens de opwellingen van het gemoed geheel in zijn macht, zodat zij geen weerstand biedt aan de genade van God. Uit deze eenheid welt innigheid op; uit deze innigheid gevoelige liefde; uit deze gevoelige liefde invurige godsvrucht. Ruusbroec spreekt hier over ‘devotie’. Brandend van vurige godsvrucht zal de ziel zich oprichten met diepe dank en lof, ten einde Gods goedheid te prijzen. Luisteren wij nu naar Ruusbroecs beschrijving.

“Christus, de glorieuze zon en de klaarheid Gods, verlicht, doorstraalt en ontvlamt bij zijn inwendige komst het vrije hart en alle vermogens van de ziel, door de kracht van zijn Geest. En dit is het eerste werk bij zijn komst in het hart met vurige oefeningen. Immers, gelijk de aard en de kracht van het vuur de materie in vlam zet, die hiertoe geschikt is, zo ontvlamt Christus de toebereide, vrije en verheven harten met de felle hitte van zijn inwendige komst. En Hij zegt bij deze komst: “Ga uit naar de wijze van deze komst.”

Uit deze hitte ontstaat eenheid van harte. Waarachtige eenheid kunnen (102) wij immers enkel verkrijgen, als de Geest van God het vuur doet ontbranden in onze harten. Want het vuur maakt één en zijns gelijks al wat het bemachtigen en tot vuur verteren kan. Eenheid bestaat er, wanneer de mens van binnen met al zijn krachten zich in de eenheid van het hart verzameld voelt. Eenheid schept innerlijke vrede en de rust van het hart. Eenheid van het hart is een band die lijf en ziel, hart en zin en alle krachten van binnen en van buiten samensnoert en omkneld houdt in eenheid van minne.

Uit deze eenheid komt innigheid voort. Want innig zijn kan slechts hij, die zichzelf in eenheid bezit. Innigheid betekent dat de mens van binnen gewend staat tot zijn eigen hart, opdat hij de inwerking of de inspreking Gods bemerken en verstaan kan. Innigheid is een voelbaar vuur van liefde, dat de Geest van God ontstoken heeft en branden doet. Innigheid drijft en stookt en wakkert de mens van binnen aan en hij weet niet vanwaar het komt of wat er met hem gebeurd is.

Uit innigheid welt gevoelige liefde op, die het hart van de mens en de begerende kracht van de ziel doorzindert. Enkel de innige van gemoed kan zulke begerige, met het hart te voelen en te smaken liefde, bezitten. Gevoelige liefde en minne, dat is de begerige, behaaglijke lust, waarmede men reikhalst naar God als naar het eeuwige Goed, waarin alle goed besloten ligt. Gevoelige liefde brengt de scheiding van elk schepsel voor zover het genoeglijk, niet voor zover het noodzakelijk is. Gevoelige liefde voelt zich van binnen ontstoken door eeuwige liefde, waaraan zij zich immer moet geven. Gevoelige liefde verloochent en versmaadt spontaan elk ding, opdat ze kan verkrijgen wat ze bemint.

Uit deze gevoelige liefde vloeit invurige godsvrucht voort tot God en tot diens eer. Immers enkel de mens, die zich met gevoelige liefde en minne tot God verheft, vermag invurige godsvrucht te koesteren in de grond van zijn hart. Invurige godsvrucht welt op, wanneer het vuur van de liefde en van de minne de vlammen van het begeren omhoogstuwt ten hemel. (103) Invurige godsvrucht port en stookt de mens van buiten en van binnen tot de dienst van God. Invurige godsvrucht doet lijf en ziel zich verlustigen in eerbied en eerbetoon voor God en voor alle mensen. Invurige godsvrucht eist God van ons bij iedere dienst, die wij Hem verrichten. Invurige godsvrucht zuivert lijf en ziel van ieder ding, dat zou kunnen hinderen of beletten. Invurige godsvrucht toont en schenkt de rechte weg naar de zaligheid.

Uit deze invurige godsvrucht rijst dankbaarheid op. Immers gelijk de invurig godvruchtige mens, zo kan niemand God danken en loven.
Met recht zullen wij God danken en loven, omdat Hij ons als verstandige schepsels geschapen heeft. Omdat Hij de hemel en de aarde en de engelen geordend en bestemd heeft tot onzen dienst. Omdat Hij om onze zonde mens is geworden, omdat Hij ons geleerd en verlicht en voor ons geleefd heeft. Omdat Hij in nederig omhulsel ons gediend en een smadelijke dood voor ons verduurd en zijn eeuwig rijk en ook Zichzelf tot loon en tot dienst ons beloofd heeft...
Wij zullen God ook loven met al wat wij vermogen. God loven wil zeggen, dat de mens in heel zijn leven de goddelijke almacht eer en prijs en hulde bewijst. God loven is het meest vertrouwelijke en meest oorbare werk van engelen en heiligen in de hemelen van de minnende mensen op aarde. God moet men loven met hart, met zinnen, met opgeheven krachten, met woorden, met werken, met lijf, met ziel, met al wat men bezit, in ootmoedige dienst van binnen en van buiten. Die God hier niet loven, blijven eeuwig stom.”

Het jaar schrijdt voort en hoger rijst de zon. In mei bereikt zij de Tweelingen. Haar gloed werpt zij dan feller op de aarde. De vochtigheid van de lucht verdampt en slaat af en toe neer in malse regen en prille dauw. De oogst rijpt overvloedig.
Ook de zon van de liefde klimt hoger en bij Gods tweede komst ervaart de ziel de verhoogde kracht van zijn werking. Boveninnige vertedering grijpt haar aan en deze vertedering vloeit uit in weeldigheid van het hart. Dit is een genieting, die God uitstort in de gevoelige krachten van de ziel en welke iedere aardse geneugte overtreft. Zo heftig zwelt de verrukking soms aan, dat de mens zich niet kan inhouden. Zij overschrijdt de grens van zijn bezinning. Hij raakt uitzinnig, bedwelmd, geestelijk (104) dronken. De wijn van de goddelijke geneugten drinkt hij met overdaad. Zo beschrijft Ruusbroec de tweede wijze van Gods komst met innige oefeningen.

“Wanneer de zon zeer hoog oprijst en in de Tweelingen komt, wat geschiedt omtrent de helft van mei, dan werkt ze met dubbele kracht in bomen en in kruiden en in alle gewassen die op de aarde gedijende zijn. Gesteld dat de stand van de planeten die de natuur regeren dan gunstig blijkt, zoals de tijd van het jaar dat vereist, dan werpt de zon haar stralen op de aarde en slorpt de vochtigheid op uit de lucht. Hierdoor ontstaan dauw en regen en de oogst zwelt aan en wast in overvloed.
Evenzo vergelijkenderwijs. Wanneer de stralende zon Christus in onze harten gerezen is boven elk schepselen en de begeerten van de lichamelijke natuur die de geest weerstreven, wel bedwongen en wijselijk geordend zijn en de deugden verkregen op de wijze, die gij zo juist bij de eerste komst hebt vernomen en wanneer dan door de hitte van de liefde de smaak en de verpozing, die men bij het beoefenen van de deugd gevoelt, Gode met dank en lof geofferd en aangeboden zijn, dan slaan hieruit soms de zoete regen neer van nieuwe geestelijke troost en de hemelse dauw van goddelijke vertederingen. Dit doet de deugde zwellen en verdubbelt ze tweevoudig, zo het gevoeglijk gaat.
Hier openbaart zich een bijzondere nieuwe werking en nieuwe komst van Christus in het minnende hart en hiermee rijst de mens hoger op dan hem tevoren gegund was. Bij deze vertedering spreekt Christus: “Ga uit naar de wijze van deze komst.”

Uit deze vertedering welt op weeldigheid van hart en van alle lichamelijke krachten, zodat de mens meent, dat hij van binnen met goddelijk liefde-omvangen omhelsd wordt. Deze weeldigheid en zoetigheid is sterker en behaaglijker in ziel en in lijf dan alle genieting, die de aarde kan bieden, zelfs al zou een mens al haar genoegens in één genieting smaken. In deze weeldigheid zinkt God met zijn gaven neer in het hart en overstelpt met de tederheid van zoveel vreugde en troost, dat het van binnen overvloeit. Dit doet de mens beseffen, hoe ellendig diegenen zijn, die buiten de minne vertoeven. Deze weeldigheid is een uitvlieten van het hart, dat zich niet inhouden kan om de volheid van de innerlijke vreugde.

Deze weeldigheid brengt geestelijke beschonkenheid voort. Geestelijke (105) beschonkenheid ontstaat, wanneer de mens meer overstelping van weeldigheid smaakt, dan zijn hart of zijn lust bij machte is te begeren of te bevatten.
Geestelijke beschonkenheid brengt veel vreemde gedragingen teweeg. De een doet ze zingen en God lofprijzen om de volheid van de vreugde. De ander doet ze hete tranen wenen om de weeldigheid van het hart. Een ander maakt ze jachtig over al zijn leden, zodat hij moet lopen, springen, dansen. Weer een ander jaagt de dronkenheid zo heftig, dat hij moet zwaaien en klappen met de handen. Een ander roept met luide stem en verraadt zo de volheid, welke hem van binnen overmant. Weer een ander moet zwijgen en smelten van genieting in alle zinnen. Soms lijkt het hen dat iedereen op de wereld voelt wat zij ervaren. Dan komt het hen voor, dat niemand ondervindt wat hen ten deel viel. Soms denken zij dat zij deze genieting nimmer zullen noch kunnen verliezen. Dan weer staan zij er verbaasd over, dat niet alle mensen zo van goddelijkheid vervuld raken. Soms meent zo iemand, dat voor hem alleen God alles is en voor niemand zoveel als voor hem. Dan weer vraagt hij zich met verwondering af wat deze overmatige genieting is, of vanwaar zij komt, of wat er met hem gebeurd is.
Dit is het genotvolste leven naar het lichamelijke gevoel, dat een mens op aarde verkrijgen kan. Soms zwelt de zaligheid van de genieting zo machtig aan, dat het de mens dunkt dat door de menigvuldigheid van al deze gaven en wonderlijke werken het hart zal scheuren.
Op deze wijze overweldigd zal de mens met nederig besef eren en loven de Heer, die dit alles vermag en Hem danken met innige godsvrucht, omdat Hij dat wil doen. En altijd zal hij zich prenten in het hart en spreken met de mond en met oprechte mening: “Heer, dit alles ben ik niet waardig, maar uw grondeloze goedheid en uw bijstand, die behoef ik wel.” In dezen ootmoed zal hij toenemen en aanwassen tot hogere deugden.”

In deze voorzomerse tijd van het jaar dreigen ook gevaren. Rijp en nevel kunnen de wasdom schade berokkenen. Rijp dat is naar Ruusbroec: iets willen zijn, of zich inbeelden iets te zijn, of menen dat men de begunstiging verdiend heeft of waardig is. Dit gebrek aan nederigheid ontneemt bloem en vrucht aan de deugden. Nevel dat is: willen rusten op innerlijke vertroosting of zoetheid. Deze zelfzucht verengt de blik van de geest en de krachten van de ziel krimpen toe. Zo laat de mens zich tot valse rust en verkeerde genieting verleiden. Ruusbroec veraanschouwelijkt hier zijn gedachten met enkele voorbeelden.
De mens moet ter harte nemen, wat het kokende water hem leert. Door de kracht van (106) het vuur raakt het in wentelende beweging. Het rijst en daalt voortdurend. Voelt de mens zich door de gloed van de Heilige Geest omhoog geheven, dan moet hij zich laten oprichten, God lovende en dankende. Maar meteen daarna moet hij weer terugzinken in de nederige grond, groot achtende hetgeen men zou wensen te doen en klein hetgeen men niet doet. Of hij moet zich gedragen als de bij, die op geen bloem blijft rusten, maar overal heen zwerft waar zij honing kan vinden en daarna terugvliegt naar de korf. Zo zal de mens genieting peuren uit de gaven, waarmee God hem overlaadt, maar daarbij met oordeel en onderscheiding te werk gaan en zich meteen terugtrekken met lof en dankbaarheid, zich geen verpozing gunnende, tenzij in de waarachtige vereniging met God.

In deze beide hoofdstukken heeft de lezer voor de eerste maal kennis gemaakt met echt mystieke verschijnselen. Hoe is thans zijn bevinding? Kan hij een dergelijk uitzonderlijk zielsgebeuren, zo een wonderlijk ingrijpen van God als mogelijk en werkelijk aanvaarden? Velen zullen het stellig kunnen beamen. Met voldoening namen zij kennis van de feiten, waarop zij reeds lang waren voorbereid en met ongeduld hebben gewacht. Eindelijk is de zon van Gods mystieke liefde door de wolken heengebroken en heeft haar stralende licht laten schijnen! Zij verkwikken zich in dit licht en het verlangen kan hen bekruipen, niet te blijven toeven in het laagland van de ziel, maar zich op te heffen tot de bergen van het hoogland, die in de fellere schijn van Gods liefde zich weldadiger koesteren.
Anderen kunnen de verhaalde feiten wellicht niet zo gemakkelijk aanvaarden. De mogelijkheid hiervan zullen zij niet kortweg verwerpen, dit zou een al te krasse miskenning van God en van zijn bestaan zijn, van zijn almacht en goedheid, maar zij schudden bedenkelijk het hoofd en vragen zich af: “Is het waar?” Ook al geven wij de mogelijkheid van Gods wonderlijke ingrijpen toe, dan volgt hieruit niet dat die verschijnselen werkelijk door Hem worden teweeggebracht. Inbeelding, begoocheling, bedrog kunnen in het spel zijn, hysterie en autosuggestie. Er bestaan boeken die de mystieke verschijnselen als waanzin en misleiding uit hoofd en hart trachten te praten. Wie zo denkt, laat die dit boek dicht doen en de werken van de mystieken zélf ter hand nemen. Lezende zal hij dan zien, hoe simpel, sober en wijs zij hun bevindingen te boek hebben gesteld, zonder een zweem van overspannen gemoed of bizarre verbeelding, rustig, zeker en innig zoals het bij iets heiligs past. Tot zekerheid zal hij niet meteen komen, maar de verwachting is gewettigd dat de bedenkelijke vraag: “Is het waar?” zal plaats maken voor een andere, meer (107) hoopgevende: “Als het eens waar zou zijn!”
Wat is het leven rijker, schoner, dieper, als zulke wonderlijke dingen Gods zich werkelijk in de ziel voltrekken en wat zou ik mij gelukkig prijzen als ik zelf iets, een druppel van dat innige en tedere zou genieten! Dit duidt op een verlangen, op een behoefte die wellicht nog nimmer werd gevoeld, welke echter reeds lang verscholen lag in het hart en nu voor het eerst tot het bewustzijn treedt. Een verlangen, zo zuiver, zo edel, zo hoog uitreikend boven de sleur en beslommeringen van het dagelijkse leven komt niet van de mens zelf, maar van Hem, die het wekken en vervullen kan. Wat ligt nu méér voor de hand, dan dat God bij sommigen althans werkelijk stilt en ten volle tot rust brengt het verlangen, hetwelk Hij Zelf neerlegde in de natuur van de mens? Ook al grijpt Hij hierbij op wonderbare wijze in?
Kan de lezer dit beamen dan zegt hij spontaan: “Het is waar!” De mystieken vertolken de liefdewerken van God! Het kan echter ook gebeuren dat de zekerheid en klaarblijkelijkheid van dit inzicht zich niet zo gemakkelijk opdringt. Laat hem dan het hart blijven openstellen voor het ware, het goede, het schone, het goddelijke en overstelpt door de macht van de heerlijke getuigenissen zal hij eenmaal het hoofd buigen en met onherroepelijke stelligheid bevroeden en beamen, dat het zo móet zijn, dat de werken van de mystieken waarheid verkondigen. Die waarheid zal als geen andere bevrijden en wellicht tot ongekende hoogte en onvermoed geluk verheffen. (108)

terug naar de Inhoud

3. Een innige oefening
De hand van de meester grijpt het speeltuig, dat als bezield door zijn vaardigheid en schoonheidszin iets schept, waartoe het uit zichzelf niet in staat is. Op dit feit beroept men zich vaak, ten einde het ontstaan van de mystieke ervaring aanschouwelijker te maken. De vergelijking verklaart ontegenzeggelijk iets, maar bevredigt ten slotte niet. Het voorbeeld toont dat de mens niet zelf het mystieke verschijnsel wakker kan roepen; God moet het tot stand brengen. Zo beschouwd kan men de mens zeker het speeltuig noemen, dat door het spel van de kunstenaar klank en schoonheid voortbrengt. Hierbij dient men echter meteen te bedenken, dat de mens geen dood, maar levend speeltuig is, dat door zélf te voelen, zélf te denken, te willen, te handelen - gezien de vele functies die het mystieke feit plegen voor te bereiden en te vergezellen - bewust en persoonlijk meewerken moet met Gods sublieme vaardigheid en schoonheidszin. En om dit samengaan te verduidelijken en enigszins aanschouwelijk voor ogen te stellen, kunnen het dagelijkse leven of de natuur ons voorbeelden noch vergelijkingen leveren.

