Jan van Ruusbroec - Die Gheestelike Brulocht

of De innige ontmoeting met Christus
Hertaling door Dr. Lod. Moreels S.J.
Uitgeverij Lannoo; Tielt, Amsterdam, 1977, ISBN 90.209.0695x

Inhoud

Inleiding
Karakterisering
Om de Brulocht gemakkelijker te verstaan
De drie 'eenheden'
Bouw van het tweede boek: over het innige leven
Schematische voorstelling van het tweede boek
Concentrische behandeling

Die Gheestelike Brulocht
Beknopte samenvatting
I. Het werkende leven
1. 'Ziet'.
2. 'De Bruidegom komt'.
3. 'Gaat uit'.
4. 'Om Hem te ontmoeten'.
II. Het innige of godbegerende leven
1. 'Ziet'.
2. en 3. 'De Bruidegom komt, gaat uit'.
4. 'Om Hem te ontmoeten'.
III. Het godschouwende leven
1. 'Ziet'.
2. 'De Bruidegom komt'.
3. 'Gaat uit'.
4. 'Om Hem te ontmoeten'.

Inleiding

Jan van Ruusbroeck
Ruusbroec leefde in de veertiende eeuw (1293-1381), toen het christelijk gevoel de gehele maatschappij nog doordrong en bij de elite ervan, als reactie op weelde en zedenlaksheid, een wijd verspreid en gevarieerd streven naar het aanvoelen van God losmaakte.
Ruusbroec stond niet te midden van een abstracttheologische strijd onder geleerden: hij voelde in de diepvrome uitingen, zowel als in de extravagante uitwassen van mystieke stromingen, de noodzaak van een 'onderscheiding der geesten', die de vaak onderontwikkelde geestelijke leiders niet altijd gaven of geven konden. Van de ene kant stelt hij de misbruiken zowel bij reguliere als bij seculiere geestelijkheid aan de kaak, aan de andere kant is het zijn diepste verlangen het naar God hunkerende volk voor dwalingen te behoeden; maar vooral het de weg naar de hoogste godsontmoeting voor te houden langs de konsekwente beleving van deugd en sacrament en in onderdanigheid aan de Kerk. Daarom schreef hij niet in de taal der godgeleerden, het Latijn, maar in de volkstaal; daarom ook waren zijn boeken en brieven geen scholastieke traktaten en evenmin dichterlijke, autobiografisch getinte ontboezemingen van eigen zielebewegingen. Wel veronderstellen zij een persoonlijke assimilatie van de kerkelijke leer en weerspiegelen zij meteen de eigen, oprechte en geslaagde mystieke beleving ervan. Zij zijn in feite een harmonische versmelting van ervaren en lerende mystiek. Zijn pastorale bewogenheid loopt als een nimmer gebroken draad door zijn naar het leven getekende typeringen en door zijn leerstellige uiteenzettingen. In het geheel ademt zijn werk, met zijn gewone en direct aansprekende schrijftrant, een aanmoedigende mildheid; daarbij wordt de compositie wel eens door een verregaande (13) losheid, maar in de Brulocht, naar Böhringer's oordeel, juist door 'een architectonische opbouw' gekarakteriseerd, waarin men hem de enkele naïefwetenschappelijke vergelijkingen uit de middeleeuwse natuurkunde graag vergeeft. Door alles heen wordt de lezer naar de hoogste sferen meegetrokken, zonder het contact met de werkelijkheid te verliezen.

Wat Ruusbroec's optreden als schrijver in beperkte mate mede heeft bepaald, waren de ketterijen die tot een geestelijke vadsigheid en - in hun extreme vormen - tot een tegenover deugd en verdienste vijandig gestemd quiëtisme en verder zelfs tot pantheïsme voerden. Deze strekkingen waren des te gevaarlijker omdat zij in sommige uitingen en in hun terminologie die van de ware mystiek benaderden of overnamen. Tegen hun valse 'ledigheid' stelt Ruusbroec de ontlediging door onthechting van zichzelf en hechting aan God: geen ware mystieke werkelijkheid zonder voorafgaande en voortgezette beoefening van de christelijke deugden van verloochening en naastenliefde; geen vereniging met God als men de invloed van genade en sacrament buitenspel zet. Tegen de pantheïsten stelt Ruusbroec steevast zijn grondbeginsel: de mens en zelfs Christus' menselijke ziel wordt, ook in de hoogste, zelfs ook in de hemelse schouwing, niet God; maar hij is gemaakt om het beeld van God te ontvangen. Dit exemplarisme - de mens is geschapen 'toe den beelde' - is zowel de positieve weg naar de hoogste mystieke vereniging als het uitsluiten van de vereenzelviging van de mens met God.
Dit hangt samen met een ander hoofdprincipe van elke christelijke - en inzonderheid van Ruusbroec's - mystieke leer: dat nl. Christus de enige Weg is, waarlangs wij tot de Vader komen in de eenheid van de Heilige Geest. (14) Door geen louter menselijke inspanning, methode of techniek komt men tot de ware godsontmoeting; maar alleen door gelijkvormigheid met de gekruisigde Christus en deze gelijkvormigheid verkrijgen wij alleen met behulp van de genade, de gratuïte zelfmededeling van God door Christus, zijn Kerk en sacramenten.
Voorzeker, Ruusbroec aanvaardt de mogelijkheid van een 'natuurlijke' mystiek, dat is een totale inkeer in eigen grond en wezen, waarin een hoge menselijke waarde kan liggen. Maar zijn mystiek staat daar geheel boven en mondt door Gods genadige tegemoetkoming en 's mensen edelmoedige medewerking uit in het minnelijk mede-deinen op de intiemste levensstroom der Allerheiligste Drievuldigheid, waarvan het volledig aanschouwen van aanschijn tot aanschijn, in het licht der glorie, voor het toekomstige leven in de zaligheid is voorbehouden.

