Freek van Leeuwen - De wisselwerking tussen geest en hersenen

Artikel (in 2 delen) uit het tijdschrift Gamma, tijdschrift van Stichting Teilhard de Chardin; jrg. 19 (2012), nr. 2 en 3

Inhoud

Inleiding
1. De bron van de menselijke geest
2. De ontstaansgeschiedenis van de menselijke geest
3. De samenhang tussen geest en geestelijke vermogens
4. De samenhang tussen geest, ziel en lichaam
5. De geesteshand
6. De fysiologische eigenschappen van de zenuwcel
7. De transcraniële magnetische stimulatie
8. Het uitdrukken van gedachten en gevoelens in het gedrag
9. Het opnemen van indrukken uit de buitenwereld
10. De ingeving
11. Nabeschouwing
Literatuur


Inleiding
De titel van een artikel is in feite de kortste samenvatting ervan. Dat betekent dat het onderwerp van dit artikel, de wisselwerking die er bestaat tussen geest en hersenen, wordt beschreven vanuit het standpunt dat beide zelfstandigheden zijn, die op elkaar kunnen inwerken. Dat de hersenen een zelfstandigheid zijn, zal niet snel worden betwijfeld, maar dat datzelfde ook geldt voor de geest is minder vanzelfsprekend. Om dat toch als een vaststaand gegeven te kunnen stellen, is het noodzakelijk ervaringen te hebben opgedaan met die zelfstandigheid. Een aantal van die ervaringen zal ik beschrijven.

De vraag kan worden gesteld waarom maar weinig mensen dit soort ervaringen meemaken en in dit bestaan onwetend blijven van de geestelijke werkelijkheid naast deze wereld. Het antwoord is dat die onwetendheid noodzakelijk is om de aarde een leerschool te laten zijn voor de menselijke geest; een leerschool waarin de geest schijnbaar aan zichzelf is overgeleverd om daardoor een toestand van betrekkelijke persoonlijke vrijheid te kunnen meemaken, waarin de geest ertoe kan worden aangezet zelfstandig zijn geestelijke vermogens te gaan gebruiken.
Door in die toestand zelf keuzes te moeten maken en beslissingen te moeten nemen, en vervolgens de gevolgen van die besluiten zelf te ondergaan, leert de geest door eigen ondervinding of die besluiten juist waren, of zij goed waren overdacht en doorvoeld. Er is in deze leerschool niet een zichtbare leraar, maar de mens leert hier door ondervinding op te doen met de gevolgen van eigen keuzes. Dat de mens in het stoffelijke bestaan schijnbaar aan zichzelf is overgeleverd, werd reeds door Plato in Politeia beschreven in zijn bekende metafoor over de mensen in de grot. Zijn beschrijving is voor mij niet alleen een denkbeeld, maar een ervaarbare werkelijkheid.

De opvatting dat de aarde een leerschool is voor de geest, is niet nieuw. Al diegenen, die in hun geschriften uitgaan van persoonlijke ervaringen met de werkelijkheid van de geestelijke wereld, de mystici, beschrijven dit bestaan als een mogelijkheid om een geestelijke groei door te maken. Die groei beschrijven zij als een redelijke en vooral zedelijke ontwikkeling van de mens, door wijsheid en liefde in het middelpunt van de aandacht te plaatsen; zij geven zo een doelgerichtheid en daardoor een zin aan het verblijf in dit bestaan.
Dat sommigen toch geestelijke ervaringen mogen opdoen en vervolgens de behoefte gevoelen die aan hun medemensen duidelijk te maken, heeft óók een doel. Het geeft hen, die zich de wezenlijke vragen zijn gaan stellen: "Wie ben ik?" en: "Is dit alles wat er is?" de gelegenheid in vrijheid voor zichzelf een keuze te maken en zich al dan niet te richten tot hen, die het geestelijke licht hebben gezien en ertoe zijn overgegaan hun inzichten te verspreiden.

Naast de wetenschappers die ervoor hebben gekozen alle geestelijke verschijnselen eenvoudig te negeren en zich vast te klampen aan de hoop dat 'de wetenschap eens al deze verschijnselen zal kunnen verklaren', zijn er ook die onbevangen álle verschijnselen wetenschappelijk willen onderzoeken, en wel door middel van het parapsychologische gedachtengoed. Tot het parapsychologische onderzoeksgebied behoren in feite ook mystieke ervaringen. De moeilijkheid is alleen dat dit soort ervaringen persoonlijk zijn. Zij kunnen niet worden onderzocht volgens natuurwetenschappelijke maatstaven, want zij onttrekken zich ten enen male aan herhaalbaarheid. 1) Het zijn ervaringen die zich eenmalig voordoen ergens op de geestelijke ontwikkelingsweg van de zich ontwikkelende mens, die juist door die ervaring weer een ander mens wordt. Ook ik besef dat de beschrijving die ik nu geef van de wisselwerking tussen geest en hersenen, een persoonlijke getuigenis is.

De mens leert zijn geestelijke vermogens te gebruiken door de wederwaardigheden, die als het ware op de mens toekomen door de tijd als stroom van gebeurtenissen, met de vermogens te verwerken; daardoor neemt het bewuste en beheerste gebruik dat de geest ervan kan maken, toe. Die stroom van gebeurtenissen speelt zich af in de stoffelijke buitenwereld en zij bereiken de geest die in zijn binnenwereld verblijft, door middel van de zintuigen en de hersenen. Een onderdeel daarvan is de hersenschors en dat is in het bijzonder het raakvlak, waar ervaringen uit de buitenwereld eerst in de ziel worden afgedrukt, waarna ze door de geest, die in het midden van de ziel verblijft, kunnen worden waargenomen. Omgekeerd drukt de geest gedachten, gevoelens en wilsbesluiten die in zichzelf zijn gevormd, door de ziel heen af op de hersenschors, waarna ze in de buitenwereld in het gedrag tot uiting komen.