Enkele dingen zijn intussen meteen begrijpelijk en staan onomstotelijk vast. Het mystieke verschijnsel komt tot stand door samenwerking van God en mens, maar het goddelijke en het menselijke aandeel bij die werking zullen zéér verschillend en zéér ongelijk zijn. God roept iets wakker, brengt iets tot stand; de mens maakt zich ontvankelijk, toont zich bereid. De mens ondergaat de werking, die God te voorschijn roept en die Híj alleen te voorschijn roepen kan. Wezenskenmerk van de mystieke ervaring is daarom haar passieve karakter. Passief, lijdend, staat hier tegenover actief, werkend, maar is niet gelijk aan in-actief, niet-werkend. Hiermee willen wij onderstrepen dat de passiviteit van de mens niet elke activiteit uitsluit. Hoewel God actief optreedt bij de totstandkoming van de mystieke ervaring en de mens passief, moet het schepsel toch altijd willige en bewuste tegemoetkoming betonen. Men kan hier zelfs een bepaalde vorm of regel opstellen. Hoe actiever God werkt, des te passiever dient de mens zich te houden. En ook omgekeerd, hoe passiever God zich betoont, dit wil zeggen hoe minder omvattend en zwakker ingrijpend zijn werking zich doet gevoelen, des te actiever behoort de mens zich te weren. Goddelijke en menselijke werking dienen allerfijnst in elkander te grijpen en tot één werking te versmelten. (109)
Vooral voor het begin van het mystieke gebeuren hebben deze dingen hun betekenis. Alle leven ontwikkelt zich geleidelijk, ook de prille mystieke wasdom. Aanvankelijk draagt dit leven de onmiskenbare kentekenen van de jeugd. Het heeft iets onberekenbaars, iets onstandvastigs. God grijpt in - en dan houdt Hij rekening met de zwakheid van het mensenkind. Hij laaft het met de melk van zijn tedere vertroosting, met innigheid, gevoelige liefde, met invurige godsvrucht en weeldigheid van het hart. Daarna trekt Hij zich terug - dan is de mens van Gods tastbare steun beroofd. Nu moet hij weer zélf handelend optreden. Het ware bedenkelijk, nee verkeerd, als hij zich in die toestand tot lusteloosheid liet verleiden. Integendeel, de ontvangen begunstiging moet hij zich ten goede laten komen en hij dient bedacht te zijn op het verkrijgen van nieuwe genade. Hij moet zo dicht mogelijk in Gods nabijheid verblijven; vurig hakend en hunkerend naar zijn komst. Die inspanning kan hij matigen naarmate Gods tegenwoordigheid zich gevoeliger openbaart. Doch hij behoort zich meer moeite te getroosten, naarmate God verder van hem weg schijnt te zijn. Aldus heeft het mystieke proces vooral in het begin zijn zeer menselijke kant. Het gaat op en af, zwelt aan en valt terug als een wisselend getij. Niet meteen is de mens het feilloos en altijd zingende speeltuig van de mystieke uitverkiezing door God.
Met deze overgangsverschijnselen hebben de mystieken zelf alsook de mystieke schrijvers zorgvuldig rekening gehouden. Zij stelden zelfs een gedragslijn op voor het geval, dat er persoonlijke inspanning gevergd wordt. Men kan hier van een soort methode spreken, een bepaalde wijze van oefening, die de werkzaamheid van de mens zo zuiver mogelijk op die van God tracht af te stemmen. De praktische en tegelijk hoogverlichte Hendrik Herp komt de eer toe, de aard van deze oefening het duidelijkst en het volledigst behandeld te hebben. In alle werken brengt hij dit onderwerp ter sprake. Ook in zijn Nederlandse geschrift: de Spieghel van de Volcomenheit licht hij zijn opvatting zeer uitvoerig toe.

Herp baseert zijn oefening op de wet van de geestelijke vereenvoudiging. Dit betekent dat bij het voortschrijden van de geestelijke ontwikkeling de veelheid van de geestelijke praktijken geleidelijk tot eenheid slinkt. Versterving, deugdbeoefening, goede mening, het vloeit alles samen in één rustige, simpele gesteldheid, in één vurige begeerte en sterke bezieling: God, de overgave aan zijn wil, zijn eer, zijn liefde. Hetzelfde gebeurt ook bij het gebed. Het lange, moeizame peinzen over de waarheden van God en godsdienst geeft de mens ten laatste op. Het schenkt hem (110) geen bevrediging en geen kracht meer. Hij heeft het ook niet meer zodanig van node. Op eenvoudiger, weldadiger wijze kan hij met God in contact komen. Hij keert in zichzelf, verwekt gevoelens, verlangens, die meteen opsteigen uit het hart, en hij merkt hoe de schaduw, de adem van God hem verkwikt. Dit is het verzuchtende gebed. Herp gebruikt hiervoor het woord ‘toegeesten’. Het zijn geestelijke opwellingen, die men uitzucht voor het aanschijn van God. Dit gebed moet vurig en veelvuldig beoefend worden. Aldus Herp. Hiertoe is het raadzaam, bepaalde verzuchtingen als het ware bij de hand te hebben en zich gewoon te maken die zo vaak en zo innig mogelijk op te sturen naar God. De aandrift van de genade Gods mag hierbij niet in het gedrang komen. Integendeel, zij moet het inspirerende beginsel zijn. Die oefening opent het uitzicht op hogere volmaaktheid. Herp noemt ergens het verzuchtende “de oorsprong van het schouwende leven.”

In het geval nu iemand de weg bewandelen wil, die Dionysius goddelijk en verborgen noemt, dan zal hij het overwegen ter zijde laten en zich enkel oefenen in verzuchten. In zijn geheugen dient hij hiertoe veel korte gebedekens present te hebben, waarmede men zulke begeerten verwekken kan. Die gebedekens noemt Sint Augustinus ‘schichten’. Want het zijn schichten van de liefde, waarmede men schiet in het hart van onze Heer. In het Hooglied zegt hierover de Heer: “O mijn zuster, mijn bruid, gewond hebt ge mijn hart” (Hgl. 4:9). Die gebedekens zal men mijmerend dragen in het hart of met de lippen Prevelen tot God, als ware Hij dicht nabij. En dat moet men doen zo vaak men kan, gaande, staande, zittende, etende. Dus niet enkel wanneer men zijn gebed verrichten gaat. Integendeel, men moet er zich aan wennen om ze altijd present te hebben, op zijn minst in het hart. Zulke gebedekens kan men zo verwekken:
O Heer, wanneer zal ik U geheel en al beminnen?
O Heer, wanneer zal ik U en U alleen omklemmen met de armen van mijn liefde?
O Heer, wanneer zal ik mij zelf en alles ter wereld versmaad hebben om wille van Uw liefde?
O Heer, wanneer zal mijn ziel geheel in U verzonken en verzwolgen zijn?
O Heer, ik begeer U volkomen te bezitten en mij zelf volmaakt te offeren en hart aan hart eeuwig en onafscheidelijk in U te rusten!
Dergelijke gebedekens kan men talloos vele maken, gelijk het licht van Gods genade dat ingeven zal. En men moet ze verzuchten met de lippen (111) of met het hart, steeds brandend van verlangen om één te worden met God, als gesmolten in het vuur van de liefde.

Reeds in het Werkende Leven moet de mens zich de gewoonte van deze ontboezemingen eigen maken. Immers ook voor deze fase geldt de regel, dat men met gevoelige begeerten sneller vooruitgaat dan met bespiegelende gedachten. In het verzuchten dient men zich dus ijveriger te oefenen dan in het overdenken. Men moet begeerten opwekken die het hart stemmen tot berouw over de bedreven zonde, tot nederigheid, zelfverloochening, liefde, dankbaarheid en overgave. Zo verkrijgt men de zuiverheid van het hart. Want zoals de vijl bij iedere beweging iets wegneemt van het roest, waarmee het ijzer bedekt is, zo maakt elke verzuchting de ziel reiner van de smet van de zonde. De verzuchting verlicht het verstand, sterkt de wil en leert de mens zichzelf te versmaden. Aldus bereidt hij zich voor op de vereniging. Immers reeds in het Werkende Leven kan het gebeuren, dat de wil door deze oefening zó vurig ontstoken wordt, dat hij zich met één slag in de liefde Gods verzonken voelt. Onder stuwing van de genade voeren de ‘zuchtgebedekens’ de mens als het ware ongemerkt naar het eigenlijke mystieke leven.
Het verzuchtende gebed draagt de mens op de wiekslag van de liefde naar het hart van God. Hierom zal zijn betekenis voor het Inkerende Leven - door Herp het ‘Schouwende Leven’ genoemd - niet minder zijn. De beoefening van dit gebed maakt de ziel zó rein, zo ijverig, zo vurig, dat zij gevoelig is voor de tederste aanrakingen van God en gewillig en soepel hierop reageert. Hierbij moet zij op één ding heel nauwkeurig acht geven: zij mag niet ijveriger zijn dan God. Zij moet zorgvuldig toezien, hoe God de ziel beweegt. Bespeurt zij Gods werking, dan moet zij diens aandrift zo getrouw mogelijk volgen. Herp zegt ergens zo diepzinnig en mooi, dat aan het ‘uitgeesten’ van de mens het ‘ingeesten’ van de Heilige Geest dient vooraf te gaan. Zo is het inderdaad: Gods Geest en de geest van de mens moeten allerzuiverst resoneren. Gebeurt het daarentegen dat God zich schuil houdt en niet voelbaar werkt in de ziel, dan moet zij door voortdurend verzuchten aankloppen op de poort van het heiligdom. Dit vertedert het hart van God en Hij laat de ziel toe tot het innige bezit van zijn liefde. Herp verklaart dit alles heel treffend.

“Al kan de oefening van het verzuchtende gebed en van de naar vereniging smachtende liefde reeds in het Werkende Leven een aanvang nemen, men dient evenwel te weten, dat zij het ijverigst en het (112) doeltreffendst verricht wordt in het Inkerende Leven. Om die reden zullen wij er nu verder over uitweiden.
De oefening van het verzuchtende gebed opent de toegang tot de hoogste volmaaktheid. Alle bekoringen en hindernissen tussen God en ons ruimt zij meteen uit de weg en door een allervolkomenst sterven aan de zonde en zich beijveren om de deugd dwingt zij de mens met vurige begeerten voort te snellen, ten einde de allertreffendste gelijkendheid met God te verkrijgen. Zij is de hoogste cederboom op de berg van Sion, waaraan vier takken moeten prijken, dat is een viervoudige wijze van oefening.
Toegegeven immers dat deze oefening door alle bekoringen en bekommeringen en door alle menigvuldigheid heendringt, ja door alles wat beneden God is en dit vaak in één ogenblik en dat zij de mens plaatst voor de onverdekte tegenwoordigheid van God, omdat hij begeert zich in genietende liefde met Hem te verenigen, - het gebeurt nochtans, dat hij lang voor de poort moet staan wachten, voor God hem toegang verleent. Dan moet hij leren aankloppen met vier manieren van oefening, ten einde de Geliefde te bewegen om hem toe te laten tot de verening van geest.
Hierbij moet hij evenwel opmerkzaam toezien, dat hij zich niet van een oefening naar eigen vinding bedient. Hij moet daarentegen in zichzelf keren en nagaan, hoe hij van binnen bewogen wordt. Want de Heilige Geest trekt de menselijke geest op velerlei wijze naar Zich toe en ontsteekt hem in liefde nu eens met deze dan weer met die oefening.

Merkt nu iemand, dat de aandrift van de Heilige Geest hem tot een bepaalde oefening stuwt, dan zal hij alle eigenwil en eigenzin terzijde schuiven, om met begerige en bereidwillige ijver de werking van de Heilige Geest te volgen en zich zo te oefenen. Bespeurt hij evenwel geen bijzondere aandrift van de Heilige Geest en kan hij bovendien geen goede toegang tot God verkrijgen, dan zal hij voor de tegenwoordigheid van God aanwezig zijn met verzuchtende en verenigende liefde, waarin hoofdzakelijk deze vier manieren van oefening besloten zijn, te weten: offeren, smeken, gelijken en verenigen. Dit zijn vier slagen, waarmede men voor de poort staande, klopt om binnengelaten te worden en te genieten de ongemengde, onmiddellijke eenheid met God en in God.”

In de fase van het Inkerende Leven spreekt Herp tot tweemaal toe over de verzuchting. Zowel bij de ‘voorbereiding’ als bij de ‘opklimming’ van dit Leven moet de mens haar beoefenen. Dit betekent dat (113) naar Herp de gehele mystieke opgang in de steeds volmaaktere toepassing van het verzuchtende gebed vervat ligt. De uitzuchtingen van de door liefde ontstoken wil voeren de mens van de ‘strevende’ naar de ‘rustende’, van de ‘werkende’ naar de ‘genietende’ liefde. Zij leide hem binnen in het heiligdom van de mystieke vereniging, waar hij boven de eigen werkzaamheid van de vermogens in genietende rust zijn Heer ontmoet. Aan deze in volmaaktheid stijgende beoefening van het verzuchtende gebed heeft Herp door de vier wijzen van kloppen, in de laatste aanhaling genoemd, een meer methodisch karakter gegeven.
1. De eerste wijze is offeren. De mens zal al offerende zijn Heer en Meester aanbieden: het volkomen verzaken en versmaden van zichzelf; het bestrijden van de zintuiglijke neigingen en verkeerde gewoonten, als grootspraak, nieuwsgierigheid, traagheid; het bedwingen en bedwongen houden van de ongeregelde opwellingen van het gemoed, als uitgelatenheid en neerslachtigheid, het vaste voornemen om gelaten de derving van Gods gevoelige genade te verduren; om van alle gunsten, die ter zaligheid niet noodwendig zijn, afstand te doen; om iedere tegenspoed gewillig uit Gods hand te aanvaarde, als verlies van eer, van vrienden, ziekte, benauwing van het hart, zelfs de afschuwelijke foltering van de hel. Deze pijniging kan God natuurlijk niet wensen of beschikken, maar de mens kan zich wel hiertoe aanbieden, uitsluitend als blijk van zijn volkomen onzelfzuchtige liefde. Hij verlangt zich ganselijk, zuiver weg te schenken aan het welbehagen van God. Dit motief kunnen wij in de mystieke literatuur, ook in de Nederlandse, vaker beluisteren. Wij vinden het vreemd, onbegrijpelijk, dat de mens zich aanbiedt om ter liefde Gods de pijn van de hel te verduren. Hierom is het goed Herps woorden nauwkeurig af te wegen.

“Ook zal hij zich blijde offeren in de liefste wil van de Heer, zelfs als het zou gebeuren dat God voor zijn eer en voor zijn liefde hem overleverde om eeuwig al de pijn van de hel te verduren, - al mag hij er ook nooit in berusten om naar de wil en naar de liefde van God gescheiden te zijn evenals de verdoemden. En ofschoon het onmenselijk schijnt te zijn dat de wil er zich aan zou kunnen onderwerpen om de eeuwige smart van de hel te ondergaan, omdat de mens van nature aan zo iets tracht te ontvluchten en te ontkomen, toch kan hij door veelvuldige verzuchtingen, die hij daarvoor verrichten zou, door de overvloedige instorting van de genade Gods ten slotte zover komen, dat hij met volkomen onderworpenheid van wil en zonder weerspannigheid van het hart zich zó blijde aan Gode zal offeren om eeuwig alle smart van de hel te lijden uit (114) liefde tot de Heer, als hij zich bereid zou vinden om de kroon van de eeuwige glorie te ontvangen. Want de liefde van God wordt in hem zo zuiver en de versmading van zichzelf zo volmaakt, dat het hem om het even is wat er met hem geschiedt, opdat de liefste wil van God door hem wordt volbracht.
En al bestaat het niet dat God iets dergelijks verlangen kan, Hij wenst evenwel dat de mens om van zijn liefde wil bereid zij in iedere beschikking te berusten, hoe moeilijk die ook te dragen mag zijn. Daarom fluistert Hij zijn verborgen vrienden zulke verlangens in het oor, opdat zij zouden weten, hoezeer zij aan zichzelf begeren af te sterven uit liefde tot de Heer. Dit was Abrahams deel, toen Hij hem gebood zijn geliefde zoon Isaak te dode en te offeren, - wat Hij alleen deed om hem op de proef te stellen.”