terug naar de Inhoud

Karakterisering
Men verwachte in Ruusbroec's meesterwerk geen gedetailleerde beschrijving van zijn eigen zieleleven, met een eventueel literair verzorgd verslag van ervaringen, inspraken, verlichtingen, extasen en verrukkingen, zoals men die kan aantreffen in autobiografieën van heiligen, die de buitengewone genadegaven, bij rechtstreekse contacten met en beïnvloeding door God, vertrouwelijk voor hun geestelijke leider - of tot hulp en leiding voor de hun toevertrouwde zielen - hebben neergeschreven. Men kan vele dergelijke psychologisch uiterst interessante teksten lezen bij de heilige Teresa van Avila, Beatrijs van Tienen en talloze anderen, waarvan de omvangrijkste bloemlezing wel te vinden zal zijn bij P. Aug. Poulain S.J., Des graces d'oraison, dat op het gebied van het contemplatieve gebed een ongeëvenaard aanzien heeft genoten in de eerste helft van onze eeuw.
Ruusbroec schreef niet uitsluitend noch wellicht op de (15) eerste plaats om mystieke zielen op hun verheven wegen te begeleiden (merk toch in zijn Spieghel de bedoeling zijn penitente te waarschuwen om zich op geen hogere weg te wanen dan werkelijkheid was: zie Een Spieghel der eeuwigher salicheit, III, 133, 14vv). Ook schreef hij geen volledig handboek over de mystieke theologie. Zijn bedoeling was bescheidener en veeleer er op gericht om eenvoudige, oprechte en vrome zielen te helpen in hun ontwikkeling en ze een duidelijke schets van de verschillende fasen en wederwaardigheden van een leven met en in God voor te houden. Tegelijkertijd waarschuwde hij ze voor ketterse tendensen, die in zijn tijd en milieu in de lucht hingen, strekkingen naar een leven van geestelijke werkeloosheid (ledigheid) en ongebonden vrijheid door verzinking in eigen grond i.p.v. in God.
Het heldere inzicht in eigen zielebewegingen en het apostolische verlangen ze ook voor anderen tot een onuitputtelijke bron van dank en lof aan de heilige Drieëenheid te maken door Christus, de Bruidegom, die bij zijn menswording de mensheid trouwde, bracht Ruusbroec ertoe op het raamwerk van de psychologische structuren in de mens, zijn drievoudige, telkens fijner geweven lering op te zetten tegelijk over
- het werkende element van alle geestelijke leven, dat voor allen noodzakelijk is,
- daarna over het aan velen daarboven eigen innige of God-begerende leven en
- ten slotte over het door zijn verhevenheid en 's mensen ontoereikendheid slechts voor enkele door God bijzonder uitgenodigde en bevoorrechte zielen voorbehouden godschouwende leven.

terug naar de Inhoud

Om de Brulocht gemakkelijker te verstaan
Ruusbroec wil de mensen van zijn tijd praktisch en inzichtelijk leiden bij hun opgang naar God. Hij gaat er (16) van uit dat deze opgang bepaald wordt door de natuurlijke structuur van de mens zelf en de geleidelijke bewustwording van de zich door de genade ontplooiende menselijke psychologie. Zo ontdekt hij, in aansluiting met de traditionele spiritualiteit, dat deze opgang langs drie fasen verloopt en daarom werkt hij zijn plan uit volgens een driedeling, die, zoals de inhoudsopgave reeds duidelijk aantoont, de grootse uitbouw van de Brulocht beheerst. Deze driedeling steunt nl. op de onderscheiden drie 'levens':
- het werkende,
- het innige of godbegerende en
- het godschouwende leven.
En de grond van deze driedeling ligt in de voormelde psychologische structuur van de mens.

1 Als stoffelijk wezen door zijn lichamelijkheid, komt de mens in betrekking met de omringende kosmos. Die lichamelijkheid is echter geen loutere stoffelijkheid, wegens de vereniging met en de bezieling ervan door de geestelijke ziel, welke in haar functie van 'des lijfs forme', bestaansbeginsel van het lichaam, de dierlijke krachten - begeren en afweren, 'begheerlijcke' en 'tornighe cracht' - door haar zg. lagere vermogens, dat is rede en vrije wil, bedwingt, ordent en beheert, binnen het geheel dat men het 'werkende leven' kan noemen, zoals het eerste boek dat beschrijft.
2 Diezelfde ziel heeft ook een hogere functie boven de stoffelijkheid verheven, waardoor zij, naar Ruusbroec's terminologie, 'geest' is. Als 'geest' kan de ziel denken, willen en het gekende ook bovenzinnelijk, in de memorie (geheugen) vasthouden. Het geestelijk zien en het ontmoeten van God in 's mensen inwendigheid op velerlei vlakken en de daaraan beantwoordende activiteiten van deugdbeoefening en gelatenheid in het lijden, geven de mens een 'innig leven', dat in talloze schakeringen in het tweede boek geschetst wordt.
3 Ten slotte heeft de mens, die door God geschapen is, een onlosmakelijke schepselverhouding tot God en draagt (17) hij door zijn aan de geest ontspringende hogere vermogens een ingeschapen 'ghelijc' of nabeeld van God zelf met de daarbij onverwoestbare drang naar vereniging met zijn Oerbeeld in God. Wegens de absolute en unieke grootheid van God kan die drang alleen volledig worden bevredigd door een vrij initiatief, een 'tegemoetkoming' van God zelf. Dit onderschraagt de totale activiteit van de mens, maar wordt formeel en uiteindelijk slechts ervaren in de bewuste vereniging van de ziel met Gods drieëne wezen, zoals deze in het derde boek over het 'godschouwende leven' wordt ontwikkeld. De volledige realisering door de zaligmakende aanschouwing van God is voor het eeuwige leven voorbehouden, maar in het gaaf ontvouwde geestelijke leven van de mens op aarde - 'in den weghe' - komt dezelfde structuur tot ontplooiing.

Deze drieledige psychologische structuur van de mens in drie trappen, dient als grondslag voor Ruusbroec's behandeling van het geestelijke leven. Het steunt op wat hij noemt de 'drie eenheden' (zie verder), die bij elk der drie 'levens' een, zij het ook onderling verschillende, rol spelen. In het werkende leven schuilt reeds, amper of helemaal niet bewust, maar noodzakelijk, het innige leven, ja het godschouwende (nl. door de heiligmakende genade), maar dit slechts van verre, 'exercite' (wel bezeten maar niet gevoeld); het wordt stilaan vaster in de ziel geankerd, bijzonder door de min of meer volmaakte beoefening van de zuivere mening. In het 'innige leven' blijft, met het uitgaan uit zichzelf de Bruidegom tegemoet, een werkend deugdenleven bestaan en licht reeds iets van het godschouwende op met groeiende kracht, vooral in de innigste fase ervan; en in het godschouwende verflauwen noch de deugdbeoefening van het werkende leven, noch de toeleg op de innigheid, vooral de minne, van het godbegerende leven, al is dit godschouwende leven in zijn specifiek passief aspect gezien ('precisive') louter rust en genieten, maar (18) steeds 'in bande der Minne' (de Heilige Geest).
Het overstijgt de inhoud van het werkende en innige leven: "waar het verstand buiten blijft, gaat minne en begeerte binnen"; maar dit overstijgen is geen vernietiging of verwaarlozing, eerder de hoogste vervolmaking van de minne.
Omdat hierin de 'drie eenheden' waarover Ruusbroec voortdurend spreekt, een doorslaggevende rol spelen, zowel bij de beschrijving van de onderscheiden 'komsten' als van de verschillende 'ontmoetingen' met de Bruidegom in de ziel, laten wij hier een bondige verklaring volgen van Ruusbroec's leer hieromtrent.