Voor een goed begrip van deze wisselwerking is het noodzakelijk eerst te beschrijven hoe in de geestelijke wereld de geest eruit ziet en hoe die werkzaam is; dan volgt een beschrijving van de eigenschappen van de zenuwcel - die in overeenstemming met de geest is opgebouwd - en in het bijzonder van de synaps; de synaps is de plaats waar de geest aangrijpt op de biochemische processen die samenhangen met de prikkelgeleiding in de hersenen. Ten slotte volgt een beschrijving hoe de geest zijn werkzaam-heid op de hersenen overdraagt.

terug naar de Inhoud

1. De bron van de menselijke geest
Om te kunnen weten wat de geest is, is het nodig van de oorsprong van de geest uit te gaan. Een bron geeft immers zijn eigenschappen mee aan alles wat uit die bron is voortgekomen en daarom is het nuttig die bron te leren kennen. Door het doen van geestelijke oefeningen zoals zelfbezinning 2), kan een omvorming van de geestestoestand worden bewerkstelligd, waardoor de menselijke geest door uittreding in de geestelijke wereld kan worden opgenomen. Die geestelijke wereld is een ijle wereld, die, onzichtbaar voor de mens op aarde, deze stoffelijke wereld geheel doordringt. Die wereld is het eeuwige thuis waar de menselijke geest vandaan komt en daar kan de geest eerst met geestelijke begeleiders en daarna met de geestelijke oorsprong, de algeest, worden verenigd.
De hereniging met onze oorsprong heb ik mogen ervaren, doordat ik tijdens zelfbezinning en gebed in vervoering werd gebracht en met onze oorsprong, de algeest, werd verbonden. Daarbij ervoer ik de algeest in de ongevormde oertoestand: dat is een oneindige, schijnbaar lege wereld zonder vormen, waar ook ik, zonder vorm, alleen als een bewuste levenskracht aanwezig was.
Deze oertoestand van de algeest deed zich eerst aan mij voor als een donkere koelte, die werd geken-merkt door de diepste rust. Deze rust deed zich aan mij voor als een zelfstandigheid die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in haar rust - wat mij in een toestand van het meest verheven geluk bracht. Op een gegeven ogenblik ontstond er binnen die rust een beweging en die deed zich aan mij voor als een lichtende warmte. Die beweging en zijn lichtende warmte kwam voort uit de rust en haar donkere koelte, waar hij daarvoor als het ware in was opgelost. Ook deze beweging deed zich aan mij voor als een zelfstandigheid die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging.

Toen de rust en de beweging er als twee zelfstandigheden waren, verenigden zij zich weer met elkaar. Daarbij doordrong de beweging de rust en de rust liet zich doordringen. Het licht doordrong het donker en het donker liet zich doordringen. De warmte doordrong de koelte en de koelte liet zich doordringen. Er was duidelijk sprake van gelijkwaardigheid van beide en van een innige samenwerking. Door de vereniging van de beweging en de rust, ontstond er een nieuwe eenheidstoestand, die het midden hield tussen licht en donker, en warmte en koelte. In deze toestand temperden zij elkaar. Daardoor deed de nieuwe eenheidstoestand zich aan mij voor als een zacht, gouden licht en als een zachte, verkoelende warmte.
In deze nieuwe eenheidstoestand had de lichtende warmte nu op zijn beurt de eigenschappen van de donkere koelte in zich opgenomen. Daardoor was de oertoestand a.h.w. volledig omgekeerd, er had een ompoling plaatsgevonden en ik mocht kijken in een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte, die zich uitstrekte in de verre verten van de eeuwige oneindigheid van de goddelijke algeest.
Duidelijk was voor mij ervaarbaar dat de algeest een eenheid van tegendelen is. De oertegendelen van de geest zijn: de rust die zich uit als donkerte en koelte, en die door de doordringbáre eigenschap wordt gekenmerkt; en de beweging die zich uit als licht en warmte, en die door de doordríngende eigenschap wordt gekenmerkt. Met deze eigenschappen van de algeest hangen de geestelijke vermogens samen die ik later zal behandelen; de vermogens van de menselijke geest hangen rechtstreeks samen met de eigenschappen van de algeest.

terug naar de Inhoud

2. De ontstaansgeschiedenis van de menselijke geest
Tijdens de vereniging van de rust en de beweging zag ik voor mij in een punt van de algeest een verdichting van het licht tot een bolvormige wolk. Vervolgens stroomde er vanuit de algeest geestelijke warmte naar toe, die ik als een innige liefde ervoer. Daardoor kwamen het licht en de warmte binnen die wolk samen tot leven, en later begonnen zij in die wolk zacht te wervelen. Ik ervoer dat deze bolvormige wolk van licht en warmte, dat was ik als de menselijke geest, als een vonkje uit en in de goddelijke algeest; ik was getuige van de geboorte van mijzelf als geest uit en in de algeest in de ongevormde oertoestand.
De menselijke geest werd door verdichting uit de algeest geschapen en daardoor is er een naadloze overgang tussen de menselijke geest en de algeest. Er is geen duidelijke grens, alleen een geleidelijke overgang door de toename van de dichtheid van het licht. Daardoor blijft de menselijke geest eeuwig een onafscheidelijke eenheid met de algeest. Maar tegelijkertijd is er door de verdichting ook een zekere vorm van inkapseling, waardoor de menselijke geest een 'zelfstandige hoeveelheid algeest' is. De menselijke geest is daardoor in wezen een algeestvonk, een eeuwig brandpunt van licht en warmte ín het licht en de warmte van de algeest, met een eigen, maar betrekkelijke zelfstandigheid. Dat betekent dat wie zichzelf als dat geestelijke licht heeft leren kennen, tegelijkertijd de algeest kent. Deze vorm van zelfkennis is godskennis.

Alle geesten zijn op deze wijze uit de algeest geschapen. De ene, oneindige algeest heeft zich uitgedrukt in het tegendeel van zichzelf: een oneindig aantal algeestvonken, die in de algeest leven. Door de naadloze overgang zijn alle menselijke geesten door middel van de algeest wezenlijk met elkaar verbonden, maar door de eigen verdichting toch ook van elkaar onderscheiden. Daardoor is de menselijke geest zowel een zelfstandig wezen als tegelijkertijd ook een gemeenschapswezen.
De eigenschappen waardoor de geest wordt gekenmerkt, zijn die van rust en beweging en het vermogen aan die beweging een richting te geven door middel van de vermogens. Maar dat zijn ook de eigenschappen van kracht. Ook een kracht heeft als eigenschap het vermogen tot rust te brengen en in beweging te zetten, en ook om aan die beweging een bepaalde richting te geven. Dat betekent dat geest in wezen krácht is, die door in beweging te komen de bron is van de lichtende warmte en door tot rust te komen de bron van de donkere koelte.
De menselijke geest doet zich in de algeest dus voor als een bolvormige wolk van hetzelfde licht en dezelfde warmte als de algeest, die door verdichting uit de algeest is ontstaan. In het volgende zal ik uiteenzetten wat de geestelijke vermogens zijn en dan zal blijken, dat met het licht het waarnemingsvermogen samenhangt en daarmee de mogelijkheid zich bewust te zijn, en met de warmte de wilskracht; waardoor het meest wezenlijke van de geest is, dat die een 'bewúste kracht' is; de geest is de bewuste levenskracht, die over de geestelijke vermogens beschikt.

