Emanuel Swedenborg, Over de goddelijke liefde en de goddelijke wijsheid

Swedenborg Genootschap, Den Haag 1936
(Opmerkingen tussen haakjes zijn van mij, Freek)

Inhoud

1 Over de goddelijke liefde
2 Over de goddelijke wijsheid


Hoofdstuk 1 Over de goddelijke liefde

Dat in de wereld slechts weinig wordt begrepen wat de liefde is, terwijl zij toch het leven zelf van de mens is, blijkt uit het gewone gezegde: Wat is liefde? De oorzaak dat zij niet wordt geweten, is deze, dat zij niet verschijnt voor het verstand en het verstand is het ontvangende van het liicht des hemels; en wat in dat licht komt, verschijnt innerlijk; de mens immers weet wat hij denkt; en daarom ook zegt de mens dat dit of at voor hem is in het licht van zijn verstand, voorts dat hij dit ziet dat het zo isen eveneens bidt hij uit God te mogen worden verlicht en beschenen; er is ook het geestelijke licht, waarmee het natuurlijke overeenstemt, vanuit hetwelk hij aangaande zijn verstand zegt dat hij ziet, en vanuit hetwelk de wijze bidt uit God verlicht en beschenen te mogen worden, dat is, verstaan; daar dus het verstand zich door de denking zichtbaar vertoont en niet de liefde, kan derhalve de mens niet enig idee aangaande de liefde hebben, terwijl toch de liefde de ziel zelf of het leven der denking is; indien aan de denking de liefde wordt afgenomen, zo wordt zij koud en sterft af, ... de liefde immers ontsteekt de denking, maakt haar levend en bezielt haar. (5) ... daaruit blijkt, dat de liefde het leven des verstands en vandaar der denking is en dat wat het leven des verstands en bandaar der denking is, dit is eveneens het leven van de ganse mens; het is immers het leven van alle zinnen en het leven van alle bewegingen. (5)
... dat de Heer, omdat Hij de God des heelals is, ongeschapen en oneindig is, de mens echter en de engel is geschapen en eindig; het ongeschapene en oneindige is het goddelijke zelf in zich; ... . (6)
Dat het leven, zijnde de goddelijke liefde, in een vorm is. (6) ... weliswaar is de Heer in de zon, die verschijnt aan de engelen in de hemel,vanuit dewelke voortgaat de liefde als warmte en de wijsheid als licht, ... . (7) ... dat er afstand verschijnt, is omdat de goddelijke liefde, zodanig als zij in de Heer is, niet door enige engel kan worden opgenomen, want zij zou hen verteren; zij is immers in zich brandenderdan het vuur in de zon der wereld is; en daarom wordt zij door enige omwikkeling geleidelijk verminderd, totdat zij getemperd en aangepast genaakt tot de engelen die bovendien met een tere wolk worden omsluierd, opdat zij niet door de gloed van haar worden gekwetst. (7)
... de aanwezigheid des Heren is ook niet zoals de aanwezigheid van de mens, die een ruimte vult, maar een aanwezigheid zonder ruimte, en deze is dat Hij is in grootsten en de kleinsten, aldus in grootsten hijzelf en in kleinsten hijzelf. (7)
Deze dingen zijn eveneens gevolgtrekkingen vanuit de dingen die eerder over het leven van alle dingen uit de Heer, voorts die over Zijn voorzienigheid, almacht, alomtegenwoordigheid en alwetendheid gezegd zijn.
... er is immers van scheppingswege niet iets op de aardbol, dat niet tot nut is; ... in één woord, elk punt van het geschapeneen van de geschapen dingen is nut, ... dat de schepper en formeerder, die de Heer is, de oneindige samenvatting is van alle nutten, in zijn wezen liefde en in zijn vorm mens, waarin Hij de samenvatting is; ... . (14)