terug naar de Inhoud

De drie 'eenheden'
'Eenheid' is hier zoveel als eenheidsbeginsel, grond waarin verscheiden activiteiten of vermogens inzijn, uitvloeien, terugneigen en steeds inblijven (150, 201; vert. 159, 269). Ruusbroec onderscheidt in de mens drie 'eenheden': de 'eenheid', die wij tegenover God door de schepping en instandhouding onverliesbaar bezitten: een tweede 'eenheid', die Ruusbroec de 'eenheid der hogere vermogens' noemt; en de 'eenheid des harten' of 'eenheid der lijflijke (lichamelijke) krachten'.

1. De eerste 'eenheid' of 'ening', nl. die met God, is een zeer speciale, want zij verenigt het schepsel met God. Zij is natuurlijk ook van en in ons, maar Ruusbroec voegt daar onmiddellijk aan toe: "zij is boven ons", dat is in God. Het is geen absolute eenheid in de zin van identiteit, maar een eenheidsverhouding en wel de meest wezenlijke, dat is die waardoor wij, om ons geschapenzijn 'in God hangen', de eenheid, zonder welke wij in het niet vervielen. Deze 'eenheid' ontstaat, doordat God ons schept 'van niets', wat van onzentwege een bijzondere, geheel unieke band van afhankelijkheid, van 'inhangen' of 'inzijn' meebrengt, waardoor ons wezen geheel en al (19) van God afhangt en 'in God hangt': zij ontstaat door de scheppingsdaad en blijft door onze instandhouding, dat is door de ononderbroken scheppingsrelatie van ons wezen tegenover God. Zo kan Ruusbroec zeggen, dat deze 'eenheid' wel in ons is, maar in zekere zin ook 'boven onszelf' en wel 'in God'. Deze 'eenheid' is derhalve volstrekt geen identiteit, zij is een verhoudings of relatie-eenheid.
Zo schrijft P. Ampe: "Het gaat niet om een unio substantialis naar de terminologie der scholastieken, waarin de termen der unio één substantie zijn of worden... De eeninghe geschiedt van wesen tot wesen... en "het wesen der sielen (is) niet de essentia naar de scholastieke terminologie, maar de ontvankelijkheid der ziel voor het transcendente inwerken Gods, dus in linea operationis"; blz. 112 ...in het geschapene (is) wesen mogelijkheid en ontvankelijkheid der ziel om Gods wesen van God zelf in puur liden te ontvangen in middelloze eenicheit"; en blz. 113: "Ruusbroec is niet bekommerd om het 'wesen' der ziel als ontologisch gegeven te beschouwen, maar alleen om de mogelijkheid in het licht te stellen, die het wesen biedt om God... te vatten". (20)

2. De tweede eenheid is de 'grond der hogere vermogens' (memorie, verstand en wil). Deze 'eenheid' is dezelfde als de eerste, maar hier beschouwt men ze van een ander standpunt. Het wezen immers is "onafscheidelijk wezen en activiteit waarin God zich onverdeeld met zijn 'wezen' en 'werc' aanwezig stelt".
- In de eerste en hoogste eenheid wordt ze, zoals Ruusbroec dat uitdrukt 'weselijc' beschouwd,
- in de tweede integendeel 'werckelijc' (werkzaam).
- In de eerste beschouwen wij het wezen op zichzelf genomen en als afhankelijk van Gods scheppingsakt,
- in de tweede ditzelfde wezen en diezelfde eenheid als bron van de hogere zielewerkzaamheid;
- in de eerste het blote 'zijn', zoals het in God hangt,
- in de tweede ditzelfde wezen als grond en oorsprong van de hogere vermogens.
En hier, zegt Ruusbroec, noemt men de ziel (het levensbeginsel) met de speciale naam: 'geest'; want dit is de grond, waaruit wij het vermogen bezitten om te denken, te willen en het gekende te bewaren (memorie).

3. De derde eenheid noemt Ruusbroec die der 'lijflijcke' (lichamelijke) krachten of vermogens: zij heet ook 'eenheid des harten', omdat hij het hart als bron en oorsprong van het lichamelijke leven opvat. Hier noemt men de ziel eenvoudig 'ziel' omdat zij de mens 'bezielt' in tegenstelling met de 'geest', die hem in staat stelt zich naar God toe te keren. Die ziel, formeel als bestaansvorm en beginsel van het lichaam beschouwd, moet de lichamelijke krachten die onder de twee voornaamste en samenbundelende hoofdingen van begeerte en afkeervermogens ('begheerlijcke ende toornighe crachte') kunnen worden ondergebracht, ordenen en besturen door haar rede en vrije wil, die in dit verband de lagere krachten of vermogens genoemd worden, in tegenstelling met de hogere (21) vermogens die bij de eenheid van de geest ressorteren (zie 2): deze laatste wortelen in de ziel als 'geest', dat is in de 'eenheid der hogere vermogens' en zij overtreffen de lagere, omdat zij in staat zijn bovenlichamelijke en onstoffelijke waarden te vatten en te realiseren.
Deze eenheden zijn dynamisch en niet alleen statisch op te vatten; d.w.z. zij zijn geen onbeweeglijke gegevens: zij komen uit God en uit hun respectievelijke gronden gevloeid en keren daarin ook terug. Er is een voortdurende, in hun wezen gegrifte toeneiging om in de eenheid, waaruit zij vloeiden, terug te keren. Zo zegt Ruusbroec niet alleen, dat de mens neigt om naar God te gaan, omdat hij 'in God hangt'; maar ook dat de vermogens 'hangen in hun grond' of eenheid en pas daarin 'rusten' dat is tot volmaakte bevrediging komen.
De drie 'eenheden' staan ook niet los van elkaar: zij zijn één leven en één rijk; en zij zijn in alle mensen 'van nature' en in de goede (dat is 'rechtvaardige', in de bijbelse betekenis, of ook christelijke) mensen ook 'overnatuerlijcke', dat is op genadig verleende, onverdiende wijze.