2. De tweede wijze is smeken. De gaven die God buiten Zichzelf geeft, zullen de oprecht minnende mens nooit bevrediging schenken. Hij zal altijd hongerig blijven, beseffend dat hij alleen in God rust en verpozing kan vinden. Daarom zal hij vurig smeken om te verkrijgen niet alleen wat God mild geeft, maar bovenal wat Hij Zelf is. Dit bezit hoopt hij te verkrijgen . Daartoe smeekt hij God met aandrang om licht voor het verstand. Hij verlangt naar de kennis van de allerliefsten wil van de Heer, die hij begeert te volbrengen zo snel, zo volmaakt, als een schaduw zich verroeren laat; naar de kennis ook van zijn eigen snoodheid, onwaardigheid, ten einde zich te versmade en te verdeemoedigen; naar de kennis ten slotte hoe hij waarachtige deugden beoefenen, verkrijgen en bezitten kan, voornamelijk de liefde. Het smekende zuchten van de geschapen liefde van de mens, hakend naar het bezit van de ongeschapen Liefde, die God is, moet zó onophoudelijk opwellen uit het hart, als de adem in en uit gaat en met de snelheid en kracht, waarmede een weerlicht opflitst. Dan gebeurt het dat de mens eensklaps, onverwachts, zonder begeleidende gedachten, wegzinkt in de liefde waarmede hij God alleen bezit. Deze laatste uitlatingen, de voortdurendheid en onstuimigheid van het verzuchtende gebed als ook zijn verenigende karakter, bewijzen onmiskenbaar het hoge mystieke gehalte van dit gebed in deze fase van het inwendige leven. Uit zichzelf vermag de mens zo iets volstrekt niet. Al smekende mag de mens ook vragen om verlichting in bekoringen, om leniging van verdriet, om verlossing van geestelijke verlatenheid en mistroostigheid. Ook mag hij bidden om gevoelige genade en godsvrucht. Maar dit alles voor zover het strekt tot de eer van God en tot zaligheid van de ziel. En hij mag zich niet tot kleinmoedigheid of ontevredenheid laten bewegen, ingeval de Heer die gaven (115) niet schenkt. Wat de mens voor zijn vervolmaking nodig heeft, ontvangt hij stellig.

3. De derde wijze is gelijken. De redelijkheid van zijn natuur verheft de mens tot die volmaaktheid, dat hij de gelijkenis met God in zich kan en moet uitbeelden. Ook hiernaar dient hij met heftige verzuchtingen te verlangen. Eerst moet hij van zich afzetten, waarin hij Gode niet gelijkende is: zijn gebreken en onbedwongen neigingen. Hierbij hoeft hij niet op bijzonderheden te letten, maar heel zijn onvolkomenheid zal hij als bijeengebundeld in het vuur van de goddelijke liefde werpen, opdat zij daar verteerd worden. Daarna zal hij oprijzen met vlammende begeerten, verzuchtend naar de gelijkendheid met God. Hiertoe gedreven behoort hij op te zien naar zijn geestelijk voorbeeld Christus, naar al de volkomenheden van zijn godheid en mensheid, opdat hij gesierd moge worden met de deugden, waarmede Christus getooid was. Ook op de weg van het Inkerende Leven blijft Christus de ideale persoonlijkheid, die nimmer uit het gezichtsveld verdwijnen mag. Tot iets in het leven van de Heiland zal hij zich bijzonder getrokken voelen, tot het voorbeeld van zijn pijn, zijn smaad, van zijn verwerping en diepste vernedering, van zijn bittere dood. Hierin zal hij bovenal op Christus willen gelijken.
Brengt hij het nu zover dat bij de koestering van dit verlangen de weerbarstigheid van de natuur zich niet meer roert, ook niet ten tijde van geestelijke dorheid en verlatenheid, dan zal hij weten dat hij met de genade van God de deugden in hoge volmaaktheid verworven heeft. Is hij niet zover gekomen, dan zal hij door het opwekken van vurige begeerten naar de gelijkvormigheid met Christus die gesteldheid trachten te verkrijgen.

4. De vierde wijze is verenigen. Deze manier bestaat hierin, dat de mens met brandende verzuchtingen zijn wil wegschenkt en uitstort in de liefde Gods. Om dit te bereiken moet hij God begeren als zijn hoogste en eeuwigste verlangen, vreugde en troost. Ook in ogenblikken van tijdelijke beproeving door ziekte en tegenspoed, van geestelijke kwelling door verkoeling van godsvrucht of door vereenzaming. Ook in zulke momenten moet hij tot overgave in staat zijn, met volkomen beheersing van de opwellingen van de natuur. Hierbij plaatst Herp enige zeer praktische en juiste opmerkingen. Zij werpen licht op de moeizame kant van het mystieke streven, op de inspanning, die het de mens kost om aan de genade van God steeds trouw te gehoorzamen. Ook deze menselijke zijde van het mystieke opstijgen mogen wij niet over het hoofd zien.

“In de tijd dat God hem zulke beproevingen laat overkomen, zal hij God nog meer trouwheid betonenen er ijverig voor waken, dat de (116) zinnen niet wegzwerven en afleiding zoeken in ijdele dingen, of zich verstrooien in lichtzinnigheden en nutteloze beslommeringen. Ook dat hij zich door ledigheden niet laat neerhalen. Integendeel, zoveel hij kan, moet hij zich bezighouden met goede oefeningen, op zijn minst met goede werken van buiten. En al geven hem de werken van godsvrucht en deugd in die toestand verricht geen voldoening, God zijn ze evenwel behaaglijker en ons zelf verdienstelijker dan de werken, die wij ten tijde van gevoelige godsvrucht volbrengen, mits wij doen wat in ons vermogen ligt. Immers dan betuigen wij onze ijver door eigen inspanning. Om zich hiertoe nu des te bereidwilliger te tonen, zal de mens in zijn hart de zekerheid en het onwrikbare vertrouwen wekken, dat God al zijn tegenspoed gewild of toegelaten heeft, om zijn getrouwheid op de proef te stellen en hem met zijn goddelijke gaven en genade te overladen, nadat Hij hem getrouw heeft bevonden.”

Na de beproeving zal God de trouwhartige dienaar met nieuwe genade overstelpen. Dit zullen naar Herp nog innigere en vuriger liefdegaven zijn, die de mens wegvoeren uit hemzelf. Geest en hart voelen zich gegrepen door het stralende licht en de boven verwachting heerlijke liefde van God.

Door de leer van het verzuchtende gebed toont Herp zich een meester van de spiritualiteit. Immers, als de volmaaktheid gelegen is in de liefde en de liefde in de vereniging, hoe zou de mens die volmaaktheid zekerder en sneller kunnen bereiken dan door het verlangende zuchten, dat hart en geest en wil voortdurend richt en stuwt naar God? Op de betekenis van het ‘affectieve’, van de door de genade aangevuurde wil en het door de liefde ontvlamde gemoed, kan men nimmer genoeg nadruk leggen. Voor het mystieke leven schuilt in deze leer nog iets bijzonder waardevols. De mystieken verklaren, dat de mens moet ‘uitgaan’ uit zichzelf en ‘ingaan’ in God. De laatste rest van de eigenliefde moet hij zó te niet doen, dat hij zich kan verliezen in God. Welnu, door het mystieke begeren, waardoor hij zich leert ‘uitgeesten’ in de liefde Gods, zal hij het zijne en zichzelf prijsgeven, verlaten, om het te herkrijgen en te hervinden in God.
In de verkondiging van deze leer staat Herp niet alleen. Luisteren wij naar de verzuchtingen, welke de schrijfster van de Evangelische Peerle de begunstigde ziel laat slaken en opsturen naar God, hunkerende naar het bezit van zijn liefde. (117) “Hier volgen veel vurige gebeden en schichten van liefde, waarmede wij God zullen toespreken binnen in het hart, ten einde het te ontvlammen en met God te verenigen, wat wij ook doen of waar wij ook zijn.

O ziele mijn, wend u nu met alle krachten naar binnen en bid God in het harte met de navolgende gebedekens aan:
O God, trek mij in U, door U en dit om U.
O God, o Leven van mijn ziel, die op het hout van het kruis de dood hebt gedood, dood mij evenzo, dat is te weten mijn geneigdheid ten kwade en mijn zintuiglijk begeren en wat U kan beletten om in mij te leven. En als Gij mij aldus hebt gedood, maak mij dan weer levend enkel in U en in alles wat mij gelijkend kan maken aan U, dat is in Uw liefde, en in gehoorzaamheid om met de geest Uw goddelijke inspraken te volgen en naar buiten mijn oversten onderdanig te zijn.
O goede Jezus, geef mij een volkomen afkeer van alle zonde en een volmaakte toekeer tot U en tot alle deugden en schenk mij een ootmoedig versmaden van mij zelf en van mijn eigen wil.
O lieve Heer, geef mij een geheel vertreden van alle tijdelijke schepsels en van alle uitwendige, vleselijke lusten.
O Heer, geef mij een nauwlettend toezien op de inwendigen grond van mijn hart, om het rein te bewaren van boze vermoedens en van kwade begeerten en van het onbillijke oordeel over anderen.
O Heer, geef mij Uw goddelijke liefde en Uw goddelijke, heilige vreze.
O God, o Licht, zonder U ben ik duisternis. O rechte Weg, zonder U dwaal ik rond. O Waarheid, zonder U ben ik leugen. O oneindig Leven, zonder U ben ik dood. O Woord, o Licht, in het begin hebt Gij gezegd: Laat het licht worden en dadelijk werd het licht. Trek mij in U en verlicht mij, opdat ik Uw licht mag zien en ontvluchten de duisternis. Opdat ik mag zien Uw rechte weg en ontvluchten de dwaling. Opdat ik mag zien de waarheid en ontvluchten de leugen. Opdat ik mag zien het leven en vlieden de dood.
O Leven van mijn ziel, ik begeer geheel aan mij te sterven en in U te leven. Ik begeer mij geheel te offeren en U te bezitten. Och, dat het zoete woord in mij volbracht mag zijn, dat Gij richtte tot Uw hemelsen Vader, zeggende: Vader, Ik bid dat deze met Ons één zijn, gelijk Wij één zijn. Dat Ik in hen ben en zij in Mij en dat zij zo volkomen één met Ons worden als Wij één zijn. Dat Ik in hen mag zijn en zij in Mijn liefde zalig opgegaan.
O Heer, vervorm mij in U, gelijk het ijzer in vuur! Verteer in mij (118) heel de roest van de zonden en maak mijn koudheid vurig, mijn duisternis licht en de hardheid van mijn wil zacht, opdat mijn wil met Uw goddelijke wil altijd verklonken en versmolten zij.
O mijn God, als Ge vermag, als Ge weet, als Ge wilt, heb erbarmen met mij!
O Licht, van wie alle licht ontstaat, kom, trek mij in U en verzwelg mij in de afgrond van Uw klaarheid en maak mij geheel en al licht, opdat ik altijd zien mag U in mij en mij in U en al het overige beneden U!” (119)

terug naar de Inhoud

4. Verheven in de geest
Hoger rijst de zon boven de welvingen van het zieleland. Ruusbroec verhaalde, hoe bij het begin van het voorjaar haar gulden ochtendgloren aanbrak, hoe haar baan een gestadig koenere hoogte waagde, hoe haar licht en haar gloed van dag tot dag feller neerstraalde op de glooiingen van het bergland.
Christus was die glorieuze Zon. Bij zijn eerste komst ontstak Hij het hart in eenheid, in innigheid, in gevoelige liefde, in invurige godsvrucht. Bij zijn tweede komst welde weeldigheid van het hart op en zwijmelde de ziel in geestelijke dronkenschap. De zon was toen in de Tweelingen gerezen. Zij stijgt nog hoger. Bij de aanvang van de zomer bereikt zij het vierde teken in de Dierenriem en staat dan in Kreeft. Nu slaat de hitte nog immer fellere gloed, de droogte zengt en schroeit, en de oogst wast aan en prijkt in bomen, wingerd en garven.
Zo rijst ook Christus hoger in de ziel, verhit de krachten en trekt die naar zich toe. Hij noodt en noopt de ziel tot inniger vereniging. Dit vorderen schept vreugde, zodat het hart openbreekt en nimmer sluiten zal. Maar het wekt ook kwelling. Het algehele bezit van God kan de ziel in deze gevoelige fase niet bemachtigen, ondanks haar popelende verlangens. Dit onvermogen verwondt het hart en de ziel gevoelt kwetsing van liefde, een geheimzinnige pijn, die ziek maakt en geneest. Gods liefdezon blijft schijnen. Opnieuw vallen haar stralen in het gewonde hart, de pijnen kwetsen en kwellen hevig. De ziel voelt zich in laaiende gloed en jagende drift ontstoken. Minnebrand en ongedurigheid van liefde grijpen haar aan. Die brand eet het hart van de mens en drinkt zijn bloed. Zo beschrijft Ruusbroec deze nieuwe komst van Christus.

“Christus’ eerste werk en het begin van deze wijze openbaart zich zo, dat God het hart, de begerende kracht en alle vermogens van de ziel opwaarts ten hemel trekt en noopt om zich met Hem te verenigen. Dan spreekt Hij geestelijk in het hart: “Ga uit u zelf en kom tot Mij, naar de wijze waarop Ik u nodig en trek.” Dit noden en trekken kan ik grove, ongevoelige mensen niet recht duidelijk maken. Het is een inwendig drijven en vorderen van het hart tot de hogere vereniging met God. Dit inwendige drijven, schept behagen boven het genot, dat het minnende hart ooit smaakte. En hieruit ontspringt een nieuwe wijze en een hogere oefening. (120) Hier breekt het hart in vreugde en in begeerten open en alle aderen en alle krachten van de ziel staan bereid, begerende te volbrengen, wat God en de vereniging met Hem van hen eist. Dit eisen lijkt het binnenschijnen van Christus, de eeuwige Zon en het wekt zo innige vreugde en geneugte in het hart en het breekt het hart zo wijd open, dat het nooit meer sluiten zal. Hierdoor raakt de mens van binnen in het hart gewond en hij voelt kwetsing door liefde. Gewond te zijn door liefde, dat is het zoetste behagen en de zwaarste pijn, die men dulden kan. Gewond te zijn door liefde, dat is een zeker teken, dat men genezen zal. Die geestelijke wonde doet tegelijkertijd wel en wee. Christus, de waarachtige Zon, schijnt en straalt opnieuw in het gewonde, geopende hart en eist opnieuw vereniging. Dit vernieuwt de wonde en alle pijn.
Dit vurige noden en nopen, en de gewilligheid, waarmee het schepsel zich opricht en aanbiedt met al wat het vermag, terwijl het de eenheid niet kan verkrijgen of bereiken, dit falen verwekt een geestelijke kwelling. Wanneer het innigste van het hart en de oorsprong van het leven van liefde gewond zijn en men toch niet kan bemachtigen wat men ten vurigste begeert en immer moet toeven waar men niet wenst te blijven: zie, uit deze twee ontstaat de kwelling. Christus is hier gerezen tot het hoogste van het gemoed en werpt zijn goddelijke stralen in de begerende gretigheid en hunkerende smachting van het hart. Die schijn brandt en droogt en verteert alle vochtigheid, te weten de kracht en de macht van de (lichamelijke) natuur. Het geopende, smachtende hart en het binnenschijnen van de goddelijke stralen doen een voortdurende kwelling ontstaan.

Wanneer nu een mens God niet bemachtigen en Hem evenmin ontberen kan, dan ontstaat uit deze twee minnebrand en ongedurigheid van liefde, van buiten en van binnen. Ten tijde dat men brandende is, kan geen schepsel voldoening schenken, niet rust te bieden of wat dan ook, op de aarde of in de hemel. In deze brand krijgt men soms van binnen hoge, heilzame woorden ingegeven of toegesproken, alsook zeldzame lering en wijsheid. In innige brand wenst men alles te lijden wat men lijden kan, opdat men zal verkrijgen, wat men bemint. Minnebrand is een inwendig ongeduld, dat node de rede raadplegen of gehoorzamen wil, tenzij verkregen mocht zijn wat men bemint. Innige liefdebrand eet het hart van de mens en drinkt zijn bloed. De gevoelige hitte van binnen laait hier het felst in het leven van de mens en zijn lichamelijke natuur raakt heimelijk gewond en opgeteerd, zonder toedoen van buiten. En de vrucht (121) van de deugden rijpt en zwelt voorspoedig, boven alle wijzen, die vroeger getoond zijn.”

Bedachtzaam als steeds stipt Ruusbroec aan, dat de mens zich bij deze uiterst gevoelige verschijnselen in acht dient te nemen. De brand van de minne kan zó fel laaien, dat zijn krachten er van kwijnen en hij er aan ten gronde kan gaan. Dit mag niet gebeuren. “Zo lang de boom goede vrucht kan dragen, mag men hem niet ten verderve brengen”, zegt Ruusbroec en dan wijst hij op het voorbeeld van de mier, die sterk en slim en ijverig is en in de zomer voedsel verzamelt voor de winter. Zo moet de mens in de zomer van het leven arbeiden en vrucht vergaren voor het komende seizoen van de eeuwigheid.

