H. van Praag - Psychologie in theorie en praktijk

Uitgeverij De Haan, Zeist, 1958, 2e druk

Voorwoord
De ziel van een goed mens is een onneembare vesting. (Epiktetos)


Prof. Henri van Praag
Psychologie is zo oud als de mensheid. Alleen heette ze vroeger mensenkennis. In spreekwoorden en gezegden leeft vaak de wijsheid van eeuwen verder. Uitspraken van wijzen werden tot gevleugelde woorden.
Zonder dit levensinzicht zou een wetenschappelijke psychologie iedere basis ontberen. Daarom hebben we deze oer-zielkunde vooropgesteld en hebben we trachten aan te tonen, hoe de wetenschap moeizaam opklimt tot een scherpere formulering van de voor-wetenschappelijke begrippen.
We hebben ook grote aandacht besteed aan dit gestadig voortschrijden, daarbij nergens strevend naar kwantitatieve volledigheid. Waar mogelijk hebben we echter wel de kwalitatieve volledigheid beoogd.
De hoofdstukken dragen als titel steeds de mens, die de psychologie bedrijft. Daardoor realiseert de lezer zich beter, dat er psychologen, psychologen en psychologen zijn. Het verschil tussen de theoretische, praktische en toegepaste psychologie hebben we zo scherp mogelijk laten uitkomen, omdat we hier met drie verschillende stijlen te maken hebben.
In enkele gevallen hebben we opzettelijk de redenering vereenvoudigd, omdat volledigheid hier verwarrend zou werken. In het bijzonder geldt dit voor de behandeling van het abnormale gedrag vanuit het gezichtspunt der levensangst.
Voor zover mogelijk hebben we telkens de theorie toegelicht aan voorbeelden uit eigen praktijk, met de nodige wijzigingen van persoons- en plaatsnamen.
Zo hopen we de lezer iets bijgebracht te hebben van het grootse avontuur der psychologische wetenschap: de weg naar zelfkennis. Oprechte studie van het menselijke innerlijk en gedrag leidt ten slotte ook tot levensheiliging. Wie ernst maakt met deze bezigheid, vindt stellig een diepere gemoedsrust.
Moge ook dit boekje een steentje bijdragen om de ziel tot die onneembare vesting te maken, die volgens Epictetus het voorrecht van een goed mens is.
Henri van Praag [5]

Inhoud
I  De mensenkenner 9
II  De fysiologische psycholoog 24
III  De Gestaltpsycholoog 37
IV  De fenomenologische psycholoog 53
V  De psychotechnicus 63
VI  De pedotherapeut 78
      De fantast
VII  De dieptepsycholoog 90
VIII  De psychiater 107
    Gerard Heymans - De kubus van Heymans
IX  De cultuurpsycholoog 135


I  De mensenkenner

De grenzen van de ziel kunt gij niet vinden,
al doorloopt ge elke weg... zo diepe grond heeft zij. (Heraklitos)

De mensenkenner is psycholoog avant la date, want alle wetenschappelijke psychologie vindt haar uitgangspunt in de voor-wetenschappelijke mensenkennis. William Stern heeft er de mooie naam van psychosofie - wijsheid van en over de ziel - voor bedacht.
Welk een verkwikking een wijs mens te ontmoeten, die de menselijke ziel begrijpt. Bijna hadden wij hier geschreven: doorgrondt, maar nog juist bijtijds herinnerden we ons de bovenstaande vermaning van Heraklitus, dat de grond van de ziel zo diep is, dat niemand hem peilen kan. ('Ook niet de diepste diepte-psycholoog', moeten we 2500 jaar na Heraklitos beamen).
In de oudheid vertelde men verhalen over de wijsheid van koningen en rechters. Salomo was ver over de grenzen van zijn land bekend en geëerd om zijn wijsheid. Wie zal uitmaken, wat van hem afkomstig is en wat hem later werd toegeschreven? Het is immers de wijsheid zelf die men eert in Salomo. Kent U het verhaal van de twee broers, die twistten over de verdeling van hun erfgoed? Geen van beiden wilde de verdeling van de ander erkennen. Doch Salomo sprak: "De ene broer mag het land verdelen en de andere mag het eerste kiezen." Waarom noemen we zulk een oordeel nu wijs? Omdat het berust op inzicht in het menselijke handelen. Het bereikt een objectief resultaat met subjectieve middelen. Beiden wensen het grootste deel en toch kunnen zij zich na afloop niet beklagen. Alle verantwoordelijkheid keert als een boemerang op hen zelf terug: gij hebt zelf gedeeld en gij hebt zelf gekozen.
Daarom is wijsheid nooit geheel zonder humor. De wijsheid zegeviert met een glimlach over de menselijke voorkeur. Nemen we b.v. een latere variant van hetzelfde verhaal. Een Ierse aapjeskoetsier (een yarvey) staat voor het volgende dilemma: twee oude dames, die [9] in zijn wagentje stappen, vragen hem wie van hen beiden de oudste zal zijn. En de schrandere Ier antwoordt hoffelijk: "Ieder van U beiden ziet er jonger uit dan de ander." Deze paradox omzeilt het probleem, maar hij onthult tevens een diepe kijk op het leven, dat van paradoxen aan elkaar hangt.
Het zijn de Salomo's, die de strakke lijn der logica doorbreken met hun milde wijsheid. Zo loste de beroemde Deense humorist, Victor Borge, onlangs een soortgelijk alternatief op met een soortgelijke kwinkslag. Hij moest twee collega's in de zaal tegelijk begroeten, maar wou geen van beiden het eerste noemen. Daarom zei hij: "Ik wist even niet, wie ik het eerste noemen zou, maar mijn vriend X zal het mij niet euvel duiden, dat ik mijn vriend Y het eerste noem." Zegt U vooral niet, dat dit maar flauwe grapjes zijn. Alleen een levenswijs mens is in staat dergelijke gezegden te bedenken, omdat hij boven de subjectiviteit van zijn omgeving is uitgegroeid. Mensenkennis is een kostbaar bezit. Terecht wenst men de regeerders wijsheid toe, maar waarschijnlijk ware het beter met Plato de wijzen regeringsmacht toe te wensen. Want wijsheid valt niet als een meteoor uit de hemel, doch groeit als een zaad uit de bodem.
Vaak hoort men verkondigen dat een psycholoog nu geen wijze meer behoeft te zijn, omdat hij wetenschappelijke methoden hanteert. Alsof de wetenschap het ooit zou kunnen stellen zonder wijsheid. Ja, men beweert zelfs dat de psyche der psychologie niet identiek is met de ziel der filosofie en religie. Alsof het reisdoel verandert als men er met een ander verkeersmiddel naar toe gaat. Neen, het is zelfs uiterst gevaarlijk dat iemand psychologie bedrijft, zonder aangeboren en/of verworven mensenkennis.
Zo iemand maakt vaak meer stuk dan hij heelt. Sommige extreme psychologen uit de school van Watson lieten b.v. een zuigeling expres schrikken, om zijn reflexen te onderzoeken. Dit is misbruik maken van de wetenschap ten gevolge van gebrek aan wijsheid.

Ook hoort men soms verkondigen dat de psychologische studie de psychologische intuïtie onderdrukt, omdat men dan te rationeel gaat oordelen. Dit is echter slechts een halve waarheid, d.w.z. een niet-voleindigde waarheid. De bekende 19de-eeuwse auteur Van Koetsveld schrijft ergens: "Een mensenhater is iemand, die op de school van het leven halverwege is weggelopen!" Alle menselijke weten is een benadering, maar ieder geslacht geeft aan dit weten een afronding, waardoor het toch een geheel is. [10] In die zin mogen we spreken van een gevaarlijke halve waarheid, een beneden de maat van het thans bereikbare blijven. De halfweter is juist diegene, die niet weet dat al ons weten een voorlopige benadering is, een ten dele en in raadselen, en daardoor zijn geringe weten voor het hele weten aanziet. Het woord van Staring: "De meester in zijn wijsheid gist, de leerling in zijn waan beslist," zou als waarschuwing boven de ingang van ieder psychologisch laboratorium moeten prijken. De waarachtige psycholoog zal steeds opnieuw aansluiting zoeken bij het gewone menselijke weten. Daarom koos Klages geen vaktermen voor zijn karakterkunde. Daarom ook eiste Kohnstamm op hoge leeftijd een rehabilitatie van de naïeve ervaring.
Men vergelijkt de wetenschap weleens met een spiraal, omdat men steeds op hoger niveau op een ouder standpunt terugkeert. Nemen we een voorbeeld, dat ook voor de psychologie van belang is.
Hippokrates van Kos, de vader der geneeskunde, ontwikkelde in de 5de eeuw v. Chr. de leer der temperamenten. De menselijke aard - het temperament, zeggen we nog steeds - is afhankelijk van het 'mengsel' (Grieks: 'temperamenton') der lichaamssappen: bloed, slijm, zwarte en gele gal. De daarop berustende indeling in sanguinici, flegmatici, melancholici en cholerici (lieden, die respectievelijk veel bloed, slijm, zwarte of gele gal zouden bezitten) wordt nog steeds gebruikt (o.a. in de karakterleer van Gerard Heymans), doch men zoekt niet meer een direct verband met deze vitale vloeistoffen. Maar zie, in de 20ste eeuw bloeit de hormonenleer. Zochten de Grieken naar de harmonische mens, wij zoeken naar de hormonische mens. En wederom zijn het lichaamssappen, die in sterke mate verantwoordelijk gesteld moeten worden voor ons temperament.

Zo versmelten oude en nieuwe inzichten. En onderzoeken we nu nader de verschillende hormoon-klieren, dan blijkt, dat tegelijk met Hippokrates, Indiase wijzen de theorie der chakra's (inwendige wielen) ontwikkeld hebben. En de plaats der chakra's stemt volkomen overeen met de plaats der hormoonklieren.
Nu we het toch over Hippokrates hebben: deze scherpzinnige Griek die van zijn vader al veel kennis kreeg overgeleverd, heeft ook de leer der vier elementen opgesteld, die in de astrologie nog steeds opgeld doet. U kent ze wel: aarde, water, lucht en vuur. (Een mooie onderlinge betrekking t.a.v. het voorafgaande: [11] zwarte gal, slijm, gele gal en bloed zijn respectievelijk het aard-, water-, lucht en vuursap). Door de moderne chemie met haar meer dan 90 elementen is deze oude indeling naar de rommelkamer der wetenschap verwezen.
Doch laten we niet te snel oordelen. Wederom in de 20ste eeuw ontdekt Einstein, dat stof en straling (b.v. licht) in elkaar kunnen overgaan. En zo wordt aan de drie bekende aggregatie-toestanden: vaste stof, vloeistof en gas een vierde: straling toegevoegd. En plotseling ontdekken we, dat elementen bij de Ouden geen elementaire stoffen, maar elementaire toestanden betekenden, zodat aarde, water, lucht en vuur de thans ontdekte vier aggregatie-toestanden anticipeerden. Nog twintig eeuwen vóór Hippokrates bouwden de Chinese Wijzen daarop hun orakelspreuken, die later in de I-Tjing ('Het Boek der Metamorfosen') zullen belanden. Het oude keert dus steeds in een nieuwe vorm terug. Daarom eerbied voor het verleden.

Vaktermen zijn er voornamelijk voor de halfweters, die te groot voor servet en te klein voor tafellaken zijn. Wie de betekenis van het gewone woord 'vrees' niet meer voldoende verstaat, kan beter over een 'fobie' praten. Maar de echte mensenkenner zegt het woord vrees al voldoende. Chesterton zegt het zo aardig: "Een kind van 3 jaar klapt in zijn handjes als men vertelt, dat er water door de rivier stroomt, maar een kind van 5 klapt in zijn handjes als men vertelt, dat er wijn door de rivier stroomt." De mens raakt er namelijk aan gewend dat rivieren water bevatten. Om het wonder daarvan te beseffen, moet hij later doen alsof er wijn doorheen stroomt. De wijze verwondert zich opnieuw met het kind - de verwondering is volgens Plato het begin van alle wijsheid - dat water water is. Wie wijs wil worden, moet weer worden als de kinderen. Daarom betekent in het Chinees 'tseu' zowel wijze als kind.
De werkelijk volwassen mens moet kinderlijk, maar niet kinderachtig zijn. Hij moet de onschuld van het kind terugwinnen, maar diens onwetendheid te boven komen. Hij moet de wereld met nieuwe ogen ontdekken, met de ogen van een 'volwassen kind': "Omdat ik een nieuwe, oervreemde aarde voor me wil zien en een nieuw verwonderd kijken wil leren kennen, als van een zuigeling die in één nacht volwassen wordt" (Gustav Meyrink). Wijsheid is een hogere vorm van kinderlijkheid, een kinderlijkheid die het leven in zich geïntegreerd heeft. Ook het jonge kind kan soms zeer wijs zijn.
De oudere mensen leren hun jeugdwijsheid af, omdat ze te veel geleerd en te weinig verwerkt hebben. Alle werkelijk grote geleerden hebben iets van het kind in zich bewaard. [12] Ze zijn ontvankelijk, vol vertrouwen en bereid bij te leren. Wetenschap heeft pas waarde voor het leven, als ze terugvoert naar het leven. Wetenschap die van het leven vervreemdt, is schijnwetenschap.

We zullen in dit boekje veel moeilijke woorden moeten spellen. We zullen het hebben over complexen, neurosen, intelligentiequotiënten en secundaire functies, doch alles als intermezzo tussen het gewone leven en het vernieuwde leven. Zoals de sprookjesverteller doet alsof er wijn door de rivieren stroomt, zo zullen wij doen alsof er complexen in onze ziel nestelen, maar dit zijn slechts hulplijnen, die we later weer moeten uitvegen. De Tibetaanse wijzen leerden: "Als je pas begint te denken, zijn bomen bomen, bergen bergen en rivieren rivieren. Maar dring je dieper tot de kern door, dan zijn bomen, bergen en rivieren heel iets anders. Doch als je de kern hebt bereikt, dan zijn bomen weer bomen, bergen weer bergen en rivieren weer rivieren."
Wetenschap is een interludium, een tussenspel, een spel om de dingen zuiver te zien. Als zodanig is wetenschap ten nauwste verwant met kunst. Paul Rodenko heeft hierover prachtige dingen geschreven in zijn bundel Tussen de Regels. Hij schetst de kunst als een poging om de werkelijkheid weer autonoom te maken (los van het nut): "In de sleur van het dagelijkse leven nemen wij op precies dezelfde wijze waar als de chimpansee, wij zien geen dingen, maar werktuigen, dingen-om-te. De pen die ik ter hand neem, is geen pen, maar een ding-om-mee-te-schrijven, de vrouw met wie ik vanavond uitga is geen vrouw, maar een ding-om-te-kussen." Tot ik met een schok ontdek, dat een pen echt een pen, een vrouw echt een vrouw is. Is dat niet de tragedie van vele huwelijken, dat de man in zijn vrouw door de sleur van het dagelijkse leven niet meer de vrouw ziet, maar alleen 'iemand' om eten te koken of sokken te stoppen? Echte mensenkennis neemt afstand t.o.v. het leven (maar daarvoor is ook nodig van vele dingen afstand te doen). De wijze ziet de mens als mens, niet als nummer, als machine, als geval als proefkonijn, d.w.z. niet om te gebruiken, maar als medemens. En juist daarom aarzelt hij om zijn kennis te formuleren. Hij weet, dat de mens mens is. That's all. The rest is silence.

De Chassidische (oostjoodse) rabbi Bunam sprak, toen hij oud en der dagen zat was: "Ik heb een boek willen schrijven en daarin zou alles staan over de mens. Dat boek zou Ha Adam (= de mens) heten. Toen heb ik er nog eens over nagedacht en heb besloten het boek niet te schrijven." Tot dezelfde resignatie komt Immanuel Kant, die in een brief [13] aan zijn vriend Basedow schrijft: "Op mijn twee kritieken moest nog een derde volgen. Het zou een antropologisch essay zijn en antwoord geven op de vraag: Wat is de mens?" Kant heeft dit essay echter nooit geschreven. Waarom waarschuwen deze wijzen allen zozeer tegen het schrijven van boeken over de mens? Omdat de mens zich zelf nooit volkomen kan kennen, zolang hij niet méér dan mens wordt. Niemand kan over zijn eigen schaduw springen, de schaduw springt mee.
De psycholoog bedrijft psychologie met al zijn menselijke tekorten. Zijn werk draagt daar het stempel van. De mens is bovendien steeds 'de mens met de eigennaam'. Iedere mens is anders. Wetenschap tracht altijd te veralgemenen en mist daardoor juist het bijzondere, waardoor de mens ten volle mens is.
Alle bezwaren komen wel hierop neer, dat de beschreven mens niet identiek met de levende mens is. Dat geldt reeds voor de beschrijving van een plant of dier, maar bij een mens wordt dit tot een principieel bezwaar.
Als iemand kwaad is en hij observeert zichzelf in een spiegel, dan smelt zijn toorn als sneeuw voor de zon. Zo verdwijnt het leven uit de gehele persoon, zodra deze zich ziet in de spiegel der psychologie. Men kan het ook zo formuleren: bewustwording vernietigt de spontaniteit. Niemand heeft dat mooier verhaald dan de oude Chinese wijze, Tsjoeang-tseu. Beroemd is de parabel van de duizendpoot, die ging controleren hoe hij liep en toen in zijn eigen poten verward raakte.
Maar nog veel genialer is de parabel van het Onbewuste. Het is een vlijmscherpe kritiek op de psycho-analyse, van ruim 22 eeuwen geleden. En zo luidt dan deze gelijkenis:
De Heer van het Onderzoekende, de Heer van het Voortvarende en de Heer van het Nieuwsgierige kwamen veel op bezoek bij de Heer van het Onbewuste.
De Heer van het Voortvarende zei tegen de Heer van het Onderzoekende: Alles danken wij aan de gaven van de Heer van het Onbewuste. Laten wij trachten zijn weldaden te belonen.
De Heer van het Onderzoekende sprak: wij allen hebben zeven zintuigen om de wereld te onderzoeken, de Heer van het Onbewuste heeft er niet één. Toen stelde de Heer van het Nieuwsgierige voor: Laten wij hem ook zeven openingen geven.
Dus boorden zij elke dag een gat in de Heer van het Onbewuste. De zevende dag nu was de Heer van het Onbewuste dood. [14]

Deze klacht zullen we nadien vele keren tegenkomen: in min of meer gewijzigde vorm bij Kant, Comte en Wundt. Het is de schroom van de wijze, de ziel niet te schenden door indringerigheid, een respect, dat bij vele hedendaagse onderzoekers helaas vaak ontbreekt. Te weinig ziet men in, dat 'het beter is, stille dingen stil te laten'. Daarom is het nuttig de vermaning der wijsheid aan het begin en aan het einde van alle studie duidelijk te laten horen. In principe komt deze maanroep altijd daarop neer, dat men niet menen zal, dat men de ziel kan vangen in een systeem. Ieder symbool blijft slechts een benadering, dat geldt altijd en overal. Maar hier geldt het te sterker, omdat de psyche zich steeds anders manifesteert, omdat iedere ziel anders is en ten slotte omdat hier het subject tevens object is.
Behalve met de ontoereikendheid van iedere symboliek, worstelt de psychologie dus nog met drie specifieke problemen: de ziel rijpt, de ziel is eigen-aardig en zij kan zichzelf nooit volledig kennen. Wij zullen deze drie moeilijkheden telkens weer tegenkomen. In zekere zin is de hele psychologie een poging om deze drie vragen op te lossen. De psycholoog is de man, die vandaag terugkeert naar gisteren, daarna in de huid van zijn buurman kruipt en tenslotte over zijn eigen schaduw springt. Wie niet gelooft in tovenarij, zal begrijpen, dat er ook nog wat gegoochel bij te pas komt. Maar de illusie is in elk geval zeer fraai.
De wijzen staan bij de ingang van het circus der psychologie en waarschuwen ons, dat we ons niet moeten laten beetnemen. Zij herinneren ons eraan, dat de waarheid altijd tussen de regels staat.
Zij waarschuwen ons, dat iedere formulering een flits moet zijn, maar geen definitie. Daarom is het zo nuttig gecondenseerde levenswijsheid der verschillende volkeren te bestuderen, voordat en terwijl men psychologie beoefent. In lapidaire uitspraken, parabels en fabels, heeft de mensheid van oudsher haar inzichten over mens en wereld vastgelegd.

Vaak is de wetenschap niet in staat een eenvoudige waarheid afdoende te formuleren. Nemen we b.v. de pregnante uitspraak, dat ondank 's werelds loon is. Dit is stellig een inzicht, dat een psychologisch aspekt bezit. Maar in de psychologie komt U het begrip ondankbaarheid meestal niet tegen. Een Freudiaan zal U ondankbaar gedrag verklaren uit een Oedipale regressie, de aanhanger van Jung zal spreken over de Persona die de Schaduw verdringt, een Adleriaan over overcompensatie van een minderwaardigheidscomplex, een volgeling van Künkel over de Ichhaftigkeit, die zich ontwikkelt ten koste van de Sachlichkeit. Het woord ondankbaarheid [15] nemen ze liever niet in de mond. Het klinkt ook zo ondankbaar jegens de patiënt die geen duur consult betaalt om voor ondankbaar te worden uitgescholden. Psychiaters spreken bij voorkeur in eufemismen, wat vaak een gevaar oplevert voor de gewone mens, die meestal met de ongezouten waarheid meer gebaat is. Daarom kan het heel heilzaam zijn iemand te vertellen, dat hij leeft naar het negatieve beginsel, dat ondank 's werelds loon is.
Wilt U nog een paar pragmatische uitspraken over deze pijnlijke ervaring? De Chinezen hebben er een prachtig gezegde voor: 'Wie bekommert zich om de lepel na de maaltijd?' Meesterlijk is de parabel van de Russische verteller Iwan Toergenjew: Het feest bij het Opperwezen.
Eens kwam het Opperste Wezen op de gedachte een feest te geven in zijn azuren hemelpaleis. Alle deugden waren bij Hem uitgenodigd, maar alleen de vrouwelijke deugden... heren werden niet gevraagd... slechts dames. Velen van hen waren op het feest aanwezig, grote deugden, zowel als kleine. De kleine deugden waren vriendelijker en ook toeschietelijker dan de grote, maar allen schenen zeer voldaan en onderhielden zich beminlijk met elkaar, zoals het nauwverwanten en goedbekenden past.
Opeens echter bemerkte het Opperste Wezen twee mooie vrouwen, die elkaar naar het scheen, in het geheel niet kenden. De Gastheer nam één van de vrouwen bij de hand en bracht haar bij de andere.
"Weldadigheid" zei Hij en wees daarbij op de eerste. "Dankbaarheid" zei Hij en wees op de tweede.
Beide deugden waren onuitsprekelijk verbaasd: sedert het ontstaan van de wereld en die ontstond lang, lang geleden ontmoetten zij elkaar hier voor het eerst.
Oude culturen met een rijke traditie hebben altijd op de betekenis der dankbaarheid gewezen. 'Eert uw vader en moeder, opdat uw dagen verlengd worden.' Piëteit jegens het verleden is de conditio sine qua non voor de toekomst. De Chinezen noemen deze deugd 'hiau'. De klassieke formule ervan luidt epigrammatisch: 'lau lau yeo yeo' (de ouden als de ouden, de jongen als de jongen). Men behandele dus ieder naar zijn leeftijd. Overtreedt een jongere dit gebod t.o.v. een oudere, dan heeft deze het recht op te merken: "Zwijg, ik ben meer bruggen overgegaan dan jij straten." [16]

Alle dankbaarheid is in wezen een erkenning van de oorsprong der dingen. Vandaar ook het Chinese gezegde: 'Als ge drinkt, denk aan de bron.' Ook het Jodendom hecht grote waarde aan de deugd der erkentelijkheid. Wat in China 'hiau' heet, heet in Israël 'Tholedoth', de voortzetting der geslachten.
Subliem is de verklaring van Exodus 7:19: 'Toen zeide de Eeuwige tot Mozes: Zeg tot Aaron: Neem Uw staf en strek uw hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, hun kanalen, hun poelen en al hun verzamelplaatsen van water, opdat zij bloed worden en er zal bloed zijn in het gehele land Egypte, zelfs in het houten en stenen vaatwerk.' 'Waarom', zo vraagt de Midrasj (een oude commentaar), 'heeft de Eeuwige deze opdracht aan Aaron en niet aan Mozes zelf gegeven?' En het antwoord luidt: 'Mozes werd zelf gered door het water van de Nijl, hoe ondankbaar ware het dit water, dat hem het leven gaf, zelf te vervloeken.' Het zal lang duren, voor de psychologie zo dicht bij het leven komt te staan, dat ze over deze zaken zo eenvoudig en zo sober zal kunnen spreken. Ze is nog niet toe aan de eenvoudigste waarheden, die het moeilijkst te formuleren zijn. Er bestaat enige gelijkenis tussen het voorbeeld van Chesterton en de vervloeking van de Nijl. De mens die vergeten was dat er water door de rivieren stroomt, moet door een wonder in het sprookje het water in wijn zien veranderen. De wijze (die wederom kind is geworden) verwondert zich juist over de goede gave van het water, dat voor de mens kostbaarder is dan wijn. Zo moeten de ondankbare Egyptenaren, die de Nijl zelf tot een Godheid gemaakt hadden, de Schenker van het water leren kennen, doordat hij het water in bloed veranderde. Die dag begreep iedereen wat een geschenk gewoon water is.
Zo moeten we ook in de psychologie vaak geconfronteerd worden met de vloek van de waanzin, om de genade van het normale leven te verstaan. Daarom is het juist de psychiatrie, die het meest heeft bijgedragen tot betere methoden van opvoeding en onderwijs. Ja, de mens moet vaak door de hel van de waan en het vagevuur van de excentriteit heen, om in het paradijs van het gewone leven te geraken. Ook hier ligt het heil van de psychologische analyse.
Buytendijk heeft eens gezegd: "Wetenschap beoefenen is God liefhebben met het verstand." De psycholoog, die zijn arbeid in deemoed verricht, kan een zegen voor velen zijn.
Maar in zijn strijd tegen de demonieën in de menselijke ziel, [17] mag hij nooit het levende kontakt met liefde en wijsheid verliezen, anders verdwaalt hij in de doolhof der wetenschappelijke specialisatie.
Bovenstaande zin doet U ergens aan denken, zegt U? Inderdaad, ik heb hem daarvoor zorgvuldig geconstrueerd. Het is een abstrahering van de beroemde mythe van Theseus en Ariadne.
Theseus bestreed in het Labyrinth van Kreta het monster, de Minotaurus, waarna de draad van Ariadne, zijn geliefde, hem de weg terug uit de doolhof deed vinden. Zonder deze voeling met de liefde zou hij stellig verdwaald zijn. Sommige psychologen verdwalen zo in de doolhof van het onbewuste, daar ze de liefde missen voor de levende persoonlijkheid. U vindt het een treffend beeld? Maar wist U, dat U op praktisch iedere Griekse mythe een hele psychologie zou kunnen bouwen? Denkt U maar eens, wat Freud heeft gepresteerd met de Oedipus-mythe. Klein heeft aangetoond, dat hij deze mythe nog maar oppervlakkig geïnterpreteerd heeft, door te weinig aandacht aan de sfinx te schenken.
De antieke mythologie is een schatkamer der psychologie. Neemt U bijvoorbeeld de aandoenlijke mythe van Eros en Psyche. Eros is verliefd op Psyche, doch deze mag haar minnaar niet aanschouwen. Psyche kan dit niet verdragen en buigt zich in zijn slaap met een lamp over hem heen. Een droppel hete olie van de lamp valt op zijn schouder en Eros verlaat Psyche, die hij van trouweloosheid beschuldigt. Ontroostbaar over dit verlies dwaalt Psyche over de gehele aarde rond om haar minnaar te zoeken.
Na vele beproevingen werden de beide minnende herenigd en Psyche werd door Zeus op de Olympus opgenomen en met onsterfelijkheid beloond. Kan een wetenschappelijke theorie eenvoudiger uitdrukken, dat onze ziel op zoek is naar kennis, liefde en eeuwigheid en dat zij daarvoor vele beproevingen moet doorstaan? De Grieken beeldden de ziel (Psyche) vaak af als een vlinder, want zij geloofden, dat de vlinders van land tot land trokken. Wij weten dat dit een fabeltje is, want de vlinder leeft maar kort en... Neen, de moderne wetenschap stelt hier wederom de Grieken in het gelijk. Er zijn niet slechts trekvogels, maar ook trekvlinders (57 soorten in ons land), die zelfs uit Afrika hierheen komen en een winterslaap houden.
Ja, we moeten voorzichtiger worden met ons oudste cultuurgoed. In mythen, sprookjes, sagen en legenden schuilt vaak veel verduurzaamde ervaring en wijsheid. Als de wijsgeer Plato zijn diepste bedoelingen wil verduidelijken, grijpt hij terug naar de [18] mythen van zijn volk. Maar we weten, dat ook in onze tijd, Sigmund Freud, de mythe van Oedipus nieuw leven heeft ingeblazen. Wat zou de psycho-analyse zijn zonder Oedipus en Kainscomplex? Nog vrij kort geleden heeft de Oostenrijkse psychiater Erich Wellisch een poging gedaan om een bijbelse psychologie op te bouwen. Hij stelt in de plaats van de strijd tussen Laios en Oedipus, het offer van Abraham. Samen met enige andere geleerden (o.a. Werblowsky en Frankfort) legde hij de grondslagen voor een 'Biblical Psychology' in zijn studie over Isaac and Oedipus.
Jung, de leider der Züricher School heeft de aandacht gevestigd op Aziatische, Afrikaanse en Amerikaanse mythen. Zo wordt een vruchtbaar terrein der beschavingsgeschiedenis dagelijks verder ontgonnen. En we zien hoe mager, hoe abstrakt, hoe levenloos, het beeld van de mens zou zijn, zonder deze grote erfenis. Stel, dat Freud i.p.v. over Oedipus-complex van filiale agressie had gesproken. Hoe kleurloos zou de psycho-analyse hierdoor geworden zijn. Daarom is het boeiend te kunnen constateren dat de psychologie steeds meer overlevering integreert.
De oudste psychologie is schematisch als een rekensom, maar de fenomenologische psychologie heeft veel van een kunstwerk.
En zo wordt de kring weer gesloten, komen we weer bij het leven zelf terecht. Talloos zijn in werkelijk moderne psychologische studies dan ook de citaten van de geestelijke voorgangers. Want alles, wat wij nieuw ontdekken, heeft ergens een precedent. Kunstenaars, staatslieden, geestelijke leiders hebben in het verleden uitspraken gedaan, die ook nu nog hun kracht behouden hebben.
Juist de kortheid der zegging gaf hun woord vleugels in tijd en ruimte.
Salomo, de Pers Saadi, de Indiër Buddha, de Chinees Lau-tseu, zij spraken gulden woorden die de smeltkroes der tijden niet hoeven te vrezen.
Een uitspraak van Salomo: 'Er is niets nieuws onder de zon.' Een gezegde van Saadi: 'Menig geleerde bestudeert de hemel, maar weet niet, wat in zijn eigen huis gebeurt.' Een woord van Lau-tseu: 'Zij die het zeggen, weten het niet. Zij die het weten, zeggen het niet.' Een inzicht van Buddha: 'Een dorstig paard zal heet water drinken.' Niemand kan het hen verbeteren. Ongeëvenaard in kortheid van zegging was de Joodse wijze, rabbi Hillel uit de lste eeuw voor Chr. Beroemd is zijn uitspraak: 'Im een ani li mi li?' wat letterlijk [19] betekent: als ik niet voor mij (zorg), wie (zorgt) voor mij? Een heiden kwam tot Hillel met de vraag: 'Neem me aan als proseliet, indien ge me de Wet kunt leren, terwijl ik op één voet sta.' Hillel antwoordde: 'Wat gij niet wilt, dat U geschiedt, doe dat ook niet aan Uw medemens. De rest is commentaar. Ga en leer.' Dit herinnert sterk aan de uitspraak van Confucius, dat hij zijn hele leer kon samenvatten in één woord: 'tsjeoe' (wederkerigheid).

Hillel was een wijze in de volle zin van het woord. Zijn mildheid en onverstoorbaarheid waren spreekwoordelijk. Daaruit blijkt dat hij een wijze was in woord en daad. Aardig is de volgende anekdote, die schildert dat Hillel zelfs zijn geduld niet verloor, toen hij gestoord werd in de voorbereiding van de heilige sabbath.
Twee mannen wedden, dat wie Hillel uit zijn gelijkmoedigheid zou krijgen, vierhonderd zoez zou winnen.
Het was de vooravond van de sabbath. Hillel was bezig zich het hoofd te wassen. Eén van de wedders klopte bruusk op de deur van zijn huis: 'Is Hillel thuis? Is Hillel thuis?' Hillel nam zijn mantel, kwam naar hem toe en vroeg hem: 'Wat wenst ge, mijn zoon?' 'Ik heb U een vraag te stellen.' 'Stel hem, mijn zoon.' 'Waarom hebben de Babyloniërs een rond hoofd?' 'Een zeer belangrijke vraag, mijn zoon. Dat is,
omdat ze geen bekwame vroedvrouwen hebben' De man ging heen, wachtte even en klopte weer aan. 'Is Hillel thuis? Is Hillel thuis?' De rabbyn mam zijn mantel, kwam naar hem toe en vroeg: 'Wat wenst ge, mijn zoon?' 'Ik heb U een vraag te stellen.' 'Stel hem, mijn zoon.' 'Waarom hebben de inwoners van Palmyra vuile ogen?' 'Een zeer belangrijke vraag, mijn zoon. Dat is, omdat ze in zanderige streken wonen' De man ging heen, wachtte even en klopte voor de derde maal aan. 'Is Hillel thuis? Is Hillel thuis?' De rabbijn nam zijn mantel, kwam naar hem toe en vroeg hem: 'Wat wenst ge, mijn zoon?' 'Waarom hebben de Afrikaners grote voeten?' 'Een zeer belangrijke vraag, mijn zoon. Dat is, omdat ze in moerassige gebieden wonen.' 'Ik heb U nog verschillende andere vragen te stellen', zei de man, 'maar ik vrees Uw toorn op te wekken' Hillel vouwde zijn mantel samen, ging zitten en zei: 'Vraag alles wat ge wilt.' 'Zijt ge Hillel, die het volk een vorst in Israel noemt?' 'Ja'. 'In dit geval mogen er dan weinig gelijk gij in Israel bestaan.' 'Waarom, mijn zoon?' 'Omdat ge me [20] vierhonderd zoez hebt doen verliezen.' Daarop zei de rabbijn: 'Wees maar gerust, ge zult eerder nogmaals vierhonderd zoez verliezen door Hillel, dan dat ge hem zijn gemoedsrust zult zien verliezen.'

Dergelijke verhalen zijn nooit zonder zin. Ze inspireren op simpele wijze en strekken tot voorbeeld. Een verzameling van de wijsheid van alle tijden en volkeren zou de psychologie grote diensten kunnen bewijzen. Nog te veel moet de psycholoog werken in het wilde weg. Welk een lonende taak moet het zijn naar wijsheidsparels te duiken in de oceaan van de wereldliteratuur.
Welk een inzicht in de mens treffen we aan bij Aischulos, Sophokles, Euripides, Kalidasa, Shakespeare, Dostojweski, Tolstoi, Tsjechow, Ljeskow, Andersen, Ibsen, Meyrink, Rolland, Lawrence, Galsworthy en Simenon, om maar enkele verspreide namen te noemen. Ieder minnaar der letteren kan tientallen andere namen bedenken. Wat een genot zou het zijn te kunnen snuffelen in een antropologische encyclopedie, die dergelijke uitspraken of fragmenten in geordende samenhang zou bieden. Wij bedoelen niet een handboek van gevleugelde woorden of een citatenboek, maar een echt compendium van levende wijsheid en mensenkennis, dat hart en hoofd verkwikt.
Zou bv. de psychiater niet gebaat zijn met een aantal droomverklaringen van de onvergelijkelijke Artemidoros van Efese, die in de 2de eeuw v. Chr. leefde in Efese, de stad, waar ook de duistere Heraklitos gewoond heeft? Artemidoros verhaalt van een reukstoffen handelaar, die tot driemaal toe hetzelfde droomt. "Een herhalingsdroom is een waarschuwing van Anangke (het lot)," zegt Artemidoros. Maar laten we hem, met een paar verkortingen, zelf aan het woord:
Deze koopman droomde tot driemaal hetzelfde: hij had geen neus meer. Toen hij de droom voor de eerste keer kreeg, verging zijn handel. Zonder neus kan men immers geen reukstoffen keuren. Jaren verliepen. Hij deed andere zaken, maar veranderde zijn gemoed niet. Zo kwam de droom weer tot hem: hij had geen neus meer. Hij werd van diefstal beschuldigd en moest vluchten. Want het is hoogst onterend en werkt afstotend, als men zijn neus verliest, het opvallendste punt in het gezicht van de mens. De neus is het teken van de eer en wie zijn neus verliest, verliest zijn aangezicht. Kort daarna herhaalt zich de droom wederom. Ditmaal [21] kondigt hij de dood aan: want een dodenschedel heeft geen neus. Werkelijk stierf de reukstoffenhandelaar spoedig na deze droom. Wie zou tegenwoordig een zinrijker droom-exegese kunnen geven? Zo vindt men reeds in de grijze Oudheid voorbeelden van een psychologische techniek, die ultra-modern aandoet.

Bij de reeds genoemde Hippokrates en zijn grote navolger Galenus (tijdgenoot van Artemidoros) vinden we zeer praktische psychiatrische methoden. Aardig is het volgende staaltje, dat Galenus ons verhaalt en dat een voorloper is van de associatie-test van Jung. Een jonge vrouw had een ernstige zenuwaandoening, waarvoor hij geen organische oorzaak kon vinden. Hij somde haar een lijst met namen op, terwijl hij haar pols voelde. Iedere keer, dat hij de naam van een bekende populaire akteur noemde, begon haar pols sneller te kloppen. Het bleek, dat het meisje leed aan een liefde, die ze niet openlijk bekennen mocht. Galenus zorgde voor een eenvoudige, menselijke oplossing.
Een bekwaam psycholoog was ook de grote Joodse arts en theoloog, Maimonides, die reeds in de 12de eeuw een psychologische opleiding voor artsen bepleitte.
Interessant is ten slotte, dat het buitenwetenschappelijke oordeel wederom door de wetenschappelijke psychologie beïnvloed wordt.
Zo spreekt men zelfs van het pre- en post-Freudiaanse tijdperk in de literatuur. Aldus ontstaat er een wisselwerking tussen wetenschap en cultuur, die voor beide vruchtdragend is. De psychologische roman had nooit in deze vorm in de negentiende eeuw kunnen ontstaan. Men voelt, dat de auteur door de psychologie is beïnvloed. Het schept een aparte moeilijkheid om deze invloed weer te integreren in het geheel. De eerste psychologische romans waren onleesbaar door het vakjargon dat de lezer-voor-zijn-plezier afschrikte. Zo zijn de werken van D. H. Lawrence en A. Huxley vaak te zwaar van psychologische theorie. Als reactie daarop ontstond vaak een ironisch behandelen van psychologische termen en theorieën. Kostelijk is het parodistische gedicht van Han G. Hoekstra over 'De man met de 17 complexen':
Er was eens een man met 17 complexen,
en elke avond telde hij ze na,
want hij wou weten: hekseniet of hekse?
Als hij ze dan weer had, dan zei hij, ja. [22]

Na de tweede wereldoorlog ontwikkelt zich duidelijk een post-psychologische literatuur, die psychologisch verantwoord is, zonder explicite psychologie te bedrijven. De grootste onder deze literatoren is ongetwijfeld Simenon, die daardoor stellig de meest gelezen auteur van onze tijd is. Simenon heeft getracht een antwoord te geven op de vraag: wat zijn de grenzen van de menselijke existentie? Hij schept in al zijn werken limiet-situaties: tot hoever kan en zal een mens gaan? Zo zoekt hij via zijn romanhelden naar de grenzen van de ziel. En dit geeft het fascinerende aan zijn boeken, die door miljoenen verslonden worden.
'De grenzen van de ziel', is dat geen bekend geluid? Langs de spiraal der cultuur zijn we weer bij ons uitgangspunt beland; de grenzen van de ziel kunt gij niet vinden, al doorloopt gij elke weg: zo diepe grand heeft zij. [23]

terug naar de Inhoud

II  De fysiologische psycholoog

Gewaarwording is: k log. prikkel (Fechner)

Is de mensenkenner de psycholoog avant la date, de fysiologische psycholoog is de psycholoog in de grondverf.
De negentiende eeuw, was de eeuw van de natuurwetenschap; natuurkunde en biologie beleefden een ongekende bloei. Wat niet exact geformuleerd kon worden, was wetenschappelijke contrabande. Het was dan ook geen goede tijd voor het geloof in irrationele machten, en de wis- en natuurkundigen staken hun ongeloof niet onder stoelen of banken. Als Napoleon Laplace erop wijst, dat in zijn boek nergens de Schepper genoemd wordt, antwoordt deze zelfbewust: "Majesteit, deze hypothese kan ik ontberen." Nietzsche proclameert met de overmoed van de uebermensch: 'God is dood', en met Haeckel definieert men de God van de Bijbel zonder blikken of blozen als 'een gasvormig gewerveld dier.' De fysioloog Donders ontdekt een groot aantal constructiefouten aan het menselijk oog en verklaart: "Als een instrumentmaker me dit werktuig geleverd had, zou ik het hem met een standje teruggegeven hebben."
Ons, twintigste-eeuwers, klinken dergelijke uitspraken haast ongelooflijk. Dat grote geleerden zich zo kwajongens-achtig geuit hebben, kunnen we ons nauwelijks meer voorstellen. Maar wij hebben dan ook niet dat ongekende vertrouwen in de menselijke prestaties, dat men toen had.
Terecht merkt Huizinga op, in De Schaduwen van Morgen, dat het woord 'vooruitgang' steeds minder gebruikt wordt. Na twee wereldoorlogen past het de mensheid weinig om over vooruitgang te spreken, veeleer ziet men 'de toekomst als verleden tijd.' Toen waren echter woorden als 'Fortschritt' en 'progress' niet van de lucht. Stellig waren er ook toen denkers als Kierkegaard en Kohlbrügge, die niet zo optimistisch waren, ongetwijfeld fulmineerde Kuyper, dat de negentiende eeuw [24] wegstierf onder het dogma der evolutie, maar die paar zwartkijkers in het koor der uitbundigen mochten de pret niet bederven.
De twintigste eeuw bracht de stemming van 'the day after the night before'. Vooral het existentialisme muntte uit in zwartgalligheden ten aanzien van het bestaan en Sartre's verzekering, dat 'existentialisme c'est un optimisme' werkte niet geruststellend, nadat hij eerst verklaard had, dat 'alle bestaan is overbodig zijn.' Het is merkwaardig dat achteraf de verklaring van Donders bij ons het meeste protest opwekt. "Zonder zijn eigen ogen had hij die fouten niet eens kunnen ontdekken", is het algemene oordeel. En Rosenzweig voegt hier aan toe: "Een gelovig mens zou uit de z.g. fouten in het oog hebben afgeleid, dat ons oog nog iets anders is dan een instrument!" Ook in zijn eigen tijd ondervond Donders wel kritiek; zijn tegenstanders zeiden: "Zijn naam verraadt hem, want hij behelst eigenlijk een vloek," maar Donders had het getij mee. Ieder zichzelf respekterend geleerde dacht natuurkundig en niet theologisch.