4. Over het 'bovennatuurlijk' bezit van deze eenheden
Geheel Ruusbroec's mystiek berust erop, dat de mens ten slotte God in het wezen van zijn ziel (in de 'wezenlijke' eenheid) zal ontmoeten (de hereniging). Maar de louter natuurlijke mystiek kan slechts tot deze eigen wezensgrond doordringen zonder God als Triniteit in Zich te bereiken: want daarvoor is een 'genade', een vrij initiatief of tegemoetkoming van God nodig, waardoor Hij Zich vrij wil openstellen en mededelen. Over de verschillende graden van het inwendige leven loopt deze genadeaanbieding en dit zelfmededelen van God; maar alleen in het godschouwende leven ontvangt men de openbaring van God in zich zonder middel. Deze zieleopgang of hoe de ziel 'bovennatuurlijk' moet 'gesierd' (ontwikkeld) worden, beschrijft Ruusbroec in de Brulocht. En daarvoor gebruikt hij zijn (22) wijsgerigtheologische leer van het exemplarisme. Wij laten hiervoor P. Reypens aan het woord in zijn Inleiding op de uitgave van de Brulocht, blz. xli: "Dieper dan de eigen wezenheid kan zijn, wordt voor Ruusbroec de zielegrond door een wijsgerigtheologische theorie, die hij niet de eerste heeft opgevat, maar die hij in zijn mystiek tot de hoogste ontwikkeling heeft gebracht, de theorie van het exemplarisme of goddelijke oorbeeldelijkheid. Gelijk het kunstwerk in de kunstenaar is door het ontworpen kunstbeeld, zo is in God en meer bepaald in het Woord Gods als Wijsheid des Vaders, de mogelijkheidsgrond en het idee van al het schepbare en geschapene, van de ziel in het bijzonder. In zover dit idee der ziel een idee van het Woord is, is het, gelijk al wat in het Woord is, God zelf en oneindig en leeft het, met en door het Woord, heel het goddelijk Drieëenheidsleven mede. Dit is het leven dat wij naar Ruusbroec's uitdrukking boven onszelf en zonder onszelf hebben in God. Meermalen moeten wij bij de lezing van Ruusbroec ons deze duidelijke uitdrukkingen herinneren om de Meester in zijn eigen zin te lezen en hem niet, gelijk maar al te dikwijls gebeurd is, een strekking te onderschuiven die hem totaal vreemd is, de pantheïstische. Waarom hij dit leven buiten en boven ons dan toch nog het onze blijft noemen, heeft zijn grond hierin, dat - door het feit dat wij naar ons Oerbeeld in het Woord zijn geschapen en door de genade naar de gelijkenis van het enige Zoonschap van het Woord werden opgevoerd, om eenmaal in het volle leven en de volle Genieting van dat enige Zoonschap mede te leven - de grond van ons bestaan en ons leven niet zozeer ons eigen diepste wezen is als het Woord zelf, waaraan wij hangen en waarnaar wij door de genade toeneigen. Bij zoverre, dat wij in de huidige orde alleen in het bereiken van het Oerbeeld onze totale bevrediging nog kunnen vinden: uiteindelijk door de zalige schouwing; in de hoogste mystieke begenadiging van het (23) godschouwende leven reeds op voorhand, al blijft het op onvolmaakte, voorbijgaande wijze".

terug naar de Inhoud

Bouw van het tweede boek: over het innige leven
Ruusbroec heeft de Brulocht sterk 'architectonisch' uitgebouwd, naar het reeds aangehaalde woord van Böhringer. De indeling in werkend, innig en godschouwend leven wordt gecombineerd met een doorlopende toepassing van het schriftwoord: "Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit, Hem tegemoet" (Matth. 25, 6), Uit de parabel van de wijze en dwaze maagden of bruidsmeisjes. De complexiteit echter van de beschreven realiteit, de opgang van de ziel tot in de hoogste mystieke regionen brengt met zich mee, dat de redactionele uiteenzetting zware spanningen moeilijk laat vermijden.
Er is nl. de geleidelijke organische ontwikkeling van het geestelijke leven zelf, dat de totaliteit van de mens van laag tot hoog omvat; er zijn de verscheidene fasen van groei en beleving, die alle tot hun recht moeten komen. Daarin zelf is al aandacht gevraagd voor de ingewikkelde verhoudingen van de mens tegenover zichzelf, de buitenwereld en God, die Ruusbroec omschrijft in de hiërarchische structuur van de drie 'eenheden', die in natuur en bovennatuur gegrondvest zijn en zich op alle vlakken doen gelden en hun ontwikkeling vinden in de organische ontplooiing van de drie 'levens' van het éne geestelijk leven.
Een dergelijke complexiteit vergt voorzeker veel compositievermogen en een echt meesterschap van gedachten en uiteenzetting. Men kan dan ook zeggen dat Ruusbroec zijn taak op werkelijk meesterlijke wijze heeft volbracht. Dit houdt evenwel in dat de lezer de nodige aandacht (24) voor gedachtengang en compositiestructuur moet weten op te brengen. Om hem hierbij te steunen hebben wij - grotendeels naar de ondertitels van P. Reypens, maar niet overal - een bijzondere zorg besteed aan het blootleggen van de organische geledingen in de teksten, evenals in de uitvoerige inhoudstafel.

Wel willen wij wijzen op een bijzonderheid in het plan van het tweede boek: over het innige leven. Dit boek beslaat bijna de twee derde van heel de Brulocht en bevat de fundamentele leerstellige grondprincipes van het geheel. Om de uiteenzetting wegens zijn thema-indeling niet al te zeer op te splitsen, is Ruusbroec, zo kunnen wij zeggen, tweemaal van zijn vooropgezette plan afgeweken. Dit toont ons volgend schema van dit boek, waarin wij meteen dit gedeelte van de inhoudstafel overzichtelijker maken. (25)

terug naar de Inhoud

Schematische voorstelling van het tweede boek

Deel I: 'Ziet'
Voorwaarden om geestelijk te zien en de fundamentele structuur der ziel: de drie 'eenheden'.