... dat des mensen geest niets anders dan aandoening is en dat vandaar de mens na de dood aandoening wordt, een engel des hemels indien hij de aandoening van een goed nut is en een geest der hel indien hij de aandoening van een boos nut is; vandaar is het dat de hele hemel is onderscheiden in gezelschappen volgens de geslachten en soorten der aandoeningen en eender de hel vanuit het tegengestelde ... . (14)
... alle dingen van de mens stemmen overeen met alle dingen des hemels; ... . (17)
... de continue graden, die allen weten, zijn zoals de graden van het licht tot de schaduw, van de warmte tot de koude, van de ijlheid tot de dichtheid; zodanig is de graad van het licht, van de warmte, de wijsheid en de liefde in ieder gezelschap des hemels binnen hetzelve; zij die daar in het midden zijn, zijn in een klaarder licht dan zij die in de laatsten zijn; volgens de afstand van het midden uit neemt het licht af tot aan de laatsen; eender de wijsheid; zij die in het midden of middelpunt van het gezelschap zijn, zijn in het licht der wijsheid; degenen die in de laatsten of in de omtrekken zijn, zijn in de schaduw der wijsheid en zij zijn de eenvoudigen; iets eenders is het geval met de liefde in de gezelschappen: de aandoeningen der liefde, welke de wijsheid maken en de nutten der aandoeningen, welke daar het leven van hen maken, nemen uit het midden of het middelpunt aanhoudend af tot aan de laatsten of de omtrekken; ... . (18)
... het licht hetwelk de wijsheid is en de warmte welke de liefde is, in de hemelen der engelen en in de innerlijke dingen der mensen; het licht zelf dat voortgaat uit de Heer als zon en evenals de warmte zelf, die ook daaruit voortgaat, ... . (18)
... (in de hemelen) daar wordt een ieder beloond volgens de betrachting des nuts en tevens volgens de aandoening des nuts ... . (19)
... en omdat er een vergemeenschapping en een uitbreiding is van de denkingen en de aandoeningen van allen in de geestelijke wereld, ... . (20)
... hetgeen immers de mens liefheeft, dat doet hij; niemand kan op andere wijze de Heer liefhebben (door Godsliefde en naastenliefde), want de nutten, die goede dingen zijn, zijn vanuit de Heer en zijn vandaar goddelijk, ja zelfs de Heer zelf bij de mens. Deze dingen zijn het welke de Heer kan liefhebben; niet kan Hij in liefde met enig mens worden verbonden tenzij door Zijn goddelijke dingen, bijgevolg kan Hij het de mens niet geven dat hij hem liefheeft; want de mens kan de `Heer niet liefhebben vanuit zich; de Heer zelf trekt hem en verbindt hem met zich; ... . (21)
... alle liefde immers keert door de liefde weer tot de liefde en deze, teruggekeerd zijnde, maakt het wederkerige ervan en de liefde gaat voortdurend en keert terug voortdurend door de daden die nutten zijn, want liefhebben is doen; indien immers de liefde niet daad wordt, houdt zij op liefde te zijn; de daad immers is de uitwerking van haar einddoel en zij is het waarin zij tot bestaan komt. (22)
... aangezien alle volmaaktheid groeit naar de innerlijke dingen toe; alle organische vormen in de mens zijn samengesteld vanuit de innerlijke vormen en deze vanuit nog meer innerlijke, tot aan de binnenste toe, door dewelke er vergemeenschapping is met elke aandoening en denking van des mensen gemoed; want des mensen gemoed loopt in zijn afzonderlijke dingen uit in alle dingen van zijn lichaam; ... het is immers de vorm zelf van het leven; ... .(23)
De mens heeft uitwendige denking en hij heeft inwendige denking; de mens is in de inwendige denking wanneer hij in verkeer met genoten is, hetzij hij dan toehoort, hetzij hij spreekt, hetzij hij leert, hetzij hij handelt en eveneens wanneer hij schrijft; doch in de inwendige denking is hij wanneer hij thuis is en aan zijn innerlijke aandoening de teugels viert; deze denking is eigen aan zijn geest in zich, de vorige echter is eigen aan zijn geest in het lichaam. (25)