De fysiologie beleefde een hoogconjunctuur; deze wetenschap stond voor niets. Een moeilijkheid leverde echter de fysiologie van de zintuigen op. Wel verklaarde men in gemoede, dat de geest een functie van de hersenen was, doch het kostte moeite, die functie in een formule te vatten. Het is kenmerkend voor het geestelijke klimaat van de negentiende eeuw, dat men met volle ernst trachtte de getalwaarde van iedere psychische functie te vinden. De psychologie was louter een verlengstuk, of neen: louter een onderdeel van de fysiologie. Men bestudeerde de ziel, zoals men de cel en de maag onderzocht, met dezelfde methoden en met dezelfde intenties. Dat lijkt ons nu een vreemde zaak, want een kind begrijpt toch, dat b.v. fantasie niet te vergelijken is met de functie van een scharniergewricht. Maar de wetenschap gaat niet over één nacht ijs. Men handelt in de wetenschap altijd volgens Leibniz' 'principe van de toereikende grond': zonder noodzaak mag men geen nieuwe hypothese invoeren. Men moet dus trachten zoveel mogelijk het nieuwe uit het oude te verklaren.
Het was dus voor de hand liggend, dat men het zien opvatte als een vermogen van het oog, het gehoor als een vermogen van het oor, zoals de tanden het vermogen hadden om te bijten en de kiezen om te kauwen.
Honderd jaar later vindt men dat een oppervlakkige vergelijking. Want... Kunt u onmiddellijk zelf het verschil aangeven? Inderdaad, het is niet eens zo gemakkelijk. Het verschil blijkt daaruit, [25] dat men wel kan eten met valse tanden, maar niet kan zien met een glazen oog.
"Ja", zegt de fysioloog, "maar wel met een kunstmatige lens, want een bril is ten dele een vervanging van de lens." u ziet, het is toch niet zo eenvoudig. Maar we geven de strijd niet op. En dus antwoorden we: "Accoord. Maar u kunt wel een instrument maken, dat net zo kauwt als de kiezen, maar niet een instrument dat net zo ziet als het oog." Op het eerste gezicht lijkt deze redenering helemaal te kloppen.
Een vijzel kan voedsel fijnmalen, maar een camera kan geen landschap zien. Doch daar bemoeit zich de fenomenologische psycholoog (dernier cri van de psychologie) met het twistgesprek en die zet de hele boel op de kop: "Gij hebt beiden en geen van beiden gelijk. Ik zie geen principieel verschil tussen het oog en de kiezen, het zijn beide organen." - "Ziet ge wel", triomfeert de fysioloog.
Maar de fenomenoloog gaat alweer rustig verder: "Doch dat betekent, dat geen van beide louter instrumenten zijn, zoals Rosenzweig trouwens reeds opgemerkt heeft. Gij stelt kauwen tegenover kijken, maar dat is er helemaal naast. Oog en kies hebben een mechanische en een psychische functie. Die van het oog zijn beeldvormen (net als een lens) en kijken, die van de kies zijn kauwen (net als een vijzel) en... eten. Wist ge niet eens, dat het woord tand, eigenlijk een afkorting is van 'etend', de 'etende'? En dat geldt evenzeer voor het latijnse 'dens' (van 'edens') en het Griekse 'odon'. Een vijzel kan wel kauwen, maar niet eten. Dat kan alleen een levend wezen. Ergo: het hele lichaam is een machine, maar bovendien en vooral een orgaan van de psyche.
u ziet, dat het gesprek steeds doorgaat: telkens opnieuw worden dezelfde problemen geformuleerd. Men mag het de 19e eeuw daarom niet te zeer euvel duiden, dat zij streefde naar eenvoud in de verklaring der psychische processen. Toch moet men evenmin denken, dat dit onderzoek waardeloos gebleven is. De fysiologie heeft ons een aantal inzichten opgeleverd, die ook thans nog van betekenis zijn.
Hoe is dit dan mogelijk? Eenvoudig aldus. De fysioloog zocht naar in getallen uitdrukbare, meetbare gegevens, bij de zintuigelijke waarnemingen. Het is ons nu duidelijk dat die waarneming zelf niet gewoon te meten is, maar wel kunnen we de prikkel (licht, geluid etc.), die op het zintuig inwerkt, meten. uit dit onderzoek ontstond de beroemde Wet van Weber-Fechner.

Het was de vermaarde fysioloog Johannes Müller, die het eerst gewezen heeft op de specifieke rol van zintuigen en hersenprocessen. [26] Hij trachtte aan te tonen, dat licht, kleur, toon, warmte, koude, geur en smaak geen objectieve eigenschappen der dingen van de buitenwereld zijn, doch de specifieke reacties van onze zintuigen op de prikkels van buitenaf. We kennen allemaal het verschijnsel van sterretjes zien bij een stomp op het oog, of gesuis horen bij een klap op het oor. Welnu, redeneerde Müller, daaruit blijkt, dat licht en geluid de natuurlijke reacties van oog en oor zijn, maar geen objectieve werkelijkheid.
Nu is het met wetenschappelijke verklaringen zo gesteld, dat ze vaak meer in-, dan uitleggen. Men tovert het konijn uit de hoed, na het er eerst ingestopt te hebben. Want waarom blijkt uit het feit, dat ik sterretjes zie, dat kleur geen objectief kenmerk der dingen is? Om een beeld te gebruiken ter verduidelijking: de wijzer op een balans geeft gewicht aan. Ik kan de wijzer echter ook doen verplaatsen met een magneet. Volgt daaruit nu, dat gewicht louter een reactie van de wijzer is? Het enige wat we hier met enige zekerheid kunnen stellen is, dat de zintuigen de prikkels op specifieke wijze verwerken. In hoeverre deze reactie subjectief of objectief is, is een kennistheoretisch probleem, waar heel wat bladen over kunnen worden volgeschreven.

Het ligt voor de hand dat de leerlingen en opvolgers van Müller de relatie prikkel en zintuigelijke reactie gingen onderzoeken. Een van hen was Ernst Heinrich Weber, briljant fysioloog en anatoom. Tezamen met zijn broers Wilhelm en Eduard Weber publiceerde hij zijn voortreffelijke Wellenlehre. Maar de grootste roem oogstte hij door Die Lehre vom Tastsinn und Gemeingefühl (1851).
Reeds in 1830 had hij uitvoerige proeven t.a.v. de tastzin genomen. Zo onderzocht hij o.a. wat de kleinste afstand was, waarop men nog twee passerpunten, welke op de huid gedrukt werden, van elkaar kon onderscheiden. Dergelijke proefjes - hoe onbeduidend ze ons heden ook mogen schijnen - vormen de inleiding tot de experimentele psychologie. Wat Weber in meer algemene zin trachtte vast te stellen was, wanneer men een objectieve verandering van de prikkel opmerkte. Daarbij ontdekte hij iets zeer interessants. De mens onderscheidt niet het absolute verschil tussen de prikkels, maar het relatieve.
Als we b.v. een gewicht van 100 gram nog net kunnen onderscheiden van een gewicht van 103 gram, dan kunnen we een gewicht van 200 gram niet onderscheiden van een gewicht van 203 [27] gram, maar wél van één van 206 gram. Voor druk (gewicht) op de huid, blijkt dat de mens pas een verschil merkt, als de druk met 3/100 toeneemt.
Later heeft Gustav Theodor Fechner - zonder iets van Webers werk af te weten - deze proeven herhaald en hetzelfde resultaat verkregen. Toen men hem op zijn voorganger attent maakte, noemde hij de, ook door hemzelf gevonden regelmaat, in grote bescheidenheid: de wet van Weber, niettegenstaande het feit, dat hij alleen al voor de drukzin 24.576 proeven had genomen. Het nageslacht heeft dit weer aangevuld tot de wet van Weber-Fechner en zo is het gebleven tot heden.
Talloze malen is echter de formulering veranderd. Weber zelf koos deze vorm: Afgezien van extreem hoge en extreem lage waarden der objectieve prikkels, worden evengrote (n.l. nog juist waarneembare) gewaarwordingsvermeerderingen steeds door evengrote relatieve prikkelvermeerderingen teweeg gebracht, hoe ook de absolute grootte der prikkels moge veranderen.
De zakelijke twintigste eeuw koos een heel wat eenvoudiger uitdrukkingswijze: Van twee prikkels, die een juist merkbaar verschil in gewaarwording geven, is de verhouding constant.
In deze formulering ontbreekt iets, wat de negentiende eeuw wezenlijk achtte. Wij spreken thans van een juist merkbaar verschil. Weber sprak van een even grote gewaarwordingsvermeerdering. Wat bedoelde hij daar eigenlijk mee? Volgens hem en vele anderen na hem was het verschil tussen twee gewaarwordingen van prikkeltoename even groot.
Stel b.v. dat ik kijk naar een lamp van 50 Watt en daarna naar een lamp van 100 watt, wat is dan de toename in gewaarwording? Zo gesteld lijkt ons anders geschoolde psychologen deze vraag absurd. Hoe kunnen we in hemelsnaam waarnemingen kwantitatief vergelijken? Weber meende echter dat dit heel goed kon. Keren we terug naar ons voorbeeld van zoëven. Ik heb op mijn hand een gewichtje van een ons. Nu voegt men er 1 gram aan toe. Ik merk het niet. Nog een gram. Het resultaat blijft nihil. Ten slotte weer een gram. Geen gevolg. Men neemt de drie grammen terug en voegt ze er in één enkele keer aan toe. Drie gram is ten aanzien van 100 gram het waarnemings-minimum en dus zeg ik: 'Ik voel, dat mijn last verzwaard is.' Nu moet men iets meer dan 3 gram (nl. 3/ 100 van 103 g) toevoegen om weer verandering op te merken.
Volgens Weber en Fechner mag men nu zeggen, dat de tastgewaarwording gelijkmatig toeneemt, d.w.z. ik voel hetzelfde verschil [28] tussen 100 gram en 103 gram, als tussen 103 gram en 106,09 gram etc. Naar modern inzicht is de term hetzelfde hier volstrekt zinledig, daar ik deze verschillen niet onderling vergelijken kan. Maar dat inzicht danken we aan honderd jaar natuurwetenschappelijk denken.
Weber en Fechner waren oprecht overtuigd, dat deze onderscheidingen identiek waren en dus kwamen ze tot de conclusie, dat de prikkelgewaarwording steeds toeneemt met een gelijke hoeveelheid, d.w.z. zich gedraagt als een rekenkundige reeks. En zo kwam Fechner tot deze uitspraak: Als de intensiteit van de prikkel toeneemt in de vorm van een meetkundige reeks, neemt de intensiteit van de gewaarwording toe in de vorm van een rekenkundige reeks.
Nu is de verhouding tussen een rekenkundige en een meetkundige reeks een logaritmische functie. Ook dat is niet zo moeilijk te begrijpen, als men iets van wiskunde weet. (Weet men dit niet, dan sla men dit gecijfer gerust over, zonder schade te lijden aan zijn ziel). Logaritme is eigenlijk een ander woord voor exponent, het getal dat de macht aangeeft. Nu is het bekend, dat de opvolgende machten van a een meetkundige reeks vormen (met a als reden), terwijl de exponenten een rekenkundige reeks vormen: al-a2-a3-a4 etc. Immers a4=a3 x a, a3= a2 x a, a2=a1 x a.
Om een lang verhaal kort te maken: Fechner kwam in verband hiermee tot de formulering: de gewaarwordingsintensiteiten groeien aan in verhouding tot de logaritmen der respektieve prikkels. Drukt men deze verhouding uit door het getal k (als konstante) dan ontstaat de korte formule, die boven dit hoofdstuk prijkt: gewaarwording : k log. prikkel.

Voor Fechner was dit het summum van wetenschappelijkheid: de psyche in wiskundig verband gebracht tot de buitenwereld en dan nog deze relatie exact geformuleerd. Fechner staafde hiermee een door hem aangehangen kennistheorie, die bekend staat als het 'psychisch monisme'.
Men vindt deze theorie o.a. uiteengezet in zijn verschillende boeken over Psychophysik. Deze twee termen vereisen enige toeliehting. Fechner meende bewezen te hebben, dat prikkel en gewaarwording uit elkaar waren af te leiden. Deze eenheid van psyche en fysis (natuur) komt tot uitdrukking in de term Psychofysica. In dit opzicht week Fechner niet af van zijn tijdgenoten, die meestal de psychologie bij de fysiologie onderbrachten. [29] Het revolutionaire van Fechner was echter dit, dat hij de zaak omkeerde en het primaat aan de psyche toekende. Volgens hem bestond er niets buiten de psyche, want de buitenwereld kenden we immers slechts door de ziel. Vandaar de term psychisch monisme. Later zal de Groninger filosoof Gerard Heymans deze leer overnemen en nader uitwerken. Nog heden ten dage zijn er Nederlandse psychologen die zweren bij Heymans en het psychisch monisme. Ondertussen is er ook een enorme kritiek op deze theorie gekomen, die echter voornamelijk op het terrein der filosofie ligt. De beroemdste bestrijders waren Bergson, Husserl en Kohnstamm.
Eerst willen we nu de vraag beantwoorden: Wat zijn de praktische consequenties van de wet van Weber-Fechner? Het blijkt, dat in zijn moderne gewaad (zonder dat men de gewaarwordingsverschillen tracht te meten) deze wet een heleboel verschijnselen verklaart. Zoiets gebeurt vaak in de wetenschap en juist in de psychologie zelfs heel veel. Men hoeft b.v. geen aanhanger van de psycho-analyse te zijn, om toch in vele gevallen Freudiaans te denken (b.v. ter verklaring van een verspreking).
Men zegt dan: "Dit is een typisch psycho-analytisch geval." Maken wij dus gebruik van de wet van Weber-Fechner, dan hoeven wij niet te opereren met de mathematische formule: gewaarwording = k log. prikkel. Ja, het is zelfs in vele gevallen niet eens nodig, dat we met een meetkundige reeks van prikkeltoename werken. Laat ons met Ten Seldam een drietal voorbeelden geven om dit te verduidelijken:
1. Wanneer men in een kamer een kaars opsteekt en later nog één, dan ziet men op de wanden duidelijk de grotere lichtsterkte. Brandt er evenwel een 100 kaars lamp, dan bemerkt men de vermeerderde lichtsterkte niet. Er is in beide gevallen wel een absoluut gelijke lichtsterkte bij gekomen, doch geen relatief gelijke.
2. Als er een paar man afwezig zijn bij een groot zangkoor, merkt het publiek daar niets van. Evenmin als men er één of twee zangers aan toevoegt.
3. De sterren ziet men overdag niet. Men kan dit op verschillende manieren beredeneren. De eenvoudigste is deze: als een kamer hel verlicht is, merkt men het niet als iemand een kaars opsteekt. Stel, dat de zon schijnt en iemand zou de sterren kunnen 'aandoen' als een soort kosmische lantaarnopsteker, dan zou niemand die 'kaarsjes' aan de helverlichte hemel opmerken, omdat ze relatief te weinig licht aan het zonlicht toevoegen. [30]
Ten Seldam geeft een iets abstrakter bewijs, dat echter ook heel aardig is: Het daglicht vermeerdert de helderheid van achtergrond en sterren met hetzelfde absolute bedrag. Om evenwel waarneembaar te blijven, zou de sterrenhelderheid met hetzelfde relatieve verschil moeten toenemen als er tussen nachthemel en sterren bestaat. Dit is niet het geval, dus worden ze onzichtbaar. En hiermee hebben we op twee manieren het wetenschappelijk antwoord gegeven op de oude schertsvraag, waarom de zon niet 's nachts schijnt (als het n.l. zo donker is, terwijl het overdag toch al licht is).

De biologische betekenis van deze wet is zeer groot. Zou een organisme ieder verschil in de omgeving opmerken, dan leefde het in konstante onrust. Het werd letterlijk te veel 'geprikkeld'. Pas als de prikkel aanzienlijk toeneemt, wordt verschil in de omgeving geconstateerd. Daardoor is het ook mogelijk zijn omgeving te herkennen, ondanks de voortdurende kleine wijzigingen. De wet van Weber-Fechner bevordert dus in sterke mate de aanpassing. Nauw samenhangend met het bovenstaande is de wet der constante waarneming. We spreken van een vorm-constante, grootte-constante en kleur-constante.
Als ik een voorwerp zie, verandert het zuiver fysisch gezien voor mij steeds van vorm als ik mij beweeg, daar er telkens een ander beeld gevormd wordt. Ik zie echter het ronde deksel van een busje niet elliptisch worden, omdat mijn 'geestesoog' het lichamelijk oog 'corrigeert', d.w.z. volhardt (persevereert) in de waarneming van de cirkel. Men noemt dit de vorm-constante. Er bestaat een groot verschil tussen het zuivere perspectief en de waarneming. De grote schilder Rafaël verloochende daarom opzettelijk in zijn schilderijen de wetten van het perspectief, waardoor zijn afbeeldingen echter natuurgetrouwer leken.
Men ziet dus, dat de wet van Weber-Fechner juist helemaal geen fysische wet is, maar een echte levenswet. Terwijl de 19de eeuw er een bewijs voor het mathematisch karakter der waarneming in zag, zien wij er in de 20ste eeuw juist een teken van het organische in, een z.g. functionele tendens.
De menselijke waarnemer verandert het beeld naar zijn eigen nut, zodat hij de werkelijkheid verwerken kan. Simenon heeft hierover aardige dingen geschreven in Les Mémoires de Maigret: "De waarheid lijkt nooit echt. Ik heb het niet alleen over de literatuur of over de schilderkunst. Ik zal u ook niet het geval [31] aanhalen van de Dorische zuilen, waarvan de lijnen ons kaarsrecht voorkomen en die deze indruk alleen maken, doordat ze licht gebogen zijn. Want als ze recht waren, zou ons oog ze als gebogen waarnemen, begrijpt u? - Vertelt u maar een willekeurig verhaal aan wie ook. Als u er geen vorm aan geeft, zal men het ongeloofwaardig vinden, gekunsteld. Geef er een vorm aan en het zal waarachtiger lijken dan de werkelijkheid." De zintuigen nemen zin-vol waar, ze zijn geen instrumenten, maar organen. Dat hadden we al in het begin gehoord uit de mond van Rosenzweig en onze fenomenoloog, maar nu verstaan we het beter. Het is de Gestalt-psychologie, die daaruit de verdere consekwenties getrokken heeft. En daarom zullen we in het volgende hoofdstuk een kijkje gaan nemen in de keuken van de Gestalt-psychologie, opdat we duidelijk zullen zien, dat er een voortgang in het psychologisch denken bestaat.
Het is nl. uiterst boeiend de lijn door te trekken van Fechner naar latere denkers en onderzoekers. In de eerste plaats zijn er natuurlijk zijn leerlingen en opvolgers, die de fysiologische psychologie verder hebben uitgewerkt en opgebouwd. We denken dan aan Ebbinghaus, Ziehen en Münsterberg. De laatste werd, naar Amerika uitgeweken, de vader der psycho-techniek. Ook moet Fechner beschouwd worden als de belangrijkste pionier der experimentele psychologie, al had hij in dit opzicht zijn voorlopers in Müller, Helmholtz en Weber.

Nader kritisch onderzoek van zijn werk leidde tot de bovengenoemde Gestalt-psychologie, die wederom wordt voortgezet en gecorrigeerd door de fenomenologische psychologie. Fechner had echter ook betekenis als filosoof. We zagen reeds dat zijn inzicht, dat gewaarwording en prikkel onder één noemer te brengen zijn, leidde tot het psychisch monisme, de opvatting, dat alles psychisch is. We kennen de werkelijkheid immers niet buiten onze ervaring, d.w.z. als psychische grootheid. De diepzinnigste uitwerking hiervan gaf onze landgenoot, de Groninger filosoof Gerard Heymans, de briljantste bestrijding onze landgenoot Ph. Kohnstamm.
Geheel anders is de houding, die Johann von Kries inneemt t.a.v. Fechner's kennis theorie. Deze scherpzinnige denker - even universeel geschoold als Weber en Fechner zelf - verwerpt de opvatting dat de gewaarwordingen een rekenkundige reeks vormen. Hij toont voor het eerst duidelijk het verschil aan tussen intensiteiten en extensiteiten. Extensiteiten (zoals lengte, oppervlakte, gewicht) [32] zijn metrische grootheden. Men kan zeggen, deze kamer is tweemaal zo breed als die. Men kan echter niet zeggen: ik heb tweemaal zoveel verdriet als jij. De opmerking: dat kind is dieper onder de indruk dan dat, is zinvol. Men kan immers constateren, dat de ene mens iets intenser beleeft dan de andere.
Men kan echter niet waarmaken (d.i. verifieerbaar maken) dat het ene kind een hoeveelheid verdriet heeft, dat twee of driemaal zo groot is als dat van een ander. Verdriet is nl. een intensieve grootheid, geen extensieve. Daarmee vervalt het bestaansrecht van wat Weber een 'even grote gewaarwordingsvermeerdering' genoemd heeft.
En daarmee verliest de mathematische formulering van Fechner ook zijn grond en dus... opgepast. Zegt u nu niet: daarmee vervalt ook de wetenschappelijke basis van het psychisch monisme. Want een filosofie vervalt nooit als men één van haar argumenten weerlegt. Dan vindt men wel weer andere. Het gaat ermee, als met de wolf en het lam in de fabel van Lafontaine. Terecht merkt Kohnstamm dan ook op, dat theorieën nooit volledig weerlegd worden, maar gewoon een natuurlijke dood sterven bij gebrek aan enthousiaste verdedigers, d.w.z. voldoende deskundige mensen die bereid zijn er in te geloven en er rationele argumenten voor aan te voeren.

Ten slotte moeten we nog wijzen op verwante ideeën, die in Rusland en Amerika verkondigd werden tegen het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw. We verbinden hier twee beroemde namen aan: Pawlow en Watson. Het is zeker geen toeval, dat juist in deze twee landen de reflex-psychologie tot grote bloei kwam. Zocht men in West-Europa een aansluiting bij de fysiologie, in Rusland en Amerika zocht men verband met de techniek. De opkomende industrie in de V.S. en het materialistisch denken in Rusland (reactie der geleerden en politici op de mystiek der orthodoxe kerk), maakten de geesten vatbaar voor de beoordeling van het gedrag als automatisme.
Zeer bekend zijn de proeven van Pawlow, hoogleraar in de fysiologie te Sint Petersburg, met gedresseerde honden, die bij bepaalde signalen speeksel afscheidden. Pawlow sprak van 'geconditioneerde reflexen' en trachtte op deze wijze alle niet aangeboren gedrag bij dieren en mensen te verklaren. In dezelfde geest werkte Watson, die zich vooral verdienstelijk maakte met de reconditionering. Vele psychologen verklaren deze proeven uit onbewuste associaties, wat een eenvoudiger beschouwing oplevert. [33] In dit hoofdstuk zullen we ons verder beperken tot het memoreren van het werk van Hermann Ebbinghaus, die in 1885 zijn boek over het geheugenonderzoek publiceerde. Nog steeds is Ueber das Gedächtnis een belangrijk psychologisch geschrift. Het staat met Die Seele des Kindes van Wilhelm Preyer aan de vooravond van de eigenlijke psychologische wetenschap, die niet langer uitgaat van fysiologische premissen.
Van Ebbinghaus' conclusies zijn een zestal nog steeds van kracht; kort samengevat komen ze hierop neer:
1. Kinderen hebben voor het inprenten van een bepaalde leerstof meer tijd en meer herhalingen nodig dan volwassenen.
Het is dus niet waar, dat kinderen zoveel makkelijker leren dan volwassenen. Het is echter wel waar, dat kinderen zoveel makkelijker repeteren dan volwassenen. Met andere woorden: een kind heeft bv. 20 herhalingen nodig voor het een lesje kent, een volwassene slechts 10. Maar het kind vindt het leuk dit 20 maal te repeteren, de volwassene ergert zich al bij de derde keer. Chesterton heeft er op gewezen, dat kinderen zoveel vreugde in het herhalen hebben, ze willen hetzelfde verhaal wel 100 keer horen.
'Misschien zegt God ('die jeugdiger is dan wij') iedere morgen tegen de zon, die moet opgaan, nog eens, nog eens.' Het kind geniet van de herhaling en leert zodoende spelenderwijs. De volwassene lijdt onder de routine, hij wil voortdurend afwisseling. Het sprookje dat het kind van buiten kent, heeft het ettelijke malen horen vertellen. Maar wie leest slechts twee maal dezelfde roman?
2. Meisjes onthouden in 't algemeen tot het 13e of 14e levensjaar beter dan de jongens, daarna doet zich het omgekeerde verschijnsel voor. Dit is mede een faktor, waarom meisjes op de lagere school vaak betere resultaten behalen dan jongens, doch in de hoogste klassen van de middelbare school door hen voorbijgestreefd worden.
3. Het zinvolle wordt gemakkelijker opgenomen en onthouden dan het zinloze.
Dit lijkt ons thans een waarheid als een koe. Maar toch is dit inzicht pas algemeen verbreid sinds Ebbinghaus. Vóór die tijd oefende men het geheugen vaak met zinloos materiaal. De mnemotechniek gaf velerlei middelen aan om zinloze leerstof vlug te memoriseren. De volle betekenis van dit inzicht begrijpt men pas, als men [34] zich realiseert hoeveel er nog op school aan zinloze geheugentraining wordt gedaan. Wij denken bv. aan de jaartallenmanie van sommige geschiedenisleraren.
4. In het algemeen is het het beste halfluid (zachtjes voor zich heen prevelend) te leren.
Dit is begrijpelijk als men beseft, dat stil-lezen een laatkomer in de cultuur is. In de oudheid en in de middeleeuwen was bijna alle lezen een hardop lezen, voorlezen. Sprookje, mythe, sage en legende (= wat waard is te worden voorgelezen) zijn in oorsprong verhalen, die moeten worden verder verteld of worden voorgelezen.
5. De G-methode is beter dan de T-methode.
Deze namen zijn ontleend aan de Duitse terminologie. Ebbinghaus onderscheidde nl. Ganzlernverfahren en Teillernverfahren. Bij de G-methode tracht men zoveel mogelijk uit te gaan van het geheel en dan de delen te leren, bij de T-methode gaat men van het deel naar het geheel.
Zo kan men bv. een gedicht leren, door te beginnen met de eerste regel, daarna de tweede regel, dan één en twee samen, vervolgens de derde, dan weer één, twee en drie samen etc. Het gevolg hiervan is meestal, dat men het begin veel beter kent dan het einde. Ebbinghaus heeft nu proefondervindelijk vastgesteld, dat het beter is het gedicht in zijn geheel te lezen en dit zo vaak te herhalen, tot men het van buiten kent.
6. Het vlugge tempo heeft het meeste resultaat.
Leert men in een snel tempo, dan vormen de delen makkelijker een eenheid. De trage leerling is gauwer afgeleid, in zijn hoofd is het vooitdurend eb en vloed.
De diepere betekenis van deze uitkomsten verstaan we echter pas vanuit de latere psychologie. Zo is punt 6 zeer begrijpelijk vanuit het standpunt der diepte-psychologie. Wie snel memoriseert heeft minder onbewuste remmingen.
Het vijfde punt vindt zijn verklaring in de Gestaltpsychologie, die we hierna zullen leren kennen.
Het vierde punt wordt nader onderzocht in de cultuurpsychologie, die o.a. de nadruk legt op de betekenis van primitieve levensgewoonten.
De structuurpsychologie geeft een verklaring voor het derde punt (wat is zinvol leren?), de psychologie van de sexe houdt zich bezig met het tweede, terwijl de kinderpsychologie (onderdeel der [35] ontwikkelingspsychologie) op het eerste punt weer dieper ingaat.
Zo zien we hoe in de negentiende-eeuwse psychologie de grondslag gelegd is voor het latere psychologische denken. Daarom is het een zaak van eenvoudige rechtvaardigheid de namen van Weber, Fechner en Ebbinghaus in ere te houden. [36]

terug naar de Inhoud

III De Gestaltpsycholoog

Het geheel is meer dan de som der delen. (Christian von Ehrenfels)

In 1908 verscheen in de Vierteljahrschrift der Wissenschaftliche Philosophie (Band 14) een artikel van Christian von Ehrenfels: 'Ueber Gestaltqualitäten'. Het is min of meer gebruikelijk deze studie als het beginpunt der moderne zielkunde te beschouwen. Echter ten onrechte. Want reeds in 1889 had Henri Bergson dezelfde gedachten uitgewerkt in Les données immédiates de la conscience.
Dat wij evenwel toch een citaat van Von Ehrenfels boven dit hoofdstuk plaatsen, heeft verschillende goede gronden. In de eerste plaats heeft Von Ehrenfels de term Gestalt hier het eerst in die zin gebruikt, in de tweede plaats heeft hij meer dan Bergson de latere Gestaltpsychologie beïnvloed. Ook in het Duitse taalgebied heeft Von Ehrenfels zijn voorlopers gehad (o.a. Brentano en Bolzano), maar hij was de eerste, die alle consekwenties doortrok naar de psychologie. Trouwens bovenstaande uitspraak treffen wij reeds aan bij Plato en in de middeleeuwen werd er al druk over geredetwist. De pioniersbetekenis van von Ehrenfels schuilt dus louter in het feit, dat hij het psychologische denken gedwongen heeft met deze opvatting rekening te houden.
Nu is het goed hier scherp te onderscheiden, want de Gestaltpsychologie kent verschillende stadia, die niet geheel met elkaar overeenstemmen in uitgangspunt. Daarom is het verstandig eerst even een paar stappen terug te gaan. De negentiende-eeuwse psychologie wordt tegenwoordig vaak aangeduid als elementen-psychologie. Daartegenover plaatst men dan de moderne richtingen, die gezamenlijk de totaliteits-psychologie genoemd worden. Zelf spraken de 19de-eeuwers meestal van associatie-psychologie, een term, die aansloot bij de fysiologie, inzonderheid die van de hersenen. Deze associatie-zielkunde had haar voorlopers in Locke, Hartley en Herbart, die echter in de eerste plaats nog filosofen waren. [37]

Het zijn de fysiologen, die de weg vrijmaken voor de eigenlijke psychologie. Meestal redeneerde men als volgt: een prikkel laat een spoor na in de hersenschors (een z.g. engram: het ingegrifte). Dit spoor kan de psychische inhoud weer oproepen. ("Hoe gaat dat dan?" vragen we tegenwoordig. Want zonder 'het wonder van de psyche' gaat zoiets toch niet?). Tussen de verschillende sporen der hersenschors kunnen associatieve banden worden gelegd. Theodor Ziehen geeft in zijn Leitfaden der physiologischen Psychologie (1893) haarfijn aan, hoe dat allemaal in zijn werk gaat: "Uit de toestand van de hersenschors op ogenblik 1, volgt noodzakelijk de toestand van de hersenschors op ogenblik 2; aan de eerste beantwoordt de voorstelling a, aan de tweede beantwoordt de voorstelling b enz." Zegt U nu eens heel eerlijk: begrijpt U precies wat hij bedoelt? Let U eens op dat woordje 'noodzakelijk'. Dat is weer net zo'n term als 'evengroot' in de wet van Weber-Fechner.
Voor Theodor Ziehen stond het a priori vast, dat denken een hersenproces was, dus moest het net zo verlopen als ieder ander natuurkundig proces; b volgt noodzakelijk op a. Heymans heeft zich hiervan niet geheel weten los te maken en bouwde hierop zijn theorie van het Psychisch Monisme.
Laten we weer een eenvoudig voorbeeld geven. Ik denk aan Amsterdam. Wat volgt hier nu noodzakelijk op? Rotterdam of de Schreierstoren?
Er bestaat een typisch negentiende-eeuws verhaal van Edgar Allan Poe, de vader van de detective-roman. De speurder raadt (neen: vindt) iemands gedachten door slechts diens blik te volgen en dan zijn associaties na te gaan. Later zal Conan Doyle soortgelijke grapjes uithalen met Sherlock Holmes, die alles verklaart door 'deduceren en combineren'. En de verblufte lezer zucht na afloop met de brave Watson: "Ja, 't is eigenlijk doodeenvoudig." Maar wij twintigste-eeuwers, verdreven uit het paradijs der 19de-eeuwse naïviteit door de zondeval van de dieptepsychologie, kunnen niet meer zo geloven in de noodzakelijkheid van een associatie.
Misschien mag ik nog een eenvoudig voorbeeld geven om dat toe te lichten. In The Sign of the Four van Conan Doyle, komt het volgende vermakelijke gesprek voor: "Je sprak zojuist over waarneming en gevolgtrekking. Maar het ene sluit het andere toch tot zekere hoogte in." [38]
"Nauwelijks", antwoordde hij, behaaglijk in zijn armstoel achterover leunend, terwijl hij dikke, blauwe rookwolkjes opblies. "Bijvoorbeeld, waarneming leert me, dat je vanmorgen naar het postkantoor in de Wigmorestreet bent geweest, maar door gevolgtrekking weet ik, dat je daar een telegram verzonden hebt." "Juist" zei ik. "In beide opzichten juist. Maar ik geef toe, dat ik niet zie hoe je er toe gekomen bent. Het was een plotselinge opwelling van me en ik heb er met niemand over gesprokenf."
"Het is de eenvoud zelf", merkte hij op, zich verkneuterend over mijn verrassing. "Zo belachelijk eenvoudig dat een verklaring overbodig is; en toch kan het misschien dienen om de grenzen van waarneming en gevolgtrekking te bepalen. De waarneming leert me, dat je wat rode aarde aan je wreef hebt. Net tegenover het postkantoor in de Wigmorestreet hebben ze het trottoir opgebroken en er aarde op gestort, dat zo ligt dat je bij het naar binnen gaan er wel op trappen móet. De aarde is van een bijzondere, rode kleur, die zover ik weet, nergens in deze buurt gevonden wordt. Tot zover de waarneming. De rest is gevolgtrekking."
"Waaruit leid je dan het telegram af?"
"Wel, ik wist natuurlijk dat je geen brief geschreven had, aangezien ik de hele morgen tegenover je gezeten heb. Ik zie ook in de open lessenaar van je bureau, dat je een blad postzegels en een dikke stapel briefkaarten hebt. Waarvoor anders kon je dan het postkantoor ingegaan zijn, dan om een telegram te versturen? Schakel alle andere factoren uit en die welke overblijft is de waarheid."
Maar nu komt de moderne psycholoog en die stelt een paar tegenvragen:
a. Kan het niet zijn, dat Watson een oude kennis ontmoet heeft en met hem meegelopen is om een brief te posten?
b. Kan hij niet gefrappeerd zijn door het uiterlijk van iemand, die het postkantoor binnen ging en hem nagegaan zijn?
c. Kan hij niet behoefte gevoeld hebben - zo maar - om het postkantoor in te gaan?
d. Kan hij niet iemand die altijd lange verhalen vertelt, ontlopen zijn en gauw naar binnen zijn gewipt?
e. Kan hij niet een kaart ter plaatse geschreven hebben?
f. Kan hij niet - domweg - vergeten zijn, dat hij nog postzegels had en een blad zegels in zijn portefeuille dragen?
g. Kan hij niet een grapje hebben willen uithalen met Sherlock Holmes en wat rode aarde op zijn wreef gesmeerd hebben? [39]

Maar ja, dan gaat de vlieger niet op. Leest u na zulk een beschouwing eens een boekje van Simenon (bv. Maigret se trompe in het Nederlands: Maigret en de hooggeleerde pantoffels) en u ziet daar hoe deze subtiel onderscheidt tussen argumenten (tegenover de buitenwereld), motieven (tegenover ons zelf) en (onbewuste) drijfveren. Maar dat komt doordat Simenon een man van zijn tijd is, die niet meer gelooft in simplistische redeneringen. U merkt dus het gevaar van Ziehen's denkwijze. Wat ergens noodzakelijk uit volgt, concludeert men meestal achteraf. De psychische processen verlopen niet volgens 'the mosaic principle', het zijn totaliteitsprocessen.
Iedereen weet, dat een melodie meer is dan de opsomming der tonen, een zin meer is dan de som van de woorden. Volgens Chr. von Ehrenfels is nu Gestalt datgene wat meer aanwezig is dan de som der delen bevat. De elementen behoren volgens hem dus niet tot de Gestalt, zij vormen de grondslag, waarop de Gestalt rust. Later rekent men de delen ook tot de Gestalt, maar men ziet in de Gestalt altijd toch meer dan de som der delen. Nu moet men goed verstaan, dat dit een geestelijke waarheid is. Als we beweren dat een melodie meer is dan de som der klanken, dan bedoelen we dat we dit als zodanig ervaren. Dit blijkt duidelijk als we een boodschap ontvangen in een voor ons vreemde taal. Deze wordt pas ten volle tot Gestalt, als we die taal kennen, d.w.z. de delen als symbolen van het geheel zien.

De grote leider der Gestaltpsychologie werd in de tweede fase Max Wertheimer, hoogleraar te Berlijn. Van zijn vele publicaties vermelden we hier slechts: Ueber Gestalttheorie. Wertheimer breekt radicaal met de 19de eeuwse psychologie. Hij verklaart, dat het geheel er eerder is dan de delen. Zelfstandigheid komt slechts toe aan het geheel. Voor Von Ehrenfels was de Gestalt dat, wat overbleef na aftrek van de elementen, voor Wertheimer is Gestalt het zinvolle geheel, dat aan de aanvang staat.
Enorm groot was en is de invloed van deze richting op het onderwijs. Terwijl men vroeger meer uitging van de opbouw uit de elementen, stelt men nu het geheel voorop. In plaats van Gestalt spreekt men ook van Ganzheit, Struktur (maar dat woord gebruiken we ook in een iets andere betekenis. Dit geschiedt met name in de Strukturpsychologie van Edward Spranger. Structuur is daar de objectieve pendant van Gestalt. Alles wat in de realiteit (dus niet alleen in de waarneming) een geheel vormt, is een structuur.), forme (Guillaume) en globalisation (Decroly).
U hebt toch wel eens gehoord van het globalisatie-onderricht, [40] dat vooral in de drie onderklassen van de Nederlandse vernieuwingsscholen gegeven wordt? De geestelijke vader daarvan is de Belgische pedagoog Ovide Decroly (1871-1932). Hoewel Decroly in pedagogische kringen tot de allergrootsten wordt gerekend, is zijn naam aan outsiders nauwelijks bekend, al kan hij gevoeglijk op één lijn gezet worden met Maria Montessori. Evenals Montessori studeerde hij medicijnen (en wel te Gent, Berlijn, Parijs en Brussel) en stichtte hij een school voor achterlijke en abnormale kinderen (1901). En evenals zij, paste hij na veel ervaring en experimenten zijn methoden ook toe op normale kinderen. Zo ontstond het Decroly-ondericht, dat van vier beginselen uitgaat: 1. het onderwijs moet concreet zijn, 2. het onderwijs moet actief zijn, 3. het onderwijs moet één geheel vormen, 4. het onderwijs moet aansluiten bij de belangstelling der kinderen.
Het derde beginsel wordt meestal aangeduid als het globalisatie-principe. Onder globaliteit verstaat Decroly dus ongeveer hetzelfde wat men elders Ganzheit of Gestalt noemt. Het kind neemt gehelen waar, de analyse doet het achteraf de delen kennen. Daarom moet het leerproces ook uitgaan van totaliteiten. Dit beginsel wordt o.a. toegepast bij het moderne lees- en schrijfonderricht.
De grootste betekenis van Decroly ligt echter in het vierde beginsel: Le principe des centres d'intérét, dat een nadere uitwerking van punt drie is. Onder belangstellingscentrum verstond hij een gebied, dat in de belangstelling van het kind ligt. Zulke gebieden zijn bv. kleding, voeding, dekking, verdediging. Het is nu raadzaam alle vakken vanuit dit belangstellingscentrum te behandelen. Men kan echter ook geheel andere belangstellingskringen hebben, zoals bloemen, dieren, China, de sterrenhemel etc.
Veelal ziet men niet duidelijk, waar de eigenlijke betekenis van Decroly schuilt, daar immers praktisch alle pedagogen leren dat het onderwijs interessant moet zijn. Het verschil ligt echter hier: de meeste opvoeders verkondigen: maak uw onderwijs belangwekkend; Decroly daarentegen zegt: maak het belangwekkende tot (uitgangspunt van uw) onderwijs. Hiermee heeft hij een pedagogisch principe geïntroduceerd, dat onmiddellijk naast de theorie der gevoelige perioden van Montessori moet genoemd worden.