terug naar de Inhoud

3. De samenhang tussen geest en geestelijke vermogens
De menselijke geest is een bewuste kracht, die zich in de geestelijke wereld voordoet als geestelijk licht en geestelijke warmte. De geest kan zowel het licht alsook de warmte in twee tegenovergestelde toestanden brengen, namelijk: in een doordringbáre en in een doordríngende toestand. In de doordringbare toestand van de geest zijn het licht en de warmte van buitenaf vórmbaar; en in de doordringende toestand kan de geest met het licht en de warmte van binnenuit zélfvormend en zélfscheppend en vervolgens doordringend werkzaam zijn.
Die vormbaarheid bestaat hieruit, dat er zich in de geest als die lichtende bol stromingen van licht voordoen. Daardoor kunnen er zich in de geest verdichtingen en verdunningen van licht voordoen, zoals dat ook in de algeest gebeurde, waardoor bepaalde plaatsen in het licht helderder kunnen zijn dan andere. Daardoor kunnen er in het licht dat de geest zelf is lichtbeelden worden gevormd; wat zowel van buitenaf als van binnenuit kan gebeuren. De vormbaarheid van de warmte houdt in dat er een aangename, evenwichtige warmtetoestand kan bestaan, die echter ook kan worden verhit of kan bekoelen.

Met die vormbare en zelfvormende eigenschappen van dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen; waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte, en willen is zelfvormende warmte.

vormbaar zelfvormend
licht
warmte
waarnemen
voelen
denken
willen

Door waar te nemen, brengt de geest zichzelf in een toestand dat het licht (in zichzelf als die bolvormige wolk) van buitenaf vórmbaar is tot een innerlijk ervaringsbeeld; de geest laat toe dat de buitenwereld zich als een lichtbeeld in zichzelf afdrukt en daardoor wordt de geest zich bewust van de omgeving; als de geest denkt, dan brengt die zichzelf in een toestand dat die het licht van binnenuit zélf vormt tot een lichtbeeld, wat een denkbeeld is, een gedachte; als de geest voelt dan brengt die zichzelf in een toestand dat de warmte van buitenaf vórmbaar is tot een gevoel, de gemoedsgesteldheid, die door de omgeving kan worden gevormd, waardoor de mens met medemensen kan meeleven; en als de geest wil, dan brengt die zichzelf in een toestand waarin de warmte van binnenuit zélf kan worden gevormd tot wilskracht, waardoor de geest in staat is de gedachten en gevoelens die door te denken en te voelen in zichzelf zijn gevormd, naar buiten toe tot uitdrukking te brengen in de vorm van gedrag.

Dit gebeuren: het waarnemen van de gebeurtenissen, het overdenken en doorvoelen ervan en daarop aansluitend er iets mee willen doen, is de beheerste geestelijke werkzaamheid. Daarmee kan de geest ervaringen bewust en beheerst verwerken, daardoor komen tot aanvaarding van de gebeurtenissen en zich vervolgens zinvol aanpassen aan de voortdurend veranderende omstandigheden, die in de tijd als stroom van gebeurtenissen op de mens toekomen.
De werkzaamheid van déze vermogens is het enige, waaraan de mens in deze stoffelijke wereld het geestelijke onmiddellijk kan herkennen en waardoor de mens ook zichzelf als geest kan leren kennen, namelijk als die bewuste levenskracht die de mens zelf is en die in zichzelf in de eigen binnenwereld alle dingen waarneemt, ze overdenkt en doorvoelt en dan besluit er iets mee te willen doen. Door deze werkzaamheid van de vermogens in zichzelf te ervaren, kan de mens onmiddellijk komen tot wezenlijke zelfkennis: de kennis van zichzelf als geest.

terug naar de Inhoud

4. De samenhang tussen geest, ziel en lichaam
De verhouding tussen geest, ziel en lichaam hangt met de vermogens samen. De menselijke geest is door verdichting uit de algeest voortgekomen als een bolvormige wolk van licht en warmte. Met dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen, de eigenschappen van de geest. Als de geest in de ruimte van zichzelf met die vermogens werkzaam wordt, dan straalt die om zich heen een licht uit, zoals ook de zon om zich heen licht uitstraalt: die uitstraling van de geest is de ziel.
Deze verhouding tussen geest en ziel is niet alleen door zelfbezinning in zichzelf te ervaren, maar is ook in de oorspronkelijke betekenis van de woorden terug te vinden. Het woord 'geest' hangt samen met de Germaanse woordstam 'ghei' dat 'aandrijven', 'in beweging brengen' betekent; het hangt ook samen met 'gist' met de betekenis 'het wezenlijke' en 'het van leven bruisende', en met 'geijser', een 'uit zichzelf werkzame springbron'. 3)
Het woord 'ziel' hangt samen met het Oudgermaanse 'salida', dat 'zaal', 'woonruimte' betekent. 'Ziel' hangt ook samen met 'saiwalo', het verkleinwoord van 'binnenzee': de ziel doet zich aan het geestesoog als een gekleurd binnenzeetje voor. De betekenis hangt ook samen met het Oudgriekse 'aiolos' als het 'beweegbare', 'veranderlijke' en met het Latijnse 'aura', dat letterlijk 'uitstraling' betekent.
Als er ergens een uitstraling is, dan moet er ook een bron zijn waar die uitstraling uit voortkomt. Ook de oorspronkelijke betekenis van de woorden geeft aan dat het de geest is die door de werkzaamheid van de vermogens de bron is van die uitstraling: de 'aura' of de 'ziel' waarin de geest woont. De geest 'woont' a.h.w. in zijn eigen uitstraling, de ziel.

De vraag kan worden gesteld, waarom die uitstraling er is. Dat is om het geestelijke geheugen mogelijk te maken. Als de geest met zijn vermogens werkzaam wordt, ontstaat er een stroom van lichtbeelden binnen de bolvormige wolk. Daar ieder beeld door omvorming uit het vorige beeld wordt gevormd, zou de geest de voorafgaande beelden kwijtraken als ze niet konden worden opgeslagen. Om beelden te kunnen vasthouden, straalt de geest door de werkzaamheid van de vermogens vormbare lichtruimtes om zich heen uit, voor ieder vermogen één, waarin de geest die beelden afdrukt.
In de ruimte die met het waarnemen samenhangt, bewaart de geest lichtbeelden die een weergave zijn van ervaringen en kennis, en in de ruimte van het denken lichtbeelden die een weergave zijn van gedachten; de ruimte van het voelen wordt door kleuren gekenmerkt, die een weergave zijn van de gevoelslading van ervaringen en de ruimte van het willen door kleuren die een weergave zijn de kracht waarmee wilsbesluiten zijn genomen. In de ziel worden ervaringen, kennis en gedachten bewaard, de ziel is het geestelijke deel van het geheugen. In de hersenen en in het bijzonder in de hersenschors, bevindt zich het stoffelijke deel van het geheugen. Dit is de stoffelijke neerslag in de vorm van neuronale netwerken van al die ervaringen, die alleen met dit tijdelijke bestaan te maken hebben.