... dat de denking in het geheel niet iets is op zichzelf, maar door de aandoening welke de liefde van des mensen leven is, omdat zij vanuit dezelve is zoals het geformeerde uit het formerende; en dat de denking en niet de aandoening wordt doorvat, is, omdat het geformeerde wordt doorvat en niet het formerende, ... . (27)
... aangezien de aandoening de mens zelf is en het nut haar uitwerking en werk is ... wordt aldus de mens, die aandoening is, gekend zodanig als hij is aan het nut, bezwaarlijk en slecht weinig als hij is in de natuurlijke wereld, maar helder en geheel en al in de geestelijke wereld; want het geestelijke dekt haar en de afzonderlijke dingen ervan open, omdat het geestelijke in Zijn wezen de goddelijke liefde en de goddelijke wijsheid is en in Zijn verschijning de warmte des hemels en het licht des hemels is, ... . (28)
... en toch doen verscheidenen deze dingen vanuit de allene natuurlijke aandoening, welke is terwille van zich om geëerd en tot waardigheden verheven te worden of terwille van de wereld om te gewinnen en zich te verrijken. (29)
De geestelijke aandoening echter van het nut is inwendig en tevens uitwendig; en voor zoveel als zij uitwendig of natuurlijk is, is zij ook geestelijk, want het geestelijke vloeit in het natuurlijke en schikt dat tot overeenstemming, aldus tot zijn evenbeeld. (30)
Dat de wil het al des mensen en in alle dingen van hem is en zo dat hij de mens zelf is, zoals de liefde in haar samenvatting mens is, ... . (31)
... dat de wil en de liefde of de wil en de aandoening bij de mens één zijn; en dat de wil, omdat hij de liefde is, ook het leven van hem is en dat hij de mens zelf is. Dat de wil ook het leven des verstands en vandaar der denking van de mens is, zal in hetgeen volgt worden bevestigd. Dat de mens niet weet dat de wil de mens zelf is, is vanwege dezelfde oorzaak waarom hij niet weet dat de liefde of de aandoening de mens zelf is; een ieder ook let op de dingen die hij ziet of voelt, niet echter op het leven, de ziel of het wezenvanuit hetwelke hij ziet of voelt; dit schuilt van binnen in de gevoelsdingen en de natuurlijke mens denkt niet tot daaraantoe; anders de geestelijke mens, omdat het sensitieve niet het object zijner wijsheid is, maar het wezenlijke daarin, hetwelk in zich ook geestelijk is; ... . (33)
... liefhebben is willen en willen is doen; dat liefhebben is willen is vlak hierboven bevestigd; dat echter willen is doen, moet her worden bevestigd; de wil in zich beschouw is niet liefde, maar is het ontvangende ervan en een zodanig ontvangendedat hij niet slechts de liefde opneemt, maar ook zich van haar statren doordrenkt; ... . (33) ... de wil welke het ontvangende is van de geestelijke warmte, welke in haar wezen de liefde is; ... . (33)
Het is bekenddat alles wordt bewogen vanuit het streven en dat als het streven ophoudt, de beweging ophoudt. Aldus is al het willige van des mensen wil het levende streven in de mens en het handelt in laatsten d.m.v. vezels en zenuwen, welke in zich niets anders zijn dan voortdurende strevingen, voortgezet uit de beginselen in de hersenen tot aan de laatsten in de lichamelijke dingen toe, waar de strevingen daden worden. Deze dingen zijn aangevoerd opdat men wete, wat de wil is en dat hij het ontvangende van de liefde is, in het voortdurende streven van te handelen, dat wordt aangespoord en bepaald tot de daad door de liefde die invloeit en wordt opgenomen. Hieruit nu volgt, dat liefhebben, omdat het willen is, doen is; al wat immers de mens liefheeft, dat wil hij; en wat hij wil, dat doet hij indien het mogelijk is; en indien hij het niet doet omdat het niet mogelijk is, is hij nochtans in de innerlijke daad, welke niet wordt geopenbaard; ... maar deze daad wordt niet door iemand doorvat, noch door de mens zelf, omdat zij ontstaat in zijn geest. (34)

Dat de liefde warmte voortbrengt, is, omdat de liefde het leven zelf is en de levende kracht van alle dingen die in de algehele wereld zijn. (35) ... vanuit de liefde wil en denkt de engel en doorvat hij en is wijs, en voelt hij het binnenste in zich het gezegende en het heilrijke en heeft hij eveneens lief; ... daaruit blijkt dat de warmte de uitwerking is van de werkzaamheid des levens of der liefde. (35) Dat de liefde warmte voortbrengt, is omdat zij het leven van alle krachten in het heelal is. (36)
... het universele middel en het naaste der verbindingis de warmte, waarin het wezen der werkzaamheid der liefde kan ontstaan. Omdat de warmte het naaste uit de liefde ontstaat, is er derhalve overeenstemming tussen de liefde en de warmte; er is immers overeenstemming tussen elke oorzaak en uitwerking; ... eender dat de goddelijke wijsheid des Heren in de hemel verschijnt als licht; ... . (36)
De goddelijke liefde, welke het leven zelf is, draagt vanuit haar opwekker, die de Heer is, niet anders in haar schoot, dan beelden en gelijkenissen van zich te scheppen en te formeren, welke de mensen zijn ... . (37)
Dat men gelooft dat de warmte van de zon de wereld voortbrengt, is vanuit een gemoed, dat verblind is door de begoochelingen van de zinnen des lichaams; de warmte van de zon werkt niet meer dan dat zij de uiterste dingen der lichamen of van de huid opent, opdat de inwendige warmte ook in die kan invloeien; ... . (38)