Zoals we hiervoor vermeld hebben wordt in onze vernieuwingsscholen vaak in de eerste drie klassen volgens Decroly les gegeven, [41] terwijl in de hoogste klassen het Dalton-beginsel wordt toegepast. Zo stijgt nog dagelijks de invloed van deze Belgische kindervriend, die zijn eerste school voor algemeen vormend onderwijs tekenend 'école pour la vie par la vie' noemde.
Wij danken dus aan de Gestaltpsychologie het inzicht, dat men van het geheel moet uitgaan. Begin daarom het geschiedenisonderwijs met een overzicht van de gehele geschiedenis. Laten we de kinderen een gedicht leren, dan doen we dat niet regel na regel, maar... "Ja", roept u nu verontwaardigd uit, "dat heeft Ebbinghaus ons toch al lang verteld. Slaat u maar een paar bladzijden terug. Daar staat het, punt 5: De G-methode is beter dan de T-methode."
En als we nu Ueber das Gedächtnis goed lezen, dan komen we er al telkens 'Ganzheit' in tegen. En die noemen zich associatiepsychologen. Ach ja, de wereld is ouder dan vandaag. U vindt bij de elementen-psychologen al een heleboel 'moderne' inzichten. Die lieden waren ook niet gek. Het is meestal alleen maar een verschil van accent. In de kiem komt men hedendaagse gedachten telkens al in het verleden tegen. Herinnert u zich nog, dat Tsjoeang-tseu drie eeuwen voor onze jaartelling al een kritiek op de psycho-analyse gaf? De Gestaltpsychologie heeft alleen experimenteel deze oude inzichten bevestigd en didactisch uitgewerkt. Het heeft gewezen op inconsekwenties in ons onderwijs. En dus gaan we bij ons schrijf- en leesonderwijs meer uit van het woord, dan van de afzonderlijke letter. (Maar helemaal gaat het toch weer niet op, want we schrijven nog altijd letter na letter, ook al lezen we het hele woord in één. Het is altijd weer gecompliceerder dan het op het eerste gezicht lijkt). Maar nu verder. Wertheimer is de grote man van de tweede fase. Naast hem werkten Kurt Koffka en Wilhelm Kohler, die beiden vooral bekend werden als dierpsychologen. (We komen hier verder op terug).
De derde fase wordt beheerst door het Werk van Palagyi en Von Weiszäcker. Laatstgenoemde was het die het eerst op het functionele karakter der psychische processen gewezen heeft. Later zullen de fenomenologische psychologen van het intentionele karakter der psychische activiteit spreken. Tussen 1920 en 1940 sprak men bij voorkeur van het functionele aspekt der sensomotoriek. Deze term eist enige toelichting. We onderscheiden drie soorten zenuwen: de gevoels-, de bewegings- en de bemiddelende zenuwen. Gevoelszenuwen heten met een vakterm sensorische, bewegingszenuwen motorische zenuwen. Daarom noemt men de [42] voornaamste functie van ons zenuwstelsel senso-motoriek, dat wil dus zeggen: prikkels verwerken en spieren tot beweging aanzetten. De eenvoudigste opvatting is nu, dat de beweging de reactie op het voelen is. (Let wel, dat voelen hier in de zeer algemene zin van gewaarwording wordt gebruikt, zoals men zegt: 'ik voel nattigheid').
In de 19de eeuw nam men algemeen aan, dat de beweging (motoriek) volgt op de gewaarwording (sensoriek). Vandaar dat men sprak van reactie en reageren, termen, die nog steeds in zwang zijn. Nauwkeurig onderzoek leidde er in de 20ste eeuw toe, actie en reactie, gewaarwording en beweging als een eenheid op te vatten. Volgens Von Weiszäcker zou iedere waarneming namelijk een kringproces vormen. Slechts als er een directe eenheid van waarnemen en handelen bestaat, is een zinvolle reactie mogelijk. Daarom noemde hij dit proces Funktionskreis of Gestaltkreis.

Doordenking van de uitgangspunten van Wertheirner en Kühler leiden vanzelf tot een herziening van de fysiologie van de waarneming. Hoe komt het tenslotte, dat we een geheel, een Gestalt, waarnemen? Om dit goed te verstaan moeten we ons opnieuw verdiepen in de historische ontwikkeling. Daarbij moeten we dieper ingaan op het oude probleem van theorie en praktijk. Theorie is immers innerlijke verwerking, praktijk naar buiten gerichte handeling.
Van Fröbel stamt het woord: 'Denken und Tun sind innig geeint.' Dit adagium behoeft in de tijd van de 'doe-school' nauwelijks een verdediging. We zijn allemaal voorstanders van een hechte samenwerking tussen theorie en praktijk, al zuchten we weleens over de kloof die er tussen gaapt. Fröbel gaat met deze uitspraak stellig een stap verder dan Kant, die een essay schreef: 'Das gilt wohl in der Theorie...' Wat ons psychologisch echter daarbij interesseert is: van welke aard is de eenheid van theorie en praktijk? Hoe innig zijn ze verenigd? We zullen niet ver bezijden de waarheid zijn als we aannemen, dat Fröbel geloofde in een konstante wisselwerking. Dat is evenwel een bekend geluid. De 19de eeuw was sterk in het poneren van dergelijke 'Wechseitige Wirkungen'. De bekendste was die, welke zou bestaan tussen lichaam en ziel. Onmiddellijk gaat hier om met Oldewelt te spreken een alarmsignaal. Deze wisselwerking is nl. een rationele constructie achteraf om wat in wezen één is, maar in de ondervinding gescheiden, te her-enigen. We moeten op onze hoede zijn of we met theorie en praktijk niet een [43] soortgelijk schijnprobleem opwerpen. Er bestaat alle grond, om deze vraag inderdaad met ja te beantwoorden.
Veeleer leert ons de moderne psychologie: Denken und Tun sind eins (zoals ook Korper und Seele eins zijn). Denken en handelen vormen een eenheid, waarvan het beiden dominerende aspekten zijn. Denken is virtueel handelen (Palagyi), handelen is denken met de handen (Denis de Rougemont). Om dit probleem scherp te kunnen stellen, moeten we weer even terug naar de waarnemingsleer.
De 19de eeuwse fysiologie verklaarde de sensomotoriek zuiver volgens een fysische gedachtengang. De sensorische zenuwen brachten de prikkel over naar het centrale zenuwstelsel, 'dat een opdracht gaf' aan de motorische zenuwen, die de spieren tot beweging prikkelden. Zo werd de 'reflexketen' gesloten. De actuele fysiologie kan met deze mozaiek-voorstelling geen genoegen nemen. Zij erkent hier voor een fysisch onverklaarbaar verschijnsel te staan. Belangrijk is echter, dat thans duidelijk is, dat het eigenlijke senso-motorische proces zich in de centrale (bemiddelende) delen afspeelt.

Een beeldspraak kan evenwel zeer misleidend zijn. Indien we zeggen, dat de aanvoerende zenuwen de prikkel overbrengen naar het ruggemerg en/of de hersenschors, dan is de vraag: fungeren zij daarbij als brievenbesteller, dan wel als boodschapper? De brievenbesteller leest zelf de brieven niet, de boodschapper geeft de boodschap persoonlijk door. Uit het tijdsverloop tussen prikkelaanbieding en reactie mogen we nu afleiden, dat de zenuw zelf de prikkel niet 'leest', hetgeen het tempo van het proces ten goede komt. Om alle misverstand te vermijden, de brievenbesteller kan de brieven natuurlijk wel lezen, maar dat zou de rust van het bestellen niet te goede komen. Zo bezitten ook de zenuwuiteinden in oorsprong het vermogen om de prikkel te verwerken, maar het is praktischer, dat ze hem alleen maar doorgeven naar de centrale delen. Zo worden volgens Jordan bij de specialisatie der cellen bepaalde vermogens onderdrukt, zodat er een rolverdeling optreedt. Bij schade aan bepaalde zenuwcellen blijken echter andere zenuwcellen hun funktie te kunnen overnemen, zoals op een kantoor in geval van ziekte, de boekhouder soms moet kunnen inspringen voor een steno-typiste.
De sensorische zenuw is dus eigenlijk zelf niet meer sensorisch. En evenmin is de motorische zenuw zelf nog motorisch. Men dient hem veel te vergeven, want 'hij weet niet wat hij doet.' De 'verantwoordelijkheid' berust bij het centrale (bemiddelend) gedeelte, dat senso-motorisch inéén is. [44] Nu kunnen we op grond van dierpsychologische onderzoekingen zeggen: de centrale delen reageren slechts dan efficiënt, als de sensorische actie onmiddellijk kan vertaald worden in een motorische reactie; m.a.w. wij ervaren de prikkel, doordat wij de overeenkomstige (adekwate) handeling 'klaar hebben liggen', wij handelen, omdat wij ons gevoel moeten uiten. Het is inniger en meer één, dan ooit in woorden te zeggen is.
Kunnen wij niet handelend ervaren, dan zeggen we dat we de ervaring niet (= onvolkomen) verwerkt hebben. Kunnen we niet zinvol handelen, dan zeggen we, dat we niet (= onvolkomen) weten wat we eigenlijk doen. Terecht bestrijdt Van Houte dan ook de mening, dat we 'al doende leren'. Men moet eerst 'leren doen'.

Palagyi was de eerste, die voor dit in-elkaar-grijpen een plausibele verklaring gaf. Maar de wetenschap staat niet stil en sindsdien is duidelijk geworden, dat Palagyi's theorie een aanvulling nodig heeft, omdat ze het geestelijk aspekt van de waarneming, de selektie door de geest, niet voldoende tot haar recht doet komen. Als stadium in de funktionele denkmethodiek is de gedachtengang van Palagyi evenwel nog altijd uiterst belangrijk en vol vruchtbare toepassingen. In ons volgende hoofdstuk zullen wij er nader kritisch op ingaan.
Laten we eerst Palagyi zelf aan het woord: 'Nicht die Erfindungen sind es, die uns eine Gestalt kund tun, Empfindungen sind nur da um unsere Einbildung zu erregen und erst die Einbildung ist es, die uns die Gestalt erfassen laszt.' ('We nemen geen vorm (Gestalt) waar door onze gewaarwordingen, maar deze gewaarwordingen prikkelen onze verbeelding en het is deze verbeelding, die ons de vorm doet waarnemen'). Palagyi schakelt hier dus het begrip verbeelding in, die voor de waarneming verantwoordelijk gesteld Wordt. Deze 'Einbildung' gaat aan waarnemen en handelen vooraf. Zonder verbeelding (innerlijke vertaling der realiteit) is geen psychisch leven mogelijk, zelfs niet dat der niet-cellige organismen.
Buytendyk schreef hierover: "Palagyi heeft nu waarschijnlijk gemaakt, dat de waarneming altijd een 'vinden' is van iets door de fantasie. Deze werkt door het voltrekken van ingebeelde of virtuele bewegingen". (Dat zijn derhalve bewegingen, die we 'innerlijk' beleven, maar nog niet uiterlijk uitvoeren, zoals we b.v. in gedachten op reis kunnen gaan.) Wordt men ergens op de huid aangeraakt, dan voltrekken wij dus een virtuele beweging naar die plaats toe en eerst daarna komt de waarneming van ergens aangeraakt te zijn tot stand. Ziet men een punt in de ruimte, dan localiseren wij het, d.w.z. zien het op die plaats, door een virtuele beweging te voltrekken. Zien wij een figuur, bv. een driehoek, dan voltrekken wij -onbewust een virtuele beweging. Dit geschiedt ook, als men aan de figuur denkt of de opdracht krijgt de figuur te tekenen.
De virtuele beweging konstitueert dus het waarnemingsbeeld, dat de grond voor de handeling vormt. Wat men vroeger vis aestimaliva zintuigelijk schattingsvermogen noemde, of ook wel waarnemingsoordeel, komt dus door de virtuele beweging tot stand. [45]
Waarnemen en handelen zijn beide symbolische processen, d.i. vertaling der uiterlijke werkelijkheid naar binnen en der innerlijke werkelijkheid naar buiten. Het is juist voor dit symbolische proces, dat Victor von Weiszäcker de term 'Funktionskreis' heeft ingevoerd. Vooral in zijn latere werk (Anonyma) legt hij de nadruk op de paradoxale eenheid van denken (waarnemen) en doen. Voor ons doel is vooral belangrijk, dat deze vertaling van meet af aan een sensorisch én een motorisch moment bevat.
Het kost ons moeite die eenheid van waarnemen en handelen duidelijk in te zien, omdat ze dikwijls lange tijd na elkaar optreden. Hun eenheid is een oer-gegeven. Hoe verder we echter in de evolutie teruggaan, hoe duidelijker blijkt, dat het in origine één proces is. Zo schrijft bv. Jordan: "De handeling is ten nauwste verwant met de waameming, waaruit ze ontstaat. Deze eenheid van waarneming en handeling blijkt ook uit het feit, dat in onze groothersenschors motorische en primair sensibele velden der lichaamsoppervlakte zo dicht naast elkaar liggen." De differentiatie blijkt dan ook een secundair verschijnsel. In oorsprong zijn waarneming en handeling twee kanten van hetzelfde proces.
Van daaruit vinden tal van verschijnselen een ongedwongener verklaring. Beginnen we met het beroemde voorbeeld van 'de aap van Köhler'. Köhler toonde aan, dat chimpansees in staat zijn eenvoudige, incidentele werktuigen te fabriceren. Zo schuiven ze bv. twee bamboestokken in elkaar om een banaan, die buiten het bereik van één stok ligt, binnen de tralies van de kooi te krijgen. Een banaan aan het plafond veroveren ze, door twee kisten op elkaar te zetten. Köhler zelf verklaarde deze uitvindingen als een doorbraak der dierlijke intelligentie. Hij bediende zich daarbij van de bekende term van Karl Bühler: 'Aha-Erlebnis'. [46]
De Nederlandse psycholoog F. Roels zag ze als een gevolg van een toevallig proberen en passen, dat plotseling opportuun wordt. Deze gedachtengang komt schijnbaar het dichtst bij de niet uiteengezette opvatting. Roels laat immers bij het zoeken het motorische geheugen meespelen. Hij geeft echter geen duidelijk antwoord op het doorbraakprobleem. Toeval is in de wetenschap meestal een deus ex machina. De doorbraak-struktuur van het handelen is een feit, of we dit nu als symptoom der intelligentie of anderszins interpreteren.
"Wij zouden hier het liefst spreken van de doorbraak der sensomotorische verbeelding en het 'Aha-Erlebnis' verklaren als het bevrijdende moment der verbeelding, wanneer sensoriek en motoriek in elkaar passen, gelijk een sleutel in het slot past." Met Roels zijn we het dan verder eens, dat zonder voorafgaande speel- (of oefen-)handelingen deze vondsten niet mogelijk waren. Maar wie zegt, dat dit voor de menselijke intelligentie wel het geval is? Steeds duidelijker blijkt nl. hoe zelfs de abstracste theorieën samenhangen met onze infantiele senso-motoriek, d.w.z. het oefenen van zenuwen en spieren in de eerste levensjaren. Zo heeft reeds Riehl (en na hem Heymans) betoogd, dat onze drie-dimensionale ruimtevisie te reduceren is tot de drievoudige kwaliteit (de drie bewegingsrichtingen) von onze spierzin. Vandaar dat de wiskundigen Poincaré en Eddington de weerstanden tegen de vierdimensionale ruimte-opvatting van Einstein grotendeels terugbrengen tot ontwikkelingspsychologische kwesties.
In de abstracte theorie die we vormen, spelen dus blijkbaar onze concrete grijpgewaarwordingen een grote rol. Maar al te veel wordt vergeten, dat voor het jonge kind aanraking een fundamentele betekenis heeft. Allerdwaast zijn dan ook de vele ouderlijke verboden, waardoor de gehele omgeving voor de kleuter onaantastbaar wordt. Het is niet slechts een rem voor zijn handigheid, maar voor de totale ontwikkeling van intelligentie en verbeelding.
Aardig is in dit verband de uitspraak van een kind zelf. Joossie begon in de bewaarschool te huilen, toen de juffrouw het mooie speelgoedbeestje in de kast borg, na het even aan de kinderen te hebben laten zien. Wat is er Joossie? "Ik heef het nog helemaal niet goed gezien." De juffrouw houdt het hem voor en wil het weer wegleggen. Maar dan Joossie: "Ik heef het toch nog niet met mijn handen gezien." (J. Riemens-Reurslag, 'Moeder en Kind voor de Lens', pag. 6).
Van daaruit is ook een nieuw licht te werpen op het probleem [47] der esthetiek. Het is merkwaardig, dat esthetiek zowel schoonheidsleer als waarnemingsleer betekent. Meestal ziet men de esthetische waarneming als een symbolisch waarnemen. Indien men echter aan iedere waarneming een symbolisch karakter toekent, dan moet men het verschil tussen 'hogere' en 'lagere' waarneming in een niveau- of dimensie-onderscheid zoeken. Bij de schoonheidservaring wordt waarneming namelijk 'vertaald' in de symboliek der archetypen. Hierop komen wij terug in het hoofdstuk over cultuur-psychologie.

Rest ons nog te wijzen op een ander gevolg van deze boeiende visie van Palagyi. Een van de meest becritiseerde theorieën is wel die van James Lange. In zijn stoutste formulering komt die hierop neer: we lachen niet, omdat we blij zijn, maar we zijn blij omdat we lachen. We zullen beginnen met te konstateren, dat ook 'lachen und froh sein innig geeint sind'. Een bezadigd psycholoog als MacDougall verdedigt in An Outline of psychology met vuur deze gewraakte opvatting van zijn leermeester James. Inderdaad valt er dan ook veel meer voor te zeggen, dan men meestal meent. Lachen en blij zijn vormen een sensomotorische eenheid en kunnen daardoor elkaar gemakkelijk oproepen.
Het beste benaderen we het vraagstuk vanuit de aanstekelijkheid. Lachen werkt, evenals geeuwen, aanstekelijk. Wat hebben we hieronder precies te verstaan? De Franse psycholoog Alfred Espinas (1844-1922) had reeds vóór 1880 dit verschijnsel uitvoerig onderzocht. In 1878 verschijnt de 2de druk van Les Sociétés Animales, een fundamenteel werk voor dierpsychologie en sociologie. Daarin behandelt hij uitvoerig de aanstekelijkheid der beweging. (Tarde heeft hierop verder gebouwd in Les Lois d'Imitation, MacDougall heeft het uitgewerkt in zijn theorie over de primitieve sympathie). Uitgebreid schrijft hij over het gedrag van wespen en komt dan tot de volgende conclusie: "Het is een psychologisch feit, dat men gemakkelijk bij hogere wezens observeren kan, dat iedere voorstelling van een handeling tot het begin van de uitvoering van de handeling leidt. De geit die men een klontje suiker, de hond die men een stuk vlees toont, watertanden en scheiden speeksel zo rijkelijk af, alsof ze het in de bek hebben."
Dit schreef hij dus, lang voordat Pawlow zijn beroemde proeven genomen had. (Pawlow dresseerde honden te 'watertanden' bij bepaalde signalen, door deze eerst te combineren met het aanbieden van verlokkelijlc voedsel.) Inderdaad is de sensomotorische verbeelding [43] een veel aannemelijker verklaring dan de voorwaardelijke reflexen. Gewichtig is ook de opmerking van Espinas: "De emotie volgt op de handeling die haar wil uitdrukken, zelfs als deze slechts een schijndemonstratie is. Precies zo is het met iemand, die met de floret slechts uit scherts schermt. Hij raakt in een toestand van opwinding en ervaart iets van de emoties, die men in een echt gevecht heeft." Deze gedachtengang is uitermate vruchtbaar voor de sociale psychologie. Espinas betrekt hem ook op de suggestibiliteit van de gehypnotiseerde: "Hij maakt alle stadia door, overeenkomstig de houdingen die men hem laat aannemen: trots, als men hem zich laat oprichten, onderdanig, als men hem laat knielen." Toch zijn de beoefenaars van de individuele psychologie vrij unaniem van mening, dat niemand onder suggestie (hypnose, narcose e.d.) handelingen verricht, die in volkomen tegenspraak zijn met de structuur van zijn gewone gedrag. De experimenten van Janet en Charcot hebben uitgewezen, dat zelfs hypersuggestibelen (hystericae, media) zich niet lenen tot een 'laboratorium-moord'.
Het is echter een bekend feit, dat in 'massapsychose' de 'gewone', rustige burger in staat is tot daden, die hij individueel zelfs niet onder hypnose zal verrichten. Hier worden blijkbaar diepere lagen in actie gebracht. De laatste wereldoorlog heeft dit overtuigend bewezen. Hoe moeten we deze grotere beïnvloedbaarheid verklaren? Een belangrijk verschil is, dat bij hypnose de proefpersoon in hoofdzaak passief blijft, terwijl hij in de massa geactiveerd wordt.
'Doe met ons mee' is sugestiever dan 'doe wat ik je zeg'. Zien eten, doet eten. Waarnemen is in principe reeds meedoen. (vgl. 'een funktie waarnemen'). Bij een kind en een dier is dat nog duidelijk te merken: het hele lichaam vliegt mee met het waargenomen vliegtuig. De volwassene 'beheerst' zich. In emotie (letterlijk: bewogenheid) beweegt hij echter mee. Een opgewonden biljarter volgt de bal met zijn lichaam. Niemand onttrekt zich volkomen aan de zuiging (motoriek) van zijn omgeving. Zelfs het slachtoffer van een lynch-partij 'lyncht mee'.
Veel diepgrijpende schuldgevoelens en complexen zijn zo te verklaren. Reeds in het begin van de 19de eeuw zei Samuel Butler: 'Men wordt niet gestraft omdat men schuldig is, maar men is schuldig omdat men gestraft wordt.' Veel mysticismen als lot, godsoordeel, offer berusten hier grotendeels op. Hoe groter de massa, hoe groter de zuiging. Stellig moet in de passiviteit van vele Joden, die haast vrijwillig naar Polen gingen (Amor Fati), een dergelijke tendens werken. [49] Eeuwen van martelaarschap gaf hun het gevoel van 'het leed schuldig' te zijn. Zo moeten we 'massabiechten' in Rusland en tijdens de inquisitie ook vandaar uit bekijken.

Bij de individuele suggestie van de hypnotiseur werkt nog als rem de tegengestelde sociale suggestie om 'liever gewoon te doen'. De sociale suggestie ontleent haar grote macht aan drie factoren:
1. ze is actief en passief,
2. ze is kwantitatief zeer groot. Een eenzame wesp vlucht, maar de zwerm gaat tot de aanval over. Hier geldt niet slechts dat eendracht macht maakt, maar ook, dat er een 'wisselwerking' is van actieve beïnvloeding, te vergelijken met het laden van een accu of een Leidse fles. De opgewekte positieve lading induceert een negatieve lading, die weer opnieuw een positieve opwekt, enz.
3. ze heft de individuele remming op (Enthemmung). Alles mag, als de massa het wil. (Vox populi, vox dei). De Italiaanse criminoloog Scipio Sighele heeft hier reeds in de 19de eeuw op gewezen. Volgens Jung is een neurose: een individuele poging tot oplossing van een algemeen probleem. Een massapsychose is een massale poging in die richting. Ze verbreekt het isolement, bevrijdt van de druk van wet en verbod.
Het is de grote verdienste van Baschwitz, dat hij in zijn scherpzinnige analyse 'Du und die Massa' (Denkend mens en menigte) erop gewezen heeft, dat bij massabewegingen de passieve medeplichtigheid veel groter is dan de actieve. Het is historisch aantoonbaar, dat bij grote revoluties en staatsgrepen er een betrekkelijk kleine (soms fantastisch kleine) groep is, die de meerderheid terroriseert. De velen worden geintimideerd door de machtsmiddelen van het schrikbewind en zwijgen uit zelfbehoud. Baschwitz spreekt hier van een 'stomme paniek'. Voor ons is in dit verband belangwekkend, hoe deze paniek eveneens aanstekelijk werkt. Men kan o.i. niet volstaan deze paniek te zien als een gevolg van individueel gebrek aan moed, al speelt dit stellig een grote rol. Er ligt een beklemming in de massa-angst, die de psychologische pendant is van de terreur. De Zwitserse cultuurfilosoof Max Picard heeft hier een magistrale uiteenzetting van gegeven in De Mens zonder Werkelijkheid.
In het kader van het voorafgaande menen we de paniek te moeten omschrijven als een psychose, waarbij de massa virtueel innerlijk, in aanleg medeplichtig is. Het is in dit verband instructief de verlammingsverschijnselen [50] nader te bezien, die optreden bij een achtervolgd dier, dat niet ontvluchten kan. Merkwaardig is verder, dat bij een paniek steeds ambivalente (tegenstrijdige) gevoelens optreden. Angst trekt het gevaar. De sensomotorische verbeelding brengt de dreiging nader. Zo stierven in de hongerwinter meer mensen aan de honger-psychose dan aan echte honger.
Onder de druk van een terreur dreigt de medeplichtigheid steeds van virtueel actueel te worden. Vandaar de vele nuances van collaboratie, waardoor steeds meer geterroriseerden 'overlopen'. Het kost nl. steeds meer moeite helemaal trouw aan jezelf te blijven, d.w.z. niet mee te doen als iedereen meedoet. (Blijf maar eens aan de kant zitten, als het hele gezelschap zich in beweging zet voor de polonaise).
Sociaalpedagogisch is nu de vraag hoe paniek kan worden voorkomen of tegengegaan. Daartoe moeten we eerst fenomenologisch leren denken, maar dat is stof voor het volgende hoofdstuk. De hier gegeven uiteenzetting wilde slechts verduidelijken, welke belangrijke consekwenties de Gestaltpsychologie kan hebben. Daarom leggen we de nadruk op de grote betekenis van deze richting, die meer dan enig andere het functionele denken bevorderd heeft.
We zagen echter ook, dat reeds de associatie-psycholoog Ebbinghaus de totaliteitsopvatting gehanteerd heeft. Laten we nog een paar stappen verder teruggaan. Aan het begin van het tweede hoofdstuk spraken we over Donders, min of meer als afschrikwekkend voorbeeld. Deze zelfde Donders heeft ook een Wet op zijn naam staan, die hij samen met Listing ontdekt heeft. De wet van Donders luidt: 'Wanneer de ligging van de bliklijnen in verhouding tot het hoofd gegeven is, behoort hierbij een bepaalde en onveranderlijke raddraaiing'. Dat is in het Nederlands vertaald: 'Als het hoofd in een bepaalde stand staat ten opzichte van een waar te nemen object, dan zullen op de duur ook de ogen steeds in een vaste stand ten opzichte van dit object gaan staan.' (De ogen draaien nl. net zo lang, tot we rustig kunnen blijven kijken).
Deze wetmatigheid is zelfs mathematisch formuleerbaar en toch verschilt ze principieel van een natuurwet. Ze drukt nl. een functie van het organisme uit.
Volgens Helmholtz (die het klassieke oogbewegingsonderzoek van Donders en Listing voltooid heeft) berust deze wet 'op het [51] principe van de makkelijkste oriëntering voor de ruststand van het oog.' Dit oriënteringsbeginsel is een biologische grondslag, die nooit natuurkundig te verklaren is, ook al is het proces wiskundig te formuleren. Om een ander voorbeeld te geven. Als twee mensen, de ene sober en de andere gulzig, moeten kiezen uit een hoeveelheid vruchten, zal de sobere steeds het kleinste aantal kiezen. Dit is een wiskundig vast te stellen feit, maar het heeft een psychologische oorzaak.
Donders, Listing en Helmholtz, waren tevreden dat ze een exacte wetmatigheid hadden ontdekt. Het is de 20ste eeuw, die hen in dit verband als voorlopers ziet van de functionele bewegingsleer. Want zo gaat het nu eenmaal in de wetenschap: oud en nieuw ontmoeten elkaar telkens weer, ook al zijn ze vaak zeer verbaasd 'de se trouver ensemble'. [52]

terug naar de Inhoud

IV De fenomenologische psycholoog

De weg is vrij voor een fenomenologische psychologie van de waarneming. (Jean-Paul Sartre)

Aan Amerikaanse universiteiten bestaat de onverstandige gewoonte geen boeken te gebruiken, die dateren van vóór de laatste wereldoorlog. Dit is daarom zo betreurenswaardig, omdat wetenschap zoals ieder cultuur-verschijnsel, op traditie berust. Wie een hedendaagse theorie door en door wil begrijpen, dient eerst kennis te nemen van haar voorgeschiedenis. Het blijkt dan telkens weer, dat het nieuwe in het oude reeds besloten lag.
Vandaag tooit de psychologie zich graag met het bijvoeglijk naamwoord 'fenomenologisch' en kijkt dan neer op alle oudere stromingen. Er is echter geen enkele reden om aan te nemen, dat dit stadium de laatste mijlpaal zal zijn. Latere generaties zullen ook ons streven als onbevredigend beschouwen. Daarom is enige bescheidenheid wel gewenst. Meestal ontstaat een nieuwe richting uit een onopgelost probleem van de vorige stroming. Zo is de fenomenologische psychologie te beschouwen als het antwoord op de dilemma's van de Gestaltpsychologie, die wederom moest verder bouwen op de associatie-psychologie.
We kiezen om dit te verduidelijken nogmaals de theorie van Theodor Ziehen, dat de gedachten op elkaar volgen overeenkomstig de op elkaar volgende toestanden van de hersenschors. Het is duidelijk dat er geen natuurkundige verklaring voor deze opvatting bestaat. Ziehen trachtte langs deze weg denken zuiver als een causaal verlopend proces te zien.
In het vorige hoofdstuk hebben we laten zien, hoe Palagyi het denken (en waarnemen) met het doen in verband bracht (i.p.v. met de hersenschors) en alle observatie terugbracht tot virtueel handelen. En precies op dit punt, worden we nu weer kritisch. We hebben Ziehen bestreden, omdat hij van een noodzakelijk verloop der psychische processen sprak en daarmee de menselijke vrijheid [53] verloochende. Maar ook de theorie van Palagyi wordt dan hierdoor bedreigd en wel ten aanzien van het reactie-probleem.
Volgt op iedere waarneming dezelfde reactie? Hier is het probleem in een notedop.
Palagyi verklaart de waarneming uit het handelen, maar hoe moeten we nu het handelen zien, dat op die waarneming volgt? Als von Weiszäcker en Palagyi gelijk hebben en waarnemen en handelen één sensomotorische eenheid vormen, hoe verhoudt zich dan de handeling, die op de waarneming volgt ten opzichte van de waarneming? Zou er slechts één handeling op kunnen volgen, dan zitten we weer vast aan het causaliteitsdogma van de 19de eeuw. Maar er bestaat bovendien geen enkele grond om dit uniforme verband aan te nemen, daar uit Palagyi's theorie niet blijkt met welke waarneming de reactie adekwaat is.
Stel bv. dat iemand een steen naar mij gooit om me te treffen, dan maak ik innerlijk de beweging van de steen mee. Maar ik doe iets meer, ik onttrek me aan zijn fatale beweging door op zij te springen. Door deze daad overwin ik de traagheid van mijn waarneming en ik schep een situatie die veilig is, door mijn fantasie in te schakelen. Deze creatieve fantasie is van andere orde dan de vitale fantasie (vis aestimativa) van Palagyi, d.w.z. de vitale fantasie is het fysiologisch aspekt van de creatieve fantasie, zoals het temperament de vitale onderbouw is van het karakter.
En nu mogen we stellen, dat wie het sterkst een eigen antwoord creëren kan, het minst vatbaar is voor de zuiging van een suggestieve handeling. Hier ligt dus een enorm belangrijk sociaalpedagogisch probleem.
Einstein schrijft ergens: "Wie met plezier in de rij op de maat der muziek kan lopen, is in mijn ogen reeds verachtelijk". Maar die neiging heeft iedere mens, omdat ons lichaam het ritme al waarnemende meemaakt. Alleen geeft de een er meer aan toe.

Het is duidelijk, dat jazzmuziek meer tot meedoen stimuleert dan klassieke muziek, daar hierbij het ritme belangrijker is dan de melodie. Een zaal met jazz-enthousiasten is dan ook heel wat bewegelijker dan een zaal met luisteraars naar een symfonie-orkest. Het is daarom ook begrijpelijk, dat de jazz aanvankelijk aansluiting zocht bij de westerse marsmuziek, die ook tot meebewegen nodigde. Opvoeden is in belangrijke mate het aankweken van zelfbeheersing, het leren kritisch zijn en 'niet met alles mee te lopen'. Vandaar ook, dat de jazz meer spreekt tot de suggestibele jongeren dan tot de beheerste ouderen. [54]
Begrijpelijk is ook, dat demagogen bij voorkeur bewegingen scheppen en het volk dan laten marcheren.
Het is vooral Jung die er op gewezen heeft, dat het nationaalsocialisme een trek-beweging is. Hij ziet de Germanen als echte nomaden, die het zwerven in het bloed zit. Daaruit verklaart hij dan de politieke katastrofe die ontstond, toen de oude nomaden weer op zoek gingen naar 'Lebensraum'.
De Germaanse god Wodan is een 'storm- en roes-god', die zijn gelovigen tot zwerven aanzet. Bij de oude Germanen bestond een merkwaardig verschijnsel, dat veel gelijkenis met amok vertoont: het berserkr-gaan. Deze berserkr-gangers waren volgens de Oudnoorse saga's in een extatische vechtwoede vervallen. Zij huilden als honden, beten in hun schilden en waren ongevoelig voor zwaard en vuur. Men verklaart het woord soms als 'de man in de berenhuid'. Deze berserkr-gangers waren aangeblazen door Wodan zoals de Pythia's in Delphi door Apollo. Jung gaat er nu van uit, dat de Duitse mens van huis uit 'door Wodan geinspireerd' is. Dit Germaanse 'enthousiasme' is door andere cultuurlagen onderdrukt, maar komt telkens weer boven en heeft tenslotte geleid tot een katastrofale uitbarsting: "Het waren die blonde jonge mannen (soms ook jonge meisjes) die men als rusteloze trekkers op alle landwegen van de Noordkaap tot Sicilië tegenkwam met rugzak en luit, trouwe dienaren van de God van het zwerven. Later, tegen het einde van de republiek van Weimar, namen de duizenden en duizenden werklozen, die men overal op doelloze zwerftochten aantrof, het rondtrekken over. In 1933 zwierf men niet meer, maar men marcheerde met honderdduizenden, van 5-jarige dreumessen af tot veteranen toe."
De 'Hitlerbeweging' bracht letterlijk geheel Duitsland op de been en vertoonde het schouwspel van een volksverhuizing ter plaatse. Wodan, de zwerver, was ontwaakt. Hier zien we de typisch Duitse neiging om troepsgewijze te marcheren, kenmerkend voor een volk met een stuk pathos. Radicaal daartegenover staat de Nederlandse habitus om individueel of met een paar vrienden te trekken, een combinatie van Germaanse zwerflust met Nederlandse vrijheidsdrang.
De Duitser kent het heimwee (Sehnsucht) naar verre landen, in het bijzonder de warmere streken 'wo die Zitronen blühen'. Zijn behoefte aan 'Lebensraum' is reëel en kan niet op het water worden afgereageerd zoals de Viking of 'de vliegende Hollander'. Deze 'ansässig' geworden Nomaden bleven in hun hart volksverhuizers, die in de oorlog kans kregen op te rukken. De cultuur [55] was daarbij een rem, die ze niet anders dan node verdroegen. Begrijpelijk is ook dat demagogen bij voorkeur bewegingen scheppen en het Volk dan laten marcheren.
Het Joodse volk was de antipode van het Germaanse. Ahasverus, de wandelende Jood, was de trekker, die overal de geest ('der Widersacher der Seele') representeerde. Op hem ontlaadde zich alle agressie van de Duitser, die zuchtte onder een Joods-Griekse beschaving, die hij als een keten voelde, terwijl het Joodse volk zelf zich zonder moeite van oord tot oord verplaatste. Het konflikt tussen Duitsland en Israël was daarom in diepste zin de strijd tussen twee Trekgoden, die de heerschappij over de wereld opeisen: de God van de Edda en de God van de Bijbel.
Het ging om de zege van het Derde Rijk of van het Koninkrijk Gods. Dat de God van Israël machtiger bleek dan Wodan, komt, doordat Hij het trekken onderwerpt aan de Geest en niet aan de natuur (bloed en bodem). In het slothoofdstuk zullen we zien, dat juist het bijbelse denken in hoge mate de psychologie blijkt te kunnen vernieuwen, als men bereid is de consekwenties ervan door te trekken naar het dagelijkse leven.

In het kader van onze beschouwing betekent het hieraan voorafgaande, dat de mens slechts immuun gemaakt kan worden voor verkeerde suggesties (voor de ritmische kronkelingen van de slang, die zelf door muziek gebiologeerd wordt) als men een geestelijk antwoord heeft, als men rechtop gaat en zijn beweging een geestelijke inhoud geeft.
De Russische fysioloog en psycholoog Serge Tsjachotin (leerling van Pawlow en Bechterew) heeft de grenzen der massasuggestie onderzocht. Het blijkt, dat de massasuggestie op twee plaatsen onmachtig is:
a. er zijn steeds mensen, die niet meedoen, immuun zijn (outsiders).
b. er komt een ogenblik, dat de psychose omslaat in apathie, gevoelloosheid, leegte. Tsjachotin leidt het laatste af uit het feit, dat men steeds nieuwe (en sterkere) prikkels moet toedienen om het volk onder psychose te houden. Men denke aan de redevoeringen van Hitler, Goebbels, razzia's, overwinningsleugens, haatcampagnes etc. De psychose werkt als een stimulerend verdovingsmiddel, waarvan telkens grotere doses moeten toegediend worden. Anders gezegd: de accu heeft een capaciteitsgrens. Zij die immuun zijn hebben blijkbaar reeds een andere lading.
Aldous Huxley schildert ons op magistrale wijze in Brave New World het afgrijselijke visioen van een toekomstige wereld, waarin alle mensen reflex-automaten zijn, die door zieleningenieurs bestuurd worden. Ter vervanging van een levensinhoud en ter [56] vulling van de telkens dreigende leegte en lusteloosheid, slikken allen het verdovingsmiddel 'soma'. Onze razende wereld met jazz, radio en bioscoop begint 'verduiveld' veel op dit 'soma-paradijs' te lijken. En we vragen ons af of het blasé-zijn de enige grens van de massa-psychose is.
Bestaat er ook een kwalitatieve grens der suggestibiliteit? Met het stellen van deze vraag, raken we het hart der pedagogiek.
In het vorige hoofdstuk wezen we reeds op de tegenstrijdige gevoelens, die bij een massapsychose vaak in het individu optreden. Deze tegenstrijdigheid kan het gevolg zijn van het feit, dat men zelf het slachtoffer is, maar het kan ook een weerstand zijn uit een andere dimensie. Oldewelt bespreekt ergens de houding van Luther te Worms en komt dan tot deze conclusie: "Daar ons bewustzijn, door zijn anorganische tendenties, niet in staat is om ons wezen te verstaan, vermag het ook niet de drijfkracht die ons vrij doet zijn, te begrijpen. Luther's toevoeging 'ik kan niet anders' is hiervoor typerend. Want zich bewust beziende (d.w.z. zelf als vertegenwoordiger van de gemeenschap, over zich sprekende) moet hij erkennen, dat hij, voorzover als geïsoleerde enkeling temidden van de mede-enkelingen, voor zijn houding niet aansprakelijk is; terecht, want niet het 'ik', maar het 'zelf' kwam in die vrije beslissing aan het woord." (uit De plaats van den mensch in de totaliteit van het leven, pag. 221).
Hier wordt de vrije beslissing van het 'zelf' (Kohnstamm zou hier spreken van een gewetensbeslissing) gesteld tegenover het massa-automatisme. Hier betekent zich-zelf zijn het tegengestelde van subjektiviteit, het is open staan naar de open kant der levensgemeenschap. Dat wil dus zeggen: ook de mens die niet meedoet met de massa, onderwerpt zich aan een super-individueel gezag, dat in zijn geweten tot hem spreekt. Juist de ik-mens is het meest vatbaar voor mechanisering. De mens die zichzelf wil zijn, staat soepeler tegenover het hele leven. Het is de grote verdienste van Bergson, dat hij dit vraagstuk zo meesterlijk behandeld heeft.
Vanuit het voorafgaande kunnen we begrijpen, dat het de mens steeds moeite zal kosten 'zich zelf te zijn'. ('Toen ik zeventig jaar was, kon ik de ingevingen van mijn hart volgen, zonder van het rechte pad af te dwalen', zei K'on-foe-tseu). Hij is van nature geneigd om mee te doen met de massa. Zijn weerstand tegen verkeerde suggesties zal echter groter zijn, naarmate hij zijn gewoonten organischer ontwikkeld heeft. In dit opzicht kunnen wij nog veel leren van de Chinese cultuur. De Chinese cultuur berust op twee zuilen, die het rijk in [57] evenwicht houden: de ritus van K'on-foe-tseu en de natuurlijke eenvoud van Lau-tseu. De Chinees verenigt beide tegenstellingen in zich, zoals ook het leven vorm en vrije beweging verenigt.
Een opvoeding, die slechts de gewoontevorming aankweekt, is dienstbaar te maken aan iedere omschakeling, zoals men machines makkelijk voor oorlogsdoeleinden kan aanwenden. Daarnaast moet steeds staan de opvoeding der vrije persoonlijkheid.
De senso-motorische verbeeldingskracht, de grondslag van het gehele gedrag, kan evenzeer worden omgezet in suggestibiliteit als in vrije fantasie. Zij is in potentie evenzeer neutraal als de libido.
Het is de taak der opvoeding te bevorderen, dat het totale gedrag existentiële kwaliteit draagt, d.w.z. een open verbinding houdt met de bronnen van het leven. Dit is echter slechts mogelijk, als onze pedagogiek meer durf en fantasie krijgt. Het woord van Galsworthy is maar al te waar: "Lack of imagination is the fault of the crowd" (Gemis aan verbeeldingskracht is het gebrek van de massa). Onze opvoeding moet daarom niet alleen suggestief, maar bovenal evocatief zijn, d.w.z. alle handelen moet een creatief moment bevatten, dat de waarneming zinvol integreert in het gedrag.