Wij volgden de drievoudige komst van Christus, die zich in de gevoelige krachten van de mens openbaart, om de zinnen in eenheid te verzamelen. Zo raakten wij met een reeks echt mystieke verschijnselen bekend. Alle ervaringen die wij tot dusver beschouwden, bezitten nu dit opmerkelijke, dat zij in een bepaalde zin buitengewoon en in een andere zin gewoon zijn te noemen. Zij zijn buitengewoon in zoverre het gehele mystieke leven een uitzonderlijk ingrijpen Gods veronderstelt, een genade die wij om de zeldzaamheid waarmee zij aan de dag treedt, als buitengewoon moeten beschouwen. In een anderen zin zijn diezelfde verschijnselen evenwel gewoon te noemen, voor zover zij nl. deel uitmaken van de gewone ontwikkeling van de mystieke ervaring en als zodanig tot haar wezen behoren. Het voornaamste kenmerk van deze ervaring bestaat juist in de voelbare aanwezigheid en tastbare werking van God in de ziel. Nu doen zich echter verschijnselen voor, die geen noodzakelijk bestanddeel uitmaken van de mystieke ervaring, die niet tot haar wezen en niet tot haar gewone ontwikkelingsgang behoren, verschijnselen die als ongewoon, bij wijze van uitzondering optreden en daarom in dubbel opzicht buitengewoon genoemd moeten worden.

Enkele van deze buitengewone verschijnselen somt Ruusbroec op in het tweede gedeelte van de zo juist verhaalde derde komst van Christus. Het optreden van visioenen, openbaringen en vervoeringen brengt hij hier ter sprake. De zon is nu in het sterrenbeeld van de Leeuw getreden. De leeuw bezit een felle aard en is heer van alle dieren. Zo brandt de zon in deze tijd van het jaar het felst. Wij leven in de hete gloed van de midzomer. Ook Christus schijnt en straalt en brandt het felst, zó fel, dat het hart en de krachten van de mens zieden en in die zieding Gods wonderlijke werken ondergaan. (122) ,”Uit deze brand en deze ongedurigheid van liefde voelen sommigen zich af en toe boven hun (uitwendige) zinnen geheven in de geest en horen woorden tot hen spreken of zien in beelden en gelijkenissen een
waarheid getoond, die voor hen zelf of voor anderen of voor de toekomende dingen, van nut is. Dit zijn openbaringen of visioenen. Ziet men beelden, dan ontvangt men ze in de verbeelding. Een engel brengt dit vaak in de mens tot stand, bijgestaan door de kracht van God. Schouwt men een verstandelijke waarheid of een geestelijke gelijkenis, waarin God Zich grondeloos toont, dan ontvangt men haar in het verstand. Men kan er over spreken, voor zover het onder woorden te brengen valt.
Het gebeurt soms dat de mens boven zichzelf en boven de geest hoewel niet geheel en al buiten zichzelf - geheven wordt in een onbegrijpelijk goed, dat men nimmer met woorden verhalen of duidelijk maken kan naar de wijze, waarop men het hoorde en zag. Want in dit enkelvoudige werk en in dit enkelvoudige gezicht smelten horen en zien ineen. Dit vermag niemand in de mens tot stand te brengen dan God alleen en Hij doet het zonder hulp en zonder medewerking van enig schepsel. En dit noemt men een vervoering, wat zoveel betekent als weggevoerd of weggenomen.
Soms geeft God een mens ook korte verrukkingen in de geest, juist als bliksemflitsen aan de hemel. Snel flitst er een schijnsel van buitengewone klaarheid, dat oplicht uit de enkelvoudige leegheid (van de geest). Zo raakt de geest in één oogwenk boven zichzelf geheven en meteen is het licht verdwenen en komt de mens weer tot zichzelf. Dit bewerkt Gods ingrijpen en zijn werk is zeer edel. Want dit worden dikwijls verlichte mensen...
Ook gebeurt het dat innige mensen bij tijd en wijle al dromende van hun bewaarengel of van andere engelen lering ontvangen omtrent velerlei dingen, die hen van dienst kunnen zijn. Er zijn echter ook mensen die veel invallen of inspraken of dekbeelden krijgen en niettemin in de zinnen van buiten blijven hangen. Zij dromen wonderlijk, maar zij weten niets van de brand van de minne, want zij kleven aan de dingen en zijn ongekwetst van liefde. Zulke droomgezichten kunnen een natuurlijke oorsprong hebben. Ook kunnen zij van de boze of van de goede engel komen. Daarom kan men er waarde aan hechten, voor zover hun lering met de Heilige Schrift en met de waarheid overeenstemt en verder niet. Slaat men ze hoger aan, dan raakt men licht bedrogen.” (123)
Tot het eerste buitengewone verschijnsel dat Ruusbroec vermeldt, behoren de openbaringen, profetieën en visioenen. Ook het vernemen van stemmen, die geheimnisvolle woorden toespreken. De begenadigden voelen zich hierbij “boven hun (uitwendige) zinnen geheven in de geest”. Ruusbroec duidt hiermee aan, dat de mens niet langs indrukken van buiten de goddelijke mededeling ontvangt, maar door een ingeving van binnen, hetzij langs de verbeelding, hetzij langs verstandelijke inprenting. Het aandeel van de inwendige zinnen van de mens, zoals van zijn inwendig gehoor en gevoel, smaak en gezicht, sluit Ruusbroec dus geenszins uit. Vele gezichten worden met sensitieve waarneming, met behulp van de inwendige zinnen, geschouwd. Het zijn visioenen van de verbeelding, wel te onderscheiden van het verstandelijke visioen. Dit laatste ondergaat de mens op geestelijke wijze. Schouwt de bevoorrechte iets met zijn zinlijke krachten, dan kan een engel dit in hem teweegbrengen, altijd met toelating van God. De katholieke godgeleerden verklaren eenstemmig, dat de geschapen geesten rechtstreeks op de zinlijke krachten en langs de zinlijke vermogens onrechtstreeks op het verstand en de wil kunnen inwerken; dat God daarentegen de macht bezit om rechtstreeks de zinlijke én geestelijke vermogens van de mens aan te grijpen, dit laatste dus zonder voorafgaande of begeleidende werking van de zintuigen. Het met de uitwendige zintuigen waarneembare visioen, de z.g. verschijning, sluit Ruusbroec van zijn beschouwing klaarblijkelijk uit.

Het tweede buitengewone verschijnsel dat de meester beschrijft, is de vervoering of extase. Ruusbroec gebruikt hiervoor het woord ‘raptus’. Overeenkomstig het hedendaagse spraakgebruik verbinden wij dit woord beter met het derde verschijnsel, de verrukking. Dit is een korte, snelle vervoering, die slechts enkele ogenblikken duurt. Is zij zeer heftig en verheven, dan wordt zij ook ‘vlucht van de geest’ genoemd. Bij de vervoering en verrukking is de mens “boven zichzelf en boven de geest, hoewel niet geheel en al buiten zichzelf” geheven. Ruusbroec duidt hiermee een verschil aan ten opzichte van het vorige verschijnsel. Waren bij het visioen en de openbaring de verbeelding en verstand van de mens zeer actief werkzaam, bij de vervoering en verrukking moet hij die werkzaamheid bijna geheel staken. Hij ondergaat lijdelijk het ingrijpen van God, van het licht en de liefde die de Heer hem instort. Om de strikte passiviteit van deze houding te onderstrepen, verklaart Ruusbroec dat de begenadigde tijdes de vervoering én ‘boven zichzelf’, dit wil zeggen boven zijn uitwendige en inwendige zinnen, én ‘boven de geest’, dit betekent boven de eigen-werkzaamheid van de geestelijke vermogens, van het verstand en de wil, geheven wordt. Het visioen vond plaats ‘in de geest’, (124) omdat de eigen-werkzaamheid van het verstand en de wil zich roerde. De woorden “hoewel niet geheel en al buiten zichzelf” slaan op de vereniging met God in het Godschouwende Leven. Hierin zullen wij ons nu niet verdiepen. De genade van de vervoering kan de mens niet onder woorden brengen, vanwege het zo subliem geestelijke en goddelijke karakter van deze ervaring.
De vraag dient gesteld of met name het visioen van het verstand, de vervoering en de verrukking verschijnselen zijn, die buiten de gewone, normale mystieke opgang vallen en of wij bijgevolg hieraan in die zin het praedicaat ‘buitengewoon’ mogen toekennen, gelijk wij het zweven boven de grond en het spreiden van licht en geur tijdens de vervoering of de gave van tranen, van voorzeggingen en wonderen ‘buitengewone’ mystieke verschijnselen noemen. Genoemde opheffingen komen in alle fasen van het mystieke leven voor, behalve in de hoogste, in het Godschouwende Leven, waar de mens de volkomen en bestendige vereniging met God bereikt. Zij openbaren zich als een onverwachts ingrijpen Gods, waarbij Hij de bevoorrechte op enigszins bruuske en gewelddadige wijze tot een hogere fase van mystiek leven, hetzij tot de mystieke beschouwing, hetzij tot de mystieke verening of tot het omvormende Leven, verheft. Heeft de mens dit hogere stadium eenmaal bestendig bereikt, dan treden geen verheffingen meer op en de wijze van verkeer met God verliest allengs haar onstuimige karakter. Wel komen opheffingen voor, die de begenadigde zo mogelijk weer hoger opvoeren. Het visioen en de extase plegen die overgang meestal aan te kondigen en in te leiden. Bijgevolg is het minder juist om de opheffing van de geest, nl. het verstandelijke visioen en de extase, een ‘buitengewoon’ mystiek verschijnsel te noemen of om haar met één bepaalde fase van het mystieke leven te verbinden, alsof b.v. het ‘extatisch gebed’ een stadium is, dat de ziel op een gegeven moment bereikt en daarna weer achter zich laat. De opheffing van de geest is geen horizontaal, maar verticaal verschijnsel, dat het gehele mystieke leven doorkruist, totdat de ziel de uiteindelijke rust van het Godschouwende Leven gevonden heeft. Zij behoort niet tot één bepaalde fase van de mystieke opgang. Hieruit volgt evenwel, dat wij op dit ogenblik de aard van het extatische verschijnsel niet ten volle kunnen bevatten. Enkele uitdrukkingen als ‘enkelvoudig werk en enkelvoudig gezicht’ en de ‘enkelvoudige leegheid van de geest’ moet men thans voor lief nemen. Later bij de behandeling van de inkeer van de geestelijke vermogens, wanneer zij door beschouwing en vereniging terugneigen in het opperste van de geest, moet men terugdenken aan de wijze, (125) waarop het verstandelijke visioen, de vervoering en verrukking hier beschreven zijn. Ruusbroecs woorden zullen wij dan beter verstaan.

Als vierde buitengewoon verschijnsel noemde de meester het droomgezicht. Dat hierbij omzichtigheid geboden is, hoeft niet bepleit. Ruusbroecs eigen toelichting laat dat duidelijk verstaan. Het droomgezicht kan een mystiek verschijnsel zijn, mits zijn goddelijke karakter vaststaat. Dit betekent dat men zijn oorsprong moet trachten na te gaan. Het droomgezicht kan op fantasie berusten of door de duivel ingeblazen worden. Maar ook God kan het tot stand brengen of een engel in opdracht van God. Uit de geestelijke gesteltenis van de mens die het droomgezicht ontvangt, zal men dikwijls veel kunnen opmaken.
Sprekende over deze buitengewone verschijnselen spoort Ruusbroec in het algemeen tot grote behoedzaamheid aan. In de zomertijd van het jaar drupt er een valse zoetigheid van de bomen, de honingdauw. Dat gebeurt “op het midden van de dag, bij heldere zonneschijn, met grote druppels en is lastig van regen te onderscheiden”. De mens laat zich hierdoor gemakkelijk misleiden. Zo worden sommigen ook door de honingdauw door valse geestelijke zoetigheid bedrogen. Zij worden van hun zinnen beroofd en zien een licht, dat de vijand hen instort. In dit licht ontwaren ze allerlei beelden en vernemen ze velerlei woorden. Een zeker middel om zulk bedrog te ontmaskeren, is de norm van de waarheid. Goddelijke ingevingen kunnen niet indruisen tegen het klaarblijkelijke inzicht van de rede of tegen de openbaring van de Heilige Schrift. De echt mystieke mens zal zich door dergelijke valse voorspiegelingen niet zo makkelijk laten misleiden. Hij bezit een fijn-ontwikkeld vermogen, waarmede hij het ware van het valse onmiddellijk onderscheidt.

In zijn werken spreekt Ruusbroec terloops over de gave van tranen alsook over stigmatisatie. Tranen wellen op, wanneer de mens zich vereenzaamd voelt in dit aardse ballingsoord en smacht naar de vrijheid van het hemelse vaderland. Het besef gekluisterd te zijn aan de kerker van zijn lichaam, overstelpt hem tot wenens toe met droefheid. De tranenloop heeft zijn goede zijde. Hij verkoelt de hitte van het gemoed van de mens en stelt hem in staat om tegen de vaak te heftige onstuimigheid van de mystieke ontroering, tegen het verzengende vuur van de liefde, bestand te zijn. Over de stigmatisatie spreekt Ruusbroec slechts met een enkel woord. Hij geeft de mogelijkheid van deze uitzonderlijke begunstiging toe. De liefde tot de gekruisigde Jezus kan zó fel branden in het hart van de mens, hij kan zó heftig begeren naar de volkomen gelijkvormigheid, dat de geestelijke gevoelens uit goddelijke werking hun stoffelijke indrukken (126) achterlaten, de wondtekenen in zijde, handen en voeten. Het verschijnsel der stigmatisatie was ten tijde van Ruusbroec nog weinig bekend, hoewel Jacob van Maerlant Bonaventura's Leven van Sint Franciscus reeds vertaald had. Andere mystieke begeleidingsverschijnselen, als het omhoogzweven tijdens de vervoering, het verspreiden van licht en geur, de gave van wonderen, van bilocatie, van doorschouwing van het hart, worden door de meester niet genoemd. Ook de overige Nederlandse mystieken brengen deze dingen zelden ter sprake.
Dit feit wettigt een gewichtige conclusie. De Nederlandse mystieke schrijvers schenken weinig aandacht aan de z.g. bijkomstige, buitengewone mystieke verschijnselen. Zij concentreren zich ten volle op het wezenlijke, het gewone van de mystieke ervaring, het leven van God in de ziel, de heerlijke openbaring en mededeling van zijn liefde, de wonderlijke ontplooiing en bovenwonderlijke vervulling van zijn gaven. De Nederlandse mystiek is sober en doelbewust; zij vermijdt het sensationele en extravagante. Spreekt hierin wellicht het karakter van de nuchtere Nederlander? De welberekende zakelijkheid op een punt, dat vaak en niet immer ten onrechte de mystiek in discrediet heeft gebracht, strekt de Nederlandsen schrijvers tot ere en biedt ons een deugdelijk houvast.

De conclusie dat de Nederlandse mystiek naar zakelijkheid neigt, lijkt ons onaanvechtbaar, onder beding echter dat men haar voornamelijk betrekt op de leerstellige verkondiging. Immers bij hun persoonlijke ervaringen werden Nederlandse mystieken wel degelijk met buitengewone gaven en bijzondere voorrechten begunstigd. Dit weten wij uit de levensbeschrijving van de heiligen, alsook uit een reeks visioenen en extasen, die enkele begenadigden persoonlijk te boek stelden en van wie het mystieke gehalte onbetwistbaar vaststaat. Onder deze bevoorrechten nemen Hadewych, Hendrik Mande en Suster Bertken een zeer voorname plaats in.
De machtigste van visie en expressie zijn ongetwijfeld de gezichten van Hadewych. Deze uitzonderlijk begaafde en begunstigde vrouw heeft er een 14-tal beschreven. Deze visioenen getuigen van een ongeëvenaarde rijkdom en gedurfdheid in de stoffelijke uitbeelding. Dit neemt niet weg, dat ook het verstandelijk element op de voorgrond treedt en zelfs overheerst. Hadewych wil met visionnaire kracht niet alleen iets beschrijven, met diezelfde kracht wil zij ook iets leren. Zij tracht te verklaren hoe de mystieke liefde de ziel overmant en haar opvoert naar God. Dit is het thema dat zij telkens opnieuw bezingt. Soms wekt zij de indruk dat haar beschrijving als doel heeft persoonlijk gekoesterde denkbeelden, (127) misschien zelfs door anderen bestreden inzichten omtrent het mystieke leven, te rechtvaardigen. Deze didactische strekking doet echter geen afbreuk aan de onmiskenbare mystieke kracht van Hadewychs visioenen. Haar schouwen komt tot stand door de machtige bezieling van God.
In het 6e Visioen geeft Hadewych het verlangen te kennen te mogen weten, hoe God zich in liefde en genieting mededeelt aan de zielen, die zijn wil volmaakt vervullen. Zij wordt opgenomen in de geest en ziet een onmetelijke uitgestrektheid. Op die uitgestrektheid staat een troon en op die troon zetelt Iemand van zó hoge majesteit, dat wereldling noch hemeling Hem aanschouwen of begrijpen kan. Boven de zetel hangt een kroon, waarvan de wijdte al het bestaande omspant. Op deze wijze stelt Hadewych God voor in zijn oneindigheid, ondoorgrondelijkheid en alomtegenwoordigheid.
Voor de troon knielt een engel neer en spreekt voor Hadewych ten beste. De onbekende, alvermogende Heer toont zich genegen om aan haar verzoek te voldoen. Hij onthult zijn aanschijn en Hadewych schouwt daarin het gelaat en de gedaante van alle wezens. Zij begrijpt waarom sommigen verloren gaan, anderen behouden blijven, weer anderen de voortdurende verlatenheid van de minne gevoelen, ofschoon zij God standvastig dienen, weer anderen van jongs af uitverkoren zijn. Zij ontvangt een diepere kennis omtrent het wezen van God. Zij beseft ook, hoe zijn natuur louter liefde en genieting is.
Dan gaat het visioen over in een extase. Tot nu toe was Hadewych verheven in de geest, nu raakt zij buiten de geest. Men merke op hoe deze overgang geheel overeenstemt met het onderscheid tussen visioen en extase, dat Ruusbroec aangaf. Ook Ruusbroec spreekt over ‘in de geest’ en ‘boven de geest’. In vervoering opgenomen schouwt noch weet noch begrijpt Hadewych iets. Zij is verslonden in de genieting van Gods liefde. Als zij terugkeert in de geest, verneemt zij nog een laatste aanmaning van God, die haar tevens de zin van het visioen verklaart. Hierna komt zij weer tot zichzelf. Luisteren wij nu naar Hadewychs verhaal.