terug naar de Inhoud

Hoofdstuk 2 Over de goddelijke wijsheid

In de Heer is de liefde en is de wijsheid; de liefde in Hem is Zijn en de wijsheid in Hem is bestaan; evenwel zijn er in Hem niet twee, maar één; de wijsheid immers is der liefdeen de liefde is der wijsheid, vanuit welk éénzijn, hetwelk wederkerig is, het ene wordt en dit ene is de goddelijke liefde, welke in de hemelen verschijnt als zon; het wederkerige éénzijn van de goddelijke wijsheid en de goddelijke liefde ... Die twee echter, welke één in de Heer zijn, gaan voort als onderscheiden twee uit Hem als zon, de wijsheid als licht en de liefde als warmte; maar zij gaan onderscheiden voort naar de schijn; in zich evenwel zijn zij niet onderscheiden, want het licht is der warmte en de warmte is es lichts; zij zijn immers in het kleinste punt één, zoals het is ein de zon; wat immers voortgaat uit de zon, dit is eveneens de zon in kleinsten en vandaar universeel in alles; ... . (41)
Aangezien de wijsheid en de liefde als onderscheiden tweenaar de schijn voortgaanuit de Heer als zon, de wijsheid onder de gedaante als licht en de liefde onder de doorvatting van warmte, worden zij derhalve als onderscheiden twee opgenomen door de engelen; door sommigen meer vanuit de warmte, welke de liefde is en door sommigen meer vanuit het licht, hetwelk de wijsheid is; en daarom ook worden de engelen van alle hemelen onderscheiden in twee rijken; zij die meer vanuit de warmte, welke de liefde is, dan vanuit het licht, hetwelk de wijsheid is, hebben opgenomen, maken het ene rijk en worden hemelse engelen genoemd; vanuit hen zijn de hoogste hemelen; zij echter die meer vanuit het licht hetwelk de wijsheid is dan vanuit de warmte, welke de liefde is, hebben opgenomen, maken het andere rijk en worden geestelijke engelen genoemd; vanuit deze zijn de lagere hemelen; ... . (42)
... de wijsheid in haar wezen is het goddelijke ware en het licht is daarvan de schijn en de overeenstemming; met het licht der wijsheid is iets eenders het geval als het geval is met de warmte der liefde ... . (42)
... de bekleedselen in het Woord betekenen de ware dingen der wijsheid en daarom verschijnen alle engelen in de hemelen bekleed volgens de ware dingen van hun wetenschap, inzicht en wijsheid. Dat het licht de verschijning der wijsheid is en dat zij daarvan de overeenstemming is, blijkt in de hemel en niet in de wereld; in de hemel immers is geen ander licht dan geestelijk licht, hetwelk het licht der wijsheid is, verlichtende alle dingen die vanuit de goddelijke liefde daar ontstaan; de wijsheid bij de engelen geeft het die dingen in hun wezen te verstaan en het licht geeft het die dingen in hun vorm te zien; en daarom is het licht in de hemelen in gelijke graad met de wijsheid bij de engelen; ... . (43)
... maar het verschijnt niet aan hen omdat zij natuurlijk zijn en niet geestelijk; het kan verschijnen, want het is mij (Swed.) verschenen, maar voor de ogen van mijn geest; het is ook gegeven te doorvattendat ik in het licht van de hoogste hemel was in de wijsheid, in het licht van de tweede hemel in het inzicht en in het licht van de laatste hemel in de wetenschap en dat ik, wanneer ik alleen in het natuurlijke licht was, in onwetendheid omtrent de geestelijke dingen verkeerde. (43)
Aangezien twee dingen in de Heer zijn en die twee voortgaan uit Hem, de liefde en de wijsheid en aangezien de mens is geschapenom een gelijkenis en een beeld van Hem te zijn, een gelijkenis door de liefde en een beeld door de wijsheid, zijn derhalve bij de mens twee ontvangenden (chakra?s) geschapen, het ene voor de liefde en het andere voor de wijsheid; het is het ontvangende der liefde dat de wil wordt genoemd en het is het ontvangende van de wijsheid dat het verstand wordt genoemd; ... . (44)
... dat alle dingen die in de natuurlijke wereld en in haar drie rijken zijn, overeenstemmen met alle dingen die in de geestelijke wereld zijn, ... . (48)