terug naar de Inhoud

5. De geesteshand
Door de in zichzelf opgewekte kracht en door het denken is de geest niet alleen in staat richting te geven aan een bepaalde krachtstroom in zichzelf, maar ook in de uitstraling van zichzelf, de ziel. Door deze gerichte krachtstroom kan de geest zich verbinden met een inhoud uit de bewustzijnsruimte om de geest heen of uit het geheugen dat in de uitstraling aanwezig is, of met een bepaald veld van de hersenschors. Door namelijk met deze krachtstroom op de hersenschors in te werken kan de geest door het lichaam heen naar buiten treden en handelend optreden, kan de geest zich uitdrukken, iets gaan uitvoeren of ergens een invloed op uitoefenen.
De gerichte werkzaamheid die de geest met de wilskracht in zichzelf en in de eigen binnenwereld verricht, is de geesteshand. De geesteshand is het vermogen te kunnen 'handelen' of iets te 'behandelen' in zichzelf. Met het geopende geestesoog zag ik de geesteshand als een gerichte stroom van geestkracht in de geest zelf of in de eigen uitstraling, waardoor de geest zich met een geheugeninhoud kan verbinden door eraan te willen denken. Doordat het scheppende denken een lichtvorm tot gevolg heeft, verschijnt de geesteshand als een zichtbare stroming van licht in de geest en in de ziel. De geesteshand is het vermogen die inhoud te 'grijpen' door zich ermee te verbinden en naar zich toe te halen, het is het vermogen een geheugeninhoud 'op te diepen'. Het is vervolgens de mogelijkheid die inhoud in zichzelf te 'begrijpen' en zo nodig weer 'van zich af te zetten' in de uitstraling; of die op de hersenschors af te drukken.


De ruimte om de geest is eerst de eigen binnenwereld - de ziel - en daarna in dit bestaan de stoffelijke buitenwereld; daarmee kan de geest alleen door de ook stoffelijke hersenen, spieren en zintuigen van het lichaam in aanraking komen. De geest kan gedachten en gevoelens, die in zichzelf door te denken en te voelen zijn gevormd, naar buiten toe uiten en door de hersenen heen in een uitspraak of lichamelijke houding of handeling vorm geven in de buitenwereld. De geest drukt daartoe het innerlijke beeld van de uit te voeren uitspraak of handeling met de geesteshand af op de daarvoor gevoelige gebieden van de hersenschors, waarna ook de stoffelijke hand - als een rechtstreekse uitdrukking van de geestelijke - in beweging komt.

Het beeld van de geest als de bolvormige wolk van licht en warmte, waaromheen de ziel als uitstraling zich bevindt en waaruit de geesteshand als uitstulpingen van licht te voorschijn komt en zich weer terugtrekt, wordt volkomen natuurgetrouw weergegeven door de zon. De zon straalt om zich heen licht en warmte uit (corona), maar stoot ook zonnevlammen (protuberansen) uit: magnetische krachtvelden die energie in de vorm van licht uitstulpen en weer naar de zon terugvoeren. Wie een goed beeld van de werkzame geest wil krijgen, moet naar afbeeldingen van de zon kijken.
Van de witte bloedlichaampjes zijn het de macrofagen die zich voortbewegen en voeden met behulp van schijnvoetjes (pseudopodia). Dit zijn uitstulpsels die voortdurend uit de cel worden uitgestoken en weer worden ingetrokken. Met zo'n uitstulpsel wordt een bacterie omhuld en ingesloten in de cel, waarna die wordt verteerd. Andere eencelligen die schijnvoetjes vormen zijn amoeben (van Grieks 'amoibe', zonder vaste vorm, maar steeds veranderend), terwijl bacteriën in staat zijn uitsteeksels in de vorm van haren te vormen waarmee zij zich vasthechten. In het plantenrijk zijn het de pollen, die, eenmaal op de stempel van de juiste bloem aangekomen, een uitstulpsel vormen (de stuifmeelbuis) waardoor de erfmassa naar de eicel wordt gebracht.

De geesteshand als geestelijke eigenschap komt in de stof rechtstreeks tot uitdrukking door het verschijnsel dat neuronale plasticiteit (vormbaarheid) van hersencellen wordt genoemd. Deze eigenschap houdt in, dat er nieuwe uitlopers vanuit de cel (in de vorm van dendrieten) worden gevormd wanneer de omstandigheden dat nodig maken. Dit treedt bijvoorbeeld op bij leerprocessen; door iets nieuws te leren, ontstaan er nieuwe netwerken van hersencellen, doordat zij nieuwe uitlopers vormen die contact maken met andere cellen binnen het netwerk (het gaat daarbij om duizenden uitlopers).


In een vorig artikel 4) heb ik uiteengezet hoezeer de eigenschappen van zenuwcellen een uitdrukking zijn van de eigenschappen van de geest (geheel volgens de Ideeënleer die Plato in Timaios uiteenzet). Die overeenstemming met zenuwcellen is begrijpelijk, daar de geest hen nodig heeft om zich met de hersenen en zo met het menselijke lichaam te kunnen verbinden. In het nu volgende zal ik beschrijven op welke plaats de geesteshand op de zenuwcel in de hersenen aangrijpt. Om zich daar een goed beeld van te vormen, is het nodig eerst de eigenschappen van de zenuwcel nader te beschrijven.

terug naar de Inhoud

6. De fysiologische eigenschappen van de zenuwcel 5) 6)
De zenuwcel bestaat zoals alle cellen uit een cellichaam dat is omgeven door een wand (het membraan, een dubbellaag van vetzuren) met daarin een celkern, die het DNA bevat. Het kenmerkende van de zenuwcel zijn twee soorten uitlopers: de vele, korte en vertakte dendrieten aan de ene kant en een lange axon aan de andere kant van de cel. Voor de beschrijving van de elektrische verschijnselen die in een zenuwcel kunnen optreden, zal een zenuwcel dienen in de periferie van het zenuwstelsel.
Het membraan van de zenuwcel vertoont in rust een spannings- of potentiaalverschil tussen de binnen- en buitenkant: de rustpotentiaal. Deze wordt opgewekt en in stand gehouden door de werking van een enzym (dit zijn werkzame eiwitmoleculen, biochemische katalysatoren, waarvan de naam op ase eindigt); dit enzym bevindt zich dwars in het membraan en steekt naar beide zijden iets uit; de naam is Na+/K+-ATPase. Dit enzym werkt als een ionenpomp en is in staat, door een nauw kanaaltje in het inwendige ervan, natriumionen (Na+) van binnen naar de buitenkant van de cel te verplaatsen en kaliumionen (K+) van buiten naar binnen, in een verhouding van 3:2. Aangezien ook het elektrische veld van Na+-ionen sterker is dan dat van K+-ionen, ontstaat er zo tussen binnen en buiten een spanningsverschil, dat ongeveer -70mV groot is: de rustpotentiaal.
De werking van het enzym is een actief proces dat tegen de normale diffusie van de ionen ingaat en daardoor energie verbruikt. Het enzym verkrijgt deze energie door een molecuul ATP (adenosinetrifosfaat, de universele biochemische energiedrager van iedere cel) om te zetten in ADP (adenosinedifosfaat) waarbij energie vrijkomt, die kan worden benut voor het verloop van biochemische reacties.