“Men vierde Driekoningen - naar mij gezegd werd, was ik toen 19 jaar oud. Toen leefde het verlangen in mij om nader te treden tot onze Heer. Want mij dreef de begeerte en de onstuimige hunkering om te weten, hoe God opneemt in zijn liefde en in zijn genieting verzwinden laat degenen, die zijn wil geheel en al volbrengen.
Het gebeurde nu op die dag, dat ik mij opnieuw in brandende liefde ontstoken voelde. En ik werd opgeheven in de geest en weggevoerd (128) naar een plaats waar mij een grootse, onafzienbare ruimte getoond werd. In die ruimte stond een troon en op die troon scheen Iemand gezeteld, die men niet zien en niet duiden kon, uit hoofde van de sublieme waardigheid die Hij op die troon bekleedde. Het tronen op die troon - geen schepsel in hemel of aarde kon het begrijpen. En boven die geweldige troon in die geweldige ruimte bemerkte ik een kroon, wier grootte alle kronen overtrof. Haar wijdte omspande alle dingen en buiten die bestond er niets.
Toen verscheen een engel met een brandend wierookvat. Geurige wierook dwarrelde er uit op. Hij knielde neer vlak voor de zetel, waar de kroon boven hing. En hij bewees Hem eer en zeide: “O onbekende Mogendheid en alvermogende, hoge Heer, aldus betuig ik U eerbiediging en ontzag uit naam van de vrouw, die U bezoeken komt op deze verborgen plek, welke onbekend is aan al degenen, die zulke brandende offerande gepaard aan een even vlammende begeerten tot U niet opzenden, gelijk zij U opstuurt met nieuwe, vurige jonkheid - men zegt dat ze haar 19e jaar voleind heeft. Zij is het Heer, die U in de geest bezoeken komt, begerig om te weten wie Gij zijt, vanwaar men U niet kent. Het verholen leven, dat Gij met brandende liefde in haar gesticht hebt, heeft haar hierheen geleid. Openbaar nu U Zelf, omdat Gij haar op deze plaats gebracht hebt en schenk haar Uw volle bezit.”

Toen hoorde ik, dat zich tot mij een stem verhief, schrikwekkend en te voren nooit vernomen. In een gelijkenis sprak zij tot mij en zei: “Zie wie Ik ben”. En ik ontwaarde Hem, die ik zocht. Zijn aanschijn onthulde zich met zulke klaarheid, dat ik daarin het aanschijn en de gedaante bespeurde van alle wezens, die ooit bestonden of zullen bestaan en waardoor Hem lof en dienst betoond wordt in alle rechtvaardigen. En ik verstond, waarom iedereen het hem toekomende verkrijgen zal in verwerping of in verkiezing en ieder de plaats zal innemen hem toebereid. Waarom sommigen van Hem wegdwalen en weer tot Hem terugkeren, edeler en schoner dan zij te voren gesierd waren. Waarom sommigen afdwalen en niet meer terugkeren. Waarom sommigen altijd van Hem schijnen weg te dolen, terwijl zij Hem nimmer verlieten en aldoor onversaagd bleven volharden, ook al waren zij geen uur getroost. Sommigen bewaarden hun plaats trouw van kindsbeen af en toonden zich die waardig en behielden haar daardoor ten einde toe.

In dat aanschijn ontwaarde ik alle dingen. In zijn rechterhand bespeurde ik de gaven van zijn zegeningen. De wijde hemel hielden zij ontsloten met allen, die daarin zullen wonen eeuwig met Hem. In zijn linkerhand bemerkte ik het zwaard met de ijselijke slag, waarmede Hij (129) alles neerslaat in de dood. Daarin zag ik de hel met heel haar eeuwige schaar. Ik zag zijn lengte, die alle dingen onderschraagde. Ik zag zijn begrensdheid, die zich boven alle ding uithief. Ik zag zijn verborgenheid, die alle ding omvatte en doordrong. Ik zag zijn wijdheid, die alle ding besloten hield. Ik vernam zijn inzichten en verstond die alle met het inzicht van mijn verstand. Ik ontdekte in zijn binnenste de algehele genieting van zijn Wezenheid in liefde. Ook al het overige, dat ik merkte, begreep ik in de geest.

Toen bekroop mij verwondering over al de rijkdom die ik aanschouwd had. Die verwondering voerde mij builen de geest, in wie ik tevoren geschouwd had al wat ik zocht. Terwijl ik zo overstelpt van geneugten met verwondering opblikte naar mijn Geliefde, die mij ontzag inboezemde, maar mij ook onzegbaar teder tegemoet trad, op dat ogenblik raakte ik buiten de geest en verloor uit het gezicht al wat ik in Hem aanschouwd had. Ik zonk weg in het binnenste van zijn Wezen, verzwonden in de genieting van zijn liefde. Ik bleef daarin verzwolgen, beroofd van zinnen en begrip, niets wetende, noch schouwende, noch vattende dan één te zijn met Hem en Hem te genieten. In die toestand bleef ik geen vol half uur.

Toen ontwaakte ik opnieuw in de geest en ik kende als te voren en verstond al wat geopenbaard werd. En andermaal verhief zich zijn stem en Hij sprak tot mij: “Van nu af zult ge niemand meer verwerpen of zalig prijzen buiten mijn believen. Ook zult ge ieder het verschuldigde doen toekomen overeenkomstig zijn waardigheid. Zie, zo geef Ik Mij in schouwen en genieten, en vereniging aan hen, die mij volkomen ter wille zijn. Ik, uw God en Mens, voer u thans weer terug naar de wereld, waar ge duizend wrede doden zult sterven. Totdat gij opnieuw hier terugkeert in de algehele genieting van mijn Wezen, in wiens diepste diepte gij gedoopt zijt.” Na dat woord kwam ik helaas weer tot mij zelf.”

In de visioenen van Hendrik Mande, een tijdgenoot van Gerlach Peters en evenals hij broeder van het Gemene Leven, overheerst het beeldende element. Bekend is zijn visioen van de Geboorte van onze Heer. Bij Mande is de mystieke inspiratie echter aanmerkelijk zwakker dan bij Hadewych. Soms schijnt die bezieling geheel te vervagen en dan vraagt men zich af of de gezichten van deze weinig oorspronkelijke schrijver niet tot een bepaald literair procédé behoren, waarvan in de Middeleeuwen dikwijls gebruik gemaakt werd - men denke b.v. aan de Legenden en Exempels. Het visioen verschijnt hier als letterkundige (130) vondst, welke dient om een gebeurtenis levendig te beschrijven en het vaak vreemde en onwaarschijnlijke voorval gezag te verlenen.
Tussen de visioenen van Hadewych en van Mande staat de extatische Kerstbeschrijving van Suster Bertken. Ook hier spreekt een sterk beeldend vermogen, maar de mystieke stuwing is onmiskenbaar. Dit visioen behelst daarnaast iets zeer bijzonders. Gelijk Hadewychs gezicht, zo bevat ook Bertkens beschrijving visioen én extase. Deze beide staan hier evenwel niet naast elkaar, zij grijpen in elkaar. Het visioen zelf is het verhaal van een extase, de extase, die Maria ervoer bij de geboorte van haar Kind. Die extase schouwt Suster Bertken en zij beschrijft dit gezicht zó bezield en zó nauwkeurig, dat men er niet aan twijfelen kan, of zij onderging zelf de vervoering die zij schouwde. Als visionnaire beschrijving van een extase is het verhaal van de Utrechtse recluse een enig monument in de mystieke literatuur, een autopsychisch bericht van onschatbare waarde. Men leert er uit, hoe de mystieken andere gunsten van die aard, b.v. de extatische visioenen van Jezus’ lijden, ondergingen.

Vooreerst zij de aandacht nog op iets anders gevestigd. In haar Kerstbeschrijving verhaalt Suster Bertken zeer minutieus de gebeurtenissen, die bij de geboorte van Jezus plaats vonden. Nu moet men bedenken dat een visioen - en heel voornamelijk een visioen van de verbeelding geen aanspraak maakt op historische betrouwbaarheid in de weergave van de feiten. Bijna steeds kan men aantonen, dat in het geschouwde motieven verwerkt zijn, ontleend aan literatuur of schilderkunst of ook aan mondelinge overlevering en plaatselijke gewoonten. Deze motieven zijn vermengd met gegevens van eigen vinding, - zoals ook Suster Bertken in menig opzicht zeer oorspronkelijk lijkt te zijn. De waarde van het visioen ligt niet in de uitbeelding van het historisch gebeuren, maar in de goddelijke begunstiging, de uitzonderlijke mystieke genade, welke er aan ten grondslag ligt. Wordt in een gezicht over verleden, heden of toekomst iets welbewust als waar of zeker medegedeeld, dan spreekt men beter van openbaring of profetie dan van visioen.
Onder de nauwkeurig beschreven gebeurtenissen, die bij de geboorte van onze Heer plaatsvonden, schaart Suster Bertken ook de vervoering van Maria. De beschrijving van deze extase beslaat het gewichtigste deel van haar visoen en wij zullen dit gedeelte voornamelijk aanhalen. Als Maria’s uur gekomen is, bespeurt zij de innige opwellingen van haar gevoelens. De zienster vergelijkt dit met het tokkelen op een harp of cither, naar wier strelende muziek men aandachtig luistert. De goddelijke aanrakingen doen Maria in zichzelf keren. Dit is de ‘eenheid van het hart’, de gevoelige liefde en invurige godsvrucht. (131)
Maria is met haar benedenste krachten verzonken in God. Zij is verheven ‘in de geest’ en verneemt stemmen van engelen, die haar zaligprijzen om haar uitverkiezing. Dit feit zou men als een literair gegeven kunnen opvatten, maar het lijkt verstandiger hier te denken aan het inwendige waarnemen van hemelse woorden - gelijk Ruusbroec dat hierboven vermeldde en waarvan hij verklaarde, dat dit verschijnsel door geesten veroorzaakt kan worden, zolang het langs zintuiglijke weg geschiedt. Zo moet men dit geestelijke horen uitleggen en hierbij weer achtgeven op de geleidelijke stijging en daling van de vervoering, langs de zinnen naar de geest en van de geest naar de zinnen.
Maria raakt in jubel en weeldigheid van het hart en brand van minne grijpt haar aan. Het licht en de gloed van de goddelijke liefde branden zó fel in haar gemoed, dat naast de ziel ook het lichaam de kracht hiervan ondervindt. Hitte verzengt Maria’s gevoelige krachten en zij straalt een glans van licht uit. Haar lichaam wasemt vocht uit en zij verspreidt een hemelse geur. Zij zweeft boven de aarde. Al deze buitengewone verschijnselen zijn bij extatische toestanden vaak waargenomen en met zekerheid vastgesteld. Zij pleiten voor de intensiteit en waarachtigheid van Suster Bertken’s visioen.
De vervoering stijgt immer en grijpt nu Maria’s geestelijke krachten aan. Goddelijk licht overstraalt haar verstand en in dit licht schouwt zij geheimvolle goddelijke zaken. Totdat zij ‘buiten de geest’ geraakt. In roerloze stilte zinkt zij neer, verzwonden in goddelijke genieting. Haar eigen geestelijke werking staakt. Zij bereikt de sublieme rust van de mystieke vereniging.
Terwijl de Moeder van God aldus in hoogste vervoering geheven is, baart zij ongehinderd en ongedeerd haar Kind, dat de engelen opnemen, aanbidden en neerleggen op de hoofddoek, die zij aan de voeten van Maria hebben uitgespreid. De hemelse geesten zetten ook de gezegende Moeder neer op de grond. Zij is nog steeds in extase verzonken, maar keert weer in de geest, want zij verneemt opnieuw de lofprijzingen van de engelen. Nu laat het pas geboren Kindje een zacht klagend geluid horen. Door de klank van zijn stemmetje komt Maria aanstonds tot zichzelf. Zij knielt neer voor haar Zoon en aanbidt Hem met innig-dankbare verrukking. Deze laatste, fijngevoelde details behoren mede tot de schoonste momenten van Suster Bertken's extatisch Kerstvisioen.

“Toen de ure genaderd was, waarop Jezus - waarachtig God en waarachtig Mens - ter wereld zou komen, toen gevoelde de Moeder van Jezus, hoe ongewoon innige aandoeningen in haar opwelden. Het geleek op het (132) spel van allerlei snaarinstrumenten, van harpen, die met zulke vaardigheid bespeeld werden, dat het gemoed waarin hun muziek weerklonk tot grote innigheid en blijde jubel bewogen werd, in die mate, dat alle de neigingen van het hart er zich toe spitsten, om het geluid van die strelende melodieën zo nauwlettend mogelijk in zich op te nemen.
Op die wijze was Maria, de Moeder van Jezus, van binnen bewogen en tot zichzelf gekeerd, toen de tijd van de geboorte gekomen was. Zodra zij de hemelse stijgingen van haar gevoelens begon te bespeuren, vertederingen die opjubelde tot God, en haastig knielde ze neer op de grond, in diepe ootmoed, het gelaat naar het Oosten gewend. Zij vouwde heur heilige handen samen en gaarde ook van binnen al haar krachten bijeen. Zo gaf ze te verstaan, dat zij zich gewillig aanbood tot het wonderlijke werk, dat God door haar verrichten wilde.
Terwijl zij zo in vervoering raakte, omgaven haar talrijke scharen van engelen, die verheven hemelse samenspraken met haar hielden... Zij prezen haar, omdat zij door God almachtig van eeuwigheid zo hoog gemind en uitverkoren was, dat in de hoge, diepe, eeuwige, enige, verborgen raad van de Heilige Drievuldigheid vanaf het begin besloten was, dat zij zo hoog en diep gevestigd zou staan in de liefdeverening met God, dat zij uit verkiezing van de genade het eeuwige wezen van de Godheid en de hogen luister van de Heilige Drievuldigheid met ongemene wijsheid en vereendheid als haar zaligheid genieten zou. Zij prezen haar ook hooglijk, met diep ontzag, omdat van het begin af aan in diezelfde raad besloten was, dat zij de Moeder wezen zou van de eeuwige, enige Zoon van de eeuwige Vader, God almachtig...