De liefde en de wijsheid zijn twee onderscheiden dingen, geheel zoals de warmte en het licht; de warmte wordt gevoeld, eender de liefde; en het licht wordt gezien, eender de wijsheid: de wijsheid wordt gezien als de mens denkt en de liefde wordt gevoeld als de mens wordt aangedaan; maar nochtans niet als twee, maar als één, werken zij in de formeringen ook dit eender als de warmte en het licht van de zon der wereld; de warmte in lente- en zomertijd werkt samen met het licht en het licht met de warmte en het gedijt en spruit uit; ... . (51)
... de man immers is geboren om verstand te zijn en vandaar wijsheid, de vrouw echter om wil te zijn en vandaar de aandoening welke de liefde is; ... . (52) ... en overal heeft dat wat aan de rechterzijde is betrekking op het goede der liefde en dat wat aan de linkerzijde is op het ware der wijsheid; ... . (52)
... maar dat die beide vermogens aan de mens zijn gegeven, opdat hij wille en denke, ... . (56)
... dat de mens die wordt wederverwekt, a.h.w. opnieuw wordt ontvangen, geformeerd, geboren en opgevoed; en dit te dien einde opdat hij de gelijkenis des Heren worde t.a.v. de liefde en het beeld van Hem t.a.v. de wijsheid: en, indien gij het geloven wilt, de mens wordt ook daardoor nieuw; niet slechts dat hem een nieuwe wil wordt gegeven en een nieuw verstand, maar ook een nieuw lichaam voor zijn geest; de vorige dingen worden weliswaar niet afgeschaft, maar zij worden verwijderd, zodat zij niet verschijnen; en de nieuwe dingen worden door de liefde en de wijsheid, welke de Heer zijn, in de wederverwekking zoals in een baarmoeder geformeerd; ... . (57)
Hieruit blijkt dat de liefde is des wils, want wat de mens liefheeft, dat wil hij ook; en dat de wijsheid is des verstands, want dat, waarin de mens wijs is of wat hij weet, dit ziet hij met zijn verstand; het gezicht des verstands is de denking; ... . (57)
... dat ieder mens een geest is t.a.v. zijn innerlijke dingen ... dat al het geestelijke in zijn wezen mens is, aldus het al der liefde en der wijsheid, hetwelk voortgaat uit de Heer; want dat is het geestelijke. Dat al het geestelijke of voortgaande uit de Heer mens is, is omdat de Heer zelf, die de God des heelals is, mens is en vanuit Hem kan niets anders voortgaan dan het eendere; (64) het goddelijke immers is niet veranderlijk in zich en uitgebreid en dat wat niet uitgebreid is, is overal zodanig; daarvandaan is zijn alomtegenwoordigheid. (64)
... de zinlijken immers denken alleen vanuit het zinlijk lichamelijke en vanuit het stoffelijke; ... . (64)
... heeft het de Heer behaagd het gezicht van mijn geest te openen en het te geven met overleden mensen te spreken van aangezicht tot aangezicht en hen te beschouwen, hen aan te raken, ... . Uit deze dingen kan vaststaan dat de geest van de mens evenzeer mens is. (64)
Bovendien zal daar, waar het uitwendige is, ook het inwendige zijn; dit zal er zijn in elke handeling en in alle gewaarwording; het uitwendige heeft het (al)gemene en het inwendige het afzonderlijke, en waar niet het (al)gemene is, is ook niet het afzonderlijke; ... . (67)
Dat de mens na de dood evenzeer mens is als hij is geweest vóór dien, maar dat hij na de dood een geest-mens wordt, is omdat zijn geestelijke is aangebonden geweest aan zijn natuurlijke, of het substatiële van de geest aan het materiële van het lichaam, dermate aangepast en verenigd, dat er niet één vezeltje, een draadje of een kleinste weefsel vanuit die is, waar niet de menselijke geest tezamen is met het menselijke lichaam; ... . (68)