Keren we thans terug naar ons uitgangspunt. Het is niet voldoende, dat ik een steen op mij af zie komen, maar ik moet hem waarnemen als een dreigende steen, die ik ontwijken moet. Het is de grote verdienste van Sartre, dat hij in L'Imaginaire (1940) een duidelijk verschil maakt tussen herinnering en anticipatie aan de ene kant en verbeeldingskracht aan de andere kant. Als ik de steen zie aankomen, kan ik de botsing voorzien, d.i. het toekomstig treffen met mijn geestesoog anticiperen, maar ik heb mijn tegenwoordigheid van geest nodig om op het kritisch ogenblik voor afwezigheid van lichaam te zorgen. Deze tegenwoordigheid van geest kan nooit uit de situatie worden afgeleid, het is letterlijk het teken dat de geest van zijn aanwezigheid geeft in een inert natuurlijk systeem.
We zijn het daarom geheel eens met Buytendijk, waar hij schrijft: "De onjuistheid der theorie van de vitale fantasie is, naar mij voorkomt principiëel in te zien op grond van de nauwgezette fenomenologische analyse van de werkelijke verbeelding, die Sartre op zulk een meesterlijke wijze in zijn boek L'Imaginaire heeft gegeven. Hij heeft hierin aangetoond, dat zowel de herinnering als de anticipatie radicaal van de fantasie verschilt. Als ik een gebeurtenis van vroeger mij weer voor de geest roep, verbeeld ik mij deze niet, maar herinner ik mij haar. 'C'est à dire que je ne le [58] pose pas comme donné-absent, mais comme donné présent au passé...' Daarmede is nogmaals gezegd, dat een causale verklaring van een eenvoudige prestatie als een afweerbeweging, niet gegeven kan worden." (Algemene theorie der menselijke houding en beweging, pag. 252).
Wat bedoelt Sartre precies met 'donné-absent' (gegeven als afwezig) en 'donné-présent au passé' (gegeven als aanwezig in het verleden)? Zowel de verbeelding als de herinnering zijn het oproepen van een gegeven realiteit. De kunstenaar die zijn schepping voor zijn innerlijke oog ziet, weet echter, dat deze nog nergens aanwezig is, terwijl de toerist, die reisherinneringen ophaalt, weet, dat dit en dat in het verleden aanwezig was.
Als voorbereiding tot L'Imaginaire schreef Sartre in 1936 L'Imagination, dat sindsdien vele malen herdrukt is. Daarin kwam hij nog niet tot de scherpe formuleringen van zijn latere werk, waarin hij duidelijk de herinneringsvoorstelling van de fantasievoorstelling onderscheidt. Buytendijk verwerpt terecht Palagyi's conceptie als verklaring voor het gedrag, maar dat neemt niet weg, dat deze opvatting als verklaring van herinnering en anticipatie haar betekenis houdt.

Daar het menselijk gedrag intentioneel is (d.w.z. een levensprojekt realiseert), moeten we het ook als zodanig beschrijven. Ik heb hierboven de aansnorrende steen dreigend genoemd. Naar de opvatting van de 19de eeuw was dat een louter subjectief criterium, dat in een beschrijving niet paste. Naar huidig inzicht is deze toevoeging essentiëel, d.w.z. wij aanvaarden subjectieve categorieën in de wetenschap. Daarna breken we met het sinds Kant algemeen aanvaarde axioma, dat slechts objectieve categorieën wetenschappelijk aanvaardbaar zijn. De negentiende eeuw meende, dat de psychologie kon uitkomen met objectieve kwalifikaties, maar de praktijk heeft anders uitgewezen. Het spreekt voor de genialiteit van Kant, dat hij dit reeds in zijn tijd inzag en daarom trouw aan zijn beginsel verklaarde, dat een wetenschap van de ziel niet mogelijk was.
Het probleem is nl. dit, dat Kant alleen maar objectieve categorieën toeliet in zijn systeem, omdat die volgens hem voor iedereen geldig waren. Dat is trouwens nog de gangbare visie op de objectiviteit. De meeste mensen menen immers, dat de waarheid 'objectief' moet zijn. Zij geloven dat er een objectieve, volstrekt geldige, kennis van de werkelijkheid mogelijk of wenselijk is. Sindsdien is de wetenschap wel wat wijzer geworden. Zij weet, dat er meer dan één natuurkunde, meer dan één wiskunde, meer dan [59] één biologie enz. naast elkaar mogelijk en noodzakelijk zijn. Kant zag echter zeer juist in dat het aanvaarden van de psychologie betekende: het erkennen en invoeren van subjectieve categorieën.
Het was Edmund Husserl, die de moed had volledig met de Kantiaanse zienswijze te breken. Hij werd zodoende de grondlegger der moderne fenomenologie. De fenomenologie stelde zich van het begin af aan ten doel de geestelijke werkelijkheid te beschrijven. Daardoor bleek ze ook uitermate geschikt voor de methodiek van cultuur- en godsdienstwetenschap, waar we haar weer zullen tegenkomen.

De fenomenologie gaat uit van een geheel andere benadering van de werkelijkheid. Zij tracht deel te hebben aan het geestelijke fenomeen, dat zij beschrijven moet. Slechts door zich in te leven in een geestelijke werkelijkheid (in de psychologie spreekt men meestal van 'verstehen') komt men tot een dieper-liggende kennis. Onze grote godsdienstfenomenoloog G. v.d. Leeuw, onderscheidde zes momenten in de fenomenologische methode:
1. de fenomenoloog geeft (voorlopig) een naam aan het verschijnsel (bv. gebed, offer, sakrament),
2. hij schakelt het in zijn eigen leven in, om het te doorleven,
3. hij plaatst zich op een afstand, om het wezenlijke te schouwen,
4. hij zuivert het wezenlijke van het niet-wezenlijke,
5. hij probeert de zin van het geschouwde te doorstaan ('verstehen'),
6. hij confronteert het met het nog niet begrepene en legt getuigenis af van wat hij heeft geschouwd en verstaan.

Het blijkt uit deze opsomming, dat de naamgeving telkens verbeterd wordt, naarmate het fenomeen beter verstaan wordt. Iedere omschrijving heeft in de fenomenologische psychologie daarom iets voorlopigs, dat vatbaar is voor een subtilere analyse. Filosofisch gesproken komt een en ander hier op neer, dat de psychologie in de ik-gij betrekking is gestreden, d.w.z. 'personalistisch' is geworden. In plaats van de traditionele ik-het verhouding der wetenschap, komt nu de levende ontmoeting. We kennen allemaal het verschil tussen de medicus, die zijn patiënten als 'geval' en die hen als 'mens' behandelt. Vele malen horen we gezegden als: "Die dokter behandelt je ten minste als mens, daar ben je niet alleen maar een geval." Maar nu gaan we even naar de kennis-theorie en we stellen de vraag: "Welke dokter kent zijn patiënt het beste?" Houden we ons nu aan Kant, dan moeten we antwoorden: "Die hem als geval behandelt. [60] Want alleen die ziet hem als wetenschappelijk object."

De meer liefdevolle houding van de ander is on-wetenschappelijk, want deze gedraagt zich subjectief.
Maar het is een feit, dat de tweede geneesheer betere wetenschappelijke resultaten heeft, m.a.w. kennis, die uit liefde geboren wordt, leidt tot een beter inzicht. Maar dan hebben we ook niet het recht, die kennis onwetenschappelijk te noemen. Dit levert ook een belangrijke bijdrage voor een bijbelse psychologie, die we in het laatste hoofdstuk aan de orde zullen stellen. Hier volstaan we met de opmerking, dat een volwaardige psychologische beschouwing de medemens moet zien als medesubject en niet als object.
Dit schept een enorme uitbreiding van het psychologische idioom. Ook vroeger bedienden psychologen zich van termen als vrolijk, verdrietig, openhartig (dus subjectieve categorieën), maar dat geschiedde altijd min of meer clandestien. Een uitspraak als: "Hij klopte mij opgewekt op de schouder en keek dan schalks voor zich uit, alsof hij van de prins geen kwaad wist", werd vroeger besohouwd als literatuur en werd derhalve niet op één lijn gesteld met een zo solide mededeling als de Wet van Weber-Fechner.
Eigenlijk is dat een heel vreemde zaak. Want ik leer meer van iemands psyche uit bovenstaande terloopse mededeling, dan uit de hele wet van Weber-Fechner. De fenomenologie heeft daarom alle subjectieve gedragsomschrijvingen gelegitimeerd. Hierdoor is de grens tussen wetenschap en literatuur wel zeer vaag geworden: 'alle antropologie (antropologie: leer van de mens, de psychologie als theorie van het menselijk gedrag is er dus een onderdeel van) die deze naam verdient, is een vorm van literatuur' (F. Sierksma: Freud, Jung en de Religie, pag. 209).
Toch is er een verschil. Voor de literatuur zijn deze termen incidenteel, de wetenschap bezigt ze systematisch. Een fenomenologische psycholoog zal bv. een hele beschouwing wijden aan uitdrukkingen als 'een open blik', 'een diepe ernst', 'vlot reageren', 'honend lachen', 'zachtjes spreken', 'vertrouwelijk glimlachen'. Men begrijpt, dat het terrein van de fenomenologische psychologie praktisch onbeperkt is. Steeds zijn nieuwe groeperingen en fijnere analyses mogelijk. De fenomenologische psycholoog laat geen middel onbeproefd om zijn medemens te 'verstehen' (Spranger). Daarom zal hij vaak zijn voorbeelden ontlenen aan de letterkunde. Hij vervangt overal de ik-het relatie door de ik-gij betrekking. [61] Want het is de opzet der fenomenologische psychologie deze 'ik-gij relatie' te hanteren binnen het kader van het wetenschappelijk denken. [62]

terug naar de Inhoud

V De Psychotechnicus

Er bestaan drie soorten leugens: leugens, gemene leugens en statistieken. (B. Disraeli)

Niet zonder reden schreven we bovenstaande waarschuwing boven dit hoofdstuk, dat handelt over de Psychotechniek.
Er bestaat een naïef volksgeloof dat cijfers niet kunnen liegen, maar men vergeet daarbij dat het een kunst op zichzelf is cijfers te kunnen lezen, d.w.z. zinvol te interpreteren. De psychotechniek is een tak der zielkunde, die zich heeft ontwikkeld uit de associatie-psychologie van de 19de eeuw en die van begin af aan veel met cijfers heeft gewerkt. Juist daarom is hier grote voorzichtigheid geboden.
Iedereen heeft wel eens gehoord van het intelligentie-quotiënt (in de wandeling meestal verkort tot I.Q.), maar slechts weinigen weten, wat zo een getal eigenlijk betekent. Daartoe moeten we weer een paar schreden terug. De moderne psychotechniek is de schepping van Hugo Münsterberg, een leerling van Fechner en Ziehen, die naar de V.S. emigreerde. Daar raakte hij onder de indruk der technische evolutie en zocht naar middelen om the right man in the right place te brengen.
Als overtuigd associatie-psycholoog schiep hij een systeem, dat hij met een tekenend woord psychotechniek noemde, een term die toentertijd stellig met veel psychologisch inzicht gekozen was. Tegenwoordig spreken we liever van 'psychologisch onderzoek', omdat 'techniek' vele mensen op een dwaalspoor brengt. De term is echter zo ingeburgerd, dat we hem maar met een zucht voor lief moeten nemen.
Bij velen bestaat een diepe weerzin tegen alle psychotechniek, die zij als een aanslag op hun vrijheid beschouwen. Toch doen ze daarmee Münsterberg een groot onrecht, want hij was juist zeer bezorgd over de arbeidsvreugde in het bedrijf en leverde scherpe kritiek op het reeds bestaande Taylor-systeem. Het Taylor-systeem, dat in het begin van deze eeuw zeer populair was, zag de arbeiders [63] als een verlengstuk van de machine. Het hoogste doel was het grootste arbeidsrendement. Aan het menselijke geluk werd zelden of nooit gedacht. Münsterberg, toen hoogleraar aan de Harvard-universiteit, schreef twee werken, die geheel nieuwe inzichten verkondigden: Psychologie und Wirtschaftsleben (1913) en Grundzüge der Psychotechnik (1914).
Hij beoogde ieder de plaats geven, waar hij nuttig werk kon verrichten. Zijn leuze was niet slechts 'the right man in the right place', maar evenzeer 'the right place for the right man'. Hij had contact gezocht met ca. 200 Amerikaanse bedrijven en stelde de psychologische eisen voor de verschillende beroepen vast. Zo noemde hij acht voorwaarden, waaraan een telefoniste moest voldoen. De Bell Telephone Company liet hem een groot aantal kandidaten onderzoeken, maar schoof er enige zeer geroutineerde telefonisten tussen. Het bleek, dat deze meisjes telkens tot de vijf besten behoorden. Hugo Münsterberg had het pleit gewonnen.
Zijn werk werd voortgezet door Piorkowsky en Lippman. De psychotechniek begon haar triomftocht over de wereld.
En toch was Münsterberg niet de eerste die psychotechniek bedreef. Reeds 4000 jaar geleden gebruikten Chinese priesters de I-Tjing, het kosmische orakelboek, om een psychologische diagnose te stellen. Ook daarbij speelde het getal een grote rol. De I-Tjing (de canon der metamorfosen) maakt gebruik van rechte en gebroken lijnen, die respektievelijk het mannelijk, lichte element (Yang) en het vrouwelijk, donkere element (Yin) vertegenwoordigen. Drie lijnen onder elkaar vormen een trigram. Er bestaan 8 trigrammen, die als volgt worden omschreven: Hemel, Aarde, Donder, Wind, Water, Vuur, Berg, Meer
Uit deze acht trigrammen kan men door samenvoeging 82 hexagrammen van 6 lijnen samenstellen. Deze 64 hexagrammen worden wederom in 64 x 6 gevallen onderscheiden, naar gelang de 1ste, 2de, 3de, 4de, 5de of 6de lijn geaccentueerd wordt. Wil men de I-Tjing nu gebruiken als psychotechnisch hulpmiddel (als 'diagnosticum') dan kan men verschillende methoden kiezen. Ik maakte zelf gebruik van twee werkwijzen. Men kan de proefpersoon met rode en zwarte lucifers (stokjes) een hexagram naar keuze laten leggen. Rood is daarbij Yang, zwart representeert Yin. Ook kan men hem 6 getallen laten [64] noemen, die men onder elkaar schrijft. De even getallen zijn vrouwelijk (Yin) de oneven manlijk (Yang). Hoe vlugger men deze getallen noemt, hoe beter het is.
Vervolgens laat men een cijfer van 1 tot 6 noemen om de geaccentueerde lijn te bepalen. Daarbij dient men te bedenken, dat de constructie van het hexagram van boven naar beneden plaats vindt, de telling van de lijnen van beneden naar boven. (Men tekent een ladder van boven naar beneden, men nummert de sporten in omgekeerde richting).
Duizenden experimenten in deze zin hebben ons de ondubbelzinnige waarde van de I-Tjing overtuigend aangetoond. We hebben geen gebruik gemaakt van dobbelstenen etc., opdat het waarlijk een projectie-onderzoek zou zijn). Freud wijst er in diverse geschriften op, dat getallen een onbewuste betekenis hebben. Het noemen van 'zo maar' getallen onthult wel degelijk iets van de menselijke psyche. Het wonderbaarlijke is alleen, dat reeds 2000 jaar vóór onze tijdrekening zulke scherpe pyschologische consekwenties uit symbolen getrokken werden. Het is ook mogelijk sterk aan een bepaald probleem te denken en dan de I-Tjing dit vraagstuk te laten analyseren. Meestal krijgt men dan ook nog wijze raad op de koop toe.

Laat ik het bovenstaande aan een aardig voorbeeld toelichten.
Op een tentoonstelling van Zuid-Afrikaanse bouwkunst ('Wijnplase') in het Koninklijk Instituut voor de Tropen, werd ik geobsedeerd door het sterke kontrast tussen de witte boerderijen en de omgeving. Ik moest daardoor sterk denken aan de tegenstelling tussen blank en zwart in de bevolking zelf. De I-Tjing raadplegend kwam ik tot het 12de hexagram, P'i, lijn 6. P'i betekent stagnatie, stilstand, en is samengesteld uit de trigrammen hemel (drie rechte lijnen) en aarde (drie gebroken lijnen). Ik voelde onmiddellijk in deze kombinatie de situatie van een 'hemelse' (zich superieur voelende) groep, die heerst (staat boven) een 'aardse' (als inferieur behandelde). Merkwaardig is nu het kommentaar van de I-Tjing. (Tussen haakjes geven we ook ons eigen commentaar).
'Hemel en aarde hebben geen kontakt met elkaar en alle dingen verstarren. Er bestaat geen wisselwerking tussen hoog en laag. Op aarde (onder, de laagste groep) heerst verwarring en wanorde. Van onder is het donker, van boven is het licht. (De trigrams werden oorspronkelijk naast elkaar geschreven, later boven elkaar. Daarom staat er in de oude kommentaren: aan de binnen- en de buitenkant. Opvallend is ook de antithese donker en licht, [65] donker en wit, die van ouds met Yin en Yang in verband gebracht wordt).
Van onder is zwakte, van boven is hardheid. Beneden liggen de lageren, boven liggen de hogeren. De lagere mensen zijn in opkomst, de hogere mensen zijn aan het achteruitgaan. Maar de heersende mensen laten zich niet van hun beginsel afbrengen. Als hun invloed beperkt wordt, blijven ze trouw aan hun beginsel en kiezen de afzondering (apartheid).' Tot zover de I-Tjing.
Van oudsher wordt ook de tegenstelling psychisch opgevat: van buiten (synoniem met van boven) zijn de heersers hard, maar innerlijk zijn ze zwak. Hun macht is dus krampachtig, star. Men hoort hier verwante geluiden met Toynbee's opvatting over het 'inwendig proletariaat', dat de ondergang van een staat veroorzaakt.
De I-Tjing schijnt ons dus te willen zeggen: als hoog en laag geen contact hebben, dan ontstaat stagnatie. Ideaal en werkelijkheid, cultuur en maatschappij, regering en volk moeten een eenheid vormen, dan zullen ze gedijen. De meest verheven beginselen leiden tot stilstand als ze de aarde verloochenen. Parallel hiermee loopt Jung's visie op 'de schaduw'. De schaduw is de donkere kant der persoonlijkheid, die de mens verdringt, omdat hij voor de wereld een 'wit-masker' (persona) wil dragen. Volgens vele sociaal-psychologen berust negerhaat op een identificatie van de negers met de schaduw der blanken. Dit strookt met het feit, dat de 'nikker' in de middeleeuwen een naam voor de duivel was.
Men vergelijke ook de rol van Zwarte Piet als boe-man tegenover de blanke, goede Sint. Vandaar uit is begrijpelijk, dat blanke overheersers gemeenschap met zwarte ondergeschikten schuwen, en in deze houding krampachtig volharden. Het is dus noodzakelijk dat deze projectie overwonnen wordt. Dit geschiedt niet vanzelf.
Het commentaar bij de 6de (top) lijn luidt derhalve (de lijnen wijzen op de bijzondere situatie): 'De stilstand duurt niet eeuwig. Maar hij eindigt niet vanzelf. De juiste man is nodig om er een einde aan te maken. Scheppende fantasie is nodig om de wereld in orde te brengen.' Opmerkelijk is ook de laatste zinsnede: scheppende fantasie is nodig om de wereld in orde te brengen. Hier staat met andere woorden wat we in het vorige hoofdstuk uitvoerig betoogd hebben, zijnde het laatste inzicht der psychologie. Ook hier dus niets nieuws onder de zon.
Laten we thans naar de moderne psychotechniek terugkeren.

Volgens een algemeen heersend misverstand, gaat het bij een psychologisch [66] onderzoek om het vaststellen van het beruchte I.Q. Zeer gewoon is bv. een dergelijke vraag: "Zo, ben je getest? En wat was je I.Q.?" Nu hechtte men vroeger inderdaad veel meer waarde aan het intelligentie-quotiënt dan tegenwoordig, omdat men daarin een exact gegeven zag. Sinds Von Kries (zie hst. II) weten we, dat intelligentie geen extensiteit, maar een intensiteit is.
Wie een I.Q. heeft van 140 is niet 2x zo knap als iemand, die maar tot 70 komt. Men kan dit het beste vergelijken met de rapporten van de leerlingen in een klas. Men kan alle leerlingen nummeren naar de rapportcijfers, die ze behaald hebben. Komt er echter een leerling bij, dan verandert daardoor de hele rangorde. Hij kan overal tussen komen. Een intelligentie-quotiënt is alleen een rangnummer, geen objectieve grootte-aanduiding.
Overigens moeten we met deze kwalifikatie zeer voorzichtig zijn, daar vele mensen in een laboratorium-situatie beneden de maat werken. Ik kan dit aardig toelichten aan de hand van een geval uit mijn eigen praktijk, dat me tevens de gelegenheid geeft nader in te gaan op de bepaling van het I.Q. Het betrof een geval van pseudo-debiliteit. De opmerkzame lezer zal kunnen vaststellen, dat bij ieder onderdeel van een psycho-technisch onderzoek de gehele persoon bekeken moet worden.
Voor de ervaren psycholoog is de test niets anders dan de stetoscoop voor de arts, een diagnostisch hulpmiddel. Daarom is het volstrekt ongeoorloofd een test te laten afnemen door een ondeskundige, die niet in staat is de juiste observatie te verrichten. In de praktijk leidt een dergelijk onderzoek vaak tot volkomen onjuiste conclusies.
Het stellen van een diagnose is namelijk altijd een moeilijke aangelegenheid. Dit geldt voor de geneeskunde, maar des te meer voor de psychologie. De medicus kent uit ervaring de simulant, die de juiste diagnose bemoeilijkt, maar dit is niet de gemiddelde patiënt. De controlerende arts krijgt vaak te maken met de man of vrouw die een ziekte simuleert, de verzekeringsarts met de persoon, die gezondheid voorwendt. Van beiden wordt daarom soms meer psychologisch inzicht gevraagd dan van de behandelende arts. Inderdaad: psychologisch inzicht, want simuleren is eigenlijk geen medisch, maar een psychologisch probleem. Het is daarom vanzelfsprekend, dat de psycholoog (en daartoe rekenen we hier ook de pedotherapeut en psychiater) het veel moeilijker heeft om een juiste diagnose te stellen.

Een belangrijk onderdeel van het vooronderzoek is de anamnese, d.i. het rapport over het verleden van de patiënt. In de [67] meeste gevallen levert deze zelf uit zijn herinnering de gegevens. Men spreekt dan van auto-anamnese. Bij kinderen en geestelijk gestoorden zijn het vaak anderen die de feiten verschaffen. Dan maakt de psycholoog gebruik van een hetero-anamnese. Nu zal men allicht inzien, dat organische klachten gemakkelijker kunnen opgegeven worden dan psychische. De patiënt spreekt vlotter over schele hoofdpijn dan over schielijk blozen. Dikwijls is hij zelfs niet in staat zijn onbehagen te formuleren. Hij komt slechts tot een vaag: "Ik voel me niks prettig. Ik heb nergens zin in. Niets lukt me..." De psycholoog moet dan maar het juiste sleuteltje op zijn onbewuste vinden. Tot op zekere hoogte is iedere anamnese vertekend, daar niemand zichzelf volkomen zuiver ziet. Maar dit geldt in nog sterkere mate voor het totale gedrag. Iedereen doet zich een tikje anders voor dan hij eigenlijk is. Dit hangt samen met de persona-vorming. Een persona hoeft niet per se onecht te zijn, maar in de praktijk is het beeld dat de mens de wereld voorhoudt wel altijd enigermate 'bijgewerkt'. Zo een geretoucheerd beeld hoeft niet eens altijd geflatteerd te zijn. Sommige mensen scheppen er behagen in zich minder gunstig voor te stellen dan ze eigenlijk zijn. Er bestaat niet slechts understatement, maar ook underbehaviour.
Nu moet men nog een onderscheid maken tussen gefingeerd gedrag en pseudo-gedrag. In het eerste geval tracht men bewust de omgeving om de tuin te leiden, in het tweede geval zijn het onbewuste krachten, die het persoonsbeeld wijzigen. Een bekende vorm van underbehaviour (gedrag onder de maat) is pseudo-debilitas. Onder debilitas verstaan we in de algemene geneeskunde verval van krachten, zwakte. In de psychologie wordt debilitas gebruikt voor geesteszwakte, wat men in het dageiijks leven 'achterlijkheid' noemt. In het Nederlands heeft debiel uitsluitend betekenis van geestelijk zwak, geestelijk minder ontwikkeld. Nu zijn uitdrukkingen als minder ontwikkeld, achtergebleven etc. dubbelzinnig, daar men ze kan opvatten als constitutioneel zwak of met een traag ontwikkelingstempo. De leek is geneigd te geloven dat het weinig moeite kost een debiel kind van een intelligent kind te onderscheiden. Toch is dit lang niet altijd het geval.

Kurt Lewin vertoonde aan een publiek van ouders twee filmpjes met intelligente en debiele kinderen. Praktisch allen zagen de debielen (met hun grotere beweeglijkheid) voor de intelligenten aan. De deskundige weet, dat het intelligente kind meestal stiller en aarzelender van gedrag is. Het gedrag alleen schenkt echter geen voldoende criterium. Om te beslissen, of kinderen beneden [68] het normale intelligentiepeil zijn, hebben twee Franse artsen Binet en Simon een z.g. intelligentieschaal bedacht, die in diverse variaties en met enige aanvullingen en wijzigingen, over de hele wereld gebruikt wordt.
De gemiddelde intelligentie werd geijkt op 100. Dit getal is het zogenaamde intelligentie-quotiënt, in de wandeling afgekort tot I.Q. Binet en Simon deelden namelijk de kalenderleeftijd door de intelligentieleeftijd. Deze wordt bepaald door het kind een aantal vragen te stellen. Zijn intelligentieleeftijd en kalenderleeftijd gelijk, dan is het I.Q. 100. Is het kind op zijn leeftijd vooruit, dan ligt het I.Q. boven de 100, in het omgekeerde geval beneden de 100. Over de vaststelling van deze getallen is veel te doen geweest, maar dat is stof voor een aparte beschouwing.
Ingeval van debiliteit ligt het I.Q. tussen 80 en 60, van 60 tot 40 rekent men imbeciliteit, onder de 40 idiotie. Nu mag men de zaak niet omkeren. Een I.Q. van 70 hoeft niet te wijzen op debiliteit, daar men hier zeer wel te doen kan hebben met een latente ontwikkeling of zelfs een groeistoornis. Nu komt het soms voor, dat kinderen een I.Q. van beneden de 80 opleveren, in hun gedrag een volkomen debiele indruk maken en toch achteraf blijken een normaal verstand te hebben. In dat geval spreken we van pseudodebiliteit. Men kan er over twisten of het dan juist is te spreken van een gerezen I.Q. Schrijver dezes stelt zich op het standpunt, dat de onderzoeker moet trachten de aanleg te bepalen, maar dat is niet de mening van alle psychologen.

Dat men zich in de intelligentie van iemand vergissen kan, is algemeen bekend. Edison werd van school gestuurd, omdat hij nooit wat leren zou, Einstein werd niet toegelaten tot de middelbare school. Veel treffender nog is de geschiedenis van Panini (5de eeuw voor Chr.), die tot zijn 11de jaar voor achterlijk werd gehouden, tot een priester zich over hem ontfermde. Op zijn 14de jaar was hij een meester in het Sanskriet. Later schreef hij de beste gramatica van het Sanskriet, die ooit geschreven werd. Na bijna 25 eeuwen wordt dit leerboek nog gebruikt. Dergelijke gevallen - die meer voorkomen dan men zou denken - manen ons tot de grootste voorzichtigheid met de diagnose van debiliteit.
Vlak na de oorlog kreeg ik als 'testgeva1' een meisje van 11 jaar, dat nog niet lezen en schrijven kon. Aanvankelijk had men gedacht aan alexie of dyslexie (twee typen van leesblindheid), maar later neigde men tot debiliteit. Het meisje had de typische uitdrukking, die men bij veel debielen aantreft. Haar zinsbouw was uiterst primitief. Haar ogen stonden wezenloos. [69] Men had van alles met haar geprobeerd, echter tevergeefs. Een oom in het buitenland had zich over haar ontfermd, want ze had tijdens de oorlog in het concentratiekamp vader, moeder en twee broertjes verloren. Een Hongaarse verpleegster had het kind toen verstopt en verder voor voedsel gezorgd.
Bij een bezoek aan Parijs, kwam ik in aanraking met haar oom en tante, die me verzochten het kind eens te testen. Ik had dadelijk het gevoel, dat het kind dat nog steeds geen Frans sprak, niet debiel kon zijn. Een belangstellende neef zei: "Nu is ze toch al drie jaar hier en spreekt nog steeds alleen maar Vlaams (het kind kwam uit Antwerpen). Dat wijst toch wel op een lage intelligentie." Tot zijn verbazing antwoordde ik: "Dit kind moet superbegaafd zijn, om na drie jaar nog geen woord Frans te spreken. Alleen een zeer intelligent mens kan zo vasthouden aan een bekend symbolenstelsel." Dit inzicht verschafte mij een verklaring voor haar vreemde gedrag. Op driejarige leeftijd hadden de kampbewakers haar moeder weggehaald voor een verder transport. In haar hart hoopte ze echter moeder terug te zien. Onbewust besloot ze zo te blijven als toen ze haar moeder voor het laatst gezien had. Daarom weigerde ze ook later een vreemde taal te leren. Dat zou haar nog verder van haar 'moedertaal' vervreemd hebben.
Het onderzoek duurde maar kort. Bij het geven van definities viel ze door de mand. Ze definieerde nl. door substitutie: 'een stoel is een ding om op te gaan zitten.' Minder begaafde kinderen zeggen meestal iets van: 'een stoel, daar kun je op zitten.' Na enige gesprekken bleek mijn vermoeden juist geweest te zijn. De therapie deed mij evenveel pijn als haar. Ik moest de onzichtbare navelstreng doorsnijden, die haar aan haar moeder verbond en die iedere geestelijke ontwikkeling remde. Ik zei alleen maar: "Je denkt, dat je moeder nog terugkomt. Maar ik zeg je, dat je je moeder in dit leven niet meer zult terugzien. Je moeder is dood en de doden keren niet terug." Spierwit keek ze me aan met grote verschrikte ogen. Ik voelde mezelf diep-ellendig, het zweet stond me op het voorhoofd. Maar enige jaren later kreeg ik het bericht, dat Mej. X.Y. met lof geslaagd is voor het eindexamen van het atheneum (gymnasium) te Antwerpen. Ze had zich reeds laten inschrijven voor de letterkundige faculteit te Gent. Haar hoofdvak was... Franse taal en letteren. Een dergelijk geval leert ons hoe gevaarlijk het is, zomaar te besluiten tot debiliteit.

Het I.Q. is tegenwoordig maar één [70] gegeven uit vele. Het is slechts een zeer oppervlakkige maatstaf voor de theoretische intelligentie. Daarnaast onderscheiden we nog de praktische, pragmatische, technische en sociale intelligentie. En ook die moeten onderzocht worden. Onder intelligentie in het algemeen verstaan we met Stern: het vermogen om zinvol te reageren op een geheel nieuwe situatie. Een eenvoudiger formulering is deze: intelligentie is het vermogen om een probleem op te lossen. Theoretische intelligentie is dus het vermogen om een theoretisch probleem, (bv. in de wetenschap) tot een goede oplossing te brengen. Zonder meer zal thans duidelijk zijn wat we verstaan onder praktische, technische en sociale intelligentie. De echte practicus weet overal raad op, de man met een technische knobbel kan alles maken en uit elkaar halen, wie sociale intelligentie bezit, beschikt over tact, hij weet met mensen om te gaan.
Het is duidelijk, dat een geleerde, een adviseur, een ingenieur en een handelsreiziger respectievelijk over theoretische, praktische, technische en sociale intelligentie moeten beschikken.
Wat verstaan we nu onder pragmatische intelligentie? Dat is de zeldzame gave om de theorie ook in de praktijk te brengen. Heeft een natuurkundige behoefte aan een theoretische, een ingenieur aan een technische intelligentie, de uitvinder moet beschikken over een pragmatische intelligentie. Voor al deze vermogens bestaan tests en dan nog voor verschillende leeftijden. En denkt u vooral niet, dat u er dan al bent, want er bestaan weer verschillende soorten theoretische intelligentie. De één heeft een wiskundeknobbel, de ander een talengleuf. Maar ook in de wiskunde onderscheiden we met Poincaré weer drie typen: het algebraïsche, het meetkundige en het constructieve. Daarom is een goed psychologisch onderzoek een boeiend avontuur, waarvan men zelden berouw heeft.
En nu hebben we het alleen nog maar over de intelligentie gehad. Resten ons nog: zintuigelijke vermogens, fantasie, emotionele rijpheid, gevoeligheid, temperament, wilskracht, karakter, persoonlijkheidsstructuur, algemene ontwikkeling, technische vorming... Naast de test wordt dan ook gebruik gemaakt van enquète en diagnosticum, gezamenlijk meestal het test-apparaat genoemd. Het verschil is zeer eenvoudig. Alle drie zijn eigenlijk vragen. Bij de test weet de psycholoog op voorhand het antwoord, de proefpersoon niet. Bij de enquète (bv. 'Hoe oud bent u?') ligt het precies omgekeerd. Bij het diagnosticum weet geen van beiden het op voorhand. Hier is daarom ook niet sprake van een goed of een fout antwoord. [71] Het beroemdste diagnosticum is het Rorschach-diagnosticum (enigszins ten onrechte meestal Rorschach-test geheten), dat is bedacht door de Zwitserse arts-schilder Rorschach. Leken spreken meestal van 'de inktvlekken' en dat is nog zo dwaas niet, want in zekere zin zijn ze zo ontstaan. Rorschach maakte gebruik van tien kaarten, waarvan vijf alleen zwart-wit, vijf met kleur. De proefpersoon moet nu vrij associeren. De stereotype vraag van de psycholoog is: "Wat zou dat kunnen voorstellen?" Ieder antwoord wordt genoteerd en uit het totale protocol wordt een conclusie getrokken, t.a.v. de persoonlijkheids-struktuur van de cliënt.

Men hoort dikwijls de opmerking maken: "Maar als ik nu opzettelijk verkeerde antwoorden geef, dan trekken ze geheel foutieve conclusies." Een dergelijke uitspraak is tekenend voor de misverstanden, die op dit punt bestaan. Stel dat iemand naar een arts gaat en hem 'fopt' met valse klachten, wiens schuld is het dan als deze een verkeerde diagnose stelt? Veelal ziet men een psycholoog blijkbaar nog als een soort medicijnman, die over magische krachten beschikt. Het is toch vanzelfsprekend, dat iemand die wil weten waar hij geschikt voor is, meewerkt aan het verkrijgen van het beste resultaat. Iets anders is het natuurlijk bij een sollicitatie, maar hier kan men de psycholoog vergelijken met een controlerend geneesheer.
Een goed psycholoog merkt echter stellig als er iets niet klopt aan de antwoorden. We hebben hiervoor een geval van underbehaviour behandeld; meestal trachten echter sollicitanten een gunstiger indruk te maken dan ze verdienen. Vaak glijden ze dan uit over een bananenschil. Het volgende verhaal licht dit aardig toe. Het is de geschiedenis van een schriftvervalser, die door een kleinigheid door de mand viel. Het verhaal speelt in Zuid-Amerika, waar ik een tijd werkzaam was als psycholoog en enige zeer interessante gevallen heb meegemaakt, waarvan ik een ander (de geschiedenis van een kleptomaan) in een volgend hoofdstuk vertellen zal.
Een zeer markant bijverschijnsel van dit verhaal verdient nog even vermelding. Enige jaren later kreeg ik nl. in Nederland een soortgelijk geval in handen. Tot mijn verrassing ontdekte ik, dat beide personen dezelfde naam droegen.

De schriftvervalser
Op een morgen kreeg ik bezoek van een Nederlands zakenman uit Rio de Janeiro, die me vroeg of ik iemand voor zijn rekening [72] wilde testen. Hij was van plan in Porto Alegre een nieuwe industrie te vestigen en had na veel moeite een Zwitsers ingenieur gevonden, die bereid was de leiding van dit bedrijf op zich te nemen. De gegadigde hoefde zelf geen geld in de onderneming te steken, hij moest alleen zich verbinden minstens twee jaar in functie te blijven. Nu was er iets ondefinieerbaars aan deze Zwitser, wat de zakenman huiverig maakte. Vooral zijn vrouw had erop aangedrongen, dat hij de man psychologisch zou laten onderzoeken. Daar ik op dit ogenblik de enige Nederlandse test-psycholoog in Zuid-Amerika was (alleen in Uruguay woonde nog een bekend Nederlands psychiater) had hij zich tot mij gewend om deze kandidaat aan de tand te voelen.
De man bleek geen enkel bezwaar tegen een onderzoek te hebben en zo verscheen hij enige dagen later aan mijn flat in Montevideo. Het was iemand om door een ringetje te halen. Mijn eerste indruk was zelfs te gesoigneerd. Ik herinner me dergelijke details zijn achteraf erg aardig hoe ik bijna automatisch voelde of mijn das recht zat, een gebaar, dat beslist niet tot mijn vaste gewoonten hoort. Ook zijn woordkeus was onberispelijk. Hij legde me kort en zakelijk uit, waarom hij naar Zuid-Amerika gegaan was (hij was uitgezonden voor een concern, dat failliet gegaan was en wilde nu nog even rondkijken), wat hij gestudeerd had: hij vertelde, dat hij in Zürich elektrotechniek en in Bern economie gestudeerd had, waarna hij in Genève gepromoveerd was op een proefschrift over wereldconcerns; wat hij zoal gedaan had, etc.
En telkens weer had ik het gevoel: iets klopt er niet. Hij maakte alle tests in een snel tempo, maar met een volkomen rust. Na afloop hadden we nog een genoeglijk gesprek over filosofie en opvoeding, waarbij het af en toe de schijn had, dat mijn bezoeker de gastheerlijke honneurs waarnam.
Onmiddellijk nadat hij vertrokken was, wierp ik me op het testwerk. Het was allemaal keurig en verried niets wat afweek van het normale. Slechts één antwoord wekte in hoge mate mijn bevreemding op. Een van de vragen luidde namelijk: Een gast heeft een inktvlek op een bloemenkleedje gemaakt. Wat zoudt u doen?
1. U zegt glimlachend, dat zoiets iedereen gebeuren kan.
2. U zegt, dat de vlek er wel uitgehaald kan worden.
3. U zegt, dat hij het kleedje vergoeden moet.
Mijn bezoeker had nummer 3 aangestreept: u zegt, dat hij het kleedje vergoeden moet.
Er bestaat geen misdaad zonder fouten. Ik wist intuïtief, dat dit spoor me naar de bron zou voeren. Want praktisch niemand [73] geeft zulk een ongastvrij antwoord. En dit mocht ik toch zeker niet verwachten van een man van de wereld met hoffelijke manieren, die twee akademische studies volbracht had en aan een derde universiteit gepromoveerd was? Hoe kwam het, dat hij, die alle hindernissen feilloos genomen had, nu struikelde over een opstapje? In het algemeen zal men dit onheuse alternatief kiezen als men weinig contact met zijn medemensen heeft, bv. als men autistisch (in zichzelf besloten) of erg formalistisch is. Mijn bezoeker had echter een zeer open en beminnelijke indruk gernaakt.
Maar als ik goed naging, was het alsof hij met zijn openheid iets verborg. Het is als met misdadigers, die te veel vertellen om te bewijzen, dat ze niets te verbergen hebben. En plotseling zag ik, wat er met deze man aan de hand was: hij deed enorm zijn best om de indruk te maken van iemand, die geheel leeft volgens de code van onze samenleving, maar legde het er daardoor te dik bovenop. Dit is in het algemeen het geval met psychopaten, die lijden aan moral insanity. Het zijn dikwijls intellectueel zeer begaafde personen, die echter geen morele remmen kennen. Om hun doel te bereiken spelen ze echter het spel der samenleving, zonder er innerlijk deel aan te hebben. Vedder zegt van hen: "Hoewel intellectueel volkomen op de hoogte van hetgeen goed of kwaad is, ontbreekt bij hen de weerklank, die deze begrippen in het gevoelsleven van de normale mens plegen te hebben." Insania moralis is een van de gevaarlijkste afwijkingen, die men in het dagelijkse leven kan tegenkomen. Volgens de meeste psychiaters is moral insanity een aangeboren afwijking: "Reeds bij het kind bemerkt men, dat de ethische gevoelens niet aanspreken. Deze term mag dan ook niet worden toegepast op mensen, die door zekere levenservaringen zo geworden zijn. Bij deze zijn de ethische gevoelens verdrongen, bij insania moralis zijn ze er nooit geweest" (Vedder).