In het membraan bevinden zich ook andere eiwitten met een soortgelijke kanaalvorm, de zogenaamde ionkanalen, voor zowel Na+- als voor K+-ionen. Zij kunnen zich wel actief openen of sluiten, maar de diffusie van de ionen er doorheen verloopt passief, met als drijvende kracht het concentratieverschil tussen binnen en buiten. Zij werken niet als een pomp, maar als een sluis. Op de rand van het natriumkanaal aan de buitenzijde van de cel bevindt zich een gedeelte dat gevoelig is voor de inwerking van bepaalde biochemisch actieve stoffen en voor veranderingen in de rustpotentiaal, ontstaan doordat de Na+-concentratie verandert; het is een spanningssensor die de poortwachter wordt genoemd.
De veranderingen in de rustpotentiaal kunnen optreden door verschillende oorzaken, o.a. door druk op het membraan (zoals in daarvoor gevoelige tastzintuigencellen in de huid), door licht (zoals gebeurt als licht op het lichtgevoelige eiwit rhodopsine in de netvliescellen van het oog valt) of op kunstmatige wijze door elektrische prikkeling van het membraan met elektroden.
De rustpotentiaal kan ook veranderen door de invloed van een trillend, veranderend magneetveld, dat door inductie plaatselijk stroompjes opwekt in het zenuwweefsel (vergelijkbaar met de zwerfstromen van Foucault in een geleider) en daardoor schommelingen in de Na+-concentratie veroorzaakt.

Wanneer zo'n verandering van de rustpotentiaal optreedt, wordt de spanningssensor van de natriumionkanalen geactiveerd. Daardoor openen zij zich, waardoor natriumionen de cel in gaan stromen; als reactie daarop stromen kaliumionen door de kaliumionkanalen naar buiten. Het spanningsverschil tussen binnen en buiten wordt daardoor veranderd; er treedt depolarisatie van het membraan op en het spanningsverschil wordt zover omgepoold, dat er kortdurend een nieuw potentiaalverschil ontstaat dat aan de buitenkant ongeveer +40mV groot is (in feite een hypopolarisatie): dit is de zogenaamde actiepotentiaal.
Meteen daarna gaan de ionkanalen dicht en treedt het Na+/K+-ATPase in werking, waardoor de rustpotentiaal na een drietal milliseconden weer wordt hersteld. De ionenpompen en de ionkanalen in het membraan zijn zo op elkaar afgestemd, dat zij streven naar instandhouding van de rustpotentiaal en de verstoring ervan tegenwerken.

De elektrische spanningsveranderingen die met de actiepotentiaal gepaard gaan, hebben tot gevolg dat de spanningssensoren van nabijgelegen natriumionkanalen die in de richting van het centrale zenuwstelsel zijn gelegen, ook worden geactiveerd. Er ontstaat een impuls, waardoor de actiepotentiaal (de zenuwimpuls of -prikkel) zich over het membraan van de dendriet voortplant naar het cellichaam en van daar naar het axon. Over het membraan van het axon wordt de actiepotentiaal voorgeleid naar de volgende zenuwcel in de reeks zenuwcellen naar het centrale zenuwstelsel toe; het centrale zenuwstelsel zijn de zenuwcellen in het ruggemerg en de hersenen.
Als de zenuwprikkel over het axon in het ruggemerg aankomt, wordt die aan het einde daarvan in de zogenaamde synaps (de verbindingsplaats tussen twee cellen) op biochemische wijze door middel van neurotransmitters overgedragen aan de volgende cel.

De synaps
Het axon van de eerste zenuwcel eindigt in een knopvormige verdikking, die aan de voorkant plat is: het presynaptische membraan. Daarna volgt het membraan van de volgende cel, het postsynaptische membraan recht onder het presynaptische; tussen beide bevindt zich een smalle ruimte, de synaptische spleet. De membranen van beide synapsdelen vertonen de rustpotentiaal. De overdracht van de over het axon aankomende actiepotentiaal vindt echter niet rechtstreeks plaats van het ene naar het volgende membraan, maar d.m.v. een biochemische stof, de transmitterstof (waarvan tientallen soorten bestaan). Deze bevindt zich in het presynaptische deel in kleine blaasjes, de synapsblaasjes.


Als de actiepotentiaal van de eerste zenuwcel de synaps bereikt, bewegen de blaasjes zich naar het presynaptische membraan; zij dringen erin door, openen zich en storten de transmitterstof in de synaptische spleet uit. Aan de overzijde op de receptoren van het postsynaptische membraan aangekomen, veroorzaken zij beperkte depolarisaties: exiterende postsynaptische potentialen (EPSP's) genoemd. Hoe hoger de frequentie is waarmee prikkels over het axon op de synaps aankomen, hoe meer blaasjes transmitterstof gaan uitgescheiden en hoe uitgebreider de depolarisatie van het volgende membraan onder de spleet plaatsvindt.
De tweede zenuwcel telt alle EPSP's die op het membraan plaatsvinden (ook die van andere synapsen) bij elkaar op en pas als een bepaalde drempelwaarde wordt bereikt, ontstaat er een volgende actiepotentiaal (de zenuwcel volgt de 'alles-of-niets'-wet) en wordt er over het axon van de tweede cel een prikkel doorgezonden.
Naast bevorderende bestaan er ook remmende transmitterstoffen, die inhiberende postsynaptische potentialen (IPSP's) veroorzaken doordat zij alleen de kaliumionkanalen openen, waardoor een remmende hyperpolarisatie ontstaat; deze signalen worden door de zenuwcel afgetrokken.

Het neuron als rekenmachine
Alle neuronen in het zenuwstelsel werken als een optellende en aftrekkende biochemische rekenmachine. Aangezien het neuron de bouwsteen is van het gehele zenuwstelsel, is ook dit orgaan zelf als zodanig werkzaam. De signaaloverdracht in dat orgaan is van eenvoudige aard, het kent slechts actiepotentialen en postsynaptische potentialen die voor de verwerking van miljoenen signalen zorgen: ook het zenuwstelsel is daardoor te beschouwen als een informatieverwerkende rekenmachine.