Iedere medeklinkerletter daar is één zin (denken) en iedere klinkerletter daar is een aandoening (voelen); de klinkerletters worden ook niet geschreven, maar gepuncteerd. (71)
Aldus is er in elk mens de formeerbaarheid (vormbaarheid) en bij hem die wil een voortdurende formering (zelfvormende werkzaamheid) van de kindsheid aan tot de ouderdom toe en tot de hemel, opdat hij een engel worde. (73) Dat het vanuit de wet der goddelijke orde is, dat alle dingen vanuit de laatsten terugkeren tot het eerste uit hetwelk zij zijn; dit kan men zien uit elk geschapen ding in de wereld; het zaad is het eerste van de boom; deze rijst uit dat op vanuit de aarde, groeit tot takken, bloeit, brengt vruchten voort en legt daarin zaad neder, aldus keert hij terug tot dat vanuit hetwelk hij is. (74)
De substanties in de geestelijke wereld verschijnen alsof zij materiëel waren, maar nochtans zijn zij het niet; en omdat zij niet materiëel zijn, zijn zij derhalve niet bestendig. Zij zijn de overeenstemmingen van de aandoeningen der engelen en met de aandoeningen van de engelen blijven zij aan en met die worden zij verstrooid. (74)
... hier nu zal worden gezegd wat de goddelijke wijsheid is: de goddelijke wijsheid is die welke de goddelijke voorzienigheid wordt genoemd en welke eveneens de goddelijke orde wordt genoemd; en het zijn de goddelijke ware dingen die de wetten der goddelijke voorzienigheid worden genoemd ... en die eveneens de wetten der goddelijke orde worden genoemd: deze wetten beschouwen van de ene zijde de Heer en van de andere beschouwen zij de mens, en van de ene en de andere zijde beschouwen zij de verbinding; de goddelijke liefde heeft tot doel de mens te leiden en hem tot zich te leiden; en de goddelijke wijsheid heeft tot doel de mens de weg te leren die hij zal gaan opdat hij in verbinding met de Heer kome. Deze weg leert de Heer in het Woord en in het bijzonder in de dekaloog; ... . (76)
Dat er een wederkerige verbinding is van de liefde en de wijsheid of, wat hetzelfde is, van de wil en het verstand, voorts van de aandoening en de denking, desgeliks van het goede en het ware, is een nog niet onthulde verborgenheid. Dat er een verbinding is kan de rede ontdekken, doch niet aldus dat de verbinding wederkerig is dat de rede kan ontdekken dat er verbinding is, blijkt uit de verbinding van de aandoening en de denking; niemand immers kan denken zonder aandoening; en wie onderzoek wil doen, zal ontwaren dat de aandoening het leven der denking is, voorts dat hoedanig de aandoening is zodanig de denking is; en daarom wordt, indien de ene wordt ontstoken, de andere ontstoken en wordt, indien de ene koud wordt, de andere koud; vandaar is het dat de mens, wanneer hij wordt verblijd, blijde denkt, wanneer hij wordt bedroefd, bedroefd denkt; ... . (77)
Dat de wil de hoofdrol speelt in de bewegingen, volgt mede uit de dienst die het betoont; want vanuit het willen is doen en handelen. (81)
Bij ieder mens is een wil en is een verstand en is een verbinding van wil en verstand, ook wederkerig, dus evenzeer bij de bozen als bij de goeden; maar de liefde des wils verschilt bij een ieder en vandaar eveneens de wijsheid des verstandsen wel dermate, dat zij in het tegengestelde zijn bij de goeden en de bozen; bij de goeden is de liefde van het goede en daaruit het verstand van het ware; bij de bozen echter is de liefde van het boze en daaruit het verstand van het valse; ... . (83)

Men gelooft dat de denking het gehele leven van de mens maakt, maar het is de liefde; dat men zo gelooft, is omdat de denking verschijnt aan de mens, niet zozeer de liefde. Indien gij de liefde, of enige beek (afleiding) ervan, welke de aandoening wordt genoemd, wegneemt, denkt gij niet: gij wordt koud en sterft; niet echter als gij de allene denking wegneemt, zoals geschied wanneer het geheugen wegvalt, ... . (84) ... dat de liefde des wils het gehele leven des mensen maakt en dat het leven des verstands daarvanuit is; ... . (85)
Geloof is die dingen (de dingen des geloofs) weten en denken; naastenliefde is die dingen willen en doen. (86)
Geestelijk ware dingen zijn die, welke het Woord leert over God, dat Hij is de enige schepper des heelals; dat Hij is Oneindig, Eeuwig, Almachtig, Alwetend, Alomtegenwoordig, Voorzienend; dat de Heer t.a.v. het menselijke zijn zoon is; dat God schepper en Hij één is; dat Hij is de Verlosser, Hervormer, Wederverwekker en Heiland; dat Hij is de Heer des hemels en der aarde; dat Hij is de goddelijke liefde en de goddelijke wijsheid; dat Hij is het goede zelf en het ware zelf; dat Hij is het leven zelf, dat Hij het al der liefde, der naastenliefde en van al het goede, voorts het al der wijsheid, des geloofs en van het ware is uit Hem en niets uit de mens; en vandaar dat geen mens verdienste heeft uit enige liefde, naastenliefde en enig goede, ook niet uit enige wijsheid, enig geloof en enig ware; dat derhalve Hij alleen moet worden aanbeden; zo verder dat het heilige Woord goddelijke is, dat er het leven na de dood is, dat er de hemel en de hel zijn, de hemel voor hen die goed leven en de hel voor hen die boos leven; ... . (97)
Dat het geloof is die dingen weten en denken, en de naastenliefde die dingen willen doen. (100)
Licht en warmte in de wereld zijn twee onderscheiden dingen, die ?n gescheiden ?n verbonden kunnen worden; gescheiden worden zij ook in wintertijd en verbonden in zomertijd; ... . (100)
Niet kan door iemand gedacht worden, dat het heelal uit het eeuwige is en dat het uit het niets is; en vandaar kan niet worden ontkend dat het geschapen is, en door iemand, en dat die is het zijn zelf in zich oneindig en eeuwig, de liefde zelf, de wijsheid zelf en het leven zelf; en dat Hij ook is het gemene Middelpunt, uit hetwelk Hij schouwt, regeert en voorziet alle dingen als aanwezig, waarmee verbinding wordt gegeven en volgens de verbinding het leven der liefde en der wijsheid, en gezegendheid en gelukzaligheid; en dat dit middelpunt verschijnt voor de engelen als zon, vurig en vlammig, en dat die verschijning is vanuit de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid, welke voortgaan uit Hem, vanuit dewelke al het geestelijke onstaat, ... . (104)
Het leven is liefde en wijsheid, want voor zoveel de mens God en de naaste liefheeft door de wijsheid, voor even zoveel leeft hij; het leven zelf echter, zijnde het leven van alle dingen, is de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid; de Goddelijke Liefde is het Zijn des levens en de Goddelijke Wijsheid het Bestaan ervan; dit verenigd met het andere over en weer is de Heer; het ene en het andere, zowel het Goddelijke Zijn als het Goddelijke Bestaan, is oneindig en eeuwig; ... . (107)