Toen al deze hoge lofprijzingen verkond waren, met zo overstelpende blijdschap en vreugde, dat Maria er door in wonderlijke verrukking raakte... en de goddelijke stralen met kracht van haar uitstraalde tot vlak bij het hart en zij verhit begon te worden en als doorschijnend, toen stond zij haastig weer op en ontkleedde zich van het hoofd tot de voeten, uitgenomen het onderkleed, dat zij op het lijf droeg.
Zo stond zij daar, de glorieuze Moeder, van binnen stralende, met glanzende, wisselende klaarheid, klaarder en immer nog klaarder en heel heur teder lichaam wasemde vocht uit, alsof er dauw op haar gevallen was en zij verspreidde zo zoete geur, dat die reuk met niets welriekends te vergelijken is, dat hier op aarde te vinden is. Die vochtigheid werd niet met moeite en geweld uit haar broos lichaam geperst, maar vloeide er vrijelijk uit door de overmaat van de geneugten. Want zij was niet alleen zonder smart, maar vervuld van hemelse vreugde.
Zo zweefde zij verheven van de aarde, omgeven door talloze engelen, (133) die haar ten dienste stonde. Ze behoorden tot de drie hoogste koren. En de dauw wasemde zo glanzend van heur tedere gestalte, dat het scheen alsof een helder-blinkende wolk haar omhulde. Hierdoor braken de stralen van het goddelijke licht, waarmee zij van binnen vol schittering was. En het leek, alsof die klaarheid in pijlen uiteenviel. Zo schoten uit de haren van heur hoofd en uit heel heur lichaam ontelbare schichten van licht, stralen van de hoge goddelijke klaarheid. Hierin aanschouwde men haar niet als aards en menselijk, maar als hemels en goddelijk.
De jubeling steeg bij haar nu zo hoog en zij straalde zo vol luister, dat geen mens bij machte is te beseffen de blijdschap, die haar in deze glorie ten deel viel. Van de ene hemelse genieting steeg zij op in de andere. Zo werd zij al jubelende in verrukking opgevoerd en binnengeleid tot in het hoogste en diepste, waar zij smaakte wat geen mens ooit bevroede kan.
Nu gestegen tot het hoogste van haar vervoering, zo vernam ze, neerzinkende in de geheimvolle, roerloze stilte van heur geest, onnaspeurbare en ondoorgrondelijke dingen, die God haar onthulde. Vreugde overstelpte haar zo mateloos veel, dat de jubeling, welke zij aldoor ervoer, luwde en tot bedaren kwam.
Toen zij dan ten slotte in een roerloze rust en een wonderlijke vrede verzonken lag - in de geest nog immer ten hoogste vervoerd, toen baarde de Moeder van God heur Zoon, zonder hinder of letsel, zo snel als een pijl door de lucht vliegt. Zoals de pijl door de lucht niet gestuit of belemmerd wordt en de lucht van de pijl geen letsel bekomt, zo kwam de Zoon van God ongehinderd ter wereld en de Moeder Gods bleef ongedeerd. De glorieuze Moeder van God gevoelde zich zo hemels en goddelijk en uit goddelijke beschikking naar lichaam en ziel zo hemels te moede, dat er niets was, dat de snelle voortkomst of de geboorte van onze Heer in de weg stond. Alles daarentegen was met zo hoge luister en volkomenheid uitgerust en toebereid tot dienstbetoon aan God, zoals dat betaamde ten aanzien van zijn goddelijke waardigheid.
Hierna werd de Moeder van God, terwijl zij nog immer in zalige rust verzonken was, met engelenhand heel behoedzaam en eerbiedig nedergezet op de aarde, op de kleren, waarvan zij zich ontdaan had. Haar hoofddoek spreidden zij voor heur voeten uit op de grond. De engelen, die haar bijstonden, zongen zo zoet en jubelden zo opgetogen, hun lofzang was zo verrukkelijk schoon, dat geen mens op aarde dit bevatten of beschrijven kan.
Toen werd het zoete Kind Jezus zeer eerbiedig aan zijn gebenedijde Moeder getoond en neergelegd op de hoofddoek, die vóór haar voeten (134) op de grond gespreid lag. De engelen bleven daar omheen staan, samen in een kring.
Zodra het zoete Kind Jezus neerlag op de grond, stiet zijn lief stemmetje een zacht-klagend geschrei uit. Want het zoete Kind Jezus wilde Zelf zijn Moeder wekken uit haar rust en zo tot de aanschouwing van zijn lieflijke, tedere mensheid brengen. Als nu de Moeder van Jezus een fijn stemmetje hoorde, dat menselijk geluid voortbracht, kwam zij dadelijk tot bezinning. Zij sloeg heur heilige ogen ter aarde neer en zag haar lieve Zoon, onzen Heer, vóór zich liggen. Door de aanblik van heur zoete Kind Jezus raakte zij opnieuw van vreugde zo vervuld, haar hart jubelde zo opgetogen, dat de melodie van dit gezang iedere bevatting van de zinnen te boven gaat. Haastig, met diepe ootmoed en innige blijdschap, wierp zij zich op heur heilige knieën voor haar beminde Zoon Jezus neer en werd indachtig, hoe hoog zij van eeuwigheid bemind en uitverkoren was door God de Vader, die in zijn grondeloze goedheid zich gewaardigd had, in haar uit te storten de sublieme, verholen rijkdommen van zijn Godheid...” (135)

terug naar de Inhoud

5. Strijd van de minne
Als een noden en nopen, een eisen en vorderen, een drijven en jagen - zo ervaart de mens het eerste mystieke ingrijpen van God in zijn gevoelige krachten. Van dit verschijnsel gaf Ruusbroec de betekenis. Het hield verband met de inkeer in de eenheid van het hart. Dit vereiste, dat de benedenste vermogens van de mens “gezuiverd, versierd, ontvlamd en naar binnen getrokken worden”. Hiertoe “drijft en jaagt Christus de mens gevoelig van binnen, trekt hem met alle krachten omhoog naar de hemel en eist dat hij eenheid verkrijgt met God”. Het omhoogtrekken betekent, dat de krachten inwaarts getrokken worden naar het hart, naar God, die verborgen woont in het heiligdom van de ziel. Over het jagen en drijven zegt Ruusbroec verder: “Het geeft en het neemt. Het maakt rijk en arm, zalig en bedroefd. Het doet hopen en wanhopen. Het geeft hitte en koude. De gaven en werken die in scherpe tegenstelling hier te voorschijn trede, zijn onzegbaar in elke taal”.
Met deze laatste woorden duidt Ruusbroec aan, dat de mystieke ervaring in de eerste fase van het Inkerende Leven met heftige gemoedsaandoeningen tot het bewustzijn treedt. Zo getuigen de feiten inderdaad. Onstuimigheid en verscheidenheid van de gevoelens kenmerken de jonkheid van het mystieke gebeuren en gedurende de gehele tijdsspanne van de inkeer van het hart houdt dit verschijnsel aan. De meest uiteenlopende emoties bekruipen het gemoed van de mens. In diepste verlatenheid zinkt hij neer en hij klimt op tot hoogste verrukking.
Ook de niet-mystieke mens bevindt zich bij tijden in geestelijke verlatenheid en druk. De innigheid en vurigheid, waarmede hij zich blij tot God verhief, maakt plaats voor loomheid, onmacht en eenzaamheid. Dan voelt hij zich gevangen in de beklemmende leegte van zichzelf. Diezelfde beproeving ondergingen de mystieken, alleen onvergelijkelijk smartelijker. Hun verlangen naar God popelde feller, hun liefde brandde vuriger, zij smaakten reeds ten dele de vervulling van hun begeren. Van de dingen dezer wereld hebben zij zich radicaler afgewend. God is hun hoop, hun toeverlaat. Nu voelen zij zich ook door Hem verlaten en zweven als het ware tussen hemel en aarde.

De smart van deze beproeving verhaalt Ruusbroec bij de vierde en laatste komst van Christus boven het hoogland van de ziel. De zon is hier van de Leeuw in de Maagd getreden. Dit wil zeggen, dat zij haar hoogtepunt (136) bereikt heeft en nu begint te dalen. Zeker, de oogst is gerijpt. Het koren staat in schoven gegaard op de akker en is weldra veilig binnengehaald. Maar in deze tijd is het werk van de zon volbracht. Haar gloed gaat nu minderen. Zo verbergt ook Christus zijn goddelijke stralen.

“Hetzelfde geschiedt, wanneer de glorievolle Zon Christus in het hart van de mens tot op het hoogste is gestegen -gelijk ik in de derde manier verklaarde en van nu af begint te dalen. En wanneer Hij dan het binnenschijnen van zijn goddelijke stralen gaat bedekken en de mens schijnt te verlaten, dan beginnen ook de hitte en de ongedurigheid van liefde te verflauwen. Dat Christus zich aldus verbergt en het binnenschijnen van zijn licht en van zijn gloed weer intrekt, zie, zo openbaart zich ook het eerste werk en de nieuwe komst op deze wijze. Nu spreekt Christus geestelijk in die mens: “Ga uit naar de wijze, die Ik u nu vertoon”.
Dan treedt de mens naar buiten en vindt zich arm, ellendig en verlaten. Nu verkoelen storm en brand en alle ongeduur van minne en van de hete zomer komt men in de herfst en van rijke overvloed in bittere armoe. Dan begint de mens te klagen over zichzelf en vraagt zich jammerlijk af, waar de hitte van minne, de geneugten van innigheid, dankzegging en lofprijzing toch gebleven zijn? Waarom inwendige troost, de vreugde van het hart en de gevoelige genieting hem nu ontnomen werden? Waarom sterke brand van minne en alle gaven, die hij ooit gevoelde, zo geheel en al in hem gedoofd zijn? Nu staat hij daar als een onmondige man, die kost en arbeid heeft verloren. En om het derven van zoveel gaven komt er vaak onrust in het hart.
Die arme lieden worden soms ook van aardse goed beroofd, van vrienden en verwanten en in de steek gelaten door alle mensen... En dikwijls vallen zij in allerhande ziekten en kwalen, of ook in lichamelijke bekoringen of geestelijke kwellingen - en het laatste is het ergste van al.”

Zo beschrijft Ruusbroec de beproeving van de verlatenheid. Hier is het goed op het strikt mystieke karakter van deze kwelling te wijzen. Zoals God de ziel met vertroosting en vreugde overlaadt, zo dompelt Hij haar in benardheid en beklemming van het hart. Door een geheimvol ingrijpen wekt Hij eenzaamheid in het gemoed, leegheid, droefheid, heimwee naar het verloren goed, zwakheid en het besef van onvermogen. Het gebeurt ook, dat Hij niet Zelf beproeft, maar allerlei kwellingen toelaat. De ziel voelt zich getart door het plagen van de duivel, heen en (137) weer geslingerd door angsten en twijfels, getroffen door tijdelijke slagen. Al die bezoekingen ondergaat de zo vaak bevoorrechte mens als een onzegbaar lijden. Even zeker echter als God dit lijden instort of toelaat, even stellig vervolgt Hij hiermee zijn bedoeling. Hij wil de ziel louteren, verdeemoedigen, onthechten aan de laatste rest van eigenliefde, aan het genot van de vertroosting. Hij kan de smart van de verlatenheid geven als berisping voor mogelijke fouten of gebreken. Het oog van God ziet streng. Misschien ook om na de emoties van de genieting het lichaam rust en herstel te gunnen. In elk geval beoogt Hij het bedwingen, plooien, oprichten, het vurig en gewillig maken van de gevoelige krachten. Zo verkrijgt de mens de eenheid van het hart. Aldus beschouwd is de tijd van de verlatenheid een zeer vruchtbare fase, toetssteen van ware volmaaktheid. Immers de volkomenheid ligt niet in het genot van de vertroosting, maar in de vaardigheid van de wil, die omhoogstreeft naar God. Ruusbroec verklaart dit laatste zo schoon.

“Dan zal de mens met ootmoedig hart bedenken, dat hij uit zichzelf niets dan gebrekkigheid bezit. En met geduld en gelatenheid zal hij getuigen dat de heilige man Job beleed: “God heeft gegeven, God heeft genomen. Gelijk het de Heer behaagde, zo is het geschied. De naam des Heren zij geprezen” (Job 1:26). Zo zal hij alle eigen verlangens met voeten treden en spreken het woord, dat hij van harte meent: “Heer, even lief wil ik arm zijn aan alles, waarvan ik ben beroofd, als rijk, mits Gij het wilt en het U tot lof strekt. Heer, niet mijn wil overeenkomstig het verlangen van de natuur, neen, Heer, maar Uw wil en mijn wil naar het inzicht van de geest, geschiede. Want U behoor ik toe en zo het U tot eer strekt, is het mij om het even of ik in de hel of in de hemel ben. Heer, voltrek in mij het verheven werk van al Uw deugden”.
Zo zal iemand van zijn verlatenheid een geestelijke vreugde maken. En hij zal zich offeren in de handen van God, verblijd dat hij tot diens eer mag lijden. Doet de mens dit zo goed hij kan, dan smaakte hij nooit inniger vreugde. Want de minnaar Gods kan niets behaaglijker zijn dan het besef geheel van zijn Lief te zijn. En is hij zo de rechte weg van de deugden opgegaan tot in deze wijze, ook al verkreeg hij niet al die manieren, die hier te voren zijn getoond, dan zal hem dit niet deren, daar hij de grond van de deugden in zich gevoelt, dat is ootmoedige gehoorzaamheid in werken en geduldige gelatenheid in lijden. Uit die twee bestaat deze wijze met eeuwige gewisheid.” (138)
Even onverklaarbaar, even onverhoeds als de mens de smart van de verlatenheid overviel, overrompelt hem de geneugte van de vertroosting. Wij hoorden Ruusbroec reeds spreken over innigheid, weeldigheid, over de wonden van het hart en de brand van de minne. “Innige liefdebrand eet het hart van de mens en drinkt zijn bloed.” Hier klonk voor het eerst het geheimzinnige woord van de Nederlandse mystieken, de ‘orewoet’, de ‘furor amoris’, de storm, de brand van de minne. Het machtige, het felle, het overweldigende, het onuitsprekelijke, dat de ziel ervaart, als de brand van de minne in haar losslaat, heeft naast Ruusbroec ook Beatrijs van Nazareth in gloedvolle taal beschreven. In de vijfde manier van minnen biedt zij dit aangrijpend verhaal.

“In de vijfde manier ervaart die ziel bij tijde, hoe minne onstuimig aanzwelt in het gemoed en als een stormwind opsteekt met heftig gedruis en machtige ontroering, alsof zij het hart ging breken met geweld en het buiten zichzelf rukken in beoefenen van minne en in genieten van minne. Dan dringt haar het verlangen van de minne, om te volbrengen hoge en zuivere werken van de minne en te voldoen aan de menigvuldige eisen van de minne. Of zij popelt van begeren om te rusten in de zoete omhelzing van minne en te genieten de zo verlokkelijke streling en koestering van haar bezit, zodat hart en zinnen gespannen staan, vurig hunkerende, gestadig zoekende en naarstig zich beijverende.
Als dit begeren zich in haar roert, dan voelt zij zich zo kloek van geest, zo wereldwijd van hart, zoveel sterker in lichaamskracht, zoveel ijveriger in werkzaamheid en zoveel bedrijviger van buiten en van binnen, dat zij van louter energie en actie geladen schijnt te zijn, ook al bleef het lichaam ondertussen in rust. En telkens bespeurt zij machtige optrekkingen van binnen en heftige bevangenheid van minne en jagende ongedurigheid in het begeren en velerlei wee van schrijnende onvoldaanheid. Zij gevoelt dit leed door de onstuimige aandoeningen van de minne zelf, zonder te weten hoe het komt, tenzij het kwam van het ongewoon felle smachten en hunkeren van de minne, of uit onbevredigdheid vanwege het niet ten volle bezitten.
En soms wakkert minne zo mateloos aan en breekt zo overrompelend naar buiten - als zij zo wild en zo ontembaar losstormt in het gemoed, dat de ziel op vele plekken gewond lijkt te raken in het hart en die wonden dagelijks toenemen door het brandende wee en de telkens hernieuwde komst van de Heer. Dan schijnen al haar aderen te scheuren, het bloed te verzieden, het merg te verkwijnen, het gebeente te verzengen, (139) de borst te verbranden, de keel te verdrogen, zo verschrikkelijk, dat door de hitte van binnen gelaat en ledematen gloeien. Dit heet stormbrand van minne. En de ziel bemerkt, hoe er schichten opflitsen uit het hart tot in de keel, als ging zij haar zinnen verliezen. En gelijk een verslindend vuur al wat het kan bemachtigen, naar zich toe sleept en opslokt, zo bemerkt zij, dat laaiende brand van minne in haar woedt, die meedogenloos en mateloos alles tot zich sleurt en opslurpt.
Dit branden knelt en kwetst onzeglijk het gemoed en het hart verzwakt, het merg teert weg, maar de ziel voelt zich gesterkt, de minne gekoesterd, de geest vervoerd.
En heftigheid en smartelijkheid van minne zijn zo vervaarlijk, dat zij elk begrip en ieders macht te boven gaan. En hierom begeert de ziel somtijds de band van de minne te verbreken, zonder evenwel de eenheid met de minne te verstoren. Maar de kluister van de minne houdt haar zó omkneld, de overmacht van de minne haar zó bedwongen, dat zij niet kan handelen naar inzicht, noch overleggen met aandacht, noch zich ontzien met berekening, noch rustig blijven naar de eis van de verstandigheid. Immers, hoe meer haar van boven gegeven wordt, hoe vuriger zij haakt en hunkert. En hoe meer haar wordt medegedeeld, hoe feller haar de begeerte dringt om nader te komen tot het licht van de waarheid, van de zuiverheid, van de adellijkheid en van de zaligheid van de minne. En altijd wordt zij meer en meer geprikkeld en aangevuurd en nimmer bevredigd of tot rust gebracht. Juist wat haar het gruwzaamste pijnigt en foltert, heelt en lenigt haar het meest. En wat haar het diepste verwondt, schenkt haar het zaligste herstel.”