Het verloop van de actiepotentiaal over het membraan is niet een elektrische stroom, maar een elektrobiochemisch proces, waarin het membraan in de lengterichting door een snelle golfbeweging voortgaand wordt ontladen en weer wordt opgeladen. Een elektrische stroom is in wezen een stroom van elektrisch geladen deeltjes (bijvoorbeeld elektronen of ionen); dat proces vindt in feite alleen plaats in de natriumion en de kaliumionkanalen tussen de binnen- en buitenkant van het membraan.
Dat de golf van depolarisaties die over de cel en het axon verloopt daardoor toch elektrische eigenschappen heeft, wordt aangetoond door het magnetische veld dat om een bundel actieve neuronen wordt opgewekt. De sterkte van dit veld is zodanig, dat het door de schedel heen kan worden gemeten en in een magneto-encefalogram (MEG, te vergelijken met een elektro-encefalogram: EEG) kan worden weergegeven.

terug naar de Inhoud

7. De transcraniële magnetische stimulatie (TMS)
Door een stroom te sturen door twee cirkelvormige spoelen die in de vorm van een acht met elkaar zijn verbonden, kan een afgeknot, kegelvormig magneetveld worden opgewekt (hoewel een magneetveld in feite niet een 'veld' is, maar een ruimte waarin overal magnetische krachtlijnen lopen). Wordt dit apparaat boven de schedel gehouden (afbeelding), dan dringt het magneetveld door tot in de hersenschors en beïnvloedt daar de werkzaamheid van een groep neuronen. Door het magnetische veld worden zij op dezelfde wijze geactiveerd als gebeurt door een elektrische stroom, opgewekt met behulp van elektroden. Afhankelijk van de frequentie van het magneetveld wordt de werking van de neuronen door depolarisatie van het membraan gestimuleerd of door hyperpolarisatie geremd.

De plaats waar het magneetveld invloed heeft op de werkzaamheid van de neuronen is ter hoogte van de synaps en in het bijzonder op het postsynaptische membraan; daar ligt fysiologisch gezien de enige mogelijkheid het membraanpotentiaal te beïnvloeden en een actiepotentiaal op te wekken, naast de werkzaamheid die de neurotransmitters daar al uitoefenen. 7) Daar kan het magneetveld, door plaatselijk de Na+-ionenconcentratie te veranderen door het opwekken van zwerfstromen, inwerken op het ontstaan van de exiterende en inhiberende postsynaptische potentialen. Het gevolg daarvan is dat de neuronen al dan niet over hun axonen een nieuwe actiepotentiaal afgeven en dat even daarna het met deze zenuw verbonden orgaan, bijvoorbeeld een spier, in beweging komt.

Het verschijnsel dat in de stoffelijke wereld bekend staat als een magneetveld, dat uitstraalt rondom een geleider waardoor zich elektrisch geladen deeltjes bewegen (elektronen door een draad of ionen door een membraan), is een afbeelding van wat in de geestelijke wereld als voorbeeld daarvan te zien is: de ziel als levendige, kleurrijke uitstraling rondom de geest, als die in zichzelf met de vermogens werkzaam is.
Het kegelvormige magneetveld van de achtvormige spoel bootst op kunstmatige wijze de geesteshand na, die zich als een uitstulping van de werkzame geest door die uitstraling, de ziel, beweegt (zoals de ziel zet ook het kegelvormige magneetveld zich verder in de ruimte voort, maar dat is niet getekend).


Zoals de onderzoeker met het magneetveld van het apparaat kunstmatig van búitenaf de werking van de neuronen in de schors beïnvloedt en zo bijvoorbeeld de hand laat bewegen (maar volkomen onbeheerst), zo bewerkt de geest met de geesteshand op natuurlijke wijze van bínnenuit de neuronen in de hersenschors, maar dan uiterst verfijnd (en is daardoor bijvoorbeeld in staat het Vioolconcert van Beethoven te spelen).

terug naar de Inhoud

8. Het uitdrukken van gedachten en gevoelens in het gedrag
De geest kan in de ruimte van zichzelf als bolvormige wolk over een bepaald onderwerp een gedachte of gevoel vormen en die naar buiten toe tot uitdrukking willen brengen in een uitspraak of handeling. Het doen van een uitspraak verloopt als volgt: met de wilskracht drukt de geest het lichtbeeld van een gedachte vanuit zichzelf met de geesteshand door de ziel heen op de hersenschors af op de plaats van het spraakcentrum (centrum van Broca, bij rechtshandigen op de prefrontale schors aan de linker zijkant van het voorhoofd). Vandaaruit kan die gedachte met behulp van de spieren van de longen, het strottehoofd en de mond in de ruimte van de stoffelijke wereld met woorden tot klinken worden gebracht.
Wil de geest in de buitenwereld een handeling uitvoeren, dan gebeurt het volgende. De geest vormt in de ruimte van zichzelf als bolvormige wolk een besluit in de vorm van een lichtbeeld van de uit te voeren handeling. Met de geesteshand drukt de geest dat beeld door de ziel heen af op dat gedeelte van de bewegingsvelden (motorische velden) waar zich het netwerk van neuronen bevindt, dat samenhangt met die spieren die voor het uitvoeren van de handeling nodig zijn. Aangezien de hersenen nauwkeurig zijn nagebouwd volgens de eigenschappen van de geest, 4) is de geest in staat de handeling geheel in overeenstemming met zijn of haar bedoelingen te sturen door middel van de hersenschors. De ziel en de hersenschors waarin zich de activeerbare neuronen bevinden, vormen beide het raakvlak waar de wisselwerking tussen geest en lichaam plaatsvindt.