Ik heb me vaak afgevraagd wat de oorzaak van deze abnormaliteit is. Bij schizofrene (krankzinnige) misdadigers neemt men vaak een stoornis in de voorste hersenlob aan, bij psychopatische misdadigers zoekt men de oorzaak eerder in het onbewuste. Nu vindt men bij alle psychopaten een overeenkomstig kenmerk: het gemis aan aansluiting bij de algemene cultuurwaarden. Daarom lijkt mij de veronderstelling gewettigd, dat psychopathie berust op een kortsluiting tussen het individuele en het collectieve onbewuste. De psychopaat kan niet ongehinderd putten uit het onbewuste arsenaal der cultuur, waarin hij leeft. In de psychologie van Jung zouden we zeggen: hij staat niet in levende relatie met zijn archetypen. [74] Zo iemand kan dus verder veel goede kwaliteiten hebben, maar hij 'mist' ergens iets. Het is begrijpelijk, dat hij zal trachten zoveel mogelijk voor 'vol' te worden aangezien. De fantast, de valse munter en de schriftvervalser zijn meestal psychopaten, die door middel van bedrog trachten in de samenleving mee te tellen. In het algemeen staat 'men' sympathieker tegenover hen, dan tegenover maniakken zoals kleptomanen, brandstichters en vergiftigers. Huizinga heeft ons in Homo Ludens hiervoor een eenvoudige verklaring aan de hand gedaan. Wij vergeven eerder de valse speler dan de spelbreker. De valse speler doet alsof hij zich aan de regels van het spel houdt, de spelbreker vernietigt de illusie (letterlijk: in-het-spel-zijn). Daarom treedt de psychopaat ons ook vaak vriendelijk tegemoet, terwijl de maniak de beslotenheid zoekt.
Vermits er verschillende vormen van psychopathie zijn, neem ik aan dat er een tekort aan contact kan bestaan met verschillende delen van het collectieve onbewuste. Maar daarom geloof ik persoonlijk ook niet, dat een psychopatische afwijking oncorrigeerbaar is. Ik zal verderop mijn visie trachten te verduidelijken aan het geval van een valse munter.
Nu heeft men evenwel verschillende typen fantasten, valse munters en schriftvervalsers, zoals men goedaardige en kwaadaardige gekken en dronkaards met een goede en een kwade dronk heeft.
De fantastische idealist, die zijn volgelingen gouden beren belooft maar er zelf ook in gelooft is uit een ander hout gesneden, dan de flessentrekker, die oude dames geld ontfutselt.
Terecht heeft Fromm erop gewezen, dat het karakter belangrijker is dan het psychologische type. In het onderhavige geval had ik sterk het gevoel van iemand, die moreel niet betrouwbaar was. Met het kleedje was hij door de mand gevallen. Hij wou als het ware plus royaliste que le roi zijn.
Hij dreef het formalisme ten top: de zondaar moest immers gestraft worden. Daar hij geen aangeboren gevoel voor goed en kwaad had, zag hij niet in dat dit geen echt misdrijf was. Het was een soort zedelijke kleurenblindheid.
In mijn rapport waarschuwde ik mijn opdrachtgever voorzichtig te zijn met afspraken, daar de persoon in kwestie het gevoel voor innerlijke billijkheid miste. Ik adviseerde hem alles zwart op wit te zetten en zelfs dan nog uit te kijken. Dat ik niet verder ging zal men begrijpen, als men bedenkt, dat ik mijn oordeel baseerde op een detail en een heel sterk gevoel.
Er werd onderhandeld. Onze ingenieur stelde zelf een contract [75] op, waarbij hij duizend futiliteiten regelde. Dieper nadenkend over de zaak, kwam ik tot de conclusie, dat hij best een schriftvervalser had kunnen zijn. Ook de schriftvervalser zal een geschreven stuk 101% echt willen doen schijnen. Men aarzelde. Een jonge ingenieur - ook een Zwitser - schreef naar Zürich, Bern en Geneve om inlichtingen. Zijn enig diploma bleek dat van instrumentmaker te zijn. Later hoorde men, dat hij in Europa gezocht werd wegens valsheid in geschrifte. Als hij nu eens op de vraag over het bloemenkleedje het cijfer 2 had aangestreept, zou dan alles anders gelopen zijn? Iedere misdadiger maakt zijn fouten, dat is een troost voor de eenvoudige zielen.
Men ziet, dat een psychotechnicus niet over één nacht ijs gaat. Juist om de persoonlijkheid goed te leren kennen, zijn vele methoden gewenst. Men spreekt meestal van projectie-onderzoek, daar de proefpersoon zijn geestelijke habitus projecteert in de interpretatie of in het afgeleverde werkstuk.
De Rorschach is de bekendste projectie-test. Onmiddellijk daarop volgt in bekendheid de TAT (Thematic Apperception Test) van Murray en Bellak. Deze test (of liever: dit diagnosticum) bestaat uit een serie van 31 plaatjes, waarbij een verhaaltje verteld moet worden. Murray was niet de eerste, die dit systeem toepaste. In 1907, 1908 en 1932 hadden respectievelijk Brittain, Libby en Schwartz soortgelijke proefseries samengesteld. Geen echter bereikte de enorme populariteit van de TAT, die thans Rorschach naar de kroon steekt. Er bestaat echter een duidelijk verschil in functie tussen beide. De eerste is een zuiver sociale test, de tweede een waarnemingsonderzoek. Later heeft Bellak deze TAT (die hij intussen verschillende keren herzien heeft) ook voor kinderen pasklaar gemaakt. Hij gebruikte daarvoor dierenfiguren, die voor de kinderen personen symboiiseerden. Zo komen symbolisch kritische situaties uit het kinderleven aan de orde. Een eenvoudig voorbeeld: een slaapkamerscène in huize Bruine Beer, waar naast het ouderlijk ledikant ook het bedje van Bruintje Beer staat. Kinderen, die te lang op de kamer van hun ouders geslapen hebben, reageren hier steeds met sterk emotioneel getinte verhaaltjes.

Vooral in de laatste jaren zijn de projectie-tests toegenomen, daar men steeds meer de nadruk op het karakter legt. Ook Nederland heeft op dit gebied verdienstelijk werk geleverd. Wij denken hierbij o.a. aan de projectie-methodiek van Van Lennep. [76] In het hoofdstuk over cultuurpsychologie zullen we in de gelegenheid zijn het werk van Ruth Shaw (o.a. op het gebied van 'finger-painting') nader te beschouwen. De lezer zal toch uit het bovenstaande een indruk gekregen hebben van de veelzijdigheid van het psychologische onderzoek, mits dit verricht wordt naar de eisen van de huidige wetenschap.
Helaas laboreert menig psychotechnisch onderzoek nog aan het euvel van 'de zee in de fles'. Onder deze term verstaan we een verschijnsel, dat zich geïsoleerd ontwikkelen moet. Men vertelt nl. de anekdote van een man, die geraakt door de majesteit van de oceaan, een fles met zeewater mee naar huis nam. Hij vulde de fles echter slechts ten dele, omdat hij rekening wilde houden met de opkomende vloed. Zo is het ook met de psychotechniek gegaan. Münsterberg, enthousiast over de majesteit der jonge wetenschap van de psychologie, bracht een fles psychologisch wonderwater mee naar de Amerikaanse industrieën. De vloed bleef echter uit en nog heden werkt men op vele psychotechnische laboratoria met het lauwe aftreksel van de 19de eeuw. Waar echter een levend contact gehouden wordt met de hedendaagse zielkunde, daar zijn de resultaten vaak zeer verrassend.

Rest ons nog een laatste misverstand uit de weg te ruimen. Een psychologisch instituut kan en mag nooit een bureau voor beroepskeuze zijn, maar alleen een bureau voor beroepsadviezen. Vele mensen laten zich 'testen' om te horen, wat ze worden moeten. Op deze vraag kan echter geen psycholoog het juiste antwoord geven. Hij kan hoogstens zeggen, wat iemand beslist niet worden moet. De keuze moet het persoonlijk eigendom van de mens blijven. Zonder keuze is de mens slechts een machine. Mensen met een zwakke wil trachten vaak de keuze (en dus de verantwoordelijkheid) op een ander af te wentelen. Maar ook dit is een keuze. Slechts een beroep waarvoor men zelf gekozen heeft, draagt de geest van de roeping. En een beroep zonder roeping is een dood ding. De psychotechniek kan iemand helpen zijn roeping te verstaan en te volgen, het is de vrije mens zelf die ten slotte de beslissing moet nemen. [77]

terug naar de Inhoud

VI De Pedotherapeut

Als men kinderen ziet, waant men prinsen te aanschouwen.
Maar waar zijn de koningen? (Victor Rydberg)

Bovenstaande verzuchting van de beroemde Zweedse auteur Rydberg, zal menige lezer uit het hart gegrepen zijn. Hoe weinig komt er in het leven vaak terecht van de krachten en vermogens, die in het mensenkind sluimeren. Rydberg heeft gelijk: jonge kinderen zijn spontaan, creatief en weetgierig. Maar het leven stelt ons allen op de proef. Wij raken onze spontaniteit grotendeels kwijt. Slechts de begenadigden behouden hun scheppingskracht op latere leeftijd. De weetgierigheid boet in, als men leert inzien hoe weinig één enkel mens eigenlijk weten kan. Het lijkt dwaasheid te verwachten, dat al die prinsen koningen zouden worden. Maar toch, ouders die bij de wieg van hun kind staan, blijven de droom koesteren dat hun kind het eens ver zal brengen. Het heeft geen zin hier toe te geven aan sentimentele overwegingen. De pedagoog, die het opvoeden tot zijn levenstaak heeft gemaakt, zoekt een nuchtere verklaring voor het feit, dat er later dikwijls zo weinig terecht komt van de schone verwachtingen.
Bij deze onderzoekingen zijn verschillende dingen aan het licht gekomen. Uit een overstelpende hoeveelheid materiaal kwam bv. vast te staan, dat lang niet altijd en overal ouders het goed met hun kinderen voor hadden. Reeds in de oudste tijden werden kinderen te vondeling gelegd, geofferd of uitbesteed. Het blijkt, dat ouderen vaak een grote angst voor het kind hebben, dat hen immers overleven zal. Bij sommige negerstammen wordt een kind gedood als het teveel op de vader lijkt, omdat dit een ongunstig teken voor de vader zou zijn, die niet kan dulden dat zijn opvolger al voor de deur staat. Vele volkeren legden hun misvormde kinderen te vondeling of doodden hun eerstgeborenen. Het beroemdste verhaal uit de oudheid handelt over prins Oedipus, die te vondeling gelegd werd omdat zijn vader Laios vreesde, dat hij [78] hem later doden zou. De Griekse mythologie is vol verhalen van strijd tussen vaders en zonen. En bij de grootste schrijvers van alle tijden (Sophocles, Shakespeare, Dostojefsky, Kafka) wordt juist de strijd tussen de generaties een belangrijk motief van hun werk.

Men kan ongetwijfeld veel kritiek op de moderne mens hebben. Maar één ding is zeker: nooit te voren heeft de mensheid zoveel aandacht besteed aan de opgroeiende generatie. Ongetwijfeld hebben de omstandigheden dit sterk in de hand gewerkt. Het is veel moeilijker het kind in een bepaalde richting op te voeden. Zeer velen kiezen later een andere levensbeschouwing dan hun vader.
Nog meer worden lid van een andere politieke partij en de meesten volgen hun vader niet op in zijn beroep. De snel veranderende samenleving en cultuur hebben deze discontinuïteit in de hand gewerkt. De moderne pedagogiek is dus geboren uit de nood der tijden. Maar ook hier groeide uit de nood een deugd. De pedagogische wetenschap stond voor de moeilijke opgave, de verborgen mogelijkheden van het kind te ontdekken. Als zodanig ging zij hand in hand met de psychotechniek, die zich meer op de maatschappelijke aanpassing van volwassenen concentreerde. Al spoedig bleek dat het zeer jonge kind tot veel meer in staat is dan men ooit had durven vermoeden. Op dit gebied hebben vooral vrouwelijke pedagogen zoals Montessori, Parkhurst, Washburne, Susan Isaacs en Ruth Shaw voortreffelijk werk geleverd.
Van hen is ongetwijfeld Maria Montessori de belangrijkste. Toen zij op 6 mei 1952 te Noordwijk stierf, verloor de wereld de grootste pedagoog van deze tijd. Men kan haar slechts vergelijken met Comenius, Rousseau, Pestalozzi en Fröbel. Montessori was echter de eerste pedagoog, die volledig rekening hield met de psychologie van het kind. Zoals alle grote opvoeders kwam ze langs een omweg tot de pedagogiek. Ze begon haar carrière als arts en chirurg, maar ging spoedig over tot de psychiatrie. Geschokt door het feit dat achterlijke kinderen in krankzinnigengestichten werden grootgebracht, besloot ze hierin veranderingen te brengen. Ze richtte kindertehuizen op waar ook verwaarloosde kleuters verzorgd werden. Ervaringen met deze jonge abnormale kinderen deden nieuwe pedagogische inzichten in haar rijpen, die uitgroeiden tot een briljant systeem: de methode-Montessori.
De opvoedkunde is een uiterst moeilijk vak, omdat hier gewerkt wordt met levend mensenmateriaal. Daardoor komt het dat de grote opvoeders uiterst zeldzaam zijn en dat pedagogische theoriën weinig echt begrepen worden. Dit is wel in het bijzonder het geval met Maria Montessori, die ook vaak door haar aanhangers [79] is misverstaan. Haar theorie is zo simpel, dat men aan de betekenis dikwijls voorbij ziet. Wie echter eenmaal de quintessens ervan begrijpt, krijgt een scholing in pedagogisch denken zoals geen andere opvoeder hem kan geven.
In het derde hoofdstuk wezen we op de betekenis van Ovide Decroly, de schepper van het globalisatie onderwijs. Decroly keerde de oude stelling: maak het onderwijs belangwekkend, eenvoudig om en verkondigde: maak het belangwekkende tot onderwijs.
Zo kan een aanhanger van Decroly in de eerste klas van de lagere school over de Chinese cultuur spreken, omdat een meisje een Chinees serviesje mee naar school heeft gebracht. Het zo vaak gebruikte: "Dat komt allemaal later wel" luidt bij Decroly: "Daar zullen we het nu eens over hebben." Wie het bovenstaande goed verstaat, begrijpt thans makkelijker wat Montessori beoogde. Wat bij Decroly de belangstelling is, is bij Montessori de vrijheid. Zij heeft het vrijheidsbeginsel in de opvoeding meer dan enig ander gestimuleerd. Daarvoor zijn de komende generaties haar grote dank verschuldigd.

Ook over de vrijheid heerst veel verwarring. De ene opvoeder beweert (vaak met een beroep op Montessori): "Je moet een kind vrijlaten." Een ander decreteert: "Je moet een kind niet te vrij laten." Een derde zoekt de gulden middenweg: "Je moet het vrij laten in gebondenheid."
Het klinkt allemaal fraai, maar het betekent meestal niets. Er ontbreekt het objectief criterium voor de vrijheid aan en is daarom even vaag als een conjunctuurleer zonder objectief waardecriterium. Montessori leert: "Je moet het kind vrijlaten dat te doen, waarvoor het juist in zijn ontwikkeling gevoelig is." Zo kwam ze tot de theorie van de gevoelige perioden (een term ontleend aan de bioloog Tower), waarop haar gehele systeem berust. Men realisere zich dus dat Montessori niet zegt: "Een kind moet doen, waar het zin in heeft", maar "waar het gevoelig voor is." De eerste uitspraak is louter subjectief, de tweede heeft een objectieve basis. Nu was het de taak deze gevoeligheden in algemene zin vast te stellen. Zo 'onstateerden zij bv. een gevoelige periode voor de zintuigenontwikkeling tussen het 3de en 7de jaar; voor het lezen en schrijven omstreeks het vijfde jaar, welke gevoeligheid voor oudere kinderen voorbij is. In die periode moet het kind dus de gelegenheid krijgen als de latente gevoeligheid zich openbaart, het juiste materiaal te vinden. Daarom schiep zij een 'gepreformeerd milieu', een omgeving die bij voorbaat gereed is en die bekend staat als de 'Montessorischool'.
Het is dus niet zo dat het kind aan ieder opwelling moet kunnen gehoor geven, [80] maar wel aan iedere gevoeligheid in de psychische en geestelijke groei. Het blijkt nu dat het hele leven (maar vooral de jeugd) uit zulke gevoelige perioden bestaat (zuigeling, kleuter, schoolkind, puber, adolescent, volwassene) die telkens een andere omgeving eisen. Rousseau had reeds verkondigd: "De Waarlijk Vrije mens wil slechts wat hij kan." Montessori stelt het probleem zo: "Om vrij te worden, d.i. om te willen wat je kan, moet je ook mogen wat je wilt." Zo bouwt ze voort op de ideeën van haar voorgangers. 'Wat je wilt' betekent echter: als je wilt... wat je kunt. De eerste fase van het Montessori-systeem wordt dus gekenmerkt door de gevoelige perioden en het klaargemaakte milieu.

Later zag Montessori in dat ook het milieu van alle levende wezens een ontwikkeling doormaakt, die in zekere zin onafhankelijk is van zijn bewoners. Zo bouwde zij een kosmische milieutheorie. Deze ontwikkelingsgang in haar denken werd geprikkeld door vele factoren: de opkomst der techniek (die zij bovennatuur noemde) als nieuw mensen-milieu, de politieke situatie in de wereld, studie van dieptepsychologie en sociologie en last but not least contact met de wijsheid van Azië.
Ze zag duidelijk in, dat de opvoeding ook rekening moest houden met de wijzigingen in het milieu, d.w.z. men moet ook opvoeden voor de maatschappij. Zelf gevoelig voor nieuwe inzichten tot het laatste ogenblik (want zij was het levende bewijs voor de juistheid van haar theorie) werkte zij de laatste jaren aan een uitbreiding van haar systeem tot een kosmologische opvoeding, waarover zij gelukkig reeds veel gesproken en geschreven heeft. Voor ze echter het stelsel volledig heeft kunnen uitwerken, kwam het einde. Op anderen rust de taak het werk voort te zetten. Ze stierf jong van geest, als iemand die altijd dicht bij het kind is blijven staan. Ze had de kinderen liefgehad met die helderziende liefde, die slechts de wijzen gegeven is.
De grote betekenis van Montessori schuilt dus vooral daar in dat zij inzag, dat de van ouds bekende ontwikkeling verband hield met het oefenen van verschillende funkties, waarvoor een vrije ontplooiing noodzakelijk was. Zij legde dus een nauw verband tussen kinderpsychologie en opvoeding.

Men kan eigenlijk het gehele leven in gevoelige perioden verdelen. In iedere fase wordt de wereld anders beleefd en verkend.
De zuigeling (van 0 tot 18 maanden) ervaart de wereld door zijn lusten en onlusten, hij ziet de wereld als een reusachtige zuigfles of lolly. Zou hij een wijsgerig werk schrijven, dan zou het ongetwijfeld luiden: 'De wereld als zuigobject'. Zijn ethiek beantwoordt [81] de vraag: 'Wie zal ik roepen?', zijn wereldbeschouwing houdt zich bezig met het verwerven van lusten. Sommige mensen vertonen later nog sterk infantiele trekken, het zijn onvolgroeide zuigelingen. De genotzoeker leeft in de kleine wereld van lust en onlust. Hedonisme is daarom eigenlijk de filosofie van de kinderkamer.
De kleuter (van 1,5 tot ruim 6 jaar) beleeft de werkelijkheid als een feest voor zijn zintuigen. Iedere waarneming verschaft hem vreugde. De estheet is ergens een volwassen kleuter. Hij ondergaat het leven als een sprookje en ziet de wereld als een kindertuin.
Het schoolkind (van 6 tot 12 jaar) oefent zijn geheugen en intelligentie. De droge kamergeleerde blijft in zeker opzicht zijn hele leven een schoolkind, dat feitjes en weetjes verzamelt. Hij ziet het leven als een lesje en de wereld als een schooltje. Hij verstaat niet de ironie van de woorden van Thomas a Kempis: dat een eenvoudige landman meer waard is dan een geleerde met een hoofd vol boekenwijsheid. Al zwoegt hij heel zijn leven, zijn boekenkast weet veel meer dan hij.
Voor de puber (van 12 tot 18 jaar) is de wereld een terrein voor avontuur en ontmoeting. De puber ontdekt zijn 'ik' en gaat op zoek naar een 'jij'. Daarom is de puber zowel individualist als sociaal ingesteld. Sommige mensen komen nooit toe aan het jijzeggen. Zij durven zichzelf niet op de waagschaal stellen. De avonturier is de postpuber, die nooit tot een werkelijke ontmoeting komt. Don Juan en Casanova zijn dergelijke pubers. Hun succes is een camouflage voor het feit, dat ze niet in staat zijn echt 'jij' te zeggen.
Op de puberteit volgt de adolescentie (van 21 tot 24 jaar). De adolescentie is de leerschool van het leven. Men noemt het wel de wereldbeschouwelijke periode, omdat in deze jaren de levensbeschouwing tot kristallisatie komt. De adolescent is het woord van Paulus indachtig: "Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede". Hij is een liefhebber van debatten en discussies, is trouw lid van verenigingen en disputen, maar vertoeft niet langer in de sfeer der jeugdvereniging, die typerend is voor de puberteit. De eeuwige student en de kwerulant zijn adolescenten, die halsstarrig weigeren adult (volwassen) te worden.

Iedere mens moet deze opvolgende fases doormaken, wil hij waarlijk volwassen worden. Menigmaal blijft men echter steken in een bepaalde ontwikkeling. Is deze groeistoornis ernstig, dan spreekt men met Freud van infantilisme. De genotzoeker, de estheet, [82] de kamergeleerde, de postpuber en de kwerulant zijn eigenlijk infantiel gebleven op een bepaald punt.
Het is de taak van de opvoeder het kind te helpen volwassen te worden. Waar echter deze ontwikkeling ernstig gestoord is, wordt de bemiddeling van de pedotherapeut gewenst. De taak van de pedotherapeut is meer her-opvoeding dan opvoeding. Vandaar dat men i.p.v. pedotherapie ook spreekt van orthopedagogiek (orthos: recht), d.w.z. het 'weer recht maken' van de opvoeding.
Veelal zijn ook pedotherapeuten van het vrouwelijke geslacht. De twee beroemdste zijn Anna Freud (dochter van Sigmund) en Melanie Klein. Ons land kon bogen op de in Zwitserland overleden Ada Citroen. Vaak is het moeilijk de grens te trekken tussen de pedotherapeut(e) en kinderpsychiater, vooral als beiden de psycho-analytische methode volgen. Het werk van een pedotherapeut vereist grote kennis van het kind en zijn uitingen. Maar daarbij komen nauwkeurige observatie, concentratievermogen en de drie deugden van Ligthart: liefde, geduld en wijsheid.
Het lijkt mij dat ik er goed aan doe hier enige gevallen uit mijn eigen praktijk te bespreken, daar dit verhelderend werken kan.



Het eerste geval is de geschiedenis van De fantast.
Op een avond werd ik opgebeld door iemand, die me dringend spreken wilde. Daar het al tegen elven liep, vroeg ik of de zaak geen uitstel kon lijden tot de volgende morgen. De krakende stem aan de andere kant van de lijn drong echter nogmaals op spoed aan. "Het geval is zeer urgent. Er kan een mensenleven van afhangen." Dus zat nog geen kwartier later een verkreukeld oud heertje tegenover me, die letterlijk zat te 'handenwringen'. De zaak was gauw verteld. Ze hadden een zoon, hun enig kind van zeventien jaar, die bedreigd werd. Er was iemand, die hem dreigbrieven schreef. Men schijnt iets van hem te weten.
De jongen is radeloos. Hij wil ons niets vertellen. Maar we zijn bang, dat hij er zelf een einde aan maakt.
Het voorhoofd van mijn bezoeker was klam van de opwinding. Twee vermoeide ogen keken me smekend aan. Misschien kunt u met onze jongen praten. Het kan me niet schelen wat hij gedaan heeft. Wij staan achter hem. Het is ons enige bezit, mijnheer!" "Hoe weet u, dat hij gechanteerd wordt?"
"Mijn vrouw vond twee brieven op zijn schrijftafel. Hij is erg slordig, ziet u." "Hebt u er met hem over gesproken?" "Ja, mijn vrouw voornamelijk." [83]

"Eerst ontkende hij alles. Toen gaf hij het toe. Maar meer wilde hij niet zeggenf." "Hebt u een foto van uw zoon bij u?" Uit een zeer oude portefeuille van juchtleer kwam een foto te voorschijn, die vrij recent bleek te zijn. Ik keek in het gezicht van een ferme Hollandse jongen. Een vriendelijk gezicht, dat dadelijk sympathie opwekte.
"Hebt u soms ook de twee brieven meegebracht?" Hij overhandigde me twee velletjes postpapier, die elk een kort epistel bevatten. Het trof me, dat het handschrift verdraaid was en dat drie kwart van het papier onbeschreven was gebleven. De bedreiging was nogal drastisch: "Als u niet voor a.s. dinsdag driehonderd gulden betaalt, sta ik niet voor de gevolgen in. Ik weet alles."
De onbekende: "Wat denkt u ervan?" "Aanstaande zelfmoordenaars laten meestal niet hun correspondentie slingeren. Maakt u zich in die richting maar geen zorgen. Hebt u hem het geld gegeven?"
"Mijn vrouw heeft gezegd, dat het geld wel in orde komt. Maar ze heeft het hem nog niet gegeven."
"Ik garandeer u dat het allemaal wel zal loslopen. Ik wed honderd tegen één, dat zoonlief deze brieven zelf geschreven heeft. Hij zal geld nodig hebben."

Mijn bezoeker behoorde tot het type mensen, die steeds van de ene zorg in de andere vallen. De idee, dat zijn zoon de hele zaak geénsceneerd had, maakte hem opnieuw overstuur. Merkwaardigerwijze verzette hij zich niet tegen het denkbeeld, dat ik zo abrupt geopperd had. "U kunt best gelijk hebben. Leo is altijd een fantast geweest. Daarom waren we juist altijd zo bang, dat hij zich in een wespennest zou steken. Het is een goeie jongen, maar je weet nooit wat hij weer bedenkt."
Spoedig was ik in de gelegenheid Leo zelf te ontmoeten. De volgende morgen zocht hij me nl. al op. Hij had thuis gehoord, dat ik zijn bedrog door had en kwam nu uit eigen beweging met me praten. Ik legde hem uit, dat ik aan het briefje (het schrift en de indeling) onmiddellijk gezien had, dat het door een jongen geschreven was. Hij was zeer verbaasd te horen, dat zijn idee helemaal niet origineel was. Mensen, die zichzelf brieven schrijven, komen vaak voor. Het krenkte hem dat ik hem daarom van gebrek aan fantasie beschuldigde.
In het algemeen is normaal gedrag altijd veel interessanter dan abnormaal gedrag. De gezonde creatieve mens kan met zijn fantasie duizend richtingen uit, de ziekelijke fantast begaat altijd gebaande wegen. Toch had ik zijn fantasie onderschat. Hij gaf toe dat hij de brieven geschreven had en vroeg me... aan zijn vader te zeggen dat ze echt waren. [84] In de psychologie kom je vaak voor verrassingen te staan. Maar dit voorstel verblufte me. Toen kwam de uitleg: "Ik heb die driehonderd gulden absoluut nodig. Het gaat om moeder. Vader mag dat niet weten." Onwillekeurig moest ik denken aan een versje, dat ik in mijn jeugd in Antwerpen op Driekoningen gezongen had: "Mijn vader mag het niet weten, mijn moeder heeft het geld al op de rooster geteld."
"Wat heeft je moeder daarmee te maken?" "Moeder is ernstig ziek. Maar vader weet het niet, hij zou het niet kunnen dragen. Ze heeft geld voor een specialist nodig. We zijn niet in een ziekenfonds. Daarom heb ik er dit op bedacht."
"Het wordt hoe langer hoe mooier. Je verwacht toch niet van me, dat ik dat allemaal geloof!" Hij keek me wanhopig aan. "Vertel nu eens precies, wat je met het geld wou doen." "Het heeft geen zin. U gelooft me toch niet." Na enig heen en weer gepraat ging hij heen, de vraag onbeantwoord latend.

Ik had een onprettig gevoel, dat ik niet verklaren kon. Twee dagen later werd ik heel vroeg opgebeld. Het was Leo's vader. De man scheen een voorkeur te hebben voor ongelegen ogenblikken om iemand op te bellen. In het schemerbewustzijn van de ochtend vroeg ik me slaperig af, of dat ook nog een betekenis had, iemand vlak vóór het naar bed gaan of na het opstaan op te bellen.
"Leo is weg, mijnheer. Vannacht spoorloos verdwenen. Zijn bed was onbeslapen. Hij heeft driehonderd gulden uit het geldkistje van mijn vrouw meegenomen." De politie werd op de hoogte gesteld. Nog binnen de vijf uur wisten we, dat Leo 's middags een biljet had afgehaald voor de moonliner van Nice. Hij had voor de zekerheid ook nog een (zelfgeschreven) machtiging van zijn vader meegenomen. Het biljet was al een maand van te voren besteld. Het kostte niet veel moeite de vluchteling op te sporen. Twee stoere marechaussees brachten hem thuis.
Na dit schokkende evenement werd Leo aan mijn zorgen toevertrouwd. Mijn vrees, dat hij leed aan pseudologia fantastica, bleek gegrond. Pseudologia fantastica (leugenachtige fantasie) is een vorm van psychopathie, die soms ernstige consekwenties kan hebben. Flessentrekkers, kwakzalvers en demagogen behoren dikwijls tot deze categorie. In het ernstigste geval gelooft de fantasieleugenaar zijn eigen leugens.
Leo bleek gelukkig een zeer licht geval te zijn. Het was een hartelijke, spontane jongen met een grote zucht naar avonturen.

In de praktijk is me dikwijls opgevallen, dat dergelijke knapen [85] vaak bange, fantasieloze vaders hebben. Ook ditmaal was dit inderdaad zo. Een minutieuze analyse van Leo's verleden bracht veel aan het licht. Hij had altijd behoefte gehad aan een sterk vader-imago (ideaal vaderbeeld). Tegenover zijn vriendjes had hij opgeschept over de heldenfeiten van zijn vader. Dit is op zichzelf een heel gewone zaak. Alle kinderen doen dat. Maar als ze ouder worden, verandert hun kijk op de ouders. Een Duits versje zegt het zo aardig:

Als men 5 jaar is, zegt men: 'Vader weet alles.' Als men 10 jaar is, zegt men: 'Vader weet een heleboel.' Als men 15 jaar is, zegt men: 'Vader weet heus niet alles.' Als men 20 jaar is, zegt men: 'Vader weet niets.' Als men 30 jaar is, zegt men: 'Vader weet toch een heleboel.' Als men 40 jaar is, zegt men: 'Leefde vader nog maar, die wist alles.'

Leo was ergens op het 5-jarige stadium blijven staan. Zijn gevoelige aard kon niet verkroppen, dat zijn vader zo weinig aan zijn ideaal beantwoordde. En langzamerhand nam hij de rol van de fantasie-vader over. Hij beleefde avonturen, arresteerde schurken, ontdekte eilanden. Zo werd hij een bewoner van zijn eigen fantasie-wereld. De reis naar de Cote d'Azur was de klap op de vuurpijl. Maar daardoor kwam hij tevens weer in zijn realiteit terecht.
Zijn genezing verliep langzaam maar zeker. Hij maakte de H.B.S. af zonder haperingen. Zijn behoefte om een gewoon mens te zijn zegevierde tenslotte over zijn wilde fantasiën. Hij emigreerde naar Peru en is nu piloot op Europa. Hij kan nu letterlijk zijn fantasie de vrije vlucht geven.
Enige jaren later ontmoette ik hem op het vliegveld te... Nice. Truth is stranger than fiction. Is de werkelijkheid niet inderdaad vaak grilliger dan de fantasie, zelfs dan de fantasie van de lijder aan pseudologia fantastica?


Resumeren we het bovenstaande, dan komen we tot de conclusie dat deze jeugdige fantast een sterk gemis had, hij had a.h.w. honger naar een vader waarop hij trots kon zijn. Heeft men dit tekort eenmaal ontdekt, dan is het nodig om de juiste therapie te bedenken, wat soms zeer snel gaat, soms zeer langdurig kan zijn.
Een voorbeeld van een zeer snelle therapie is het geval van de horloge-dieven. Hier zou een niet-psychologisch geschoolde stellig [86] grote moeite met een diagnose gehad hebben. Dat deze diagnose inderdaad juist was, bleek me later nogmaals uit een veel gecompliceerder geval, dat eigenlijk thuishoort op het terrein der psychiatrie en waarbij ik slechts zijdelings betrokken was. Van grote betekenis in dit geval was het doorzien van de symboliek van het gedrag. Hier is de geschiedenis:

De horlogedieven. Vlak voor de tweede wereldoorlog kreeg ik bezoek van een forse man, die me een merkwaardige zaak kwam voorleggen. Hij was de leider van een groep kinderen met partiële defecten, in een tehuis aan de Veluwezoom. Nu waren er twee jongens - gezworen kameraden - die een voorbeeld voor de anderen waren. Ze hadden echter één ondeugd en wel een zeer kostbare: ze stalen links en rechts horloges en maakten ze dan stuk. Vriendelijke woorden en dreigingen hielpen niet tegen dit zonderlinge gedrag.
Nadat ik het verhaal had aangehoord, zei ik tegen mijn verbaasde bezoeker: "Vertelt u hun maar waar de kindertjes vandaan komen." "En dacht u heus... ?" "Ik ben er van overtuigd. Een horloge is een ding met leven erin, het is symbool voor het moederlichaam. De jongens willen alleen maar weten, hoe het er van binnen uitziet." Ik merkte, dat mijn verhaal niet in goede aarde viel. Blijkbaar twijfelde de bezoeker aan mijn verstand of dacht, dat ik hem in het ootje nam. Enigszins stug nam hij afscheid. Ik hoorde voorlopig niets meer van het geval. Maar drie maanden later werd ik opgebeld: "Ik wil u graag mijn excuses aanbieden voor mijn starre houding. Ik heb nog van alles geprobeerd, niets hielp. Toen heb ik ten einde raad maar gedaan wat u me voorstelde. Vanaf die dag hield het stelen op. Maar het gekke is, dat ik er nu veel positiever tegenover sta."
De laatste mededeling verdient onze speciale aandacht. Het blijkt, dat men aan symbolen moet wennen. Dit is ook duidelijk met moderne schilderkunst en muziek. Volgende generaties zullen er veel welwillender tegenover staan. Op het eerste gezicht lijkt het vreemd, dat twee jongens uurwerken sloopten uit nieuwsgierigheid naar het geboorteverhaal. Maar vergelijking van een groot aantal gevallen brengt ons tot dit inzicht. De sexualiteit is voor de mensheid altijd een groot probleem geweest, omdat nergens de natuur zich moeilijker door de geest haar plaats laat wijzen. Dit vraagstuk is dus van alle tijden en van alle volkeren. De mensheid weet, dat de geest hier het laatste woord moet hebben. Dit [37] leidt echter licht tot verdringing van de natuur, die langs een sluipweg toch tot haar recht tracht te komen: 'Chassez le nature, il revient au galop.'
De volgende generatie heft nu deze beperking op, maar schept dan vaak een verdringing van de geest. Zo is het sexuele probleem een vraagstuk, dat tot de grote historische problemen moet worden gerekend, evenals het religieuze, het sociale en het creatieve vraagstuk. Het is dan ook zeer begrijpelijk, dat sexualiteit vaak verdrongen wordt. Langs een omweg manifesteert ze zich dan echter toch. Men spreekt dan van verhulde sexualiteit. Allerlei symbolen blijken bij de gebruikers of waarnemers erotische stemmingen op te wekken.

In dit verband moet men ook aandacht schenken aan de vermomde vadersymbolen. Vaak aarzelt men een kind de rol van de vader in het geboorteproces te verhalen. De Australische Arunta's schrijven de geboorte toe aan de emoe (struisvogel). De gestorven voorouders incarneren namelijk volgens hen in de emoe, die als totemvogel voor het voortbestaan van de stam moet zorgen. Misschien ligt hier een algemene verklaring voor het totemisme. Deze 'struisvogel-politiek' wordt in ons land vaak bedreven met de ooievaar, zoals diens naam nog aanduidt: ode-baar is drager (baar) van geluk, schat (ood, vergelijk: kleinood). Psychologen verklaren deze folklore uit de fallische snavel van de ooievaar. In Egypte is het de langsnavelige ibis, die hier als kinderbrenger geldt. De snavel zou hier dus wederom symbolisch zijn.
Aardig is de opmerking van een kind tegen zijn vader: "Sinterklaas ben je zelf en de ooievaar zal je ook wel zelf zijn." Inderdaad is Sinterklaas in oorsprong ook een verhuld vadersymbool. Volgens Freud is het probleem van de Sfinx: 'Waar komen de kinderen vandaan?' De Zwitserse psychiater Heinrich Meng geeft ons een aardig voorbeeld van de omwegvraag bij kinderen naar deze oorsprong: "Waar wordt de lucht dunner?" "Wat is er om de hemel?" "Wat is een plensregen?" Dan plotseling: "Nee, laat ons het liever over de mens hebben." Het blijkt dus, dat bij tere en moeilijke onderwerpen een aanloopje nodig is. Men kan niet zo maar met de deur in huis vallen.
Op zichzelf hoeft dit nog niet op een verdringing te wijzen, maar het is duidelijk, dat bij een subtiel onderwerp ook gauwer verdringing optreedt. De psycholoog herkent aan symbolische daden, vormen en uitdrukkingen de ware intentie. Het zal de lezer misschien nu wat lichter vallen, in te zien, dat een ding dat leven maakt een sexueel symbool kan zijn. Behalve horloges, kunnen [88] bromtollen en spaarpotten ook als zodanig fungeren. In België was ik zijdelings getuige van een hoogst merkwaardig geval, dat ook in dit verband genoemd mag worden.
In een Waals dorpje werd een man gearresteerd, die samen met een veel oudere dame collecteerde voor liefdadige doeleinden. Hij opende echter de busjes op voorhand, nam de helft van het geld eruit en sloot ze weer af. Lange tijd ging het goed. Toen kreeg men een vermoeden van deze ongeoorloofde praktijken. Geld werd gemerkt. De euveldaad werd vastgesteld.
Een bevriend psychiater, die een rapport over de beschuldigde moest samenstellen, legde me het geval voor: "Wat denk je, dat deze man hiertoe gedreven heeft?" Ik vertelde hem eerst de geschiedenis van de horlogedieven. Toen vervolgde ik: "Deze collectebussen doen me denken aan de horloges. De verklaring moet echter een andere zijn bij een volwassen persoon. Er is trouwens nog een verschil: hij maakte ze vroegtijdig open en sloot ze weer af. Dit doet denken aan het verhinderen, voorkomen van een gewone geboorte. Maar wat kan daartoe de drijfveer geweest zijn? Hij deed dit samen met een oudere dame. Psychologisch mogen we aannemen, dat dit voor hem een moederfiguur was. De geboorte, die hij ongedaan wilde maken is daarom heimelijk zijn eigen geboorte. Maar wie wil zijn eigen geboorte ongedaan maken? Dat is nl. heel iets anders dan zich van het leven willen beroven. Alleen iemand die zich over zijn geboorte schaamt. Ik neem dus aan, dat je cliënt een onecht kind is en zich daarvoor schaamt."
Mijn vriend stak zijn hand uit: "Proficiat. Goed geredeneerd. Mijn cliënt is inderdaad een onecht kind. Dat hij dit onaangenaam vindt, blijkt uit het feit, dat hij reeds jarenlang zijn natuurlijke vader smeekt hem openlijk te erkennen."
Deze reconstructie heeft me een grotere voldoening geschonken dan menig geval, dat ik zelf behandeld heb. Want in iedere psycholoog schuilt iets van Sherlock Holmes, die alle vragen oploste door 'combineren en deduceren'.
Het is onmogelijk in een korte beschouwing iets meer dan een glimp van de pedotherapeutische methode te geven. Vele problemen vragen trouwens nog om een oplossing, zoals de controverse tussen Anna Freud en Melanie Klein over de houding van de therapeute: moet zij 'moederlijk' of 'gereserveerd' zijn? Daarmee zitten we echter al midden in de dieptepsychologie, die in het volgende hoofdstuk aan de orde komt. [89]

terug naar de Inhoud

VII De dieptepsycholoog

De mens is een burger van twee werelden. (Plato)

Uit de voorgaande hoofdstukken hebben we geleerd, dat de psychologie zich in hoofdzaak ontwikkeld heeft uit universitair laboratoriumonderzoek. Deze verbondenheid met het hoger onderwijs is kenmerkend voor deze wetenschap, in tegenstelling met wetenschappen zoals natuurkunde en biologie, die veel meer contact met het volle leven onderhielden. Dit had mede ten gevolge dat vele proeven gedaan werden met studenten, omdat men die nu eenmaal bij de hand had. Wat een professor eens de ironische opmerking ontlokte dat psychologie eigenlijk de wetenschap is van het gedrag van de gemiddelde eerste-jaars student in de psychologie. Het gevaar van zulk een geselecteerd publiek is natuurlijk, dat men een verkeerd inzicht krijgt in wat normaal en abnormaal is.
In het vorige hoofdstuk zagen we, dat er ontwikkelingsstoornissen kunnen optreden die de normale groei belemmeren. Het begrip normale groei blijkt echter niet los te maken van een bepaald cultuurpatroon. Als we bv. met Montessori constateren dat een normaal kind van vier jaar een gevoelige periode voor lezen en schrijven heeft, dan vragen we ons toch af wat dit in concreto betekent voor analfabetische volkeren, zoals de Papoea's. Omgekeerd als een Mundugumor 'zich beschaamd in zijn bovenarm voelt' dan weten we daar in onze beschaving ook niet goed raad mee. Dergelijke tegenstellingen hebben ertoe geleid, dat verschillende hedendaagse psychologen een algemene ontwikkelingspsychologie voor onmogelijk verklaard hebben, d.w.z. haar afhankelijk gesteld hebben van het vigerende cultuurpatroon. En daar dit beschavingsmodel het sterkst tot uitdrukking komt in de opvoeding, verklaarden zij de psychologie tot derivaat der pedagogiek.
Daartegenover staat de poging van verschillende cultuurpsychologen en sociologen die streven naar psychologische wetmatigheden, [90] die voor iedere cultuur gelden. Onder hen neemt Margaret Mead een ereplaats in.
Interessant is in dit opzicht het symposium over frustratie (Symposium of the effects of frustration. Eleventh annual Meeting, Eastern Psychological Association, April 5, 1940).
Aan de orde was de frustratie-agressie-hypothese van Yale. Deze luidt: 'Als een reeks handelingen, die zouden leiden tot een bevredigende eindtoestand, onderbroken wordt, zal het subject of een overeenkomstig doel trachten te bereiken of agressief gedrag vertonen.' Dit is een verschijnsel dat MacDougal reeds uitvoerig had onderzocht in de dierpsychologie. Het komt eenvoudig hierop neer: bij een hindernis volgt een dier een omweg of wordt woedend. Als de tram niet rijdt, nemen we een taxi en als er geen taxi is, worden we boos.
Margaret Mead voerde hiertegen aan, dat sommige volkeren zo weinig doelgericht zijn, dat ze een mislukking niet pijnlijk ervaren, maar dan weer in het oeverloze verglijden. Als voorbeeld noemde zij de Balinezen, maar het lijkt mij dat sommige Zuidamerikaanse Indianen nog meer typerend hiervoor zijn.
G. Bateson kwam nu met een synthese door in te lassen, dat het subject doelbewust moet zijn. Tevens verwierp hij agressie als noodzakelijk gevolg van een mislukking en zodoende kwam hij tot deze eindformulering: 'Als een individu hetrokken is op een bepaalde tijdsstructuur (d.i. zinvol gedrag), en zijn handelingenreeks wordt onderbroken, dan zal hij overgaan tot een nieuwe handelingsreeks, die een soortgelijke tijdsstructuur bezit.' Misschien vraagt de lezer zich hier af, wat de winst van een dergelijke formulering is. In de eerste plaats dit: dat hier een psychologische formulering gevonden is, die niet gebonden is aan een bepaald beschavingspatroon. Maar bovenal: dat hiermede de methode gegeven is om ook andere psychologische inzichten zodanig te vertalen in een algemeen idioom, dat een universele psychologie kan opgebouwd worden. Ook de fysiologische psychologie begon met zeer onaantrekkelijke formuleringen, maar het waren de eerste stappen in een geheel nieuwe wereld. Vol spanning wordt thans verwacht wat uit de samenwerking van psychologen, sociologen en cultuurkenners zal ontstaan. Het Symposium over frustratie zal misschien later beschouwd worden als de 'Constituante' (Grondwetgevende Vergadering) van deze psychologische revolutie.
In dit opzicht komt de grootste eer toe aan de dieptepsychologie, die ons in staat stelt ogenschijnlijk vreemd gedrag te begrijpen. [91] Als zodanig is er een duidelijke verwantschap met de fenomenologische psychologie. Het verschil ligt hoofdzakelijk daarin, dat de laatstgenoemde richting onmiddellijk het gedrag tracht te beschrijven, terwijl de dieptepsychologie dit middellijk doet, d.w.z. door inschakeling van de hypothese van het onbewuste.
De grote theoreticus van de dieptepsychologie was Sigmund Freud; onmiddellijk na hem moeten we Carl Gustav Jung en Alfred Adler noemen.
Freud geloofde steevast in de eenheid van het onbewuste en was dus overtuigd, dat het gedrag van primitieven, moderne mensen, kinderen en krankzinnigen, met dezelfde maat kon worden gemeten. Uit eigen ervaring moet ik zeggen, dat deze overtuiging een enorme steun bij de ontmoeting met andere cultuurvertegenwoordigers is, en ik zal dit toelichten aan een tweetal voorbeelden.
Het eerste geval, dat ik hier releveren wil, staat geboekstaafd in mijn rapporten als: De prins die zijn voorouders zocht
Willst den Dichter du verstehn, sollst ins Land des Dichters gehn. (Goethe)

Tot de kostbaarste trofeeën van mijn psychologische praktijk reken ik een prachtige gesneden hoofdmanstoel, die een Zoeloeprins mij geschonken heeft aan het einde van een reeks merkwaardige gesprekken.
De geschiedenis begon als volgt. Op een zonnige lente-ochtend kreeg ik bezoek van twee onberispelijke vreemdelingen, die mij dadelijk troffen door de waardigheid van hun houding. De oudste bleek de raadsman te zijn van een Zuidafrikaanse heerser, die in zijn gebied een zeer grote autonomie bezat. De jongste was de zoon van deze Zoeloe-koning. Onder toezicht van de grijze nestor maakte hij een reis door West-Europa en Noord-Amerika. Zijn vader hoopte, dat hij op deze wijze deel zou krijgen aan onze democratische traditie. Mij werd gevraagd een rapport op te stellen over zijn persoonlijke aanleg.
Spoedig kreeg ik de gelegenheid nader met de oude Zoeloe kennis te maken. Zijn wijsheid en diep inzicht in menselijke verhoudingen verbijsterden me. Hij bezat een korte zeggingswijze, die aan China deed denken, maar dichter bij de natuur stond. Als ik in de verte zijn fraai gesneden ebbenhouten gezicht zag, kwam er al een warm gevoel over me. Toen ik hem het moeizaam opgestelde rapport [92] over zijn vorstelijke pupil overhandigde - het was in het Engels gesteld - zei hij, nadat hij het rustig gelezen had: "That's right". Zelden heb ik het gevoel gehad mijn honorarium zo weinig verdiend te hebben als op dat ogenblik. Er bleek niets in mijn conclusies te staan, dat hij niet allang wist. En beter wist.
"Waarom hebt u dit rapport eigenlijk nodig, als u er toch helemaal zo over denkt? Het bevat blijkbaar niets nieuws voor u?" "That's right. Only to convince the old man."
'The old man' was koning Mgali Samhesi, de vader van de jonge prins. Naar ik later vernam was deze tien jaar jonger dan onze raadsman, die zelf al sneeuwwit haar had, maar zijn vorst uit reverentie 'the old man' noemde. Hij toonde me glimlachend nog twee andere rapporten van buitenlandse psychologen, waarbij mijn naam verbleekte.
Hij had deze rapporten die vrijwel eensluidend in hun advies waren met het mijne, blijkbaar alleen nodig om de vorst te overtuigen. Ik voelde me enigszins gevleid, dat hij zich ook tot mij gewend had, waar mijn naam hem toch nauwelijks bekend kon zijn. "That's right". En met een brede lach: "Wij Zoeloe's zeggen: Toets het woord der ouden aan dat der kinderen. Naast het woord van deze erkende psychologen, wou ik ook het woord van een onbekende psycholoog stellen." "Ik dank uw bezoek dus aan mijn onbekendheid?" "That's right".