De vroegere beschrijving van Ruusbroec en het hier geboden relaas van Beatrijs van Nazareth leggen wij thans naast elkaar. Hieruit blijkt overduidelijk, dat de mystieke minne in deze eerste, gevoelige fase van het Inkerende Leven niet één, maar een complex van aandoeningen omvat. De verscheidenheid van deze gevoelens zullen wij trachten te ontleden, ze splitsend in de aandoeningen van de ziel en die van het lichaam.
Onder aanraking van de mystieke minne voelt de ziel vreugde opwellen in het gemoed, ongekende blijdschap, overstelpende zaligheid. Dan drijft en nijpt haar het felle verlangen om aan de eisen van de liefde te voldoen, om zich te geven geheel en al aan haar werken. Zij begeert ook de liefde ten volle te bezitten. Maar zij bemerkt, dat ze de eisen van de liefde niet kan vervullen, noch haar genieting ten volle bereiken. Dit wekt onvoldaanheid en onbevredigdheid, schrijnend leed en brandende kwelling (140) De ziel gevoelt kwetsing door minne. Met deze bijna ondraaglijke smart is de liefde echter niet verzadigd. Zij zwelt aan, heftig, onstuimig, adembenemend. De ziel voelt een jachtige, driftige ongedurigheid in haar losbarsten. Zij smacht, gelijk een hert dorst naar het verfrissende water. Dit is het hijgende hunkeren van de minne naar de minne. Die smachting breekt los als een storm, als een brand, als een laaiend vuur. In zo’n brand kan geen schepsel verkwikking bieden. De ziel kan niet overleggen met het verstand, geen besluit nemen met de wil, zij kan zich niet sparen of ontzien: zij is één laaiende, zengende gloed. Wel rijst in haar het verlangen om te lijden, om alles te verduren, ten einde te verkrijgen wat zij zo brandend begeert. Maar ook om het ondraaglijke van de gloed die haar verteert, wenst zij soms te ontsnappen aan de smartelijke omklemming van de minne. De eenheid met de minne, de vereniging met God, wil zij evenwel tegen geen prijs verliezen. Ondanks de heftigheid van de ontroeringen voelt zij zich naar de geest gesterkt, getroost, verkwikt.

Ook het lichaam heeft zijn aandeel in dit bewogen spel van de minne. Breekt de vreugde los in het gemoed, dan voelt het zich sterk, kloek, tot iedere dienst in staat. Maar de jubel grijpt machtig aan, zó machtig, dat het lichaam de heftigheid van de emoties niet kan weerstaan. Dan lijkt het, alsof het harte openbreekt en alle aderen openscheuren om nimmermeer te sluiten. Ook de smart van de onvoldaanheid heeft haar terugslag op het lichaam. Het is alsof een vlijmscherp zwaard het hart verwond met duizend wonden. De pijn verergert bij elke nieuwe aanstorming van de minne. Als minnebrand de ziel verzengt, dan staat het lichaam werkelijk in blakende gloed. De hitte brandt op het gelaat, de lichaamskrachten lijken te verdrogen, te verschroeien, te verteren. De mens bezwijkt van hete koorts, raakt dikwijls buiten zinnen. De intensiteit van deze aandoeningen vergt veel van het menselijke weerstandsvermogen. Luwt echter de storm, dan voelt het lichaam zich vaak geheeld en gesterkt, als bij wonder.
Zo ondergaat de mens in zijn benedenste krachten het trekken, jagen en branden van God. Zo zinkt hij weg in de eenheid van het hart, waar hij onder aandrift van de liefde God ontmoet. Zo ervaart hij de gevoelige liefde bij de aanvang van het Inkerende Leven. Vreugde en smart, wonderlijk vermengd in de manhaftige strijd om het voldongen bezit van de liefde.

Omtrent het midden van de Middeleeuwen kwamen uit de Provence de troubadours van het wereldse minnelied, de zangers van hoofse en kuise (141) riddereer in dienst van de minne. Uit deze rij treedt een vrouw naar voren, befaamd om haar vertolking van de geestelijke minne. Hadewych is deze hartstochtelijke troubadour. De dienst van de minne, zijn hoge rechten en straffe plichten, zijn overstelpende vreugde en kwellende smart, zijn hunkerende verlangen naar het volkomen bezit, zijn jachtende onvoldaanheid om het beklemmende gemis, zijn kwetsing van het hart, zijn brand van de minne, zijn wonderlijke veradellijking van de ziel, zijn vurige liefde tot Christus, zijn ganse overgave aan God - dit alles heeft zij onvermoeid bezongen, met eindeloze verscheidenheid en toch strenge eenheid in de gedachten, gevoelens en beelden, die bij haar oprijzen en welke zij met meesterschap vertolkt. In de Strophische Gedichten uit zij haar bezieling in zeer kunstigen dichtvorm. Het zijn verzen van ingewikkelde structuur, met vernuftige rijm- en rhythmeschema’s en vaak lastig te verstaan, een dichttrant, die zij niettemin ten volle beheerst en die geen beletsel vormt voor haar zwierige, gloedvolle inspiratie. Slechts naar één van deze 45 sublieme gedichten kunnen wij luisteren. Het is het 5e lied, een gezang, waarin zij de minnende ziel oproept “zoet en wreed, lief en leed” van de minne kloekmoedig te dragen.

“Al zijn de vogelen met droefheid bevangen,
Zo mogen niet zijn de harten van diep verlangen
en die van de liefde pijn wil ontvangen;
Hij zal weten en kennen al:
- Zoet en wreed, Lief en leed -
Wat men om haar verduren zal.

De fieren, die daartoe zijn gestegen,
Dat zij in onverzade minne bewegen,
Zij zullen tegen haar op alle wegen
Stout zijn en koen
en bereid om al te doorstaan,
Het troosten, het slaan
en al wat de minne zal doen.

In liefde bewegen is iets ongehoord,
en die het beproefde zal met dit woord
Instemmen: hoe zij de troost vermoordt;
Och, niets kan duren: (142)
Die de liefde raakt,
Doorproeft en smaakt
Vele onnoembare uren.

Bij wijlen heet, bij wijlen koud,
Bij wijlen bang, bij wijlen stout,
Haar ongeduur is menigvoud;
De minne vermaant:
“Uw schuld beschouwt
en ’t grote woud
Van mijn rijk doorgaat!”

Soms is ze lief, soms is ze leed,
Soms is ze ver en soms gereed,
Maar die de trouw van de liefde weet,
Dat is jubileren:
Eén greep, één kreet,
Eén omzwaai, hij gleed
In liefs hanteren.

Bij wijlen genederd, bij wijlen omhoog,
Bij wijlen verborgen, bij wijlen voor ’t oog
Getoond, maar eer Gods glans op hem woog,
Doorstaat hij groot avontuur,
Eer hij geraakt
Waar hij doorsmaakt
Der liefde natuur.

Bij wijlen licht, bij wijlen zwaar,
Bij wijlen donker, bij wijlen klaar,
In vrije vertroosting, in angstdwang vervaard,
In nemen en in geven
Moeten die willen
Omdolen in minne
Altijd hier leven.”

Een geheel ander taal spreekt Hadewych in de Brieven. Hier is niet de dichteres aan het woord, die in kunstigen, soms gekunstelde trant haar gevoelens uit, maar de vrouw die zich richt van hart tot hart.
Hadewych toont zich hier, gelijk zij werkelijk was: de diep-gekwelde (143) vrouw, die de zaligste geneugte en de schrijnendste smart van de liefde geproefd heeft. In dit verband durf ik van een ontgoocheling in Hadewych's opgang naar God gewagen, omdat de smart om het derven van de minne, het hongeren en dorsten naar haar komst, het heimwee, opwellende uit de herinnering aan eenmaal ontvangen gunsten, in het literaire werk van deze vrouw, speciaal in de Brieven, zeer kennelijk de boventoon voert. De strijd van de minne mag nochtans slechts overgang vormen in het mystieke leven, een fase, die de weg bereidt naar hogere gunsten, naar gaven van meer geestelijke en blijvende aard. Die
teleurstelling doet geen afbreuk aan de waarde van de Brieven, die om het persoonlijke accent zo bij uitstek boeiend en leerrijk zijn. Zij bevatten het edelste dat Hadewych schreef.

Uit de 2e Brief halen wij een passage aan. Zij behelst geen lyrische ontboezeming over het genot of het verdriet van de minne, maar een leerzame samenvatting van haar dagelijkse plichten: “Dient scone”, roept Hadewych tot haar jeugdige vriendin, “Dien ridderlijk”en zij verklaart waarin deze ridderlijke dienst van de minne bestaat. Hoe de minne en de minne alleen drijfveer van handel en wandel van de mens mag zijn. Want de minne is het verlangen naar God, het bezitten van God. De minne is uiteindelijk de Liefde, die God Zelf is. Men zal verbaasd staan over het tedere, het vurige, het menselijke, het voor alle tijde geldende van Hadewychs leer over de schone dienst van de minne.

“Geef acht op je zelf en leef in vrede met je omgeving. Doe het goede in elke omstandigheid, maar bekommer je daarbij om geen loon of om geen behoud of verwerping, om geen zaligheid of torment.
Neen, doe en laat alles om de eer van de minne! Gedraag je zo en je zult spoedig de zege bevechten. En al schelden de mensen dit als dwaas: er schuilt veel waars in wat ik zeg.
Wees vriendelijk en hulpvaardig voor allen die een beroep op je doen. Stel iedereen tevreden, mits dat mogelijk is zonder geestelijk nadeel voor je zelf. Wees blij met de blijde, bedroefd met de bedroefde, geduldig voor wie je bijstand behoeven. Omring de zieken met hartelijke koestering, toon je mild voor de armen - en blijf met God één in de geest boven elk schepsel. Zeker, als je te allen tijde wilt handelen zo goed je vermoogt, dan zal de natuur dikwijls te kort schieten. Verlaat je dan op de mildheid van God: zijn goedheid overtreft verre jouw falen! Leg je onverpoosd toe op hechte deugd, in vertrouwen op Hem. En wees er voortdurend op bedacht, om zonder je te ontzien altijd te handelen naar de ingeving van onze Heer en overeenkomstig zijn (144) allerliefsten wil, in alles waarin je met naarstig, met nauwlettend acht geven op je gedachten om je zelf steeds te kennen, Hém herkent...
Je bent nog jong en in veel moet je nog tot rijpheid wassen. Daarom, als je de weg van de minne wilt begaan, schaft het je meer nut om inspanning van je te vergen en je moeite te getroosten de minne ter eer, dan dat je haar zoetheid wenst te genieten. Want je moet de minne dienen als iemand die immer hoofs in haar dienst wil staan. Dit vereist, dat je eer noch schande ontvliedt, noch plaag op aarde of in de hel, indien je hierdoor zoudt verkrijgen, dat je de minne waardig dient, door je om haarentwil toe te leggen op de getijden, op de regels, op heel je dienstbetoon, zonder naar rust te verlangen of je verpozing te gunnen. En zou het toch gebeuren dat je voldoening vond in iets, wat het ook moge zijn, dat minder ware dan God, te weten Hem, aan wie je in eenheid en genieting zult toebehoren, dan moet je dit gaarne weer prijsgeven, totdat het ogenblik komt, waarop God je met de glans van zijn Wezen overstraalt en je de kracht geeft om de minne te beoefenen en te genieten naar haar werkelijke aard, waar zij zichzelf minne is en hiermee zichzelf genoeg.
Dien ridderlijk en begeer verder niets en ducht verder niets en laat minne door minne onbelemmerd gedijen! Want minne beloont ten leste zichzelf, al laat zij vaak lang op zich wachten. Bij geen weifeling, bij geen benauwing zul je nalaten het volmaakte te betrachten, bij geen tegenslag zul je duchten, dat je niet eenmaal de overwinning zult bevechten bij God. Dit mag je nimmer in twijfel trekken, noch hier geloof hechten aan mensen of heiligen of engelen, ook al zouden wonderen hun mening staven. Want van jongs af ben je geroepen en je ervaart soms ook in je hart, dat God je heeft verkoren en begonnen is je met zijn kracht en zijn bijstand te steunen.
Geef je hierom zo volkomen aan Hem over, dat Hij je heiliging kan voltooien. Wens nimmer, dat een mens je toeverlaat zij, in de hemel niet en niet op aarde, al was hij ook tot iets dergelijks bij machte. Vertrouw op mijn woord: Gód draagt je in de palm van zijn hand. En niet langer met weifelende vrees, maar met onwrikbaar vertrouwen moet je er naar verlangen en er naar trachten, dat Hij je in alles ondersteunt.” (145)

terug naar de Inhoud

6. Mystiek bruidschap
Wie menen zou, dat in de fase van de gevoelige liefde de persoon van Jezus Christus aan belangstelling inboet, bedriegt zich. Bij de behandeling van het Werkende Leven voorzegde wij reeds: De mystieke weg voert langs Christus en diens kruis. Welnu, de ervaring van de bevoorrechten bij de beklimming van het Inkerende Leven bevestigt deze uitspraak ten volle. Hier trilt de zuiverste liefde tot de Heiland.
Ter aanduiding van de plaats welke de mystieken aan Christus toekennen, gedurende de fase van de inkeer van het hart, heeft de vrouw, wier gedachten en gevoelens over de minne zo juist weerklonken, wellicht de helderste formulering gevonden. De mystieke liefde eist dat wij de mensheid van Christus vereren en liefhebben ‘ter godheid.’ In het licht van Hadewychs leer staat het kernachtige woord ‘ter godheid’ slechts voor één betekenis open. De mystiek bewogen ziel voelt zich als van nature getrokken tot Christus. Jezus heeft zij hartstochtelijk lief. Zijn voorbeeld wil zij navolgen, zijn leven, lijden en sterven bewust en bezield in zich uitbeelden. De liefde tot de mensheid van onze Heer is echter begin, geen einde. De ziel voelt zich boven die mensheid uit geheven tot in de geheimen van de godheid, zonder de mensheid ooit geheel uit het oog te verliezen.
Hier zien wij nu het wonderlijke gebeuren, dat Christus de ziel in haar gevoelens van liefde begrijpt en haar tegemoet treedt met zijn gevoelens van liefde, gevoelens, die met de liefde van de begenadigde ziel allerzuiverst resoneren. Ook Christus’ hart is door minne bewogen. In enkele prachtige trekken laat Ruusbroec zien, hoe Christus de vier wijzen van zijn komst in het gevoelig ontstoken hart, Zelf beoefende en persoonlijk bezat. Ook Hij werd gedreven door innige liefde en invurige godsvrucht. Ook Hij smaakte de weeldigheid en de jubeling van het hart. Ook bij Hem laaide en zengde de felle brand van de minne. Ook Hij proefde de bittere smart van de verlatenheid. Ruusbroec vangt zijn beschouwing aan met de woorden: “Wij moeten wandelen in het licht, opdat wij niet dwalen en behoren op te zien naar Christus, die de vier wijzen ons geleerd heeft en ze het eerst beoefende. Christus, de klare zon, ging op in de hemel van de hoge Drievuldigheid en in de dageraad van zijn glorieuze Moeder, de maagd Maria”. Als mens gerezen in de dageraad van zijn Moeder, steeg Christus omhoog en schouwde aanstonds met hemelse klaarheid God. Zo bezat Hij de gehele rijkdom van het mystieke leven. (146) De ontmoeting tussen Christus en de ziel in de fase van de gevoelige mystieke liefde kan men het best met de naam Bruidschap betitelen. Christus Zelf heeft verklaard, dat Hij door zijn Menswording het gehele menselijke geslacht tot zijn Bruid verkoos. Door de genade zijn wij op geheimvolle wijze ledematen van zijn Lichaam en Hij koestert ons, naar het woord van Sint Paulus, als zijn eigen vlees. “Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw bemint, heeft zichzelf lief. Welnu, niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en verzorgt het, zoals ook Christus het doet met de Kerk, omdat wij ledematen zijn van zijn lichaam” (Eph. 5:28-30). Duidelijker en zekerder kan de bruidsgedachte niet beleden worden. Zij is geopenbaarde waarheid, goddelijke leer, die een van de intiemste werkelijkheden van het Christelijke leven onthult. Aan die waarheid hebben vooral de mystieken hun liefde getoetst en gekoesterd. Op ontstellende wijze hebben zij ervaren, dat het geheim van de liefde schoon en machtig is, schoon en machtig in zijn verhouding tot Christus en de Kerk (vgl. Eph. 5:32).