De bewegingsvelden lopen van oor tot oor over de schors van de hersenen en vertegenwoordigen alle spieren van het lichaam als een mensachtige vorm van neuronvelden in de schors (de 'homunculus', het mensje). Daarnaast, maar aan de achterkant liggen de gewaarwordingsvelden (sensorische velden) met ongeveer zo'n zelfde vorm, waar alle zenuwen eindigen die gegevens doorgeven die door de zintuigen zijn verzameld en naar de hersenen zijn doorgezonden.

terug naar de Inhoud

9. Het opnemen van indrukken uit de buitenwereld
De toevoer van inhouden vanuit de geest naar de schors door de geesteshand, komt overeen (maar dan omgekeerd) met wat er gebeurt bij de toevoer van gegevens vanuit de buitenwereld door de zintuigen heen naar de hersenschors en tenslotte naar de geest.
Wanneer de geest zintuiglijke indrukken uit de buitenwereld in zich opneemt, gebeurt het volgende.
Zintuiglijke indrukken, bijvoorbeeld het beeld van een boom, worden vanuit het zintuig, in dit geval het oog, als een reeks van zenuwprikkels door de oogzenuw naar de achterzijde van de hersenschors gevoerd. Daar wordt in de visuele schors een netwerk van geactiveerde zenuwcellen gevormd, dat een uitdrukking is van het beeld van de boom. De prikkels die over de zenuwen zijn vervoerd, komen als actiepotentialen in dat netwerk aan. Vervolgens ontstaat in de schors om de cellen van het netwerk heen een magnetisch veld, veroorzaakt door de beweging door het membraan heen van de Na+- en K+-ionen als elektrisch geladen deeltjes. De vorm van het magnetische veld dat door dit netwerk is opgewekt, vertegenwoordigt op elektromagnetische wijze het beeld van de boom.
De ziel als de uitstraling van de geest gaat op die plaats met dat magnetische veld meetrillen (door inductie), waardoor in de ziel een zielebeeld van de boom wordt gevormd, in de vorm van een geestelijk lichtbeeld. De ziel doet dienst als overdrachtsmiddel, want dit lichtbeeld kan door de geest worden opgemerkt en ten slotte bewust worden waargenomen, als de geest zich heeft voorgenomen de boom te willen zien. De geest 'neemt' dan met de geesteshand het zielebeeld van de boom 'in zich op' door zich vormbaar daarvoor open te stellen; het beeld wordt zo 'ge-innerd', waardoor het een lichtbeeld ín de geest wordt. Door deze innerlijke handeling wordt de geest zich bewust van de boom in de buitenwereld.

Als door de zintuigen en de zenuwen heen een hoeveelheid kennis in de vorm van zenuwprikkels in de hersenschors is aangekomen, wordt daar een bepaald netwerk van geactiveerde hersencellen gevormd, dat met die kennis overeenkomt; de toestand van dat netwerk wordt in de schors in het stoffelijke deel van het geheugen vastgelegd en het zielebeeld van die kennis wordt in het geestelijke deel van het geheugen in de ziel bewaard. Het stoffelijke en geestelijke deel van het geheugen hangen steeds met elkaar samen. Later kan dit beeld en het bijbehorende netwerk weer worden opgehaald uit het geestelijke en stoffelijke geheugen en vervolgens worden 'her-innerd' in de geest, waardoor die zich er weer bewust van wordt.
Doordat bij een jong kind de schors nog niet volgroeid is, kunnen in de eerste jaren nog geen herinneringen in de schors worden bewaard, maar wel in het geestelijke deel van het geheugen. Daardoor zijn jonge kinderen al vanaf een paar maanden in staat de gezichten van hun verzorgers te herkennen. Pas als de schors helemaal is aangelegd en er wat het geheugen betreft een samenwerking mogelijk is tussen geest en hersenen, ontstaan er geheugeninhouden die men zich ook op latere leeftijd kan herinneren. Maar in het geestelijke deel ligt toch alles vast wat het kind in die begintijd heeft meegemaakt.

De menselijke geest ziet de buitenwereld als een afbeelding daarvan in de binnenwereld van de ziel. De afbeelding van de buitenwereld wordt als een reeks zenuwprikkels vanuit de zintuigen eerst als een netwerk in de hersenschors gevormd en daarna in de ziel als lichtbeelden afgedrukt. De menselijke geest kijkt niet zelf door de stoffelijke ogen heen in de buitenwereld (dat lijkt wel zo, maar de ogen zijn alleen de camera's), maar kijkt met het geestesoog naar de volko men natuurgetrouwe en ook ruimtelijke afbeelding van de buitenwereld in de eigen binnenwereld (de ziel is de monitor).
Dat deze toestand niet wordt beseft, komt doordat men zich (nog) niet (voldoende) bewust is van zichzelf als geest en zich (nog teveel) vereenzelvigt met deze stoffelijke wereld. 8) Wie het vergund is geweest de werkelijkheid van deze samenhang te doorschouwen, is zich voortdurend bewust van de zelfstandigheid van zichzelf als menselijke geest.
De menselijke geest bevindt zich in het voorhoofd en kijkt met het geestesoog naar achteren. Vandaar dat het beeld dat in de stoffelijke ogen valt in de hersenen wordt omgekeerd, zodat de geest de ruimtelijke verdeling in links en rechts toch goed ziet. Door deze omstandigheid wordt ook het geluid dat in het rechteroor binnenkomt grotendeels naar de linkerkant van de hersenschors geleid en omgekeerd. Dat heeft tot gevolg dat de geest met het geestesoor het geluid toch uit de juiste richting waarneemt.

terug naar de Inhoud

10. De ingeving
In overeenstemming met de wisselwerking zoals die bestaat tussen de geest met zijn ziel aan de ene kant en de hersencellen met hun gezamenlijke magneetveldjes aan de andere kant, bestaat die ook tussen de menselijke geest met zijn ziel (op aarde) enerzijds en de geest van de geestelijke begeleider - in de geestelijke wereld - met zijn of haar uitstraling (ziel) anderzijds. Door de laatste wisselwerking ontstaat de ingeving van gedachten en voorgevoelens overdag, en van betekenisvolle dromen 's nachts.
Als de geestelijke begeleider de mens op aarde iets wil meedelen, gebeurt het volgende (ik beschrijf mijn persoonlijke ervaring hiermee). De begeleider breidt zijn of haar uitstraling uit naar de ziel van de mens op aarde en doordringt die, zodat zij zich in elkaars sfeer bevinden. Vervolgens denkt de begeleidende geest een denkbeeld (1) en drukt dat af in zijn ziel (2). Daar beide zielen met elkaar zijn verstrengeld, wordt dat denkbeeld tegelijkertijd ook in de ziel van de aardse mens gevormd (2). De geest van deze mens neemt dit beeld (al dan niet duidelijk bewust van dit gebeuren) in zijn ziel waar, waardoor de gedachte ook in de geest van de aardse mens wordt gevormd (3); die ervaart dit gebeuren als een ingeving of een voorgevoel, of als het ontvangen van een betekenisvolle droom.
De ingeving of voorgevoel is telepathie: een buitenzintuiglijke waarneming die buiten de hersenen om gaat. De ziel als geestelijke uitstraling is niet alleen het overdrachtsmiddel tussen de hersencellen en de geest, maar op dezelfde wijze ook tussen twee geesten onderling. De ziel doet dienst als het overdrachtsmiddel en door de ziel heen kunnen geesten elkaar bereiken; de geest zelf is niet voor anderen doordringbaar - de geest zelf is volkomen vrij en blijft altijd volkomen op zichzelf.