Vele gesprekken met hem en de prins volgden en ik leerde veel van hen beiden. Het werden zeer goede vrienden van mij. Er was geen probleem of de oude Zoeloe gaf er een bondig en geestig antwoord op.
"Denkt u niet, dat China ook een belangrijke rol zal gaan spelen naast de V.S. en Rusland?" "Voorlopig is het alleen nog maar de kaas tussen de sandwich." Zo praatten we over en weer. Tot er een dag kwam, dat de oude man werkelijk mijn diensten inriep. Hij was licht opgewonden: "I'm in a great mess." - "Wat is er?" - "Prins Suhali is op zoek naar zijn voorouders. What shall I do?" Maandenlange omgang met hem had mijn opmerkingsgave gescherpt. Ik zag nu, dat hij heel diep geëmotioneerd was. "Wat bedoelt u met zijn voorouders zoeken?" "Wij zijn christenen. We hebben het oude geloof afgezworen. Maar soms gaat er nog wel eentje de bush in. Dat noemen we: zijn voorouders zoeken. De prins heeft een zeeman ontmoet, die hem heeft leren tatoueren. Nu is hij begonnen zijn borst te tatoueren. En als dit eenmaal begint. Wat een slag voor the old man." "U hebt natuurlijk met hem gesproken?" "That's right. Hij zei: I am sorry Sir, but it is beyond me" (maar ik kan er niets aan doen). [93] "De psychologie zal u toch wel leren, dat men zulke 'reactionnaire handelingen' (ik bewonderde zijn omschrijving van regressie) niet met woorden stuiten kan. Tenzij men de sleutel tot het hart vindt."
In een paar woorden had deze eenvoudige Zoeloe taak, probleem en methode der dieptepsychologie geschetst. Aan mij was het nu de sleutel tot het onderbewuste (dat de Zoeloe's 'het hart' noemen) te vinden. Ik voelde mijn verantwoordelijkheid als een centenaarslast. Ik had het vraagstuk van het tatoueren uitvoerig in theorie bestudeerd, maar nu stond ik er in een concreet geval tegenover. Ik wist zelfs een therapie, die er in Amerika tegen aangewend werd als het bij krankzinnigen optrad, maar voelde, dat deze hier niet baten zou. Het proces verliep te snel voor een genezing op de lange baan.
De prins zat in een auto die stoppen moest, maar kon de rem niet vinden. Ik moest hem die rem wijzen, voor het noodlottig werd. Ik heb later mensen gesproken, die me vroegen: "Waarom mocht die prins zich eigenlijk niet tatoueren?" En mijn antwoord daarop was steeds: "Omdat hij het zelf heel erg vond, maar niet laten kon. Omdat hij daardoor nooit koning kon worden. Omdat hij daardoor als afvallige zou gebrandmerkt worden." Doch de voorouders trokken. Wie de dichter wil verstaan, moet in het land van de dichter gaan. Ik moest nu 'the bush' in, trachten me in zijn mentaliteit in te leven.

Men vertelt van een beroemd psychiater, directeur van een kliniek in het voor-oorlogse Oostenrijk, dat hij op zijn kamer verrast werd door een uitgebroken patiënt, een krankzinnige slager, die hem dreigde te zullen slachten. De psychiater bleef rustig zitten, keek op de kalender en zei lakoniek: "Maar mijn waarde, het is morgen toch pas slachtdag." De aanvaller liet het mes vallen en droop geheel verbouwereerd af. Het grootse van het antwoord schuilt in de liefde voor de patiënt, die hier de hand toegestoken krijgt voor een eervolle terugtocht. De psychiater sprak de taal des slagers.
Rabbi Wolf heeft gezegd: "Een mens liefhebben is zijn leed bespeuren en weten wat hij nodig heeft." In mijn praktijk heb ik deze regel vaak met succes toegepast. Een zeer vrome jongen, die waande het perpetuum mobile te hebben uitgevonden en daarom zwijgend op een stoel bleef zitten, uit angst dat iemand hem zijn geheim zou ontfutselen, kreeg ik weer in beweging met de woorden: "Wat twee weten is geen geheim meer. Eén mag het maar weten. Nu weten God en jij het. Maar jij gaat er misschien over spreken in je slaap. Laat God het alleen weten, vergeet jij het ook. En als je het nodig hebt, vraag je het weer aan God.' [94] De logica is zoek meent u. Het was logisch voor deze jongeman. En het hielp, want drie uur later zat hij te werken bij een baas.

Zo pijnigde ik me om de rem te vinden voor prins Suhali. Ik sprak met hem en vroeg hem mij zijn neiging te verklaren. Hij zei: "Onze voorouders waren goden. De god van mijn stam is weer levend geworden. Hij is zeer machtig." Toen zag ik plotseling met een flits de oplossing. Ik zei: "Als zij goden waren, ben jij ook een god. Dan ben jij ook machtig. Bewijs dit door je macht over het tatoueren te tonen. Toon je een machtig koning met grote zelfbeheersing, zoals je goddelijke voorouders." En wederom zag ik de auto plotseling remmen. Het was op het nippertje. Prins Sahuli glimlachte: "Ik zal het niet meer doen." En hij hield er mee op, tot grote vreugde van zijn raadsman. Uit dankbaarheid gaf hij me de kostbare draagstoel. Maar het mooiste geschenk was toch, wat hij bij deze gelegenheid zei: "You are not only a man of many books, you have also read the book of my heart."

Het tweede verhaal zou chronologisch vooraf moeten komen, omdat het eigenlijk het eerste geval uit mijn praktijk was. Ik heb de geschiedenis opgetekend als het geval van: De geheimzinnige Chinees
Dertig spaken komen samen in de naaf.
Op de (leegte van de) naaf berust de bruikbaarheid van het wiel. (Lau tseu)

Er zijn weinig citaten, die zozeer misbruikt zijn, als de twee verzen van Rudyard Kipling: 'East is east and west is west, and never the twain shall meet.' Want Kipling, die zijn hele leven met Aziaten omging en die zich evenzeer thuis gevoelde in Madras als in Londen, heeft met dit beroemde gedicht precies het omgekeerde bedoeld als het nageslacht ervan gemaakt heeft. Kan het eigenlijk tragischer? Hij schreef het namelijk om te betogen, dat twee mensen elkaar altijd kunnen vinden, als ze over alle ras- en geloofsvooroordelen heen stappen. Met Oost en West bedoelde hij de gebieden, niet de volkeren. Zoals het gezegde luidt: 'Bergen ontmoeten elkaar niet, maar mensen wel', zo heeft Kipling beweerd: 'Die twee stukken grond zullen elkaar nooit ontmoeten, maar als twee mensen elkaar ontmoeten, dan vallen alle verschillen weg, al komen ze van de twee uiterste hoeken der aarde.'
Nu is dit een inzicht, dat in de praktijk heel wat meer moeite [95] oplevert, dan goedwillende idealisten zich zelf wijsmaken. Het is voor een psycholoog echter een eerste vereiste zichzelf niet te overschatten. Het klinkt zo stoer: "Och voor mij zijn alle mensen gelijk". En het is ook zo gemakkelijk van buiten af te schelden op negerhaters en bestrijders van 'het gele gevaar'. Maar jarenlange observatie heeft me geleerd, dat zo goed als niemand geheel vrij is van rassenvooroordelen. Dit blijkt vooral in de paniek als de instinctieve angst komt bovendrijven. Een Japanse moordenaar is veel enger dan een Amsterdamse moordenaar (let u maar eens op de sensatiefilms, en de kreten in de zaal: "O, daar heb je die engerd weer.") Een Japanse humanist levert geen gevaar op, die is 'salonfähig'. Maar een Japanse lustmoordenaar... Die ga je toch zeker niet analyseren of genezen. Die is alleen maar griezelig.
Wilt u daarom weten of u vrij van rassenvooroordeel bent, gaat u dan na of u evenveel begrip hebt voor een gekleurde misdadiger als voor een blanke euveldoener. In het verhaal, dat ik u vertellen ga, was er alleen maar sprake van blanke boosdoeners, de Chinese tegenspeler was een zeer nobel mens. Maar het is de waarheid, dat de blanken hem in staat van beschuldiging stelden. Waarom? Eigenlijk omdat hij anders was en zij hem niet begrepen. En zelfs na de ontknoping bleef hij zoals hij was, zonder ressentimenten of wraakgevoelens.

Het verhaal zit me hoog, omdat ik zelf één van die blanken was... Het was, zoals ik reeds gezegd heb, eigenlijk het eerste geval uit mijn praktijk. En het was weinig verheffend, dat de pseudo-patiënt na afloop het recht had te zeggen: 'Medicijn-man genees u zelve.' Hij zei echter iets anders. Maar dat komt straks wel.
De andere schuldige was zijn vrouw, die op een dag bij mij haar nood klaagde. Haar man die ik in dit verhaal Fau zal noemen en ik waren studievrienden. Hij leerde mij de grondbeginselen van het Chinees, ik corrigeerde zijn Nederlands (dat overigens meestal voortreffelijk was). Zij had hem getrouwd tegen de zin van haar ouders: "Kind, weet wat je doet. Twee rassen, dat gaat nooit goed." Ze waren jong en optimistisch. Zij was negentien en lachte alle bezwaren weg: "Als je van elkaar houdt..." Een jaar ging het uitstekend en zelfs haar ouders draaiden bij. Ze leerden andere gemengde combinaties kennen, waarvan sommige voortreffelijk gingen. Maar het bleek, dat ze allemaal na een poosje op de proef gesteld werden. Bij hen kwam de crisis in het vierde jaar van hun huwelijk. Op een dag viel ze bij mij binnen: "Ik geloof, dat het toch niet gaat tussen ons. Eerst ging alles prachtig. [96] Maar langzamerhand merkte ik, dat hij iets voor me verborg. Hij is echt een gesloten natuur. Ik ben er zeker van, dat hij brieven ontvangt, die hij me niet laat lezen." "Maar hoe kom je daarbij?" "Ik heb hem altijd helemaal vertrouwd. Maar op een morgen toen ik op zijn kamer dat kastje van hem afstofte, je weet wel, dat gekke geval van zijn betbetovergrootvader, ontdekte ik, dat alle laatjes waren afgesloten." "En zo werd de nieuwsgierige Eva uit haar paradijs gestoten." "Het was zo maar een opwelling. Ik mag toch wel eens in zijn boel kijken. Toen hij thuiskwam zei ik niets. Maar vanaf die dag merkte ik, dat hij vóór hij heenging, alle laatjes één voor één afsloot. Op de duur kon ik het niet meer uithouden. Ik vroeg hem ze open te maken. Hij glimlachte geheimzinnig. Maar hij weigerde het te doen. "Vandaag niet," zei hij. En nu ben ik bij jou om mijn hart uit te storten. Ik moet er toch met iemand over praten." "Vanavond na de Chinese les, zal ik er iets van zeggen." "Nee, zeg het hem maar meteen als je komt. Geen diplomatie meer." We zouden die avond met ons drieën onder leiding van Fau Lau-tseu lezen. Hij sloeg de Chinese tekst open bij het 11de hoofdstuk, vriendelijk en zachtmoedig als altijd, toen ik hem interrumpeerde: "Els heeft me gevraagd of ik je iets zeggen wilde over dat bureautje. Ze vindt, dat je er zo geheimzinnig mee omgaat." Fau's handen beefden. Maar verder bleef hij volkomen beheerst, toen hij me glimlachend vroeg: "Zo, echt een geheimzinnige Chinees, he?" "We willen je niet kwetsen. Maar Els krijgt het er op haar zenuwen van. En als je vriend..." Hij wuifde de woorden weg. "Dank je. Heel attent. We zullen het straks gedrieën gaan inspecteren. Isis unveiled. Maar laten we eerst samen Lau-tseu lezen."

Het hoofdstuk van die avond ging over de zin van het niet-zijn.
"Dertig spaken komen samen in een wiel, op de naaf (= holte) berust de bruikbaarheid van het wiel. De bruikbaarheid van een vat berust op zijn leegte." En Fau gaf ons de mooiste les, die hij ons ooit gegeven heeft: "Voor een westerling is de leegte niets. Maar wij oosterlingen weten, dat 'not to be' soms veel belangrijker is dan 'to be'. That's the question. Negen cijfers zijn er, op de nul berust de bruikbaarheid van het decimale stelsel. De moeilijkste noten zijn de rusttekens. Jullie westerlingen willen altijd zien en tasten. Zelfs God willen ze vastgrijpen, ongelovige Thomassen als jullie zijn. Het onzienlijke geeft de zin aan het zienlijke. Jij als psycholoog weet toch ook, dat denken mogelijk is door de overwinning van de voorstelling, door het onaanschouwelijke. [97] Toen ik pas uit Kanton hier kwam - ik was nauwelijks zes jaar - had ik een groot heimwee naar huis. Naar de feesten, naar de gedempte geluiden, naar de bonte kleuren, naar de stilte... Het leek zelfs of ik aan heimwee te gronde zou gaan. Maar toen begreep ik, zo jong als ik was, dat er iets heel verborgens is in je hart, dat onvervreemdbaar is. En ik kreeg rust.
Ons huwelijk is een mooi ding in mijn leven en ik dank er Els elke dag voor. Maar soms ben ik toch weemoedig als ik aan mijn jeugd terugdenk. Het geluid van een voddenkoopman herinnert me aan Kanton en kan me soms radeloos maken.
Dit oude ladenkastje van één van mijn voorouders werd mijn redding. Ik weet, dat het geen kunstvoorwerp van hoge waarde is, maar het gaat immers niet om de velgen, maar om de naaf. Dat heb ik toen heel sterk begrepen. In ons materialistische leven beseffen we meestal niet, dat het op de onzichtbare dingen aankomt. Lau-tseu drukt het uit op vele manieren: de vier muren vormen een huis, op de ruimte berust de bruikbaarheid van een huis. Vaten kneedt men uit klei; op hun holte berust de bruikbaarheid der vaten. Dat realiseerde ik, toen ik naar de lege laden van dat kastje staarde. In die laden sloot ik mijn herinneringen op, zorgvuldig, dat ze niet verloren zouden gaan, zoals uit de doos van Pandora. En mag ik jullie nu uitnodigen een blik op de inhoud van mijn dromen te werpen?"
We waren helemaal stil geworden. Fau was niet langer de geheimzinnige oosterling, maar een mensenkind, dat hunkerde naar begrip voor een groot verlies uit zijn jeugd. We volgden hem schroomvallig. En we zagen met piëteit hoe hij één voor één alle laden opensloot. Maar we wisten reeds bij voorbaat wat we zien zouden. Alle laden waren leeg. Maar voor Fau waren ze gevuld met het mysterie van een eeuwenoud verleden. We stonden er beiden beschaamd bij te kijken. Toen zei Fau met zijn allesvergevende stem: "Wat zijn jullie Hollanders toch eigenlijk rare Chinezen..." Els had tranen in de ogen. Er was een barrière uit haar leven verdwenen. Want er is oost noch west, als twee mensen tegenover elkaar staan. Hun huwelijk werd vanaf die dag weer een voorbeeld voor ieder. En in onze vriendenkring is het een gevleugeld woord geworden om van een gelukkig paar te zeggen: 'Die twee zijn getrouwd als Els en Fau.'

In beide gevallen zou het niet veel moeite kosten een psycho-analytische verklaring van het gedrag te geven. Zonder kennis van de dieptepsychologie zou ik bepaald niet het juiste antwoord op de [93] onbewuste vraag van de op hol geslagen prins gevonden hebben. Hoe komen we echter aan dit merkwaardige begrip: het onbewuste? De term is, - zoals we verderop zullen zien - zeer oud, maar het is thans zaak Freud te plaatsen in de historische ontwikkeling der psychologie.

Om dit te verstaan moeten we eerst duidelijk maken, dat alle latere psychologische richtingen eigenlijk vanuit een bepaalde problematiek tegen de 19de eeuwse zielkunde stelling nemen. De fysiologische associatie psychologie van Weber, Fechner en Ebbinghaus wordt daarom achteraf met verschillende benamingen aangeduid. Vanuit de Gestaltpsychologie gezien is het elementenpsychologie, vanuit de fenomenologische ('verstehende') zielkunde is het de causaal verklarende psychologie, vanuit de dieptepsychologie is het de oppervlaktepsychologie.
Tussen Fechner en Freud staat nu in de historische ontwikkeling Wilhelm Wundt, de vader der apperceptie-psychologie; tegenover deze richting is de 19de eeuwse zielkunde perceptie-psychologie.
We kunnen dit aldus in een overzicht brengen:

Vergelijking van twee eeuwen
De 19de eeuwse psychologie
Associatie-psychologie
De 20e eeuwse psychologie
Totaliteits-psychologie
elementen psychologie
verklarende psychologie
perceptie psychologie
oppervlakte psychologie
Gestaltpsychologie
verstehende psychologie
apperceptie psychologie
diepte psychologie

Men denke er hierbij aan dat alle namen in de eerste rij voor dezelfde richting gebruikt worden, in de tweede rij voor verschillende richtingen. Een andere voorstelling is een stamboom, waarbij de voornaamste takken der psychologie worden getoond. De stam is de theoretische (of beschrijvende) psychologie, de takken zijn de toegepaste en praktische psychologie.


Er zijn dus drie ontwikkelingen vanuit de 19de eeuwse zielkunde: de beschrijvende, die een steeds hoger niveau bereikt, de diepterichting en de toegepaste psychologie. Hier gaat het erom het begrip diepte te verduidelijken. Weber, Fechner e.a. hadden allernaal de zintuigelijke waarneming, de perceptie, onderzocht.
Reeds Descartes had echter betoogd, dat de mens waarlijk mens is door de apperceptie. Ik ben niet mens, doordat ik een stoel waarneem (perceptie), maar omdat ik wéét, dat ik een stoel waarneem (apperceptie). [99] In elk geval meen ik dat ik hem waarnam. Aan die mening valt niet te twijfelen Hier ligt het uitgangspunt der Cartesiaanse filosofie. In het dagelijkse leven zegt men: "Ik ben me bewust, dat ik een stoel waarneem." Nu kan ik niet tegelijkertijd een stoel waarnemen en me ervan bewust zijn. De filosoof Herbart noemde dit: de engte van het bewustzijn. Bewustzijn van de buitenwereld en zelfbewustzijn sluiten elkaar uit.

Wundt was de eerste psycholoog, die het probleem van het Zelf kritisch gesteld heeft. Hij toonde aan, dat de perceptie gericht werd vanuit het Zelf, m.a.w. dat de menselijke geest een scheppende synthese uit de verschillende waarnemingen tot stand bracht.
Later zullen Bergson en Scheler wijzen op de selecterende functie van de geest. Als ik uit het raam naar buiten kijk, neem ik duizenden dingen waar. Toch heb ik innerlijk niet een gevoel van onrust, het beeld blijft hoofdzakelijk 'constant'.

'Constant' zeggen we gealarmeerd Die term zijn we al eerder tegengekomen. Vorm-, kleur-, grootte-constante zijn uitdrukkingen uit de associatie(d.w.z. oppervlakte) psychologie. Maar hoe kan dat dan? Geduld is vooral in de wetenschap een zeer schone zaak. [100] Mag ik weer even terug naar de wet van Weber-Fechner? Want daaruit volgden die constanten.
Mijn zintuigen merken een toename van de prikkel pas, als die met een relatieve maat versterkt wordt. Maar dan volgt daaruit reeds, dat een zintuig geen machine, maar een orgaan is. Een weegschaal heeft een absolute nauwkeurigheidsgraad. Als ik een uitwijking krijg bij de overgang van 100 naar 103 gram, dan krijg ik die ook tussen 200 en 203 gram. Onze huid merkt het verschil in het laatste geval pas op, als het 6 gram is. Maar dan is onze huid geen weegschaal. Nu pas begrijpen we, waarom Fechner niet het fysisch monisme, maar het psychisch monisme introduceerde. De wet van Weber-Fechner is een psychische wetmatigheid, die het individu beschermt tegen al te schokkende ervaringen.

Maar wat is dan die psyche, die deze bescherming verschaft? Voor Wundt was het een synthetisch, samenbundelend vermogen. Er meer van te weten komen was volgens hem onmogelijk. Daarbij grondde hij zich op het feit, dat zelf-apperceptie onmogelijk is. Daarbij trad hij in de voetsporen van Comte, die introspectie (waarneming van het innerlijk) voor onmogelijk verklaarde. De mens neemt dus of de buitenwereld waar, of hij weet dat hij dit doet. Maar kennis van het innerlijk (Inwelt) zelf is niet mogelijk.
Wundt erkende dus wel de mogelijkheid van apperceptie, maar niet die van introspectie. Zijn leerlingen hebben zich vooral verdienstelijk gemaakt op het terrein der denk- en wilspsychologie.
Van hen is Oswald Külpe, hoogleraar te Würzberg, de grootste vernieuwer.
Volgens Wundt was het onmogelijk het denken zelf te onderzoeken, daar we niet in ons zelf kunnen keren. De denkpsychologen ontkennen dit niet, maar menen, dat daarmede de zaak niet is afgedaan. Ik kan nl. indirect over het denkproces toch nog een heleboel zeggen, d.w.z. in verband met de omringende verschijnselen. Al kan ik niet nagaan hóe een denkproces verloopt, kan ik toch wel constateren of het plaatsvindt. Ik kan een tabel van problemen maken, gerangschikt naar hun moeilijkheden. Indirect vertelt me dat ook wat over het denken. De denkpsychologie (Selz, Sassenfeld) leggen de nadruk op de onaanschouwelijkheid van het denken. Dat is dus een negatief begrip, het wil uitdrukken dat het denken stil en geruisloos verloopt. Ik had zelf nog het voorrecht Selz als hoogleraar in ons land mee te maken. Om ons deze 'Unanschaulichkeit' te doen ervaren, gaf hij ons de volgende opgave: "Ik noem twee spreekwoorden en dan moet u nagaan of ze in hoofdzaak hetzelfde of het tegengestelde uitdrukken." [101] En dan noemde hij bijvoorbeeld de volgende spreekwoorden: 'Soort zoekt soort' en 'Gelijke polen stoten elkaar af'. Het bleek, dat sommigen zich hier iets bij voorstelden, maar de meerderheid zag meteen (d.w.z. zonder voorstellingsinhoud) in, dat hier een tegenstelling in de concepties school.
Met de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw zijn we dus zo ver, dat het bestaan van een niet rechtstreeks kenbaar innerlijk wordt erkend. Het is de dieptepsychologie die nu een stap verder gaat en dit innerlijk gaat exploiteren op grond van zijn uitingen. Men zou dit kunnen vergelijken met het binnenste van de aarde. Niemand is ooit tot die diepte afgedaald, maar we kennen de dynamiek ervan door de lava, die eruit komt. Doch de geleerden zijn het niet eens of het ingewand van onze planeet vloeibaar of gasvormig is. Het zijn allemaal speculaties. Zo tracht de dieptepsychologie uit de erupties aan de oppervlakte iets van het diepste leven van de ziel te weten te komen. Het blijft echter volledig hypothetisch, want - en weer klinkt de vermaning van Heraklitus in onze oren - de grenzen van de ziel kunt gij niet kennen, zo diep is haar grond.

De constructie van wat achter de drempel van het bewustzijn ligt, is geen ontdekking, maar veeleer een geniale uitvinding. Men hoort soms beweren dat Freud het onbewuste heeft ontdekt, maar dat is eenvoudig een vergissing. (Zelfs de term heeft hij niet ontdekt). Het onbewuste is nooit ontdekt, omdat het een hypothese is, die men kan aannemen of verwerpen.
De meeste fenomenologische psychologen bv. voelen er niets voor, zij trachten alleen maar te beschrijven. Sartre staat in dit opzicht nog geheel naast Comte en Wundt: de mens kan zichzelf niet kennen ("Wij staan maar op het balkon, met de rug naar het huis en kunnen wel op straat zien, maar niet in de kamer").
Voor de praktische psychologie blijkt de hypothese van het onbewuste evenwel van grote waarde. Maar aan de andere kant kan ieder zich deze niet-rechtstreeks-waarneembare wereld denken zoals hem het beste voorkomt (In de moderne logica noemt men begrippen als 'onbewuste' uitsluitingsnegaties: ieder kan ze een eigen vulling geven). Vandaar de vele van elkaar verschillende dieptepsychologieën, die steeds een andere kant van het gedrag verklaren. De beste is natuurlijk - zoals geldt voor iedere hypothese - die het meeste verklaart.
Freud kwam tot zijn theorie door de studie van de hysterie, maar als methodologisch uitgangspunt koos hij zelf altijd de Fehlleistung (vergissing, verspreking, verlegging etc.). We kennen allemaal [102] dergelijke gevallen uit het dagelijkse leven, waarbij men het slachtoffer soms spottend 'Freud' toeroept.
Een kostelijk voorbeeld is het verhaal van de moeder, die een heer met een vreselijk lange neus op bezoek krijgt en haar enfant terrible op het hart drukt het woord neus niet uit te spreken. Iedere keer als het kind iets zeggen wil, wordt het haastig de mond gesnoerd. Tenslotte ligt het veilig in bed en de verlicht ademhalende moeder vraagt aan de verbouwereerde gast: "Gebruikt u ook suiker in uw neus?" Het bleek Freud al spoedig, dat veel Fehlleistungen met sexualiteit samenhingen, daar deze in onze cultuur met veel taboe's omringd is. Zo bouwde hij stap voor stap verder aan zijn theorie.
In plaats van het 'onbewuste' komt men in de Nederlandse en Angelsaksische literatuur ook vaak de term 'onderbewuste' tegen. De term 'onderbewuste' is zelfs een sleutelwoord van onze tijd.
Zoals zo vaak het geval is hier het woord nieuw, maar het begrip zeer oud. Vroeger sprak men bij voorkeur van 'onbewust', de term, die in het Duits nog de gangbare is. Een soortgelijke aanduiding treffen we reeds bij de Chinezen, Hindoes, Grieken en Turken aan. Later komen we hem tegen bij de filosofen Eduard von Hartmann en Herbart. Het is echter Freud, die 'onbewust' opnieuw geijkt heeft en zijn huidige betekenis geschonken heeft.

Zoals we gezien hebben onthulde Freud, dat achter het bewuste gedrag van de mens een andere wereld lag, waarin dit gedrag zijn oorsprong vond. Daarom noemde hij zijn leer 'diepte-psychologie', in tegenstelling tot de 19de eeuwse 'oppervlaktepsychologie', die het menselijke gedrag uit prikkels van de buitenwereld afleidde. Freud toonde aan dat de prikkels van buitenaf slechts een stimulans gaven aan de krachten, die in het onderbewuste van de ziel zetelen. Hij ging daarmee vele stappen verder dan zijn voorgangers. Daar staat echter tegenover, dat hij zelf nog in vele opzichten aan het negentiende-eeuwse denken vastzat. Zijn hele opleiding stond in het teken der natuurwetenschappen. Als jong student had hij met geestdrift de theorieën van Darwin en Spencer bestudeerd. In het algemeen kan men zeggen, dat de 19de-eeuwse wetenschap de geest als het hoogste product van de natuur zag.
De mens zag men als een met rede begiftigd dier.
Nu moet men dit goed begrijpen: denkers als Feuerbach, Marx en Haeckel wisten wel degelijk dat de mens een heel apart soort dier was, maar zij geloofden dat de geest toch altijd een plaats in de natuur had. Buiten de natuur was er niets, de mens was de [103] kroon van de natuur. In deze gedachtenwereld beweegt zich ook Freud. Hij erkent de bijzondere betekenis van de rede, maar wil deze toch niet geheel los zien van het instinct. Hij meent, dat alle menselijke gedrag (ook het meest redelijke) in wezen instinctief is.
Deze instincten zijn wij ons niet bewust, zij werken in de duisternis van het on(der)bewuste. Deze opvatting verklaart inderdaad heel veel. De 18de eeuw had de natuur vaak onderschat. Met de romantiek kwam hierin een kentering. Maar nu ging men de natuur overschatten. Dit élan voor de herontdekte natuur heeft echter een enorme stimulans gegeven aan de natuurwetenschappen en daardoor aan de technische ontwikkeling van de wereld.

Het is buitengewoon nuttig te begrijpen, dat een mens door sterke instincten wordt gedreven. Voor de openhartige uiteenzetting van dit inzicht kunnen wij Freud niet dankbaar genoeg zijn. We durven nu weer zonder valse schaamte spreken over sexualiteit en begeerte. Dat was langzamerhand een soort taboe geworden of zoals Freud zegt: een verdringing. De vraag is echter: "Waarom verdringt de mens altijd de natuur?" Want wij weten dat dit overal en altijd weer gebeurt. De middeleeuwer waarschuwde reeds: 'Natuur trekt sterker dan tachtig ossen.' Vanzelfsprekend heeft Freud ook hiervoor een verklaring trachten te geven. En het is juist op dit punt, dat zijn theorie het meest aangevallen is. Het is volstrekt onjuist, dat Freud's theorie zou weerlegd zijn. Juist is alleen dat vele psychologen en filosofen menen, dat er zwakke plekken in het bouwwerk van Freud zijn aan te wijzen. En dat hangt altijd samen met het begrip 'geest'.
Eén van de bekwaamste opponenten van Freud, William Stern (zelf een geniaal psycholoog) heeft alle bezwaren tegen Freud samengevat in één zin: 'Freud's voorgangers hebben de natuur verdrongen, Freud zelf verdringt de geest.' Wat betekent dit eigenlijk? Volgens Freud is de natuur een sublimering van onze instincten. De samenleving gedoogt nl. niet, dat ieder zomaar zijn instincten uitleeft en aan de andere kant zijn de mensen juist voor het uitleven van hun behoeften op elkaar aangewezen. Er ontstaat dus een soort compromis tussen 'doen en laten'. Schopenhauer heeft het spottend zo geformuleerd: 'De mensengemeenschap is als een kolonie egels, die zo dicht op elkaar zitten, dat ze kunnen genieten van elkaars warmte, maar zover van elkaar blijven, dat ze zo weinig mogelijk last hebben van elkaars stekels.' [104]

Ook Freud gelooft in een soort compromis tussen lust en last. De moraal ziet hij als een eis van de samenleving om bij het uitleven van onze instincten rekening te houden met een ander. Vergeten we dit, dan zullen de stekels van onze buurman ons wel 'mores' (zeden, moraal: zedelijkheid) leren.
Zo schrijft Freud ergens van de kunst: "De kunst is aldus beschouwd een zoet verdovingsmiddel, een tijdelijke vlucht uit de tegenspoeden des levens." Geheel parallel hiermee loopt de beroemde uitspraak die we bij diverse negentiende eeuwse filosofen (o.a. Karl Marx) aantreffen: 'Godsdienst is opium voor het volk.' Het is begrijpelijk dat vele cultuurminnaars en theologen dergelijke verklaringen volstrekt onaanvaardbaar achten. Daarmee is echter de theorie van Freud nog niet weerlegd. Want het behoort juist tot de list van de sublimering, dat zij de mens doet geloven in de echtheid van haar illusie. Als godsdienst werkelijk opium is, dan zal de gelovige net zo denken als de opiumschuiver, die al zijn visioenen als echt beleeft.
Nu doet zich echter een merkwaardige zaak voor. Diverse leerlingen en aanhangers van Freud zelf trekken bepaalde uitspraken van de grote leermeester in twijfel. Zo schrijft één van hen: "Je kunt echt geloof en echte liefde nooit weg-analyseren." Omgekeerd zien we cultuuronderzoekers en godsdienstgeleerden, die Freud erkentelijk zijn. Zij redeneren aldus: "Als er geen echt goud bestond, zou er ook geen klatergoud bestaan. Als Freud ons aantoont, dat vele mensen geen levend geloof hebben, dan wijst dit juist op het feit dat er ook echt geloof bestaat. Geen surrogaat zonder een echt product, dat wordt nagemaakt." Men vindt in Freud's methode (de psycho-analyse) juist een middel om vals en echt van elkaar te scheiden. Deze problematiek leidde bv. tot een correspondentie tussen Freud en de grote Franse schrijver Romain Rolland. In deze briefwisseling bekent Freud dat hij eigenlijk over religie niet oordelen kan, daar hij het 'ozeanische Lebensgefühl' van de gelovige mist. Later schrijft hij: "De lezer behoeft niet bevreesd te zijn, dat de psychoanalyse... zal geneigd zijn iets zo ingewikkelds als religie uit één enkele bron te verklaren.' Het zijn vaak de leerlingen van Freud die hier minder soepel waren dan de meester.
Het feit blijft echter, dat voor Freud alle cultuur (dus alle geestelijke prestaties) hun diepste oorsprong in het onderbewuste driftleven vinden. Hij was overtuigd dat in het onderbewustzijn slechts duistere en blinde krachten heersten. Het is de grootste verdienste van Freud's leerling en vroegere medewerker C. G. Jung, dat hij wonderbare entiteiten op de bodem der ziel ontdekte. [105]

Volgens Jung is het rijk van het on(der)bewuste niet een duistere wereld met blinde instincten, maar een rijk geschakeerde tovertuin met wonderlijke planten en bloemen. Het is belangwekkend dat ook hier Plato belangrijke opvattingen gehad heeft. Plato is de schepper van de ideeën-leer. Sindsdien is het woord 'idee' gemeengoed geworden. Maar bij Plato zijn de ideeën nog oer-voorstellingen (een soort 'paradijsherinneringen'), die de mens op de bodem van de ziel meedraagt. Als wij bv. een hond noemen, dan komt dat omdat wij in onze herinnering de oerhond (Plato zegt: de 'idee' van de hond) meedragen.
Kunstenaars, wijzen en profeten hebben een sterkere paradijsherinnering dan andere mensen. Jung spreekt niet van paradijsherinneringen, maar van het collectieve onderbewuste. De ideeën noemt hij: arche-typen (oer-beelden). Hij gelooft dat alle mensen heel diep in hun ziel met elkaar verbonden zijn, dus een gerneenschappelijk onderbewuste hebben, dat nog dieper ligt dan het persoonlijke onderbewuste. Daarin worden nu alle herinneringen van de hele mensheid bewaard. Zo kan het gebeuren dat een kind een tekening maakt, die we duizend jaar geleden ook in China of Afrika tegenkomen. De kleuterverhaaltjes die wij in een volgend hoofdstuk zullen weergeven, kunnen inderdaad makkelijk zo worden uitgelegd. Zij behandelen veelal dezelfde motieven als oude mythen en sprookjes. Volgens Jung heeft de kleuter nu geput uit zijn collectieve onbewuste oftewel uit de geestelijke voorraadsehuur van eigen volk of de gehele mensheid.
Natuurlijk is dit maar een verklaring, een theorie. Deze theorie helpt ons echter met het begrijpen van de kunst, droom, uitingen van krankzinnigen en van prirnitieve volkeren. Het is dus een vruchtbare hypothese. Als zodanig dient ze gehanteerd te worden.
De mens blijkt 'van nature' een geestelijk wezen te zijn. In zijn onderbewuste leven geestelijke voorstellingen, symbolen van de geestelijke werkelijkheid. In de cultuur en in de religie tracht hij deze symbolen tot een werkelijkheid buiten hem te rnaken, tot een historische realiteit. Want de mens heeft de taak de wereld om hem heen zo te hervormen, dat ze voor ons allen bewoonbaar is: hij moet trachten het paradijs op aarde te vestigen. In zijn onderbewuste draagt hij a.h.w. het bouwplan mee voor die betere wereld, waarnaar hij gestadig op weg is.
Wij hebben getracht hiermee het geestelijke klimaat van de dieptepsychologie weer te geven. In de volgende hoofdstukken zullen we de theorieën nader uitwerken, in praktijk brengen en toepassen. [106]

terug naar de Inhoud

VIII De psychiater

De gezonde mens staat niet midden in tussen de pest- en de choleralijder. (Denis de Rougemont)

We eindigden het vorige hoofdstuk met de werkwoorden uitwerken, in praktijk brengen en toepassen. Dit zijn de drie richtingen van alle wetenschappelijk onderzoek: theorie, praktijk en toepassing. Vroeger schoor men praktijk en toepassing meestal over één kam, omdat men uitging van de theoretische wetenschap als 'zuivere' wetenschap. Deze in wezen idealistische opvatting (van Griekse huize) verliest gelukkig steeds meer aanhangers.
Dank zij de Gestaltpsychologie begrijpen we thans beter, dat theorie en praktijk elkaar wederzijds moeten bevruchten en het heeft geen zin aan één van beiden de voorkeur te geven of het primaat toe te kennen. Tussen praktijk en toepassing bestaat echter een groot verschil. Zowel bij theorie als praktijk is de wetenschap zelf centraal, terwijl ze bij de toepassing een dienende taak heeft.
Het is alleszins nuttig deze drie richtingen in het psychologische denken goed te onderkennen. De associatie-psycholoog bv. is de typische theoreticus, die zijn conclusies opbouwt als een wiskundige. Hij kan bladzijden vullen zonder concreet aan een bepaald persoon te denken, omdat hij alleen bezig is met de uitwerking van een denk-resultaat.
Nog minder persoonlijk gericht is bv. het werk van de reclamepsycholoog, die een typische vertegenwoordiger is van de toegepaste psychologie. De reclamepsycholoog hanteert de zielkunde louter als een techniek. Zijn arbeid vormt een schakel in het zakenleven, de psychologie is voor hem een middel en geen doel.

De praktische psycholoog heeft met beiden iets gemeen. Ook hij gebruikt de wetenschap als middel, maar zijn contact met de opbouw van die wetenschap is veel intiemer dan dit het geval is bij de beoefenaar der toegepaste psychologie. Een goed voorbeeld van een praktische psycholoog is de psychiater. Diens eerste doel [107] is zieke mensen gezond te maken, abnormale te genezen. Maar daarvoor moet hij zich voortdurend bezinnen op de resultaten der theoretische psychologie, die hij zelf mede door zijn praktische resultaten de nodige verdieping en realiteitszin helpt verlenen.
De psychiater stelt zich dus tot taak abnormalen normaal te maken. Voor de theoretische psychologie doemt nu onmiddellijk de vraag op, waar het verschil tussen beide begrippen ligt. Voor det praktische psychologie is deze vraag secundair. In eerste instantie is hier beslissend, dat de patiënt zelf het gevoel heeft van abnormaal te zijn.
Reeds voorwetenschappelijk (d.w.z. in het dagelijkse leven) onderscheidt men namelijk bij het menselijk gedrag tussen normaal en abnormaal. In deze termen ligt besloten, dat menselijk gedrag aan bepaalde normen onderhevig is, die in de menselijke omgang gehanteerd worden. Men hoort vaak verkondigen, dat normaal een gemiddelde is. Maar dat is slechts een halve waarheid. In de meeste gevallen is het normale gedrag ook het gemiddelde gedrag, doch dit geldt slechts zolang als de samenleving normaal is. Er zijn gevallen bekend, waarin de hele gemeenschap zich abnormaal gedraagt. Het gemiddelde is dan evenzeer abnormaal.
We komen met dit probleem geen stap verder als we niet bereid zijn te erkennen, dat de mens over een bepaald vermogen beschikt om normaal gedrag te onderscheiden. Dit vermogen ontwikkelt zich in een gegeven milieu en in een gegeven tijd, zodat de normen van situatie tot situatie verschillen. Dat neemt niet weg, dat steeds weer bepaalde aspecten van het gedrag als normaal gelegitimeerd worden en andere het predicaat 'abnormaal' verkrijgen.