Deel II en III: 'De bruidegom komt; gaat uit'
Beschrijft de komst en medewerking door de mens, alsook de hinderpalen die te overwinnen zijn.

Eerste komst in de eenheid des harten op vier verschillende wijzen:
eerste wijze: gevoelige vertroosting (151-156)
tweede wijze: overmaat van vertroosting (156-160)
derde wijze: machtige optrekking tot God (160-167)
vierde wijze: verlatenheid (169-175)
Sluit met: voorbeeld van Christus (175178).

Tweede komst in de hogere vermogens
1 in de memorie door eenmaking (179-180)
2 in het verstand door verlichting (180-183)
3 in de wil door intrekking (183-188)
Sluit met: voorbeeld van Christus (189).

Derde komst in de eenheid van de geest
Hoe God inwerkt van binnen uit door zijn 'gerinen'
de top hiervan: het innigste leven (191-201).
(26)

Deel IV: 'Hem tegemoet'
Aanwezigheid in de natuurlijke orde:
'zonder middel' door de instandhouding (tot Gods beeld gemaakt) (202)

Ontmoeting in de bovennatuurlijke orde:
'met middel' door de genade (tot Gods gelijkenis) (204)
'zonder middel' door Gods inwoning.

Hoe God ons hierbij tegemoet komt door de zeven gaven van de H. Geest (210)
[In het werkende leven: door de gaven van vrees, mildheid en kennis (210-212)]
In het innige leven door de vier overige gaven en wel
- voor de eerste komst en de twee eerste wijzen ervan, door de gave van sterkte; voor de twee hogere: de gave van raad
- voor de tweede komst de gave van verstand, die inwerkt op de memorie, het verstand en de wil
- voor de derde komst de gave van smakende wijsheid (221) en dit zowel
- werkzaam door het 'gerinen' ('met middel') als wezenlijk ('zonder middel').
Dit maakt de overgang van het innigste tot het godschouwende leven. (27)


Dit schema laat de dubbele afwijking zien in het innige leven van de strenge opbouw van het geheel:
- de eerste: het samen ontwikkelen van deel II en III, i.p.v. afzonderlijk zoals in de twee andere boeken;
- de tweede: de hier tussen [ ] gestelde excursus over het werkende leven, weliswaar verantwoord aangebracht door de behandeling van de zeven gaven van de Heilige Geest.
De gaven van de Heilige Geest werden reeds vernoemd (195) n.a.v. het 'gerinen', maar hier (210-222) worden zij als redactienorm genomen voor de beschrijving van 'de ordene ende grade' van deugd en heiligheid, die feitelijk het gehele werkende en innige leven overschouwt en die door de dubbele beleving van de gave van wijsheid ('werkelijk' en 'wezenlijk') de overgang naar het godschouwende leven aanbrengt.

terug naar de Inhoud

Concentrische behandeling
Wij willen de lezer nog attent maken op een bijzonderheid van Ruusbroec's methode, die alleen uit het grondige bezit van zijn volledige geestelijke visie kan worden verklaard: nl. hoe hij reeds vóóraf zekere termen en begrippen aanwendt, die pas geleidelijk in hun volheid zullen blijken en aanspreken. Het is zijn concentrisch componeren. Wij bedoelen in het bijzonder sommige van zijn leerstellige synthesen, zoals op de eerste plaats die betreffende de inlichting van Gods genade. Men lette b.v. op enkele teksten.
De eerste op blz. 144v (vert. 147), waarin onder de voorwaarden om geestelijk te kunnen zien, het einddoel reeds wordt vooropgezet: de ziel moet zich 'ontcommeren' om te worden 'vervlietende' in de eenheid Gods en de eenheid der gedachte, met het doel de hogere eenheid Gods bovennatuurlijk te bezitten: want daartoe is de mens geschapen en is God zelf mens geworden, ja zelf de 'weg' naar die eenheid en is Hij gestorven opdat wij die zouden bezitten.
In de daarop volgende bladzijden werkt Ruusbroec de fundamentele begrippen van de drie 'eenheden' uit (145 vv; vert. 147 v), die wij natuurlijk bezitten en bovennatuurlijk door de genade moeten ontwikkelen. Dieper (28) dringt hij door in het geheim van 's mensen begenadiging binnen de verschillende 'eenheden': in de eenheid des harten (150-175; vert.157-215), in de eenheid der hogere vermogens (178v; vert. 221) en in de eenheid van de geest (innigste en godschouwend leven).
Een eerste verdieping vinden wij waar hij het 'invloeien' van de genade in de hogere vermogens beschrijft als een fontein met drie rivieren: memorie, verstand en wil.
Een verdere allerbelangrijkste en verrijkende verklaring geeft hij bij de behandeling van de derde komst in het innige leven (194 v; vert. 255 v), waar de invloed van de genade in de eenheid van de geest wordt vergeleken met de invloed van het 'primum mobile' op het stoffelijke heelal, om het 'werkelijk' aspect van de genade-oorsprong aan te duiden en bij de ader, die de fontein moet voeden wil zij niet uitdrogen, om het 'wezenlijk' aspect te verduidelijken van het 'gerinen' of de diepste beïnvloeding van de ziel door Gods aanroeren (196 v; vert. 296 v).
Dit voorbeeld kan men ook met andere aanvullen, b.v. hoe Ruusbroec geleidelijk het begrip uitdiept van de eenvuldige, zuivere mening (o.a. 220; 241 enz.; vert. 133; 287-293; 311 v; 357); of de leer over de zeven gaven van de Heilige Geest (o.a. 195 en 210-226, vert. 257 en 288-323).
In het godschouwende leven ten slotte, beschrijft Ruusbroec hoe het in de eenheid van de geest inschijnende licht de Zoon Gods zelf is, die de ziel, die Hij uit eigen vrije wil daartoe verheft, deelachtig maakt aan Gods licht en liefde (240 vv; vert. 355 v).