Langs deze weg heeft de denkende begeleider de mogelijkheid zijn gedachte ook onmiddellijk in de geest van de aardse mens te vormen als die daarvoor openstaat. Op dezelfde wijze worden ook gevoelens overgebracht; als de mens op aarde in bedreigende omstandigheden komt, kan de begeleider op die mens op deze wijze een angstgevoel overbrengen, waardoor die wordt gewaarschuwd en op tijd een juist besluit kan nemen.
Afhankelijk van de geestelijke ontwikkelingstoestand van de mens op aarde, neemt deze de ingeving al dan niet bewust waar en hoort de gedachte dan meer of minder duidelijk in het eigen innerlijk uitgesproken door een ijle stem. Op deze wijze verloopt het verschijnsel van het 'horen van stemmen'.

terug naar de Inhoud

11. Nabeschouwing
In de titel van dit stuk spreek ik van een wisselwerking tussen geest en hersenen. Weliswaar is er sprake van zelfstandigheid van beide en vandaar die 'wisselwerking', maar de hoedanigheid van die zelfstandigheid verschilt aanzienlijk. Door uittredingservaringen is het voor mij duidelijk dat de hersenen een orgaan zijn zoals alle andere organen van het lichaam die fysiologisch werkzaam zijn; in die zin is het een zelfstandigheid. Het is echter niet meer dan een rekenmachine; het is de geest die van dat orgaan ('organum' betekent: werktuig) gebruik kan maken om er het lichaam mee te besturen. De hersenen zijn niet alleen als hoogste orgaan het besturingsorgaan van de rest van het lichaam, maar de neuronen als de bouwstenen ervan zijn in de schors zodanig tot ontwikkeling gekomen, dat de geest het orgaan ook kan gebruiken om er zelf het lichaam mee te bewegen en het te laten spreken.
Mystieke ervaringen en uittredingservaringen kunnen door hersenfysiologen in de hersenen met transcraniële magnetische stimulatie worden opgewekt. 9) Zij zijn daardoor de mening toegedaan dat dit het bewijs is dat alle paranormale, geestelijke verschijnselen als een 'neuronale activiteit' kunnen worden verklaard. Doordat de hersenen echter volkomen in overeenstemming met alle geestelijke eigenschappen zijn gevormd (de menselijke geest heeft vanuit de geestelijke wereld tijdens de gehele evolutie aan de ontwikkeling ervan gewerkt), is het vanzelfsprekend dat zij alle geestelijke eigenschappen in dat orgaan terugvinden. Zij kunnen niet anders want het is het werktuig van de geest.
De oorzaak van hun eenzijdige opvatting is uitsluitend de keuze van hun uitgangspunt, dat geheel in de stof ligt. Zij zijn zeer zeker van hun zaak, maar hun zekerheid hangt samen met de 'gerustheid van de onbewustheid', de onbewustheid van de geest van zichzelf als de algemene grondtoestand, die samenhangt met het verblijf van de geest in een stoffelijke levensvorm, het lichaam. 8) Zij beseffen niet daardoor gevangen te zijn en rond te draaien in hun eigen 'neuronale circuits'.

Wetenschap streeft naar het verwerven van betrouwbare kennis door onderzoek te doen naar waarneembare zaken en daar toetsbare gedachten over te vormen. Wetenschap begint met het waarnemen van verschijnselen die onderzoek behoeven om de betekenis die zij voor de mens kunnen hebben, te begrijpen. Een mens met een wetenschappelijke instelling onderzoekt álle verschijnselen, hoe vreemd en onbegrijpelijk zij op het eerste gezicht ook mogen zijn. De houding van hem of haar die een bepaald soort verschijnselen - de geestelijke - ter zijde stelt omdat zij niet passen in het tot dan toe ontwikkelde wereldbeeld, is onwetenschappelijk. Maar ook deze houding is een verschijnsel dat in de hele geschiedenis van de wetenschappen is terug te vinden en in de huidige tijd nog steeds bestaat; men denke aan de wederwaardigheden van Galileo Galileï en John Dalton. Jung merkte daarover op dat de traagheid de grootste hartstocht van de mens is.
Als natuurwetenschapper heb ik heel mijn leven een groot aantal diepzinnige, paranormale ervaringen mogen meemaken en van het begin af aan heb ik er juist naar gestreefd die met natuurwetenschappen in overeenstemming te brengen. Dat streven heb ik samengevat in het boek Geestkunde waarin ik op eenvoudige en voor iedereen begrijpelijke wijze de overeenkomsten en samenhang tussen geest en lichaam beschrijf. Maar één van de geestelijke verschijnselen die ik in dit bestaan aantref, is een geestestoestand die ik als de onbewuste vereenzelviging heb beschreven, noodzakelijk om dit bestaan een leerschool voor de geest te laten zijn. 8) Die toestand is ook de oorzaak van de materialistische levenshouding in maatschappij en wetenschap, en de oorzaak van het verschijnsel dat wetenschappers zich inspannen om het niet-bestaan van zichzelf als geest te bewijzen. Ik weet daardoor en aanvaard ook dat slechts weinigen mijn boek ter hand zullen nemen.

terug naar de Inhoud

Literatuur
1) Wallach et al., Spirituality: The Legacy of Parapsychology; Archive for the Psychology of Religion 31 (2009) 277-308
2) Freek van Leeuwen, Geestkunde; 2010, hoofdstuk 10
3) Freek van Leeuwen, Geestkunde; 2010, hoofdstuk 4
4) Freek van Leeuwen, Neurofysiologie als onderbouwing van geesteswetenschappen; Gamma, Tijdschrift van de Stichting Teilhard de Chardin, jrg. 18, nr. 1 en 2
5) J.P. Schadé, De functie van het zenuwstelsel; Het Spectrum, 1968
6) Bernards, J.A. en Bouman, L.N., Fysiologie van de mens; 1976
7) Fitzgerald PB; Fountain S; Daskalakis J (December 2006). "A comprehensive review of the effects of rTMS on motor cortical excitability and inhibition". Clinical Neurophysiology 117 (12): 2584-96.
8) Freek van Leeuwen, Geestkunde; 2010, hoofdstuk 7
9) C.M. Cook & M.A. Persinger, 'Experimental Induction of the "Sensed Presence" in Normal Subjects and an Exceptional Subject,' Perceptual and Motor Skills 85 (1987), 683-693.

Drs. Freek van Leeuwen is werkzaam geweest als beherend apotheker in een openbare apotheek. Naast de farmacie heeft hij op wijsgerig-godsdienstig gebied onderzoek gedaan naar mystieke ervaringen van anderen om zijn eigen ervaringen daarmee juist te kunnen beoordelen.


terug naar het literatuuroverzicht






^