Dit probleem wordt in sterke mate vertroebeld door het feit, dat onder bepaalde omstandigheden gedragingen getolereerd worden, die men in andere omstandigheden als abnormaal beschouwt. Zo verklaart men in oorlogstijd, dat het geoorloofd is andere mensen te doden, zonder dat hiervoor een direct persoonlijk motief bestaat. Nu kan men natuurlijk beweren, dat het heel normaal is, om onder deze omstandigheden een medemens uit de weg te ruimen. Psychologisch staat echter vast dat zich bij de soldaat onherroepelijk verschijnselen voordoen, die behoren tot de sfeer van het abnormale gedrag. Ja, wij moeten zelfs duidelijk stellen, dat naar mate men normaler is, men het doden op bevel als abnormaler zal beleven.
Koppensnellers hebben meestal een viertal maanden nodig om [108] van het trauma van hun daad te bekomen. Kannibalen worden na hun eerste rituele maaltijd (die zij zelf een vreselijke gebeurtenis noemen) een jaar lang verpleegd. Psychologisch is het daarom onjuist om te verklaren, dat koppensnellen en kannibalisme voor deze volkeren tot het normaal gedrag gerekend moeten worden.
Dat er een verschil bestaat tussen de soldaat op het slagveld en de moordenaar, hangt voornamelijk samen met het feit, dat de eerste voor zijn abnormaal gedrag door de gemeenschap verheerlijkt wordt, de tweede wordt uitgestoten. Bovendien geeft het collectieve optreden van het leger aan de soldaat de illusie, dat zijn eigen habitus normaal is, vermits hij in overeenstemming is met het gemiddelde van een grote gemeenschap. De propaganda laat dan ook geen middel onbeproefd om deze pseudo-rechtvaardiging uit te buiten en in leven te houden. Bekend is de leuze van het Duitse leger: 'Die toten Kameraden marschieren mit'.
Hiermee wil geenszins gezegd zijn, dat abnormaal gedrag onder alle omstandigheden zedelijk te veroordelen is. Wie hard loopt om de tram te halen, moet zich een abnormale inspanning getroosten. Daartegen bestaat als zodanig geen enkel bezwaar. Wetenschappelijk wordt het pas bedenkelijk als men volhoudt, dat hijgen een normale vorm van ademhalen is. Zo is het denkbaar dat de mens uit zedelijke overtuiging een medemens doodt (bv. om een groter kwaad te voorkomen), doch het is onwetenschappelijk om deze daad normaal te noemen. Wij moeten dan constateren, dat er situaties in het leven zijn, waarin van de mens abnormaal gedrag geëist wordt.
Psychologisch is het van grote betekenis, dat de habitus van de mens niet wezenlijk verandert door zijn culturele situatie. Abnormaal handelen heeft altijd een weerslag op de mens, ook als deze zijn gedrag voor zijn eigen geweten kan rechtvaardigen. De koppensneller, die op magische gronden zijn vijand doodt, zal zijn best doen om zelf niet gedood te worden. De kannibaal, die aanzit bij een offermaal, zal trachten zelf buiten de handen van zijn vijanden te blijven.
Een oude commentaar op de tien geboden wijst op het feit, dat de sociale geboden geen nadere toelichting hebben, zoals de religieuze. De evidentie dat men niet mag moorden, stelen en bedriegen, volgt uit het feit dat niemand graag zelf vermoord, bestolen of bedrogen wordt. Daarom staat er zonder meer: Gij zult niet moorden, etc. We kunnen gevoegelijk aannemen, dat de weerzin om aldus behandeld te worden, een universele emotie is. Daaruit volgt, [109] dat iedere mens aanvoelt, dat hij het leven forceert wanneer hij zijn medemens anders behandelt dan hij zelf wenst behandeld te worden. Vandaar ook dat wijzen en heiligen van alle volkeren gewezen hebben op de zin der wederkerigheid: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

Willen wij komen tot een helder inzicht in het onderscheid tussen normaal en abnormaal gedrag, dan dienen wij uit te gaan van de alledaagse levenssituatie. En het blijkt dan dat in dit opzicht de opvattingen bij alle volkeren gelijk zijn. Het zijn de cultuurnormen die de gewone sociale normen verdringen, doch deze verdringing geschiedt nimmer, zonder dat men schade lijdt aan zijn ziel. Het is dan ook opvallend hoe makkelijk een jonge generatie vaak kan afstappen van eeuwenoude cultuurgebruiken, die zij als onmenselijk beschouwt. Waar deze overgang met grote moeilijkheden gepaard gaat (bv. het afschaffen van de Mensur in Duitsland) zijn het steeds de 'diehards', die de gezonde ontwikkeling tegengaan.
Zonder een intuïtie voor het normale heeft het weinig zin psychopathologie en psychiatrie te bedrijven. De man van wetenschap mag zich niet laten afschrikken door wat men in bepaalde omstandigheden als normaal wenst te beschouwen. Hij kan slechts de gestoorde en lijdende medemens begrijpen als hij de moed heeft af te wijken van de communis opinio en de patiënt weet te confronteren met datgene, wat naar diens eigen diepste overtuiging als normaal menselijk gedrag moet gelden. De ervaring leert, dat reeds in deze confrontatie een bevrijding besloten ligt. En in de psychiatrie is de bevrijding de helft van de genezing.

Men kan inderdaad lang en breed delibereren over de vraag wat nu feitelijk normaal is, en juist uit de mond van psychiaters hoort men nogal eens ironisch verkondigen, dat er geen normale mensen zouden bestaan, doch alleen maar minder of meer abnormale. Dat dit niet louter een grapje is, blijkt wel uit het feit, dat de psychiatrie zich bij haar indeling van de mensen in verschillende typen van termen bedient uit de sfeer van het abnormale.
Een goed voorbeeld hiervan is de typologie van Kretschmer. Deze onderscheidde twee hoofdtypen van psychosen: schizofrenie en manische depressie. Deze termen komen later in dit hoofdstuk aan de orde. Kretschmer verdeelde nu ook de normale mensen in twee hoofdtypen, het schizoïde en het cycloïde, die hij als grensgevallen van schizofrenie en manische depressie beschouwde.
Persoonlijk achten wij een dergelijk uitgangspunt volstrekt verwerpelijk. [110] Als motto voor dit hoofdstuk kozen we daarom juist de uitspraak van Denis de Rougemont, dat de gezonde mens niet het gemiddelde is tussen twee uitersten van ziekten. Hier sluit deze eigenlijk aan bij de traditie van Socrates, die helaas later door Plato en Aristoteles weer verlaten is. Socrates had nl. beweerd dat er slechts één deugd bestond, maar dat er vele ondeugden waren. Wat wij gewoonlijk deugden noemen, beschouwde hij als overwonnen ondeugden. Kenmerkend is zijn uitspraak: 'Zo bestaat er slechts één gezondheid, maar er zijn vele ziekten.' Deze diepe gedachte, die we o.a. in de Menon aantreffen, ken zelfs de grote Plato niet volhouden, toen zijn leermeester Socrates gestorven was en hij dus de dagelijkse leiding van deze nobele geest miste. Vandaar dat hij in De Staat weer terugvalt op vier hoofddeugden, die naar Socratisch inzicht eigenlijk overwonnen ondeugden zijn. (Zelfbeheersing, bezonnenheid, etc. tegenover onheheerstheid, onbezonnenheid, etc.). Plato's leerling Aristoteles gaat nog een stap verder en stelt de beroemde theorie van de deugd in het midden op: moed ligt tussen de uitersten van lafheid en roekeloosheid.

Deze conceptie van de gulden middenweg heeft in de westerse cultuur furore gemaakt. Ze heeft sterke invloed gehad op de latere rationalistische opvatting, dat deugd een nuttig gemiddelde is. Vandaar ook dat de romantiek, uit kritiek daarop, dit rationele gemiddelde als saaie deugdzaamheid bestempelde en de aandacht vestigde op de grootheid van excentrieke (uitmiddelpuntige) genieën.
Het is juist tegen deze rationalisering en verburgerlijking der normen, dat Denis de Rougemont met kracht stelling neemt. Hij bepleit (met de existentialisten) de onafleidbaarheid der geestelijke gezondheid. In dit opzicht staat hij naast Buddha (de Verlichte), die de leer van het Ware Midden verkondigde. "Het achtvoudige pad van het Midden", leerde Buddha, "is niet het midden tussen overdaad en askese, maar is de weg der bevrijding." De verwarring die op dit punt veelal bestaat is het gevolg van het feit, dat men niet scherp genoeg weet te onderscheiden tussen het normale en het normatieve. Het normale is steeds weer de standaardisering van de normatieve aspecten der samenleving.
Het verschil tussen normaal en normatief kunnen we misschien het makkelijkst duidelijk maken aan de geneeskunde. Het is de taak van de arts om zieke mensen gezond te maken. De normale mens is voor hem dus de gezonde mens, maar er zou geen geneeskunde bestaan, [111] als er niet tevens de overtuiging bestond dat gezondheid een meer gewenste toestand is dan ziekte en derhalve bevorderd moet worden. Hier ligt het normatieve aspekt van deze wetenschap. Normatief handelen betekent doelgericht handelen.
De individuele mens kan er niet mee volstaan, dat hij normaal handelt, hij moet ook normatief handelen, d.w.z. hij voelt zich pas volkomen normaal als hij kan leven naar zijn meest persoonlijke normen, dat is als normatief (overtuigd) persoon.
Het is daarom zeer wel mogelijk dat iemand afwijkt in zijn gedrag van de standaardnorm in een gemeenschap, omdat hij uit overtuiging een ander doel nastreeft. Deze standaardnorm is nl. steeds de sociale neerslag van de normatieve norm in het verleden. Zo is het denkbaar dat een gewetensvol mens tot daden komt, die de meerderheid als excentriek beschouwt, maar die hij zelf in zijn eigen bestaan als centraal beleeft.

Riesman, Glazer en Denney hebben in The Lonely Crowd hierover prachtige bladzijden geschreven. Zij maken een onderscheiding tussen de aangepaste en niet aangepaste mens, die zij anomic (niet volgens de regel) of autonoom noemen: "Zulke aangepaste mensen passen bij de cultuur alsof ze ervoor gemaakt zijn, wat in feite ook zo is. In karakterologisch opzicht zit er iets ongedwongens in hun aangepastheid, ook al kan de wijze van aanpassing zelf een grote druk leggen op de zogenaamde 'normale' mensen. De aangepasten zijn dus diegenen, die de maatschappij waarin zij leven, of hun klasse in die maatschappij, met de minste vervorming weerspigelen.
In iedere samenleving zijn zij die niet overeenstemmen met het karakterologische patroon van de aangepasten ofwel anomic ofwel autonoom. 'Anomic' is een nieuw gevormd woord van Durkheim's 'anomique' (bijvoegelijk naamwoord van anomie), hetgeen betekent: regelloos, onbeheerst. Zoals ik 'anomic' echter gebruik, heeft het een ruimere betekenis dan bij Durkheim: het is eigenlijk een synoniem van onaangepast, een term die ik liever niet gebruik, vanwege zijn negatieve bijbetekenissen; want er zijn sommige culturen, waar ik de onaangepasten of 'anomics' een grotere waarde zou toekennen dan aan de aangepasten. De autonomen zijn zij die in het algemeen in staat zijn zich conform de gedragsnormen van hun samenleving te gedragen - een vermogen dat de 'anomics' gewoonlijk missen - maar zijn vrij dat al of niet te doen. De autonome mens staat in dit opzicht boven de wet, doordat hij niet het aanpassingsvermogen mist, maar uit een innerlijke norm boven de standaardnorm uitkomt. Hij is dus scrupuleuzer, [112] conscientieuzer dan de wet. Maar zodoende helpt hij mee de normale norm op een hoger niveau te brengen. De gemiddelde zede voldoet niet aan zijn individuele eis van volwaardig menselijk leven.
Vandaar dat er een veel intrinsieker verband bestaat tussen geestelijke en zedelijke gezondheid dan meestal wordt aangenomen.

De psycholoog die het meest de nadruk op de zedelijke eisen der persoonlijkheid gelegd heeft, is de Zwitser Paul Häberlin. Hij bracht in zijn werk een synthese tot stand tussen Freud en Adler.
Vooral 'Wege und Irrwege der Erziehung' (ook in het Nederlands verschenen onder de titel: 'Wegen en Dwaalwegen der Opvoeding') is een pedagogisch juweeltje. Häberlin hoort eigenlijk tot de school der Individualpsychologen, waarvan Alfred Adler de grondlegger is. Diens werk werd voortgezet door Künkel, Dreikurs en Wexberg. Zelf was Adler een leerling van Freud en hij nam van hem de dieptepsychologische grondslag over. Iedereen heeft wel eens gehoord van het minderwaardigheidscomplex. Meestal wordt deze term echter verkeerd aangevoeld. Vele mensen zeggen van zichzelf dat ze een minderwaardigheidscomplex hebben en willen daarmee te kennen geven, dat ze te bescheiden zijn. In werkelijkheid duidt dit bezit echter op een sterk zelfgevoel, dat zich niet ontplooien kan. De waarlijk deemoedige mens lijdt zelden aan insufficientie-gevoelens. Het is vaak therapeutisch van grote betekenis de slachtoffers van deze epidemie in onze samenleving erop attent te maken, dat het juist hun ijdelheid is, waaronder zij lijden. Daarmee wil niet gezegd worden, dat iemand niet echt te weinig zelfvertrouwen kan hebben, maar dat uit zich meestal heel anders dan in zelfbeklag.
Adler heeft erop gewezen, dat ieder mens een 'levenslijn' (Lebenslinie) heeft. Wijkt men te veel af van zijn bestemming, dan voelt men zich onbevredigd. De taak van ouders, opvoeders, psycho-technici, pedotherapeuten en psychiaters is volgens Adler, dat ze de persoon, die aan hun zorgen is toevertrouwd of er zichzelf aan toevertrouwt, helpen die levenslijn te ontdekken en te volgen.
We zeiden hierboven in één adem: ouders, opvoeders, psychotechnici, pedotherapeuten en psychiaters. Het is de zeer grote verdienste van de vaak onderschatte Adler, dat hij een programma heeft aangegeven, waarbij al deze categorieën kunnen samenwerken. Geen andere psycholoog is daar tot hiertoe in geslaagd.
Onder de leerlingen van Adler is Künkel de belangrijkste. [113] Hij heeft de filosofische begrippen subjectiviteit en objectiviteit een psychologische inhoud gegeven. Onder Ichhaftigkeit (subjectiviteit) verstaat hij een niet op de bestemming gerichte habitus, onder Sachlichkeit (objectiviteit) een wel op de bestemming gerichte instelling. Het klassieke voorbeeld van Künkel is dat van de man, die de trein mist. De Ichhaftige (egocentrische) mens zal tieren en razen, de Sachliche (zakelijke) kijkt wanneer de volgende trein vertrekt; Künkel heeft deze twee houdingen uitgebeeld op een assensysteem, waarvan de verticale lijn de Ichhaftigkeit, de horizontale de Sachlichkeit uitbeeldt.

Van het diagram kan men onmiddellijk aflezen of iemand meer egocentrisch of zakelijk ingesteld is. In het algemeen is de eerste meer geneigd tot heersen, de tweede tot dienen. Volgens Künkel zijn de krankzinnigen en de heiligen de grensgevallen van de 'ichbetonte' [114] en zelfverloochenende houding. In ons land heeft Grünbaum de tegenstelling tussen heersen en dienen gekozen voor een typologie der wereldbeschouwingen. Deze indeling is later uitgewerkt door Kohnstamm en schrijver dezes.

Een typologie zoals de bovenstaande kan uiterst nuttig zijn voor een psychiatrische behandeling. Het is dan ook geen toeval, dat zeer vele beoefenaars der karakterkunde psychiaters zijn of waren (Lombroso, Kraepelin, Kretschmer, Künkel, Jung). De karakterkunde is één van de lastigste onderdelen van de psychologie, omdat hier sterk de wereldbeschouwelijke overtuiging meespreekt. De nativist (zoals Schopenhauer) die gelooft in een aangeboren karakter, zal hier heel anders oordelen dan de empirist (zoals Locke), die gelooft in verworven karakterkenmerken.
Alle grote pedagogen hebben er de nadruk op gelegd, dat waarachtige opvoeding karaktervorming is. Daarmee geven ze reeds te kennen, dat het karakter nooit in zijn geheel aangeboren kan zijn. De Duitse pedagoog George Kerschensteiner heeft getracht het probleem op te lossen door te onderscheiden tussen een biologisch (natuurlijk) en een intelligibel (geestelijk) karakter.
Wat hij onder het biologische karakter verstaat, komt vrijwel overeen met wat elders temperament genoemd wordt. Zoals we in het eerste hoofdstuk reeds zagen, is temperament een term van Griekse herkomst, die eigenlijk 'vermenging' betekent. Hippokrates verklaarde nl. de aard van de mens uit een vermenging der lichaamssappen, een opvatting, die veel overeenkomst vertoont met de moderne hormonenleer. De terminologie van Hippokrates zullen we hierna bij Heymans weer tegenkomen.
Kerschensteiner meende dus dat het temperament aangeboren was, maar dat het geestelijke aspect van het karakter ten dele kon gevormd worden. In het eigenlijke karakter zag hij vier aspecten, die hij helderheid van oordeel, fyngevoeligheid, wilskracht en Aufwühlbarkeit noemde. Het laatste begrip vereist enige toelichting. Het hangt samen met de nawerking der ervaringen. Sommige mensen hebben een lange nawerking van een gebeurtenis, anderen een korte.
(Volgens de dieptepsychologie ligt dit vraagstuk niet zo simpel, omdat onbewust altijd een registratie van alle ervaringen overblijft). De intensiteit der nawerking noemt Kerschensteiner Aufwühlbarkeit. Dit begrip is echter gecompliceerder dan hier is uiteengezet. [115] Zo hangen er karakterologisch ook eigenschappen als trouw, dankbaarheid, consekwentie in het handelen, standvastigheid etc. mee samen. Maar ook: vitterigheid, zwaar-op-de-hand-zijn, oude-koeien-uit-de-sloot-halen, etc.
De Fransen kennen het aardige begrip 'l'esprit de l'escalier' letterlijk 'de geest van de trap'. Vaak valt ons achteraf in, wat we hadden moeten zeggen. We gaan ergens naar toe, om een zaak te verdedigen, vinden niet het juiste woord, het gesprek vlot niet, maar na afloop op de trap, denken we: "Zo hadden we het moeten zeggen." Annie M. G. Schmidt heeft voor mensen met een sterk achteraf-gevoel de naam 'achteraffers' bedacht en er een geestige vers over gemaakt. [116]

Gerard Heymans
De Nederlandse psycholoog Heymans spreekt i.p.v. 'Aufwühlbarkeit' van 'secundaire functie'. Hierbij valt de nadruk op de nawerking. (Gerard Heymans (1857-1930) was een Nederlandse filosoof, psycholoog en hoogleraar Geschiedenis der wijsbegeerte, logica, metafysica en zielkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was de oprichter van de SPR: de Nederlandse wetenschappelijke vereniging voor parapsychologie te Utrecht.)
Een 'achteraffer' heeft dus volgens Heymans een grote secundaire functie. De term zelf is ontleend aan de fysioloog Otto Gross, maar helaas verkeerd overgenomen. Gross onderscheidde namelijk tussen de primaire functie en de secundaire functie van de ziel. Gewaarwording is een primaire functie, herinnering een secundaire.
Nu kan men spreken van mensen met een sterke en een zwakke secundaire functie. De eersten zijn traag, de anderen spontaan. Heymans noemde nu de zwak secundair reagerenden primair functionnerenden. Zo kwam hij tot een enigszins andere terminologie dan Gross. Men komt echter bij de leerlingen van Heymans beide zegswijzen tegen: primaire functie of zwakke secundaire functie.
Zegt men dat iemand erg secundair is, dan bedoelt men, dat hij langzaam reageert. Een belangrijke toepassing ervan vindt men in de techniek. Precisie-apparaten eisen van hun bedieners een geringe secundaire functie, daar er snel gereageerd moet worden. Als twee personen een kopje laten vallen, zal de eerste misschien gauw zijn hand tussen het kopje en de grond plaatsen, de andere zal echter deze beweging pas maken als hij schervengerinkel hoort. De laatste reageert technisch te secundair.

Het staat vast, dat na een bepaalde leeftijd de secundaire functie toeneemt. Dat verschijnsel is vergelijkbaar met het langzamer genezen van wonden. Een kind herstelt zich geestelijk en fysiologisch sneller. Daarom moeten automobilisten en vliegers elk jaar herkeurd worden, om te onderzoeken of ze niet te secundair instrumenteel reageren.
Heymans nam als criteria voor zijn karakterindeling:
1. emotionaliteit (e)
2. activiteit (a)
3. secundaire functie (s).

emotionelenactieven sec. fuctie: gepassioneerden   +e+a+s
        de 'geweldigen' (Napoleon)
prim. fuctie: cholerici   +e+a-s
        de 'heftigen' (Goethe)
niet-actievensec.fuctie: sentimentelen   +e-a+s
        de 'weemoedigen' (Rhynvis Feith)
prim. fuctie: nerveuzen   +e-a-s
        de 'prikkelbaren' (Multatuli)
niet-emotionelenactieven sec. fuctie: flegmatici   -e+a+s
        de 'kalmen' (Potgieter)
prim. fuctie: sanguinici   -e+a-s
        de 'kinderlijken' (Adam Kegge)
niet-actievensec. fuctie: apathici   -e-a+s
        de 'sleurmensen' (Lodewijk IV)
prim. fuctie: amorfen   -e-a-s
        de 'vormlozen' (koning George)

Zo kwam hij tot zijn beroemde karakterkubus, waarvan de ribben deze maatstaven aangeven (zie blz. 118). Het linkerhoekpunt vooraan is het nulpunt, daar zijn alle eigenschappen het minst sterk aanwezig. In dat punt liggen de amorfen. Rechts boven achter is de plaats der gepassioneerden, die alle drie eigenschappen in hoge mate bezitten. Heymans kwam zo tot de volgende karaktertypen. [117]


Men ziet, dat Heymans verschillende termen van Hippokrates en Galenus weer heeft ingevoerd. De sentimentelen komen dicht bij de traditionele melancholici.


terug naar Leenwoorden

terug naar Vragen en antwoorden


Tegen de indeling van Heymans bestaan zeer grote bezwaren. Er schuilt te veel voorkeur in. Veel psychologen maken er bezwaar tegen dat er met negatieve eigenschappen wordt gewerkt. Stel bv. dat Künkel i.p.v. Ichhaftigkeit van Nicht-Sachlichkeit had gesproken, dan zou dat zijn indeling veel minder waardevol gemaakt hebben. Zo vraagt men zich bv. af, waar Heymans de grote Chinese wijze Lau-tseu zou geplaatst hebben, die inactiviteit en emotieloosheid als hoogste deugden beschouwde. We vrezen, dat hij bij de amorfen zou terecht komen. Daarentegen zou Künkel hem een ereplaats op de as der zakelijkheid geven, op grond van de diepzinnige uitspraak: 'De heilige heeft geen ik-hart'.
Bekend is ook de poging van Kretschmer, die samenhang zocht tussen lichaamsbouw en karakter. Hij onderscheidde tussen het ronde cyclothyme en het hoekige schizothyme type. De Zwitserse psychiater Jung maakte verschil tussen het extraverte en het introverte type. De Duitse psychiater Jaensch sprak van het basedoïde en het tetanoïde type. De benamingen zijn ontleend aan het naar buiten gerichte ziektebeeld van de Basedowse ziekte (uitpuilende ogen) en het naar binnen gerichte ziektebeeld van tetanus.
Terecht legt men verband tussen de indelingen van Jung, Künkel, Kretschmer en Jaensch: [118]

zich geven aan
de wereld
zich scheiden van
de wereld
Jung
Künkel
Kretschmer
Jaensch
het extraverte type
het sachlige type
het cyclothyme type
het basedoïde type
het introverte type
het ichhafte type
het schizothyme type
het tetanoïde type

Naast de indeling tussen introvert en extravert, onderscheidt Jung nog tussen: denk-, gevoels-, waarnemings- en intuïtief type. Andere beroemde karakterindelingen zijn afkomstig van Cuerat, Klages en Ewald.
Meestal staat men op het standpunt, dat het temperament onveranderlijk is en het karakter een zekere speling toelaat. Het minst geloven dat natuurlijk zij - zoals Kretschmer - die verband zoeken tussen lichaamsbouw en karakter. Het is in dit verband nuttig er op te wijzen dat Lombroso, die de theorie van de geboren misdadiger verkondigde, een zeer humaan doel nastreefde: hij wilde de misdadiger behandeld zien als een ongeneeslijke zieke. Zijn theorie is gelukkig niet door de praktijk bevestigd. Aan de ene kant bleek er geen vast misdadigerstype te bestaan, aan de andere kant bleek het beruchte Lombroso-type niet vast verbonden met criminaliteit. Zo treft men Lombroso-flaporen soms aan bij de edelste mensen (bv. bij Gandhi). Hormoononderzoekingen van de laatste jaren hebben bovendien aangetoond, dat ook het temperament beïnvloedbaar is.

terug naar de Inhoud

Veel belangrijker echter is het inzicht der moderne antropologie in het karakter. Men spreekt tegenwoordig veel liever van persoonlijkheidstypen, maar reserveert het karakter voor het redelijke aspect der persoonlijkheid. Zo schrijft Erich Fromm: "Beschouwd uit het standpunt der subjectieve voorkeur zou derhalve degene, die door het cyclothyme temperament wordt aangetrokken, meer van Goering hebben gehouden dan van Himmler, en omgekeerd. Van karakterologisch standpunt uit gezien, hadden beiden evenwel één eigenschap gemeen: het waren eerzuchtige sadisten. Ethisch beschouwd waren zij bij gevolg even slecht.'
Men ziet, dat Fromm de indeling van Kretschmer tot het temperament terugbrengt. Hetzelfde doet hij met die van Jung e.a. Het lijkt mij dat hier temperament een te grote spreiding krijgt. Het beste lijkt het mij te spreken van temperament, persoonlijkheid en karakter, [120] waarbij het latere begrip het vorige impliceert. Voor de psychiater is een indeling in typen vaak zeer nuttig daar hij hierdoor weet, wat voor vlees hij in de kuip heeft. De introverte mens eist een andere behandeling dan de extraverte. Veel belangrijker is echter een indeling der zielsziekten. Hoewel de psycho-pathologie een oude wetenschap is, staat ze eigenlijk nog in de kinderschoenen, meestal onderscheidt men tussen de psychosen, de neurosen en de psychopathieën.

Over de laatste groep hebben we reeds een en ander gezegd in vorige hoofdstukken. Hier zullen we nog enige nadere toelichting geven. Vooruitlopend op het volgende hoofdstuk bespreken we de theorie van Jung, die vooral voor de cultuurpsychologie van groot belang is. Jung onderscheidt tussen het bewuste, het persoonlijk onbewuste en het onpersoonlijk onbewuste. Het bewustzijn moet voortdurend in open contact staan met het onbewuste. Indien het bewustzijn de eigen ervaringen niet verwerkt, bestaat er niet voldoende aansluiting met het persoonlijke onbewuste. In dit geval is er sprake van een neurose.
Heeft men geen gevoel voor de sociale en culturele waarden, dan is er een kortsluiting met het collectieve onbewuste. (Plato zou zeggen: 'Men kan wel in begrippen denken, maar schouwt de ideeën niet'). In dit geval spreekt men van een psychopathie.
Zijn beide kontakten verbroken zodat geen compensatie kan optreden, dan is er sprake van een psychose.
Hysterie is een grensgeval tussen psychose en neurose, perversiteit tussen psychose en psychopathie.
Psychische stoornissen gaan altijd gepaard met fysieke afwijkingen van tijdelijke of blijvende aard. Daarom kan een fysische therapie soms ook nut stichten. In het algemeen kan men zeggen, dat de psychose samengaat met hersenafwijkingen, de neurose met een stoornis (of te grote gevoeligheid) in het zenuwstelsel, psychopathieën met coördinatie-defecten.
Naarmate het ziekteproces langduriger is, zal ook de organische aftakeling ingrijpender zijn. De psychiater dient echter tot het uiterste een beroep te doen op de gezonde persoonlijkheid. Vaak blijkt dan, dat gezonde delen van hersenen en zenuwen de rol van de zieke overnemen. Men spreekt dan van vicariaat. Uit onderzoekingen van de Franse psychiater Simon is komen vast te staan, dat ook de geesteszieke het beste gedijt als men hem als toerekeningsvatbaar beschouwt en behandelt. Volledige ontoerekenbaarheid is zelfs bij zware krankzinnigen uitzondering. [121] Dat neemt natuurlijk niet weg, dat men de gemeenschap tegen de partiële onberekenbaarheid moet beschermen.

Belangrijk is ook een beroep op het besef, op het instinct voor het normale. De Engelsen noemen psychopathologie 'abnormal psychology' een term, die in het Nederlands vertaald dubbelzinnig zou zijn.
Zoals we reeds hiervoren betoogd hebben, is inzicht in normaal gedrag een levensnoodzaak voor ieder mens. Behalve de tegenstelling normaal-abnormaal is voor de psychiatrie zeer belangrijk het contrast tussen vrij en geremd.
De niet-vrije mens lijdt onder zijn angsten. Zeer groot is het aantal publicaties over de angst, daar dit een sleutelbegrip der psychiatrie is. Men kan een fenomenologische ontwikkeling van het angstprobleem geven. Om dit te verstaan moeten we eerst onderscheiden tussen angstoorzaak en angstfactor. Onder het laatste verstaan we de zaak of persoon, die in het concrete geval de angst opwekt.
Bij de natuurlijke angst zijn angstoorzaak en angstfactor bekend. De angstige mens tracht steeds de angst-associaties te verdringen ('zich te verschuilen'). Zo krijgt men in eerste instantie de verdringing van de angstoorzaak. Slechts de angstfactor blijft over. Men spreekt dan van vrees (fobie). Bekende voorbeelden zijn vuur-, water-, smet-, hoogte-, kluis-, plein-, examen-, vreemdelingen-, ziekte- en doodsvrees. Wie lijdt aan watervrees (hydrofobie) is bang voor water, maar weet zelf niet waarom.
Een stap verder dan vrees gaat het angstig zijn. Wie angstig is, heeft een gevoel van beklemming, maar weet niet waarom. Zo kan men angstig zijn in het donker, in de stilte etc. maar men is niet bang voor het donker of de stilte zelf, doch gevoelt angst voor de dreiging. Zowel angstoorzaak als angstfactor zijn hier verdrongen. De mens kan echter een onbestemde dreiging op de duur niet verdragen. Hij projecteert zijn angst op iets of iemand, hij schept zichzelf een angstfactor. Dit stadium noemt men de waan. Beroemd is het voorbeeld van Don Quichote, die windmolens voor reuzen aanzag. Bekend is ook aan de leek de (achter)volgingswaan. Men beschuldigt dan bepaalde mensen ervan angstfactor te zijn. De waan is een poging de angst rationeel te maken. Hij vertoont overeenkomst met de vrees. Alleen is de factor nu een fictie.

Het volgende stadium bestaat erin, dat men nu ook een rationalisatie voor de oorzaak zoekt. 'Waarom achtervolgen die mensen me?' 'Waarom lacht iedereen me uit?' 'Waarom word ik [122] altijd gepasseerd?' Men gaat nu een zin aan de waan geven, echter een waan-zin. De waanzinnige redeneert dus vanuit een dubbele verdringing en een dubbele rationalisatie. Alle contact met de werkelijkheid is verloren. Vandaar dat Bleuler deze fase derealistisch (van de realiteit af) of autistisch (op zichzelf ingesteld) noemt.
De waanzin is als een woekergezwel in de geest. Op de duur tast hij het hele geestelijke leven aan en men bereikt de krankzinnigheid. Men kan dit proces als volgt in diagram brengen:

angstoorzaak angstfactor
1 natuurlijke angst
2 vrees
3 angstig zijn
4 waan
5 waanzin
6 krankzinnigheid
bekend
onbekend
onbekend
onbekend
fictief
verward
bekend
bekend
onbekend
fictief
fictief
verward

Nu moet men vooral niet denken, dat iedere schizofrenie zich zo ontwikkelt. Wij hadden slechts de bedoeling het proces te beschouwen in zijn meest volledige ontwikkeling. In de praktijk blijkt echter, dat het zinvol is elk stadium zo te behandelen, alsof de voorafgaande er werkelijk aan voorafgegaan zijn. Men noemt dat de fenomenologische behandelingsmethode. In het algemeen komt het hierop neer, dat de psychiater iedere stoornis tracht te behandelen naar haar genese (ontstaan) volgens de retrogrademethode. De psycho-analytici gebruiken hiervoor een zeer langdurige therapie, die echter niet zelden verbluffende resultaten heeft. Daarbij hechten zij grote betekenis aan de jeugderotiek en de kinderlijke agressie (Oedipale en Kains-agressie). Wij komen hierop in het volgende hoofdstuk terug.

Psychiatrische patiënten zijn bijvoorbeeld lijders aan een manie, zoals kleptomanie en pyromanie. Kleptomanie is in feite het stelen van niet gekregen aandacht en liefde. Pyromanie (van Grieks pir: vuur, en mania: razernij) is de ziekelijke neiging tot brandstichten. Onder manie verstaan we in de psychopathologie een verhoogde werkzaamheid, die abnormaal aandoet. Meestal treedt manie op na en voor een periode van depressie. Vandaar dat men dergelijke mensen, die afwisselend 'himmelhoch jauchzend' en 'zum Tode betrübt' zijn, in bepaalde gevallen manisch depressief noemt. De manische mens is opgewekt, uitgelaten. Hij kent geen problemen, ziet geen moeilijkheden. De scherpe waarnemer merkt achter dit hoeragedrag echter de angst voor de eenzaamheid, die daarna weer manifest wordt in een depressie. Kleptomanie en pyromanie zijn maniakale neigingen, die van de gewone manische instelling afwijken in stemming.
Kleptomaan en pyromaan zijn zelden uitgelaten. Hun verhoogde activiteit ligt in één bepaalde richting: stelen of brandstichten. Een gemeenschappelijk kenmerk met de 'gewone' manie is echter de eenzaamheid. De maniak is altijd een eenzaam mens, die door zijn daad die eenzaamheid wil opheffen. Manie is een krampachtige paging tot gemeenschap. De kleptomaan steelt om zich liefde te verwerven. De pyromaan sticht brand om bij de gemeenschap te horen. [127]
Pannenberg heeft een groot aantal pyromanen onderzocht en constateerde, dat een bepaald type bij hen overheerste. Vaak zijn brandstichters minder begaafd. Debiliteit komt bij hen herhaaldelijk voor. Jaspers wees op het verband met heimwee. Een schoolvoorbeeld is de geschiedenis van het onnozele dienstmeisje, dat de hele boel in brand stak om weer gauw thuis te zijn. Heimwee naar huis is hier het aanwijsbare motief. Vedder wijst ook op de 'behoefte aan wraak t.a.v. een gehate omgeving.' In eerste instantie zijn we dus geneigd Jaspers bij te vallen. De pyromaan, eenzaam in een vreemd milieu, heeft heimwee naar huis, en vernietigt het vijandige domicilie. Toch is deze verklaring als zodanig onbevredigend. De psycholoog vraagt naast een rationele verklaring ook om een symbolische uitleg. Het menselijke handelen is nooit zuiver rationeel en juist de primitieve mens (en de maniak is primitief!) verricht symboolhandelingen.
Rümke wijst op het archetypische karakter van het vuur. Het vuur (energie) is het menselijke element bij uitstek. Dieren vrezen het vuur. In Afrika houden de vuren de roofdieren op veilige afstand. Het vuur is de grootste verovering van de mens. Heraklitus noemde de geest eenvoudig vuur. De Bijbelse profeten waren bezeten door een heiligend vuur.
Het maken van vuur is een teken van menselijke waardigheid. In Australië is het kunnen vuurslaan een blijk van mondigheid. Kinderen spelen met vuur, volwassenen beheersen het vuur. Wat niet verhindert, dat ook zij soms hun vingers branden.
De smid stond daarom van oudsher in hoog aanzien. Hij alleen kende 'het geheim van de smid'. Mythologische figuren als Hephaistos, Vulcanus, Loki en Lucifer zijn in oorsprong waarschijnlijk smeden. Zij smeden niet slechts metaal op het uiterlijke vuur, maar dikwijls ook het menselijke lot en zij wakkeren het innerlijke vuur van de hartstocht aan. Ook 'smeden' zijn vaak samenzweringen tegen goden en mensen. In de Bijbel is Tubal Kain de vervaarlijke 'vader der smeden', die dood en verderf zaait.
Als compensatie heeft hij een aanminnige zuster, Naema (lieflijkheid), die zijn woestheid moet temmen. Zo huwden de goden ook de schone Venus uit aan de woeste Vulcanus, Psychologisch ligt hier het inzicht, dat de agressieve krachten door de erotische gesublimeerd moeten worden, maar dat de erotiek ook kan oplaaien tot haat door de agressie. [128]
Het voorafgaande geeft ons een dieper inzicht in de houding van de mens t.a.v. het vuur. Het vuur is het oer-symbool van de geest. Door het vuur is daarom mensen-gemeenschap mogelijk. Dit wordt zichtbaar in de betekenis van de huiselijke haard.
De behoefte tot vuurmaken is dus een fundamenteel menselijke neiging. Homer Lane ziet hierin het kenmerk voor geestelijke creativiteit. Het vuur (uiterlijk en innerlijk) moet echter getemd worden, het mag niet wild uitslaan. Daarom hoedden in Rome de Vestaalse maagden het vuur, terwijl in onze tijd gezocht wordt naar middelen om de atoomenergie voor vreedzame doeleinden aan te wenden. De behersing van het uiterlijke vuur is echter slechts mogelijk, als ook het innerlijk vuur der agressie binnen de perken blijft. Daartoe is het nodig, dat de mens liefde schenkt en ontvangt.

De poging tot brandstichten is in potentie het stichten van een huiselijke haard, een mensengemeensehap. Bij het kampvuur beleven we op romantische wijze, dat alle mensen één grote familie zijn. Wie een vuurtje stookt, schept een sfeer van gezelligheid. Is de eenzaamheid echter te groot, dan wordt het vuur opzettelijk op gevaarlijke wijze verwekt. Er zijn geen liefde en veiligheid aanwezig, die het vuur kunnen tegenhouden. Zo neemt de brandstichter tevens wraak op de gehate gemeenschap, die hem heeft uitgestoten. Maar het kiest daarvoor de gemeenschapshandeling bij uitstek en onthult zo zijn eigenlijke bedoeling, zijn diepste heirnwee. En daarmee raken we meteen de therapie. In geval van debiliteit ligt de oplossing (niet te verwarren met genezing) in het overplaatsen naar een vertrouwde omgeving. Een echte behandeling is slechts mogelijk bij personen met een normale intelligentie.