De hierna volgende Samenvatting hebben wij zo opgesteld, dat zij de lezer voldoende inzicht geeft in de algemene samenstelling van Ruusbroec's meesterwerk. Samen met de enkele hier in de inleiding behandelde grondlijnen van Ruusbroec's antropologie, zal zij de lezing vergemakkelijken, maar de lezer niet ontslaan van een aandachtig vergelijken van de moderne tekst met de originele. Want het is ten slotte het doel van de hertaling niet (29) zozeer Ruusbroec bij de tijd te brengen - hij stond ook boven zijn tijd - als wel onze naar geestelijke verdieping hunkerende tijdgenoten bij Ruusbroec zelf in een persoonlijk contact te brengen, opdat de goede prior hen, met zijn eigen gemoedelijke en tevens diep doordachte taal, de geheimen van het christelijke deugdenleven, van het inwendige verenigingsleven en, als God het geeft, van het godschouwende leven mededele.

Heverlee, Pasen 1977 - L. Moereels, S.J. (30)

terug naar de Inhoud


Die Gheestelike Brulocht

Beknopte samenvatting

In de voorrede, waarin de schepping van de mens, de zondeval en Gods reddingsplan in vogelvlucht worden overschouwd, kondigt Ruusbroec zijn algemene thema aan: hoe de mens, door God geschapen met een ingeboren neiging naar God, Hem door Christus de Bruidegom, tegemoet zal gaan met waakzaamheid in een werkend, een innig en een godschouwend leven. Hij neemt daarvoor als kernspreuk de uitroep uit de parabel van de wijze en dwaze maagden (Matth. 25, 6), waarin hij de indeling van zijn uiteenzetting aanbrengt: 'Ziet - de Bruidegom komt - gaat uit - om Hem te ontmoeten'.

terug naar de Inhoud


I. Het werkende leven

1. 'Ziet'. Om geestelijk te zien is het licht van Gods genade nodig. Deze wordt aan allen aangeboden door de 'voorgaende gracie' alsook, bij involging daarvan, door de heiligmakende genade, de 'karitate' (charitas), die de 'voncke' der ziel of haar grondneigen naar God in werking stelt. Die genade is een bovennatuurlijk licht, dat als het gevolgd wordt door onze vrije toekeer (bekering) en bewaard door de zuiverheid van geweten, ons waarlijk geestelijk ziende maakt.

terug naar de Inhoud

2. 'De Bruidegom komt'. Ruusbroec onderscheidt drie 'komsten' van Christus:
- een komst in het verleden: de Menswording van God in de Maagd Maria,
- de dagelijkse komst in de ziel van de gelovige en
- de uiteindelijke komst bij het Laatste Oordeel.
Heerlijke bladzijden schrijft hij over het 'waarom' en het 'hoe' van de eerste komst, dat is van de Menswording en de wijze waarop deze voor ons een voorbeeld is van ootmoed, karitate en geduld in het lijden tot de bittere dood. De dagelijkse komst helpt ons in onze geestelijke nood en openbaart Gods mildheid en barmhartigheid. Ootmoed is (31) als een dal, dat van beide kanten de weerkaatsing van de zon op de hellingen opvangt en in de laagte rijke vruchten voortbrengt. Die komst geschiedt door de genade en de sacramenten, vooral de eucharistie. De derde komst bij het oordeel wordt vrij uitvoerig behandeld, het 'waarom' van tijd en wijze, het redelijke ervan, de verschillende kategorieën van mensen die het zullen ondergaan, waarbij Ruusbroec als middeleeuwer streng is voor heidenen en ongelovigen, maar het strengst nog voor de christenen, die hun doopbeloften met voeten treden.

terug naar de Inhoud

3. 'Gaat uit'. Dat is: beantwoordt deze komst door een leven van gerechtigheid. Hier ontwikkelt Ruusbroec zijn deugdenleer, door als het ware (Jordaens, zijn vertaler, drukt het zo uit) de 'genealogie' of stamboom van de deugden te schetsen, van ootmoedigheid als grondslag over gehoorzaamheid, verloochening, geduld, zachtmoedigheid, goedertierenheid, medelijden, mildheid, deugdijver, soberheid, matigheid en zuiverheid tot de bekroning door een volledige gerechtigheid. Dit veraanschouwelijkt hij in het beeld van een aards rijk onder de kroon en scepter van de liefde.
terug naar de Inhoud

4. 'Om Hem te ontmoeten'. Opmerkelijk is dat de ontmoeting met de Bruidegom niet wordt uitgesteld tot de top van het godschouwende leven! Ook hier in het 'werkende leven', dat toch hoofdzakelijk tot nog toe als een 'deugdenleven' beschreven werd (het uitgaan naar zichzelf, naar de naaste en naar God), geschiedt reeds wat in de andere 'levens' ook het toppunt zal zijn, hier echter vanzelfsprekend in een lagere graad van bewust ervaren, maar niet minder werkelijk en in geloof te beoefenen: nl. de ontmoeting met de Bruidegom.

Aanmoedigend klinkt Ruusbroec's bemerking (blz. I, 138; vert. 131 v): "In deze ontmoeting met de Bruidegom is heel onze zaligheid gelegen"; en tot verbazing van de oppervlakkige lezer voegt hij er onmiddellijk aan toe: "(deze ontmoeting) is begin en einde van alle deugden", (32) ja, "zonder deze ontmoeting werd nooit enige deugd beoefend".
En daarop volgt een kernthema van alle christelijke leven, dat Ruusbroec bijzonder dierbaar is: de weg naar een zo volmaakte ontmoeting is de zuivere mening: positief, door God in zijn gedachte, althans impliciet, te houden, negatief door elke bijbedoeling die er niet mee strookt uit te sluiten en uiteindelijk door reeds op initiaal mystieke wijze in God te 'rusten' boven alle deugdelijke werk, waarin eigenlijk de (volmaakte) akte van liefde wordt verwezenlijkt.
De overgang naar het innige of godbegerende leven geschiedt, wanneer wij boven het stellen van deugdakten en een voorbeeldig gedrag meer beginnen te verlangen naar het kennen van Hem, voor wie wij leven en werken. Dit stelt Ruusbroec voor in een fijnzinnige toepassing van de tekst over Zacheus die verlangde de Heer te kennen en te zien 'wie Hij was'. Dit zullen wij bereiken door meer aandacht te schenken aan het 'waarom' van onze daden.

terug naar de Inhoud


II. Het innige of godbegerende leven

In het tweede boek herneemt Ruusbroec hetzelfde thema als plan van zijn uiteenzetting over het innige leven in vier elementen.