In twee fasen van de mystieken opgang kunnen wij over bruidschap spreken, het meest eigenlijk in het Godschouwende Leven, maar ook met recht in de eerste periode van het Inkerende. Bij de hoogste mystieke fase, het Godschouwende Leven, valt de ziel zulk een sublieme vereniging met Christus ten deel, dat zij het Godmenselijke leven van Jezus ten volle mag mede-leven. De omvormende liefde brengt dit tot stand. De naam bruidschap treft hier het meest zinvol. De vereniging met Christus in het Godschouwende Leven is echter van geheel geestelijke, bovenstoffelijke en bovenzinnelijke aard en dit verklaart, waarom wij ook in de beginfase van het Inkerende Leven terecht van bruidschap kunnen spreken. De liefde tussen bruidegom en bruid roept de gedachte wakker aan de tederste gevoelens van het menselijk hart. Het hart als de spiegel van de aandoeningen van geest en stof, zoals wij het in deze hoofdstukken beschouwden.
Immers in de liefde van de huwenden hebben ook de zinnen hun rechtmatig aandeel. Die liefde is niet enkel geestelijk, zij is geestelijk én stoffelijk. Geest en stof, welke samen trillen in de diepste en zuiverste ontroeringen van het menselijke gemoed. Welnu, de schoonste gevoelens, die het menselijke hart kunnen koesteren, verblijden, verinnigen, verheffen, vibreren in de gevoelige mystieke minne. Om deze reden verdient ook de liefde, waarmee Christus en de ziel elkander in die fase ontmoeten, met recht de naam van bruidschap.
Wat de gevoelige mystieke liefde tussen Christus en de begenadigde (147) ziel kenmerkt, is haar innige, rustige geaardheid en het zo menselijk tedere accent. Het is alsof de storm van de liefde geluwd is. Het getij is gekeerd en de liefde viert uit in kalme, machtige zuchten van intense genieting. Het lijkt ook alsof de ontmoeting met Christus, zijn lieflijke presentie en minzame hartelijkheid, de ziel die rust inboezemt. Mag men uit deze weldoende herademing niet besluiten, dat de mystieke Christusminne tot de laatste verschijnselen behoort, welke bij de inkeer van het hart de ziel wachten, het zuivere genot om het lang begeerde, eindelijk verworven bezit, het bezit, dat zich wellicht met nog hogere en heerlijkere gunsten omsieren zal? Ook de boog van het mystieke leven kent zijn natuurlijke spanning en ontspanning.
Een ander kenmerk van de mystieke bruidsminne is haar diep-ernstige karakter. Die liefde is geen zwijmelen in vreugd, zij is een dorsten naar leed. Hier is het opnieuw de Christus, die dit begeren wekt in het vurige gemoed. De ziel heeft de Heer lief met de sterke popeling van het hart. Zij tracht zich in te leven in de gedachten, de gevoelens, de verlangens van zijn ‘binnenste’, zoals een geliefde uitdrukking van de mystieken luidt. Zij ontdekt een hart, gewond en geopend door lijden, smaad, verwerping, door de gruwzaamheid van een bittere dood. Liefde eist gelijkheid, wil zij opstijgen tot eenheid. En de ziel verlangt ook naar lijden, naar smaad, vervolging, naar de benardheid van nood en dood. De mystieke bruidsliefde is bloedig rood getint. En toch is zij ook hagelwit van kleur. Vermiljoen rood om de dorst naar lijden, sneeuwblank om de onbesmetheid van het maagdelijke beminnen. Hoe kan dit samengaan? De minnende ziel heeft haar liefde wit gewassen in het rode bloed van het Lam, indachtig het geheimzinnige woord uit de Openbaring, dat een van de Oudsten tot Johannes sprak: “Zij daar, in witte klederen gehuld, wie zijn ze en vanwaar zijn ze gekomen? Ik antwoordde hem: Gij weet het, heer! En hij sprak tot mij: Zij zijn het, die gekomen zijn uit de grote verdrukking en hun klederen blank hebben gewassen in het bloed van het Lam” (Openb. 7:13-14). Door het lijden rijst de ziel op tot hoogste eenheid.

De mystieke bruidsgedichten, welke wij in de Nederlandse literatuur, vaak anoniem, aantreffen, behoren bijna alle tot de gevoelige fase van het Inkerende Leven. Eén persoon, met name bekend, verdient in deze schaar van dichters onze bijzondere opmerkzaamheid. Het is de boetvaardige, wereld-verstorven Suster Bertken, naar wier Kerstvisioen wij reeds luisterden. De gedachten en gevoelens die haar mystieke werk bezielen, zijn ingegeven door de allerzuiverste, allerinnigste en (148) allermenselijkste liefde tot Jezus. Hierom mag op haar oeuvre de naam ‘bruidsmystiek’ prijken, ook op de passiegebeden, die er een heel voornaam onderdeel van uitmaken - wat ons na de inleidende beschouwing niet zal verwonderen. Aan de mystieke bruidsliefde dankt Suster Bertken ongetwijfeld de vreugde van het gemoed, de zonnigheid die zich in haar weerspiegelt.
In haar nalatenschap treffen wij een stuk aan, opgesteld in dialoogvorm en getiteld: Een Innige Samenspraak tussen de Minnende Ziel en haar Geliefde Bruidegom Jezus. De dialoogvorm is niet nieuw. In de profane en geestelijke literatuur van dit genre komt hij dikwijls voor. Men zal evenwel weinig voorbeelden vinden die reeds in de literaire uitbeelding met Suster Bertkens samenspraak wedijveren kunnen, om te zwijgen van de vertolking van de mystieke gevoelens.
Bij de aanhef lijkt het, alsof de minnende ziel het gezang van de engelen hoort en zij vraagt aan de glorieuze, doorluchtige vorsten van het hemelse hof, aan de edele zangers, die jubelende en van liefde brandende de troon van de Koning omringen, of zij de Bruidegom willen kondschappen, hoe de bruid van minne smacht. De engelen antwoorden, dat de Bruidegom zijn allerbeste gaven achterliet, hemels brood en hemelse wijn, het zinnebeeld van de H. Eucharistie. Hiermee moet de bruid zich sterken en verkwikken. De bruid antwoordt, dat die hemelse giften haar des te begeriger doen verlangen en verbeiden. Boven de gaven smacht zij vurig naar de Gever. Nu kondigen de engelen aan, dat de bruid niet langer hoeft te treuren. De Bruidegom zal komen. Och, klaagt de bruid, al zo vaak is mij gezegd: “Hij zal komen, Hij zal komen.” Plotseling doorsiddert een mateloze vreugde het bedroefde hart. De bruid ervaart de komst van de Bruidegom. “Zie, mijn Beminde komt, al huppelende over de bergen. Rijs op, mijn cither, mijn harp en al mijn vreugde en laat ons jubelen voor zijn aangezicht”. Dan spreekt de Bruidegom: “Gij hebt mijn hart gewond, mijn zuster, mijn bruid”. Dit woord verrast de bruid. Heeft zij heur Minnaar pijn gedaan, omdat zij het wachten en smachten niet geduldiger verdroeg? Wat zal zij doen? Zij wenst - en dit is zo fijn en teder gevoeld - dat zij het merg heurs harten en de binnenste krachten van de ziel als de kostelijkste en welriekendste balsem uitstorten kon in het gewonde hart van haar Geliefde, om het leed te stelpen, zijn pijn te stillen. Zij schrikt van haar eigen woorden. Sprak zij niet te vrijmoedig? Och, de liefde gaf haar die gedachte in, de liefde rechtvaardigt haar bedoeling. Heur Minnaar kan zij niet vergramd hebben. Nu ontspint zich het volgende gesprek, dat de aard en de zin van de mystieke bruidsliefde aldus roerend vertolkt. (149)

“De Bruidegom Jezus tot de minnende ziel:
Mijn vriendinne, uw stem streelt liefelijk mijn oor. Met eeuwige liefde heb Ik u bemind. Eer gij bestond, gaf mijn wil u het aanzijn en verkoos Ik u tot mijn bruid. Ik beloof u mijn eeuwige trouw. Eeuwig zal Ik u trouw blijven. Ik zal u nimmer verlaten.

De minnende ziel:
O allerliefste Lief, hoe zoet is Uw geest! Mijn hart ontsteekt in gloed en vervliet gelijk smeltende was. Mijn tong verliest haar spraak. Eerst was ik niets, nogmaals: niets en van niets hebt Gij mij gemaakt. Al wat ik ben, dat dank ik Uw genade. Al wat ik ooit bezat en thans bezit, dat verkreeg ik door U. Zie, nu roep ik Uw goddelijke waarheid tot getuige en verklaar: dat ik aan mij zelf en aan alle schepselen verzaak met vast besluit en uit de grond mijns harten; dat ik mij ganselijk overgeef aan Uw goddelijken wil en van nu af U eigen ben. Ik begeer met hart en ziel U eeuwig onderdanig te zijn. Met beroep op Uw eeuwige waarheid verklaar ik geen wederroeping te kennen. Het is mijn wil dat dit woord beklonken zal blijven tot in eeuwigheid. “Consummatum est”. Het is volbracht. Aanvaard mijn geest.

De Bruidegom Jezus:
O mijn uitverkoren bruid, reeds lang begeerde Ik, dat dit geschiede zou. Ik stem toe. Ik zegen u... Mijn goddelijke zegening zal in eeuwigheid op u rusten. - Sta nu op, mijn vriendinne en ga wat met Mij wandelen. Ik zal u leren hoe gij u kunt schikken naar mijn welbehagen. Ik ben uw Koning, maar mijn rijk is niet van deze wereld. Ik kwam in de wereld en de wereld heeft Mij niet erkend. Ik scheen als een licht in de duisternis en de duisternis nam Mij niet aan. De wereld heeft Mij versmaad. Op aarde heb Ik in grote armoede geleefd en in beproeving van mijn jeugd af aan. Ik werd miskend en was een verachteling van het volk. Men heeft mij ontbloot en zo bloedig gegeseld, dat er aan mijn lijf niets gaafs meer bleef. Ze wilden naar Mij niet opzien als naar hun Koning. Ze hebben Mij verloochend, versmaad en men riep: “Weg met hem!” en “Kruisig hem!” Men kroonde Mij met een kroon van doornen en om Mij te verguizen drukte men Mij een rietstok in de hand. Vol hoon knielden ze voor Mij neer en tot schimp en schande scholden ze Mij voor Koning van de Joden. Na ontberingen zonder tal hebben ze Mij naakt aan een kruis genageld en mijn leden zo ongenadig uitgerekt, dat al mijn aderen scheurden. Men heeft Mij opgericht en tussen twee boosdoeners ten hemel geheven. Naast heel veel andere kwellingen gaven ze Mij in (150) mijn dorst te drinken vuile, bittere drank. Ellendig, ontdaan, versmaad stierf Ik een wrede dood en Ik ben begraven en wederom opgestaan. Ik omkleedde Mijn lichaam met glorie en klom op hoger dan de hoogsten hemel, waar Ik zetel aan de rechterhand van mijn Vader.

Mijn uitverkoren bruid, let nu goed op het voorbeeld, dat Ik u gaf. Volg Mij na en tracht op Mij te gelijken. Omdat Ik heel behoeftig geleefd heb in de wereld, zo zult ook gij in armoede leven. Omdat er geen smet aan Mij kleefde, zo zult ook gij u hoeden voor elke vlek. Omdat Ik kwelling verduurd heb sinds mijn jeugd, zo zult ook gij de last van het lijden torsen. Omdat Ik alles deed uit liefde tot u, zo moet ook gij alles doen uit liefde tot Mij en Mij ter eer. Omdat Ik gehoorzaam was tot aan de dood op het kruis, moet ook gij gehoorzaam zijn aan Mij en standvastig blijven tot in de dood. Gij zult deemoedig en zachtmoedig zijn van hart, vermits Ik, uw bruidegom, om uwentwil een verwerpeling van het volk was. Verlang niet naar aanzien in deze wereld, gij die Ik tot mijn bruid verkoren heb. Omdat Ik Mij steeds lankmoedig toonde bij het verduren van smaad en leed, hierom zult gij mijn voorbeeld volgen en u verdraagzaam tonen bij alles, wat u aan beproeving en smart overkomt. Gij zult bidden voor al wat zwak en gebrekkig is. Enkel het kwaad zult gij haten. En wat gij lijdt en lijden zult, dat overkomt u niet zonder grond. Deze is Mij ten volle bekend... Wees dit indachtig en maak u zo klein, zo arm, zo zachtmoedig, zo onderdanig, als Ik van u begeer.

De minnende ziel:
O mijn Allerliefste, Uw wil geschiede! De geest is bereid, maar het vlees is zwak. Dat Uw linkerhand mijn hoofd ondersteunt en Uw rechterhand zich uitstrekt om mij te omhelzen! (vgl. Hgl. 2:6).

De Bruidegom Jezus tot de ziel:
Mijn bruid, omdat gij uw zwakheid erkent, troost en bijstand van Mij verlangt en u geheel en al op Mij verlaat, zie, hierom zal Ik met mijn linkerhand u steunen en schragen en oprichten al wat krank is. En mijn rechterhand zal u omhelzen en beschermen tegen alle onheil en kwaad. Wees welgemoed en leef in vrede! “In pace in id ipsum dormiam et requiescam.” In vrede leg ik mij neer en aanstonds sluimer ik in” (Ps. 4:9).

Het lijden adelt de liefde. De smeltkroes van het leed is haar loutering, maar ook haar waarborg, haar bezegeling en vervulling. Deze ervaring van de mystieken heeft Suster Bertken ook in een lyrisch poëem bezongen. De klank van haar stem is hier nog inniger, nog zuiverder, nog verstilder en verzonkener. Het keerpunt van het gedicht vangt aan bij de strofe: “Mijn Jezus, zoete Heer, zie mij van binnen aan”. De verzekering dat het beeld van de gekruiste Bruidegom onwrikbaar diep en vast in het hart van de bruid gegroefd staat, opent ook hier de weg naar het hoogste en innigste bezit van de liefde. Dit gedicht, dat op de zwellende deining van klank en rhythme de mystieke Christus-minne onnavolgbaar bezingt, vat schoon samen het mystieke beleven van de inkeer van het hart en van de gevoelige krachten.

Jezus:
“Mijn uitverkoren ziel, waarom verlaat gij Mij?
Hoor, kind, het is mijn troost altijd bij u te zijn.
Kom, keer terug, Mijn hart staat open, overwijd;
Mijn liefde is ongemeten, tot ontvangst bereid.

De minnende ziel:
Edel en schoon zijt Gij, machtig en rijk en wijs.
Heer boven alle heren, wat zal mijn antwoord zijn?
Mijn hart beeft. Wees genadig. Ik werd eindelijk wijs.
Ik val in Uw gena. Vergeef mij schuld en pijn.

Jezus:
Kom nader, uitverkoorne, ik heb uw hart gehoord.
Uw hart: Ik prangde ’t met mijn rouw en teistrend woord.
Wil nu verblijd in Mij en wil in vrede zijn.
Mijn hart is als een druif, die druipt van geur en wijn.

De minnende ziel:
O Heer, mijn rouw, mijn pijn, mijn zuchten is vergaan.
Gij, overzoete Heer, Uw liefde heeft dit gedaan,
De klare en ongemeetne, waarin krachten zijn,
Waaraan mijn hart gaat branden als een serafijn.

Jezus:
Mijn uitverkoorne, kom, ga blijde in mijn rust.
Vreugde van de englen zult gij horen, englenlust,
Dat zij u zien vereerd in mijn verheven-zijn
En naar mijn wil met hen meetroont in eendre schijn. (152)

De minnende ziel:
Nu walgt mij alle vreugd door heel de wereld wijd.
Mijn hunk’ren gaat alleen, o Jezus, waar Gij zijt.
Ik zou U willen schouwen en Uw aanschijn zien,
En eeuwig en oneindig in Uw lof vervli’en.

Jezus:
Wacht nog een korte tijd, mijn uitverkoorne, wacht.
Genoeg u daarmee, dat ge u weggeeft in mijn macht.
En wat Ik voor u leed en deed, o denk daaraan,
En laat uw hele wil heel in mijn wil vergaan.

De minnende ziel:
Mijn Jezus, zoete Heer, zie mij van binnen aan;
Ik heb Uw lieve beeld diep in mijn boezem staan:
Verheven op het kruis en bleek, met zijp’lend bloed.
Uw beeld: een liefdevlam, die mij het hart doorgloedt.

Jezus:
Diep ben Ik in uw hart, mijn uitverkoren bruid.
Uw wil sterft ied’ren dag zo zuiver in Mij uit.
Nu geeft ge, nu geeft ge u weg uit al uw macht:
Eindlijke liefde, kind, waar ’k lang op heb gewacht.

De minnende ziel:
Alles in mij werd stil, alles kwam openstaan.
Ik voel mijn liefde, Uw liefde, Uw liefde mij omslaan,
Met duizelende vreugde, ver boven mijn macht.
O Jezus, Bruidegom, Gij zijt mijn liefde en kracht!

Jezus:
Mijn uitverkoren bruid, wil nu in vrede zijn.
Mijn liefde heeft uw hart verenigd met het mijn.
En nooit verlaat Ik u, nooit laat Ik u in nood:
Want zie: Ik stierf voor u op ’t kruis de bitt’re dood.” (153)


terug naar de Inhoud

terug naar het literatuuroverzicht







^