Goethe zegt in zijn autobiografie 'Wahrheit und Dichtung', dat hij zelf nooit een misdaad heeft hoeven te plegen, omdat hij die liet uitvoeren door zijn roman- en toneelfiguren. Volgens velen berust ook de sensatiezucht van het publiek t.a.v. de misdaad op een identificatie met de misdadiger. De eerzame burger zou op deze wijze innerlijk een misdaad kunnen mede-plegen zonder uiterlijk mede-plichtig te zijn. Door het lezen van een criminele roman of het kijken naar een detective-film boet hij niets in van zijn sociale prestige.
Het lijkt mij echter, dat het fascinerende van de misdaad niet in het criminele als zodanig ligt, maar in de grenssituatie van het leven. De vermaarde schrijver Simenon, die vele politieromans op zijn 'geweten' heeft, heeft zich ook in deze geest uitgelaten. Volgens hem is de mens steeds nieuwsgierig naar de uiterste grenzen van zijn bestaan. Zowel de heilige als de misdadiger prikkelt zijn verbeelding.
De oceaanvlieger Lindberg en de stratosfeerreiziger Piccard brachten grote scharen op de been. De maatschappij dwingt ons het leven van de Familie Doorsnee te leven, maar we hebben allemaal de neiging om buiten dat gemiddelde te treden. Daarom zijn akrobaten, genieën, rekenwonders, Tibetaanse kluizenaars in de eeuwige sneeuw, diepzeevaarders, oorlogshelden, vuurvreters, slangemensen en juwelendieven, mensen die onze bewondering oogsten. Zij kunnen iets, wat niet iedereen kan. Het woord kunst drukt zonder omhaal uit, dat ook kunst een speciale kundigheid is. Vandaar dat we ook de kunstenaar bewonderen.
Nu is het al dadelijk duidelijk, dat de gentleman-inbreker ons sympathieker is dan de kidnapper. De populariteit van Reinaert de Vos schuilt in zijn combinatie van misdaad en intellect (dat zich o.a. uit in zijn humor), de sympathie voor Lord Lister berust op het feit, dat hij steelt van de rijken en daarvan uitdeelt aan [131] de armen. Diverse psychologen willen in onze voorkeur voor de 'nobele' misdadiger een rationalisatie zien. Hiermee zouden we nl. onze criminele neigingen een ethisch tintje geven.
Het lijkt mij dat deze opvatting onhoudbaar is. Het is niet slechts de angst om gesnapt te worden, die de meeste mensen van de misdaad afhoudt, maar een veel dieper liggend 'non posse' (niet kunnen). Dat de sociale sanctie daarbij ook een rol speelt is een feit, maar de moraal bekrachtigt slechts een innerlijk besef der gemeenschap, dat om een uiterlijke vorm vraagt.
De Engelsen zeggen, dat de wet een afspraak is tussen Jones en Smith om elkaar te verhinderen gekke dingen te doen, als één van beiden dronken is. Hierin ligt opgesloten, dat de meeste mensen het wezen van de overtreding niet willen. Het zijn de bijverschijnselen van de misdaad, die - mirabile dictu - op het ethisch gevoel werken. De beroemde Chassidische rabbijn Dow Bär van Meoritsch, de grote Maggid (leraar), hield zijn leerlingen voor, dat ze zich in zeven opzichten door de dief moesten laten onderwijzen: hij doet zijn werk in de nacht;
lukt het niet in één nacht, dan probeert hij het de volgende nacht weer;
hij staat op goede voet met zijn gezellen;
hij waagt zijn leven voor een kleinigheid;
hij hecht zieh niet aan het verworvene, en staat het voor weinig geld weer af;
hij verdraagt slagen en plagen;
hij houdt van zijn vak, en zou het voor geen ander willen ruilen.
Criminologen is het bekend, dat in benden meestal een strenge moraal heerst. Verraad wordt als immoreel beschouwd. Het is dan ook slechts zelden zo, dat de misdadiger volledig immoreel is. De paranoïde psychopaat, die lijdt aan 'moral insanity', wordt meestal niet geaccepteerd. Men levert hem zelfs uit aan de politie, want hij betekent door zijn gebrek aan menselijke solidariteit ook een gevaar voor de onderwereld. Hoe vreemd het ook mag schijnen, vele misdadigers zijn zeer ethische mensen, die liefde tekort gekomen zijn. Vaak is het ook een overmaat aan schuldgevoelens, die leidt tot een zelfbestraffingstendens. Tragisch is het lot van de man die de eerste atoombom wierp en zodoende de dood van honderdduizenden veroorzaakte. Hij word gevierd door iedereen als een grote held, terwijl zijn geweten hem aanklaagde.
Deze spanning werd hem tenslotte te groot. Het gevoel straf verdiend te hebben bracht hem uiteindelijk tot de misdaad en hij [132] werd... inbreker. Nu had hij tenminste zijn straf 'eerlijk' verdiend. Honderden Amerikaanse psychiaters eisten rehabilitatie van de man, die voor de westerse beschaving de kastanjes uit het vuur gehaald had. Ware hij minder gewetensvol geweest, hij was nooit in de gevangenis beland. We moeten dus constateren, dat men zowel uit gewetenloosheid als gewetenswroeging tot de misdaad kan vervallen. In beide gevallen is er sprake van een gewetensstoornis. Het is uiterrnate nuttig dit nogmaals duidelijk uit te spreken: slechts zelden is er sprake van een criminele aanleg, meestal is er een stoornis in de zedelijke ontwikkeling.
De Franse filosoof Sartre heeft een apologie geschreven voor Saint-Genet: Comédien et Martyr, waarin hij de misdadiger Jean Genet (auteur van groot formaat) als heilige en martelaar beschrijft. Ik ben overtuigd dat Sartre hier erg doorslaat, want Genet is noch een heilige, noch een martelaar. Maar hij is stellig een mens, die door een sterke moraal tot allerlei overtredingen kwam. In de V.S. houdt het geval Chessman nu al jaren; de gemoederen bezig. Is Walter Chessman een 'echte' moordenaar?
Homer Lane genas delinquente jongeren door hun duidelijk te maken, dat ze solidair met hun criminele omgeving wilden zijn. In mijn praktijk ben ik vaak zulke 'ethische' euveldoeners tegengekomen. De populaire opvatting, dat de gelegenheid de dief maakt, is een populaire misvatting. Eerder maakt de dief de gelegenheid. Niet de sociale factoren zijn meestal doorslaggevend, maar de psychische. Schuldgevoelens en zelfbestraffingsneigingen leiden dikwijls tot delicten.

Een jongen die werkte bij zijn vader, stal uit de winkella als hij zelf niet genoeg verkocht had, omdat hij 'een goeie jongen' wou zijn, die veel voor zijn (al te strenge) vader verdiende. Later werd hij oplichter. Toen hij besefte dat hij alles uit een verkeerd plichtsbesef gedaan had, werd hij een volkomen betrouwbaar zakenman, die ieders achting genoot. Een interessant geval van een ethische misdaad kwam ik tegen, toen ik zelf nog psychologie studeerde. Het heeft me toen maanden lang beziggehouden.
Een medestudent gold onder al zijn vrienden als fantast. Inderdaad leed hij aan pseudologia fantastica, ziekelijk fantaseren. Dit is een vorm van psychopathie, die niet makkelijk te cureren is. Zoals ik reeds eerder heb opgemerkt, berust psychopathie vermoedelijk op een breuk in het contact met het collectieve onbewuste. [133]
Het merkwaardige in dit geval was echter, dat de betreffende jongeman zeer conscientieus, ja zelfs scrupuleus was. En dit was duidelijk geen overcompensatie zoals vaak voorkomt bij insania moralis (aangeboren tekort aan zedelijk inzicht), maar juist een echte natuurlijke aanleg voor het goede.
Ik acht het zeer belangrijk er hier op te wijzen, dat psychopathie zich meestal tot één kant van de persoonlijkheid beperkt. Dat is nl. van groot belang voor het genezingsproces.
Mijn medestudent had nog enige andere eigenaardigheden, die ik globaal zal aanduiden als infantiele neigingen. Hij had bv. een grote voorliefde voor het kneden van was, aarde, gips etc. Volgens de Freudianen hangt dit samen met een niet voldoende bevredigende anaal-erotiek. Hier volstaan we met de mededeling, dat er psychologisch verband bestaat tussen faeces, aarde en geld ('het slijk der aarde'). Geld nam ook in zijn fantasieën een grote plaats in. Hij vertelde ons, dat hij later heel rijk zou worden, en dan dit geld onder de armen zou verdelen.
Op een dag toonde hij me een vreemde munt, die naar zijn zeggen drie eeuwen oud was. "Hoe vind je hem?", vroeg hij. Die vraag alarmeerde me, maar ik wist niet waarom. Thuisgekomen bedacht ik, dat in die vraag (met speciale intonatie) besloten lag, dat hij de munt zelf gemaakt had. Ik rende naar zijn huis en trof hem aan: oude munten kopiërende. Hij schrok niet van mijn komst. "Er steekt toch geen kwaad in een oude munt na te maken?" vroeg hij. "Ik wil ze verkopen en met het geld kan ik een heleboel goeds doen. Maar ik zeg er natuurlijk bij, dat ze nagemaakt zijn." "Maar morgen ga je ze voor echt aanbieden bij een antiquair, en dan begin je met nieuwe munten na te maken. En voor je het weet, ben je een valse munter." Het was of hij wakker werd uit een lange droom. Zijn geweten won het van zijn neiging tot fantaseren. En zo is het gelukkig gebleven. Hij vertrok naar het buitenland en slaat nu... echt geld, ergens in Europa. Maar het zou me niet verbazen als hij in zijn fantasie nog op zijn zolderkamertje staat, als een moderne alchemist, zoals hij daar stond toen ik kwam binnenstuiven op een herfstmiddag, vele, vele jaren geleden. [134]

terug naar de Inhoud

IX De cultuurpsycholoog

Slechts wat iemand werkelijk is, heeft genezende kracht. (C.G. Jung)

De psychoanalyse had grote betekenis gehecht aan de infantiele erotiek en agressie. Zoals vele lezers bekend zal zijn, meende Freud dat de lust van de zuigeling zich achtereenvolgens verplaatste van de orale zone (rond de mond), via de anale zone (rond de anus) naar de genitale zone (rond de geslachtsdelen).
Indien deze lust niet voldoende kon bevredigd worden, zou de emotionele rijping gestoord worden. Snauwen, vloeken en schuine moppen vertellen, zouden respectievelijk samenhangen met een onbevredigende orale, anale of genitale erotiek. Alle latere erotiek stond weer in verband met de jeugd-erotiek.
Hetzelfde gold mutatis mutandis voor de agressie. Deze richtte zich hoofdzakelijk op de vader (als concurrent bij de moeder) of de jongere broertjes of zusjes. Men spreekt met Freud dan van een Oedipus- en Kains-complex.
Ongetwijfeld schuilt in deze conceptie veel waars. Vaak waren het ook Freuds leerlingen die verder gingen dan hun geniale leermeester. Zo schrijft deze in Totem und Tabu: "De lezer hoeft niet bevreesd te zijn, dat de psycho-analyse... in de verleiding zal komen iets zo gecompliceerd als religie uit één enkele bron te verklaren." Het feit blijft echter bestaan, dat de psycho-analyse niet in staat is een geestelijke verklaring voor cultuurverschijnselen te geven. Zoals we reeds gezien hebben, biedt Jung ons die mogelijkheid wel, doordat hij het onbewuste als een geestelijke bron beschouwt. Terecht heeft Stern opgemerkt, dat de psycho-analyse de geest zelf verdrongen heeft.
Het bestek gedoogt ons niet de volgende idee hier volledig uit te werken, maar we willen er toch even op wijzen. In orale, anale en genitale erotiek kunnen we de infantiele voorbereiding zien [135] van cultureel, sociaal en historisch besef. Er bestaat nl. verband tussen mond en cultuur (door het woord de logos), faeces en geld, voortplanting en geschiedenis. En men kan nu met evenveel recht deze jeugderotiek als een voorteken van dit hogere leven zien, als in deze hogere levensvormen sublimeringen van het lagere.
Eenzelfde redenering geldt voor de agressie. Men kan alle ergernis in het leven terugbrengen tot de Oedipale en Kains-agressie, maar men kan deze laatsten ook zien als voorboden van dieperliggende conflicten op geestelijk niveau. De strijd tegen de vader zou ook een symbool kunnen zijn van de opstand tegen God. Men hoede zich dus voor uitspraken als: "Freud heeft bewezen, dat alle godsdienst berust op angst voor de vader." Want Freud heeft dat niet bewezen en het is ook niet duidelijk hoe hij dat zou kunnen bewijzen. Men kan in de psychologie hoogstens iets aannemelijk maken. En dan moet er altijd iemand zijn, die dat aannemelijke wil aannemen.

Het blijft de grote verdienste van Jung, dat hij de dingen neemt, zoals ze op hem afkomen: hij laat zich existentieel gezeggen. Deze erkenning voor het gezag der feiten is kenmerkend voor de fenomenologische methode, die door de school van Jung wordt gebruikt. Men kan dan ook ten dele de complexe (of analytische) psychologie van Jung c.s. (soms ook psycho-synthese genaamd) beschouwen als een compromis tussen diepte-psychologie en fenomenologische psychologie. Met de eerste richting heeft ze de hypothetische visie op de ziel gemeen, met de tweede de bereidheid de psychologische feiten voor zichzelf te laten spreken.
Jung citeert graag het Talmudische woord: 'De droom is zijn eigen verklaring.' In haar eerhied voor de feiten is de fenomenologie een dochter van het positivisrne. De positivistische socioloog S. de Wolff placht altijd te zeggen: "Als ik een feit tegenkom, neem ik mijn hoed af." Ook Freud heeft - als leerling van het positivisme - groot respect voor de feiten. Hij laat ze echter de taal der psycho-analyse spreken, terwijl de fenomenoloog zich door de feiten zelf gezeggen laat. Als iemand bv. bidt, dan zal de Freudiaan dit zodanig trachten te vertalen, dat bidden iets heel anders wordt. De fenomenoloog zal bidden primair en in laatste instantie als bidden zien. En hier zijn we weer aangeland bij de wijsheid uit ons eerste hoofdstuk: uiteindelijk zijn bomen bomen, bergen bergen en rivieren rivieren.

De psychologie van Jung heeft dus meer wijsheid dan die van [136] Freud, die echter wetenschappelijk beter van opbouw is. Freud is de scherpzinnige geleerde, Jung de wijze practicus. Beiden hebben ze de moderne psychologie gemaakt tot wat ze is.
Een diagram (plaat 46) toont ons hoe Jung de ziel ziet. We wezen reeds op het verschil tussen het bewuste, persoonlijk onbewuste en collectief onbewuste. De meest bewuste kant der persoonlijkheid is de persona, de minst bewuste de schaduw. We kunnen het verschil het beste toelichten met een geval uit de praktijk:
De man met het masker
Vlak voor de oorlog vertoefde ik enige weken in het zuiden des lands, ter vervanging van een psycholoog die een reis door Afrika maakte. De meeste mensen wachtten met hun probleern rustig (of misschien wel onrustig) tot hun raadsman uit het oerwoud terugkwam, zodat ik niet te klagen had over een te drukke werkkring. Op een avond zat ik dan ook mismoedig naar buiten te kijken, met het onprettig gevoel van hier niet op mijn plaats te zijn, toen ik een man langs de lantaarnpaal voor mijn deur heen en weer zag lopen. Er waren twee dingen die me onmiddellijk troffen. In het spaarzame licht merkte ik dat hij een dierenmasker droeg - welk dier kon ik niet onderscheiden - en er was iets aan zijn schaduw dat me opviel. Het was niet de vorm, maar de beweging. Het gaf de indruk, dat hij bij iedere stap weifelde vóór of achteruit te gaan.
Deze schaduw fascineerde me. Hij onthulde me iets van het innerlijk van deze mens, dat zijn dierenmasker trachtte te verhullen. En er ging een golf van sympathie van me uit naar deze mens, die - zo concludeerde ik van achter mijn raam - een te grote gevoeligheid trachtte te verbergen achter een masker van onaandoenlijkheid.
De lezer zal zich waarschijnlijk afvragen, waarom het masker mij niet sterker trof dan de schaduw. Want alle mensen hebben een schaduw, maar niet alle mensen dragen maskers. Laat ik dan eerst even vertellen dat het carnaval was en dat het hele stadje wemelde van vermomde personages. Maar, waarde lezer, wat betreft uw stelling dat niet alle mensen maskers dragen, daar...
Pardon. Mag ik eerst even opendoen. Er wordt namelijk gebeld en het meisje is naar een hal champètre.
U raadt al wie mijn bezoeker is? Inderdaad. Een gedrongen gestalte [137] met een berenmasker op, zat een paar tellen later tegenover me. De situatie was zo ongewoon, dat op dat ogenblik zelfs de humor ervan me ontging. Ik heb sindsdien vrij wat rondgezworven en vogels van zeer diverse pluimage ontmoet, maar deze gemaskerde bezoeker overtrof alles wat ik ooit aan merkwaardige cliënten gehad heb.
"Ik kom bij u met een zeer persoonlijk probleem. Maar ik wil mijn masker niet afzetten. Ik wil niet, dat u mijn naam en functie te weten komt. Hebt u daar bezwaar tegen, dan vertrek ik weer." "Ach, als u een brief had geschreven met uw problemen, had ik u zeker ook geantwoord. Dan had ik uw aangezicht ook niet aanschouwd. Het is meer uw instelling, uw mentaliteit, die ik moeilijk accepteren kan. Als u mijn raad wilt hebben, dan dient u toch niet met een masker op te komen." De man op de stoel zuchtte zo diep, dat ik het me begon aan te trekken. Hij maakte nerveuze bewegingen en stond op het punt weer weg te gaan.
Dat was ook mijn eer te na. Had ik trouwens het recht te eisen, dat deze man al bij het eerste bezoek zijn masker zou afleggen? Waren er niet patiënten die zich lange tijd achter een masker van scepsis verborgen en had ik ooit geweigerd ze te ontvangen? Plotseling viel alle weerstandvan me af. Ja, ik zag duidelijk in dat het mijn eigen weerstanden waren, waarvan ik last had gehad. Ik betrapte me erop, dat ik gezegd had: "Uw instelling, uw mentaliteit, kan ik moeilijk accepteren." Maar daar zat ik toch juist voor om a priori de mens te accepteren met zijn hele geestelijke inventaris? Waarom dan deze mens niet? Ik kleurde diep van schaamte, want ik besefte, dat ik bang was geweest voor het masker. Doodgewoon bang. De lezer zal dit misschien overdreven vinden, maar hij moet zich even trachten mijn positie in te leven. Ik was nog zeer jong en verkeerde in een geheel vreemde omgeving. Het berenmasker met uitstekende (accent op de eerste lettergreep) tanden boezemde me niet echt angst in, maar schiep een barrière tussen mij en de bezoeker. En ik realiseerde me, dat hier de oeroude angst voor het schrik-masker zich als weerstand manifesteerde. Maar toen ik dat begrepen had, viel alle weerstand van mij af. Ik kon vrolijk lachen en de sfeer was vertrouwd. Het ijs was gebroken. "Ik zal u maar mijnheer De Beer noemen," zei ik licht spottend. "U kunt uw masker gerust ophouden." [138]
De ander 'onthulde' (letterlijk: ontmaskerde) zich nu als een gezellige Brabander. "Daar ziet u als psycholoog toch zeker zo doorheen." Ik nam de handschoen op. En ik vertelde hem het volgende: "Ik heb u al geobserveerd voor u binnenkwam. Uw masker was van een wild dier - welk kon ik niet precies zien - maar uw schaduw was aarzelend." "Waarom mijn schaduw? Waarom zegt u niet: mijn bewegingen?" "De schaduw wordt van oudsher beschouwd als iets zeer wezenlijks van de mens. Kent u het verhaal van Peter Schlemil? Dat was een man zonder schaduw. Die had hij aan de duivel verkocht. Wie zijn ziel aan dei duivel verkoopt, verliest volgens vele legenden zijn schaduw. De schaduw is onze dubbelganger. Meer nog dan de adem wordt hij door primitieven als de ziel beschouwd. Niemand kan uit zijn huid kruipen. Maar dit zou theoretisch nog denkbaar zijn, bv. in een sprookje. Men kan tenslotte ook iemand scalperen. Maar nooit kunnen we ons zelf of iemand anders bevrijden van zijn schaduw. De schaduw springt altijd mee."
"Ik heb jarenlang de schaduw van mensen geobserveerd en ontdekt, dat juist in het silhouet iets tot uitdrukking komt van het innerlijk van de mens, dat hij vaak angstvallig tracht te verbergen. U kunt het vergelijken met een karikatuur." "Is ook het masker met zijn grove afmetingen niet een karikatuur?" "Nu zijn we waar we zijn moeten. Ieder mens heeft een kant die hij de wereld toont, zijn persoonlijkheid, en een kant die hij verbergt of niet ontwikkelt. Nu zult u misschien weten, dat persona aanvankelijk masker betekent. We dragen een masker naar gelang van de rol die we in het leven spelen."
De Zwitserse psycholoog Carl Gustav Jung is bij zijn karakterbeschrijving uitgegaan van deze twee kanten der persoonlijkheid. De naar buiten gerichte zijde noemt hij de Persona, de verhulde (onontwikkelde) zijde noemt hij de Schatten. Hij vergelijkt 'persoon' en 'schaduw' met de twee kanten van de maan, omdat het steeds dezelfde kant is die we zien, terwijl de achterkant verborgen blijft.
In plaats van masker of persona spreekt men in de symboliek ook wel van de mantel der persoonlijkheid. Dit heeft aanleiding gegeven tot verschillende symbolische verhalen (Gogol, Agnon, Clifford Bax). De mens slaagt er echter niet in zo goed als de maan om steeds [139] één kant te tonen. Zijn 'ware aard', d.w.z. zijn 'andere aard' wordt door het masker zichtbaar en dan zijn er twee mogelijkheden. De beste is de persoon uit te breiden met de aspecten van de schaduw, die om erkenning vragen. Dat noemt men de integratie van de persoon.
De andere mogelijkheid is het verdringen van deze aspecten. Zo ontstaan complexen en wordt het psychische leven bedreigd met desintegratie. Deze verdringing slaagt nooit geheel. Men vreest daardoor, dat anderen toch de 'geheime intenties' zullen raden en versterkt het masker. De persona, die aanvankelijk dient om één kent van de mens te onthullen, krijgt nu hoofdzakelijk de teak om de andere kant te verhullen. Soms zet men een extra masker op, omdat het gezicht ons dreigt te verraden.
Nu hoeft de verborgen kant helemaal niet a-sociaal te zijn. Sommige mensen schamen zich ook voor hun grote gevoeligheid en veinzen dan erg ruw te zijn. Zulke mensen zetten bv. bij een gemaskerd bal een berenmasker op."

Zo sprak ik met hem gedurende twee avonden. Toen hij de tweede avond wegging was bij bijna geneigd om zich te demaskeren. Maar hij stelde me iets anders voor. "Morgenavond loop ik over de markt. Maar ik heb dan een ander masker op. Ik hen benieuwd of u me er uithaalt. Het was de derde dag van het carnaval. Ik had de weddenschap geaccepteerd. Gemaskerde figuren dromden voorbij. Vaak aarzelde ik; maar toen had ik zekerheid. Ik begaf me met snelle schreden naar een vervaarlijke faun.
"Mijnheer de Beer, als ik het wel heb?" Het masker ging af. "Dat doet me genoegen. Ik zie nu, dat u werkekijk door mijn masker heenkijkt. Toch heb ik het daar heus niet aan gezien." "Waaraan dan wel?" "Aan uw schaduw."

Persona en Schaduw zijn uitermate helangrijke begrippen voor de individuele psychologie. Voor de culturele psychologie zijn de archetypen van bijzondere betekenis. Enige jaren geleden publiceerde ik samen met Mej. J. Druk enige artikelen over dit onderwerp, waarvan ik er hier één overneem. Een enkele alinea geeft daardoor een herhaling t.o.v. de reeds [140] behandelde stof, maar wij achten dit geen bezwaar, daar het onderwerp hier in een ander licht gesteld wordt, zodat het als een nuttige aanvulling werkt.

Archetypen
Een van de overeenkomsten tussen mens en dier, hoe verschillend hun wezen ook moge zijn, is het feit dat beiden in de loop van hun ontwikkeling leren op het teken te reageren. Voor het dier is het teken ten nauwste verbonden met zijn veiligheid een met het in stand houden van de soort. Het is het 'teken' dat hem tot vlucht aanzet, het is het 'teken' dat hem tot gemeenschap drijft. De roep van de wolvin lokt de wolf, het balderen van de auerhaan lokt de hen, de eend tilt zijn vleugels op om het vrouwtje letterlijk te tonen wat hij 'in zijn schild voert', d.w.z. tot welke soort hij behoort, omdat slechts eenden met dezelfde 'spiegel' onderling paren. Zijn sociale contacten worden door het 'teken' bepaald. (Dit geeft een veel diepzinniger verklaring voor de reacties van de 'hond van Pawlow'. Pawlow zag voorbij aan het indrukwekkende feit, dat mens en dier op tekens reageren.)
Ook de mens maakt veelvuldig van het teken gebruik. Alles wat 'betekenis' heeft, is hem tot 'teken'. Het huilen van de zuigeling, het woord dat gesproken wordt, het rood van het verkeerslicht. De mens echter als drager van een cultuur kan met het simpele teken niet volstaan. De drang om cultuur over te dragen samen met de behoefte aan verbeelding van dit teken. Hij maakt gebruik van zichtbare tekenen, waarin hij de realiteit in beeld hrengt. Hij schrijft, hij tekent, hij schildert. Maar het zichtbare teken, dat toereikend is om een betekenis over te dragen, schiet tenslotte tekort waar de mens een samenhang wil duidelijk maken. Met een twintigtal beeldende woorden kunnen we wel de inventaris van een kamer opsommen, maar we hebben zinnen nodig om iemand een beeld te geven van het uiterlijk van dat vertrek. In de zin hebben de woorden eerst samenhang en wordt het beeld wederom verbeeld tot zinne-beeld, d.w.z. tot iets dat betekenis en zin (samenhang) heeft en dat we ook wel met het woord symbool (Grieks 'samenvallen') aanduiden. De taal in zijn gesproken en gesehreven vorm is het meest karakteristieke voorbeeld van een symbolensysteem.
Nergens duidelijker dan hier blijkt hoe het ene geheel van symbolen 'vertaald' kan worden in het andere systeem, zonder noemenswaard aan betekenis en samenhang in te boeten. Wiskunde, logica, chemie maken, zoals iedereen weet, behalve van de taal ook nog gebruik van hun eigen symbolensstelsels. Deze liggen [141] echter alleen op het terrein van het bewuste menselijke denken.

Pas omstreeks 1900 heeft Sigmund Freud de ogen geopend voor het feit, dat achter het bewuste menselijke denken een terrein ligt waar zich een belangrijk deel van ons psychisch leven afspeelt: het onbewuste. Het onbewuste spreekt een taal die we, evenals Engels of Frans, dienen leren te verstaan. Ook hier symbolen, wier betekenis en zin meer onthullen over het psychisch leven van de mens dan welke bewuste redenering ook. Freud heeft getracht die taal van het onbewuste te leren verstaan. Uitgaande van de overtuiging dat in de droom het onbewuste op een voor de mens te begrijpen wijze spreekt, heeft hij uitgebreide studies van dromen ondernomen. Op deze wijze heeft hij de 'taa1 van het onbewuste' leren verstaan en in zijn onderrichtingen deze droomtaal (droomsymbolen) vertaald in spreektaal (woordsymbolen).
Zijn leerling Carl Gustav Jung is nog verder afgedaald in de wereld van het onbewuste. Het is hem opgevallen dat bepaalde symbolen telkens en telkens weer, over de gehele wereld, in onderscheiden culturen voorkomen. En niet alleen in dromen van mensen vond hij deze overeenkomstige symbolen, ook in mythen, sprookjes, riten e.d. ontmoette hij ze. Op grond hiervan bouwde hij de theorie op dat de menselijke geest niet halt houdt bij de grenzen van het onbewuste, maar uit nog dieper liggende regionen put of tot nog dieper liggende regionen kan afdalen: nl. het collectieve onbewuste. Dat onbewuste, waaraan de hele gemeenschap deel heeft en dat, als het zich aan de mens kenbaar maakt, eveneens in beelden tot hem komt.
Deze oersymbolen noemt Jung archetypen. Onder deze archetypen zijn er vier die hij een overheersende betekenis toekent, omdat ze een principiële rol spelen in het leven van alle volkeren en alle mensen. Deze overheersende archetypen noemt hij imago's (beelden). Hij onderscheidt: het vader- en moeder-imago (terminologie van Freud) en het animus-(man) en anima-(vrouw)-imago. Wie in een vorig chapiter de beschouwing over de I-Tjing gelezen heeft, zal in de anima-animus-polariteit van Jung de begrippen Yin en Yang der Chinese filosofie herkennen. Volgens de Chinezen echter prevaleerden de begrippen Yang en Yin boven die van vader en moeder. Zij beschouwden vader en moeder als een combinatie van Yang en Yin en wel vader als driemaal Yang en moeder als driemaal Yin.

We geven hier eerst een verhaaltje van een vierjarig meisje, dat archetypisch zeer belangrijk is. Het is getiteld: Een gevederd meisje. [ 142]
"Eens op een keer in Engeland. lk was een kleine baby. Maar voor ik een baby was werd ik 'geboord'. En voor ik geboord werd, was ik een prinses van heel ver weg.
Ik kon vliegen. Ik had veren, en ik kon mijn verenkleed uitdoen en een mooi meisje zijn. Eens ging ik zwemmen in het water in de zee met een mooie jongen. Ik deed mijn verenkleed uit, dat ze niet nat zouden worden. Ik legde ze op een rots om ze te bewaren.
De mooie jongen stal mijn fijne veren en liep weg. Ik liep ook om hem te pakken en te slaan, omdat hij mijn veren had aangeraakt.
Hij rende zo vlug dat ik hem niet kon pakken. Hij verborg mijn veren, en ik liep naar de feeën, dat hij me niet vinden zou.
Ik bleef lange tijd bij de feeën, tot ik de mooie jongen terug wou zien. Ik wou terugkomen. Ik kwam bij mijn moeder en was haar baby. lk heb mijn mooie jongen nog niet gevonden, maar eens als ik groter ben zal ik hem vinden." Dit verhaaltje, opgetekend door Ruth Shaw uit de mond van een fantaserende kleuter gelijkt sprekend op een oud Noors sprookje.
Op grond van een nauwkeurig onderzoek is echter komen vast te staan, dat het kind dit sprookje nooit gehoord heeft. De treffende gelijkenis wordt nu verklaard uit het feit, dat zowel de schrijver van het sprookje als de fantasierijke kleuter beiden putten uit dezelfde bron: het collectieve onbewuste, en beiden spreken in dezelfde beeldtaal: de archetypen.
Ruth Shaw is vooral bekend geworden als pionierster van vingerverven (fingerpainting), een methode om onmiddellijk met de vingertoppen (dus zonder penseel) kleuren op papier te brengen. De ervaren psycholoog komt hierdoor een heleboel over het innerlijk van het kind te weten, door het hardop te laten fantaseren bij spontaan ontstane tekeningen.
Een andere methode om dit doel te bereiken is de volgende.
Men vraagt aan een kleuter, waarover hij een verhaaltje wil vertellen. Zegt deze bv. een olifant, dan schrijft men dit in zijn schrift, laat hem hierbij een tekening maken en vervolgens hardop fantaseren. De verhalen die zo ontstaan, openbaren ons de fantasiewereld van de kleuter. Ook voor diegenen, die zich met kleuterfantasie hadden beziggehouden, waren de publicaties van Ruth Shaw een grote verrassing.
Als titel van haar essay koos ze het oude gezegde: 'Uit de mond van de zuigeling hoort men de waarheid' ('Out of the mouth of Babes'). [143] Het opzienbarende artikel verscheen in The Atlantic Monthly van december 1934. We zullen nog enige voorbeelden van deze kinderfantasie vertalen. Een vijfjarige kleuter heeft het over: Verhaaltje

Ik kan geen vertel-verhaaltje maken. Waarom niet? Omdat het te moeilijk is. Urbano en George kunnen verhaaltjes vertellen, omdat zij denken dat het makkelijk is. Maar hun verhaaltjes zijn wat anders dan de mijne. Die van mij zijn geen verhaaltjes, maar alleen maar hardop dromen. lk denk ze niet uit: ze komen als dromen en als babies. Ze komen onverwachts.
Maar om verhaaltjes en babies te krijgen moet je werken. Voor verhaaltjes moet je erg veel denken; en voor babies, moet je doen wat God wil. Maar dat is iets, dat ik niet zo precies weet. Maar verhaaltjes, ik heb er veertien geschreven, of misschien wel meer.
Heel duidelijk is hier het besef aanwezig, dat de fantasie een scheppende kracht is, die heel diep in de mens zetelt. Ook het verschil tussen intuïtie en verstand komt hier tot uitdrukking.

Een andere jongen van 5 jaar geeft een dichterlijke omschrijving van: Een huis
Een huis is om in te gaan. En de deuren te sluiten. En bij jezelf te zijn. Of soms met je vriendje Jan.
Prachtig wordt hier de essentie weergegeven van een tehuis: een afsluitbare ruimte, waar de mens zich kan terugtrekken, op zich zelf kan zijn of gastvrijheid kan beoefenen, d.w.z. een ander zich kan laten thuisvoelen. Van grote literaire kracht en visie is het verhaal van een vijfjarige jongen over een oude zigeunervrouw. Vermoedelijk heeft hij haar zien liggen in haar woonwagen en fantaseert er het volgende verhaal omheen: Een spin en een vrouw

Een spin heeft kinderen. Ze spelen in de schoen van een vrouw. De vrouw ligt te slapen in het bed. De schoen staat onder het bed. Er ligt stof onder het bed. Spinnen met kinderen maken webben [144] onder haar bed, en zwaaien op de webben. Vliegen vliegen rand.
De vrouw is van het soort, dat een sjerp over het hoofd draagt.
Haar haar is ongewassen. Spinnewebben en stof er op. De nagels van haar vingers zijn afgebeten en smerig, want ze zorgt er niet voor. Haar hals is nooit gewassen. Zelfs haar huid is smerig. 't Is een echt oud wijf. Zelfs de dokters hebben haar alleen gelaten.
Ze is helemaal in de war. Haar leven was een strijd. Ze heeft een gebroken been en een duim, die ze niet gebruiken kan. Maar ze is lui en wil doen als een rijke. Ze is bedekt met vliegen.
Ze heeft alleen koud water, waar je niet schoon mee kan worden. Zelfs haar heet water is koud. Ze ligt daar laat in de morgen en de hele avond. Ze lacht naar kruimels in haar bed. Ze gilt als ze naar de spinnen kijkt, die haar uit ronde ogen aankijken. Ze beeft als ze een spinneweb aanraakt. Ze schreeuwt, ze huivert, ze haalt het mes uit de keuken om miljoen spinnen te doden, en er is slechts één spin met zijn familie. Ze denkt dat de spin groter en groter wordt, met zes poten, die handen worden met lange grijpende nagels, die als keukenmessen zijn.
De spin kruipt op de peluw en kust haar. Ze schreeuwt en dan slaapt ze. Ze is stom geworden. Ze zal nooit meer beter worden. Ze wordt al maar erger en erger. Voor haar is er geen genezing dan te sterven.

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt duidelijk tot welk een literaire uitbeelding reeds het zeer jonge kind in staat is. Maar ook blijkt er uit, dat de fantasie van de kleuter even gedifferentieerd is als die van de volwassene. Daarom is het niet voldoende de kleuter als kleuter te zien, maar ook is het noodzakelijk iedere uiting van het kind te beschouwen als een stadium op de weg naar de volwassenheid, waarbij we zowel op de verschillen als de overeenkomsten dienen te letten.
Sommige mensen staan sceptisch tegenover deze onderzoekingen. De hoeveelheid materiaal die Jung echter verzameld heeft uit drornen, verhalen, sprookjes, mythen, riten is zo overweldigend, dat twijfel op redelijke gronden niet wel mogelijk is. Jung heeft de symbolen in religie, kunst en taal diepgaand bestudeerd. In elk dezer drie cultuurverschijnselen gaat het om een expressie van de menselijke ziel in symbolen. In de religie is het de zuiver geestelijke ervaring die om expressie vraagt, in de kunst de ideële en in de taal de sociale ervaring.
Een beeld dat sterk religieus-archetypisch is, is dat van de gevederde slang. [145] De Mexicanen kenden eeuwenlang de dienst aan de gevederde slang, de godheid Quetzalcouatl. Als wijze en goede koning zou hij eens de beschaving van zijn volk tot bloei gebracht hebben tot hij door een medegod verbannen werd. Maar na zijn verbanning bleef de hoop levend, eens zou hij als heiland terugkeren. Het is deze toekomstverwachting die voor de blanken de verovering van Mexico gemakkelijk heeft gemaakt. Waar de gevederde slang in de droom optreedt, hangt hij samen met de bevrijding en de heilsverwachting der mensheid.
De I-Tjing ziet in de draak het zinnebeeld van de hemelse scheppingskracht. Wanneer iemand droomt van vechtende draken, 'spreekt' hij in zijn droom over de disharmonie van zijn scheppende potenties; hier wordt creatieve energie verspild en het onbewuste van de mens treedt waarschuwend naar voren in een taal, die men moet leren te verstaan. Vanuit het bewustzijn is de droom nooit te verklaren we hebhen altijd 'gek gedroomd'. Vanuit het onbewuste echter horen we een nieuw geluid dat verstaanbaar en begrijpelijk is in de daar geldende samenhangen.

Stelt u zich een bekwaam schilder voor, die om zijn dagelijkse brood te verdienen alleen vulgaire reclame-tekeningen maakt. Zijn creatieve functies worden hierdoor sterk aan banden gelegd en wanneer hij dan zou dromen van vechtende draken, schreeuwt zijn onbewuste uit, wat zijn bewustzijn verzwijgt. Men spreekt dan van frustatie (het niet voldoende kunnen ontplooien van bepaalde energieën). De Chinezen leerden echter reeds 3000 jaar geleden dat de mens het evenwicht dient te vinden tussen Yang en Ying, tussen creatieve en receptieve functies. Waar dit evenwicht verstoord is, waarschuwt het onbewuste in archetypische heelden. De Chinese wijzen adviseerden dan ook aan de man, die van vechtende draken gedroomd had, zich geheel op één kundigheid te concentreren, opdat de disharmonie in de creatieve (mannelijke) energie zou worden opgelost.
Wanneer we verkeren in een toestand van verminderd bewustzijn, zijn we min of meer mediamiek ten aanzien van de archetypische wereld. In deze situatie verkeren de primitieve mens en de kleuter, die nog niet aan het denken in begrippen toe zijn; in deze situatie bevindt zich de mens in zijn dromen, maar eveneens wanneer hij verkeert in een toestand van abnormale psychische spanningen, of wanneer hij staat onder invloed van bepaalde chemische stoffen. En in een toestand van religieuze exstase stijgt soms de mens boven de realiteit uit.

De verschillende wijzen waarop men kan deelhebben aan de [146] archetypische wereld pleit daarom niet tegen, maar voor de juistheid van deze hypothese. Want het niveau waarop de mens tot die wereld van oerbeelden in relatie staat wordt bepaald door het niveau waarop hij tot de werkelijkheid staat. Staat de geesteszieke anders in het dagelijkse leven dan de heilige, zo staat de eerste ook anders in de wereld der oerbeelden dan de laatste. Het is de graad van volwassenheid die de mens heeft bereikt, die bepalend is voor zijn levenshouding en voor zijn archetypische ervaringen.
Hier komen we op de centrale categorie in de opvattingen van Jung: het Zelf. Waar integratie plaats vindt, bestaat er een open contact tussen 'alle delen' van de ziel. We hebben in het vorige hoofdstuk het verband aangegeven tussen geestelijke stoornissen en de contactbreuk tussen bewustzijn en de sferen van het individuele en collectieve onbewuste. Combineren we beide inzichten dan is het voor de hand liggend, dat iedere geestesziekte een geval van desintegratie is. Ook blijkt hieruit hoe belangrijk voor de geestelijke hygiëne een levende relatie met de wereld der symbolen en archetypen is.
Jung heeft uiterst waardevolle gegevens verzameld t.a.v. de symboliek in verschillende culturen. Zeer belangrijk is het lijvige werk: Wandlungen und Symbole der Libido. Vergelijkt men evenwel Jung's publikaties met die van Suzanna Langer, dan is het verschil opvallend. A New Key to Philosophy is veel systematischer van opzet en in overeenstemming met de laatste eisen der symboolwetenschap. Het blijkt al spoedig, dat Jung de syntactische eis veronachtzaamt. Hij realiseert zich te weinig dat symbolen pas betekenis krijgen in zinvolle samenhang. G. K. Chesterton heeft het vergelijken van losse symbolen (dus zonder systematisch verband) op geestige wijze gehekeld in Orthodoxy.
Iemand onthoofden met een zwaard vertoont veel gelijkenis met de ridderslag, maar voor de betrokken persoon is het resultaat zeer verschillend. Zowel in het Evangelie als in de legende van Buddha komt de geschiedenis van een voetwassing voor, maar de strekking is in beide gevallen geheel anders. Chesterton zegt hierover: "Het opmerkelijk vinden dat in beide verhalen een voetwassing voorkomt is even dwaas als het opmerkelijk te vinden, dat Jezus en Buddha beiden voeten hadden." De wrange opmerking van de gouverneur van de Bastille: "Laat het volk gras vreten", zou men volgens Chesterton ook kunnen opvatten als de stervenskreet van een fanatieke vegetariër. [147]

Deze voorbeelden demonstreren op ironische wijze, hoe gevaarlijk het is verschijnselen als identiek te beschouwen, die een geheel andere zin hebben. De slang in de Egyptische mythologie speelt een andere rol dan die in het Paradijs-verhaal. In het Gilgamesj-epos biedt Ea aan Adapa de levensvrucht aan, maar deze weigert, bevreesd voor een list en verspeelt zo de kans op onsterfelijkheid. Inderdaad doet deze mythe sterk denken aan de geschiedenis van Adam en Eva, zelfs lijken de namen op elkaar. Maar de strekking van beide verhalen is volledig tegengesteld.
Adam verspeelt juist de onsterfelijkheid door wel te eten. Het is derhalve gevaarlijk beide verhalen onder één noemer te brengen, zonder zich te realiseren dat ze een verschillend teken hebben. Het is juist de grote betekenis der fenomenologische psychologie, dat deze het structurele verband der symbolen nauwkeurig onderzoekt. Het is daarom een verheugend verschijnsel, dat juist de leerlingen van Jung vaak aanhangers van deze methode zijn.
Door de combinatie van psychosynthese en fenomenologische psychologie komt men vaak tot opmerkelijke result Een zeer belangrijk initiatief werd genomen door Erich Wellich, die in 'Isaac en Oedipus' een Bijbelse psychologie fundeerde. Samen met R. J. Z. Werblowsky ea. heeft hij getracht tegenover de oedipale conceptie van Freud, die uit de Griekse mythologie putte, een Bijbelse interpretatie van de spanning tussen de generaties te geven. Hij koos daarvoor het bekende verhaal van het offer van Isaac en toont aan dat hier de tegenstelling tussen de generaties wondt opgeheven, doordat God als 'Dritter im Bunde' optreedt. Dat dit een kerngedachte van de Bijbel is, blijkt uit het feit dat het Oude Testament eindigt met de woorden: 'Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.'

Interessant is ook, dat de Bijbelse figuren archetypische kracht bezitten, maar bovendien levende personen zijn. Abraham is niet slechts symbool van het ware vaderschap, maar hij is tevens een historische persoon. Daardoor is hij niet slechts een archetype, maar bovenal een prototype. Het blijkt dus, dat de Bijblelse figuren een dubbele functie bezitten: zij dragen een symbolisch karakter, maar staan tevens in de geschiedenis. Wat wij hier prototype noemen, heet in de Bijbel zelf eersteling. Hieruit krijgen we ook psychologisch een dieper inzicht in de functie der heilsgeschiedenis. Heilsgeschiedenis blijkt het samengaan van historische en kosmische symboliek. Daardoor werd Abraham dan ook de [148] Vader van drie wereldgodsdiensten: Jodendom (Vader van Isaac), Islam (Vader van Ismaël) en Christendom (Vader van het geloof).
Wij mogen hieruit afleiden, dat een symbool pas kracht krijgt als het in een levende persoon geïntegreerd is. Jung zelf heeft dit duidelijk begrepen, gezien zijn uitspraak: "Slechts wat iemand werkelijk is, heeft genezende kracht."
En zo komen we weer terug bij het eerste hoofdstuk: Alle mensenkennis en levensinzicht zijn onvruchtbaar, als ze niet gedragen worden door innerlijke rijping, door authentieke wijsheid en door sterk vertrouwen. Daarom moet de psychologie telkens weer het oor te luisteren leggen bij de echte wijzen van alle tijden, opdat zij niet overmoedig zal worden op haar resultaten. Want alle wetenschap is broos als glas, maar de wijsheid is kostbaarder dan robijnen. [149]


terug naar het literatuuroverzicht






^