1. 'Ziet'.
Kort worden de voorwaarden voor het innige zien geschetst: Gods hogere genade; uitzuivering van ons oog door ontbeelding van ons 'hart'; opgang van wil en geest naar de 'eenheid Gods'.
Uitgaande van dit laatste kernbegrip ontvouwt Ruusbroec de grondinzichten van zijn antropologie en de hoofdstructuren van zijn psychologie. Op het natuurlijk vlak (33) beschouwt hij in de mens drie 'eenheden', nl.
- de eenheid in God (ook 'wezenlijke' eenheid geheten);
- dezelfde eenheid, maar nu beschouwd in haar werkzaamheidsfunctie, nl. de grond of 'eigendom' van de hogere vermogens of van de geest (memorie, verstand, wil); en ten slotte
- de 'eenheid van het hart', die de lagere vermogens en lichamelijke en zintuigelijke krachten omvat (zie Inleiding).
Vervolgens beschrijft hij, hoe deze natuurlijk in de mens aanwezige 'eenheden' ook bovennatuurlijk worden 'gesierd' (ontwikkeld) en wel in de eenheid des harten door de beoefening van de zedelijke deugden, in de eenheid van de geest door de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde en in de derde, dat is in de wezenlijke eenheid 'waar de geest geënigd wordt met God zonder middel', door de zuivere mening en door, boven die mening te rusten in de aanwezige God.

Na deze belangrijke, meer theoretische, uiteenzetting verklaart Ruusbroec nu hoe wij, boven het werkende leven uit, ons kunnen voorbereiden op de beoefening van het innige leven, door te volbrengen wat Christus in ons spreekt, nl. 'Ziet'.
Dit 'spreken' van Christus in de ziel, zegt hij, is 'een binnenvloeien van zijn licht en genade en dit licht of deze genade 'valt in de eenheid der hogere krachten'. De verlichting valt inderdaad niet van buitenaf op de mens, maar welt van binnen uit in hem (148; vert. 155). Dan herneemt hij de drie voorwaarden voor elk geestelijk 'zien' en beschrijft ze als factoren van de echte innerlijke verlichting, waartoe Christus de ziel uitnodigt.

terug naar de Inhoud

2. en 3. 'De Bruidegom komt, gaat uit'.
Bij de nu volgende uiteenzettingen van de 'toekomsten' van Christus wordt meteen telkens de daarbij passende beantwoording van de ziel aangebracht, zodat deel 2 en 3 hier samen worden behandeld. (34) In de totale verwezenlijking van het innige leven onderscheidt Ruusbroec, volgens zijn hiervoor verklaarde opvatting over de drie 'eenheden', in de mens drie 'toekomsten', die hij hier schetsmatig vooraf beschrijft, om ze verder bij iedere nieuwe opgang in het geestelijke leven uitvoeriger uiteen te zetten. Zo is er eerst de komst van Christus in de eenheid des harten, waarbij 'hert' ook 'eyghendom der lijflijcker crachten' heet en die Ruusbroec 'die nederste eenicheit' noemde. Deze eerste komst betreft het wijde gebied, dat beheerst wordt door de rede en de wil in hun gevarieerde verbondenheid met de lichamelijkheid en zintuigelijkheid.
De tweede komst is een invloeien van goddelijke gaven en gunsten vanuit de eenheid der hogere vermogens en deze gaven vordert Christus met woeker terug: zij moeten terugvloeien in de eenheid, waaruit zij gevloeid zijn. In deze 'oefening' wordt de ziel veel meer God-gelijk dan in de eerste.
De derde komst is het 'gherinen' (aanroeren) diep inwendig in de eenheid zelf van de geest, waarin de hogere vermogens wortelen, uitvloeien en wederom terugvloeien en steeds inblijven door de band van minne.
Volgen wij Ruusbroec nu in het beschrijven van deze komsten met de telkens verlangde reactie of beantwoording, dat is het 'uitgaan'.
De eerste komst, spreekt de psychosomatische krachten van de mens aan en in het bijzonder de 'begeerlijke' krachten; waaruit we kunnen besluiten, dat deze een meer voelbare weerslag op de naar innigheid strevende ziel hebben. Als zodanig vallen zij meer op dan de latere, verhevener komsten in de hogere geestelijke vermogens; zij zijn ook gemakkelijker te duiden, omdat zij de verbeelding en het gevoel mede aanspreken. Ruusbroec neemt hier dan ook meer zijn toevlucht tot verschillende vergelijkingen en meer bepaald een bijna doorlopende vergelijking met de zon en haar invloed op groei, rijping, of verdorring van de aardgewassen, al naargelang haar loop in de beelden (35) van de dierenriem komt te staan. Zo gaan de jaargetijden aan onze ogen voorbij met hun wisselende invloed. De gegevens en 'gelijkenissen' die Ruusbroec ter vergelijking aanhaalt, nam hij over uit de middeleeuwse sterren- en natuurkunde, speciaal de dierkunde: mieren, bijen geven ons lessen of verduidelijken de manier waarop wij de verschillende fasen dezer eerste komst moeten beantwoorden: evenzo de gegevens uit de volksgeneeskunde (soorten koorts enz.) Vanzelfsprekend beoogt hij hierbij alleen maar bevattelijke vergelijkingen, die iedereen kan verstaan. Deze eerste komst is zelf onverdeeld in vier 'wijzen' (dat is fasen, belevenissen of begeleidende verschijnselen).
a. De eerste daarvan is gekarakterizeerd door gevoelige vurigheid, gaande van eenheid of intogenheid, over innigheid, gevoelde liefde en devotie tot omhoog strevende gevoelens van dankbaarheid en lofprijzing, waarbij de Heilige Geest het vuur van zijn minne telkens weer terug doet oplaaien.
b. Overmaat van vertroosting, die kan uitgroeien tot geestelijke dronkenschap: Ruusbroec waarschuwt hier voor twee gevaren: iets ervan aan zichzelf toeschrijven en op de troost blijven rusten, waartegen het voorbeeld van de honingverzamelende bij ons kan helpen.
c. Machtige optrekking tot God: vergeleken met de junizon op haar hoogtepunt, die 'minnewonden' in de ziel kan slaan: 'Gekwetst te zijn van minne is een zeker teken, dat men genezen zal'; 161 (vert. 183), die haar in een minneverdriet kunnen storten en, heviger, als men noch verkrijgen kan wat men begeert, noch ook in de beroving ervan berusten: in een toestand van 'orewoet', of ongedurigheid, of zielestorm (heftig verlangen); hierbij kunnen tranen, ja verrukkingen, visioenen in de verbeelding of erboven zich voordoen. Hier komen ook plotselinge verlichtingen voor of hoorbare mededelingen, waarin echter ook bedrog en illusie kunnen schuilen en een verraderlijke troost, die vergeleken (36) wordt bij de honingdauw. Hier helpt het voorbeeld van de mier.
d. Verlatenheid: ja, ook dit is een 'komst' van de Heer. In de periode van mistroostigheid en verlatenheid dagen ook hinderpalen op, die Ruusbroec met de verschillende soorten koorts vergelijkt.
Na de beschrijving van de vier markante verschijnselen uit de eerste fase van het innerlijke leven stelt Ruusbroec Christus voor als het opperste voorbeeld, waarnaar de mens op zo volmaakt mogelijke manier in deze fase moet leven.
De tweede komst van Christus, nl. in de hogere vermogens, is subtieler, edeler en verhevener dan de vorige. De hogere vermogens, memorie, verstand en wil, die boven de stoffelijkheid liggen, worden afzonderlijk behandeld: zij zijn als drie rivieren die ontspringen aan eenzelfde bron, nl. de hogere eenheid van de geest of eenheid van de hogere vermogens. In de bron ligt de volheid van genade 'wezenlijk', in zoverre zij in eenheid erin blijft en zij wordt werkzaam ('werckelijc') beschouwd, in zoverre zij zich in de rivieren in veelheid en onderscheidenheid uitstort.