... en de Heer is ongeschapen, in Zich het Leven en vandaar het Leven zelf; ... . (108)
Aangezien er niet enige reden is tussen het oneindige en het eindige, laat daarom een ieder zich daarvoor wachtenom over het oneindige te denken als over een niets; aangaande niets kan niet worden gesproken over het oneindige en het eeuwige, noch over de verbinding met iets; vanuit niets wordt ook niet iets: maar het oneindige en eeuwig Goddelijke is Zijn zelf, vanuit hetwelk het eindige wordt geschapen, waarmee er verbinding is. (108)
Dat alle dingen zijn geschapen tot volgzaamheid van het Leven, hetwelk de Heer is, volgt in zijn orde hieruit, dat de mensen en vanuit hen de engelen zijn geschapen tot opneming van het leven uit de Heer en eveneens niets anders zijn dan receptakels (opnemenden), hoewel het hun in het vrije (de vrije keuze) waarin zij worden gehouden door de Heer, toeschijnt alsof zij geen opnemenden zijn; maar nochtans zijn zij het, zowel de goeden als de bozen; het vrije immers waarin zij worden gehouden, is eveneens uit de Heer. (109) Het leven der mensen en der engelen is verstaan en daaruit denken en spreken; en het is willen en daaruit doen; en daarom zijn deze dingen eveneens des levens uit de Heer, omdat zij de uitwerkingen des levens zijn. (109)
Alle dingen die in de wereld geschapen zijn, zijn geschapen tot nut, (tot) het voordeel, ook tot verlustiging der mensen. (109)
Hoe echter de Heer vanuit zijn Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid, welke zijn het leven Zelf, invloeit en het geschapen heelal bezielt, zal ook in het kort worden gezegd; Het Goddelijke voortgaande is dat wat rondom Hemzelf aan de engelen verschijnt als Zon; en vanuit deze gaat voort Zijn Goddelijke door geestelijke atmosferen, welke Hij had geschapen voor de overdracht van het licht en de warmte tot aan de engelen toe en welke Hij had aangepastaan het leven van zowel het gemoed als het lichaam van hen, opdat zij vanuit het licht het inzicht opnemen, voorts ook opdat zij zien en eveneens opdat zij volgens de overeenstemming ademhalen, want engelen ademen evenals de mensen; en opdat zij vanuit de warmte de liefde opnemen, voorts ook opdat zij voelen en eveneens opdat volgens de overeenstemming hun hart klopt, want de engelen verheugen zich in het bezit van een hartslag evenals de mensen. (110)
Tot de overeenstemming van deze dingen zijn alle dingen geschapendie in de natuurlijke wereld verschijnen, waar derhalve eendere dingen ontstaan, met dit verschil dat deze dingen eender vanuit geestelijke oorsprong zijn, maar tevens vanuit natuurlijke oorsprong; de natuurlijke oorsprong is toegevoegd, opdat zij tevens stoffelijk zijn en vandaar vast, terwille van het einddoel, zijnde de voortschepping van het menselijke geslacht, hetgeen niet kan geschieden dan in de laatsten waar het volle is; en opdat vanuit het menselijke geslacht als een kweekplaats de bewoners der geestelijke wereld, zijnde de engelen, tot ontstaan komen: dit is het eerste en laatste einddoel der schepping. (111)
Dat de Zoon des hemels, waarin de Heer is, het algemene middelpunt van het heelal is en dat alle dingen des heelals omtrekken en omtrekken zijn tot aan de laatste toe; en dat Hij deze vanuit Zich alleen regeert zoals een continue (geheel), ... en dat Hij voortdurend dezelve bezielt en aandrijft, even gemakkelijk zoals de mens vanuit het verstand en de wil zijn lichaam bezielt en aandrijft; ... . (111)

De engellijke idee aangaande het heelal geschapen uit de Heer is deze: Dat God het Middelpunt is en dat Hij Mens is; en als God niet Mens was, zou de schepping niet mogelijk zijn geweest; en dat de Heer uit het eeuwige die God is. Over de Schepping: dat de Heer uit het eeuwige, of God, door Zijn Goddelijke voortgaande het heelal en alle dingen daar heeft geschapen; en omdat het Goddelijke voortgaande eveneens is het Leven zelf, dat alle dingen vanuit het Leven en door het Leven geschapen zijn; en dat het Goddelijke voortgaande het naast datgene is, wat vóór de engelen verschijnt als Zon; dat die voor hun ogen verschijnt vurig en vlammig, hetgeen geschiedt omdat het Goddelijke voortgaande is de Godelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid, welker verschijning zodanig is vanuit de verte (daaraan toevoegend, dat dit Goddelijke voortgaande datgene is, wat de ouden afbeeldden door gouden of lichtende, zuivere cirkels rondom het hoofd Gods en welke de huidige schilders nog van de ouden hebben aangehouden). (112)
Zij zeiden dat vanuit die Zon, als een groot centrum, voortgaan cirkels, de een na de ander en de een uit de ander, tot aan de laatste, waar het einde van dezelve is, stilhoudende in rust; en dat de cirkels, waarvan de een is uit de ander en de een na de ander, verschijnende als uitgebreid in de breedte en de lengte, de geestelijke atmosferen zijn, welke het licht en de warmte uit hun Zon vult en door welke zij zich voortplant tot de laatste cirkel; en dat in de laatste, door middel van die atmosferen en daarna door middel van de natuurlijke atmosferen, welke uit de zon der wereld zijn, de schepping van de aarde is geschied en op dezelve de schepping van alle dingen die van nut zijn, welke schepping daarna door verwekking vanuit zaden, in baarmoeders of in eieren, wordt voortgezet. (112)
Die engelen, die wisten, dat het heelal, aldus geschapen, een werk was, voortgezet uit de Schepper tot aan laatsten toe, en dat dit, omdat het een voortgezet werk was, hetwelk zoals een éne samengeschakeld, van de Heer, die het gemene middelpunt is, afhangt, door Hem wordt aangedreven en geregeerd, zeiden dat het Eerste voortgaande wordt voortgezet tot aan laatsten toe door discrete graden, geheel en al zoals het einddoel door oorzaken in uitwerkingen, of zoals het voortbrengende in onafgebroken reeks; en dat de voortzetting niet alleen was in, maar ook rondom, uit het Eerste, en vandaar uit elk eerdere in elk latere, tot aan het laatste toe; en dat zo het Eerste, en daaruit de latere dingen, in hun orde in het laatste of uiterste samenbestaan. (113) Vanuit dit continue, zoals een éne, hadden zij de idee aangaande de Heer, namelijk dat Hij was het al in de dingen, dat Hij was almachtig, alomtegenwoordig en alwetend, Oneindig en Eeuwig; en eveneens de idee wat de orde was volgens welke de Heer, door Zijn Godelijke Liefde en Zijn Goddelijke Wijsheid, alle dingen beschikt, voorziet en bestuurt. (113)
Gevraagd werd: "Waarvandaan de hel?" Zij zeiden: Vanuit het Vrije (de vrije wilsbeschikking) der mensen, zonder hetwelk de mens geen mens zou zijn; dat de mens vanuit dat vrije het continue in zich verbrak; dit eenmaal verbroken zijnde, is de afscheiding geschied; ... . De afscheiding, of de breuk, is geschied en geschiedt door de ontkenning Gods. (113)


terug naar het literatuuroverzicht






^