a. Eerste rivier: eenmaking der memorie. In de memorie (die meer is dan wat wij gewoonlijk 'geheugen' heten; P. Reypens noemt het dan ook 'heugenis': het is dat vermogen, dat ons gelijkvormig maakt aan de Vader, die de oorsprong van de Heilige Drievuldigheid is) schijnt een eenvuldig licht, dat verder alle vermogens en krachten, hogere en lagere, doorstraalt. Het is als de verlichting op zich, voordat men ze als gediversifiëerd beschouwt in de vermogens; zo worden alle krachten samengebundeld, een gemaakt en naar binnen (in de eenheid) getrokken. Hiermede beschrijft Ruusbroec de 'intrekking' in de eenheid, de ingetogenheid (is: ingetrokkenheid). En bij het beantwoorden van deze gunst duikt de zuivere mening op, thans in een verfijnde verwezenlijking: zij 'verenkelvoudigt' (37) ons door een 'eeuwig minlijk neigen' naar de hoge eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

b. Tweede rivier: verlichting van het verstand. Zij bestaat in een licht, dat ons God en het geestelijk deugdenleven 'met onderscheid', dat is in een onderscheidende, nog niet ééngemaakte kennis, doet vatten; dit licht of dergelijke verlichte kennis ligt niet in onze macht, zoals de verworvenheden van ons verstand: God geeft dit bijzondere licht aan wie en wanneer Hij wil. Maar wie aldus verlicht is, behoeft geen openbaringen of verrukkingen, want 'zijn woning is in de geest boven de zinnen' (I 180; vert. 225). God kan echter, als het Hem behaagt, de zintuigen van de mens binden: hem van het gebruik ervan tijdelijk beroven en hem ook toekomstige dingen tonen. Als beantwoording moet de mens hierop ingaan door een nieuwe gelijkvormigheid met Christus in zijn mensheid en zijn Godheid, en verder de hoge natuur van God beschouwen met zijn grondeloze eigenschappen. Hier geeft Ruusbroec een prachtige beschrijving van wat de verlichte rede 'creatuerlijcker wijs' over God de Vader, over de Zoon, over de Heilige Geest en over de 'grondeloze Zee der Godheid' (algeest), haar 'duistere Stilte' en 'wilde Woestijn', te schouwen krijgt. Boven de persoonlijke verhoudingen in de schoot der Godheid legt Ruusbroec een bijzondere nadruk op de 'ghemeynheit', het voor allen zijn van de goddelijke natuur. Door deze beschouwing geraakt de ziel in een 'verwonderen', wat de eigen vrucht is van de bespiegelingen over God.

c. Derde rivier: vurige intrekking van de wil. De genade, die bij deze rivier in de ziel vloeit, is als een vuur van minne, dat alles verslindt. Pas daardoor is men een geestelijk verlicht mens geworden. Door de minne is de mens getrokken naar de eenheid van de geest, waarin de ingestorte genade hem met liefde trekt in zijn oorsprong, de eenheid van de geest. In de beantwoording aan de genade (38) mag de mens, volgens Ruusbroec, zich niet genietend opsluiten in die gave, maar moet hij onder de drang van de liefde 'uitgaan', eerst naar God en alle heiligen, dan naar de zondaars, vervolgens naar de zielen van het vagevuur, naar zichzelf en naar alle goede mensen, om ten slotte met allen terug te keren in de eenheid. Bij deze gelegenheid waarschuwt Ruusbroec tegen een steriele geleerdheid, die wel subtiel is in woorden en behendig in het bewijzen van verheven waarheden, maar wier verkondigers niet 'verclaert' (verlicht) zijn. Het 'ghemeyn' (voor allen gemeenschappelijk) zijn, zet Ruusbroec in zijn vele vertakkingen en toepassingen uiteen. Van de 'ghemeynheit' ziet hij de hoogste vervulling in Christus, die Zich in velerlei vormen, maar vooral in de eucharistie, totaal en gemeenschappelijk aan allen geeft, met lichaam, ziel en Persoonlijkheid. Christus is altijd bereid ons die gave te geven: 'geestelijk' wanneer wij er ons door liefde ontvankelijk voor maken en 'geestelijk én sacramenteel', wanneer wij met zuivere mening ter communie gaan.
Zoals Christus in deze mededeelzaamheid als voorbeeld wordt gesteld, is Hij feitelijk tevens het voorbeeld van de complexe beleving van deze fase van het innige leven, zodat Ruusbroec hier een uitgebreide Christusbeleving voorlegt.

De derde komst geschiedt door het 'gherinen' of aanroeren Gods in de eenheid van de geest.
Op het ogenblik, dat Ruusbroec beschrijft, hoe de innige mens in de Christusbeleving naar een hogere eenheid met God opgaat, wil hij zijn lezer als op een verheven uitkijkpost meenemen in de beschouwing van God zelf, die in Zich eenheid en drieheid is en die Zich als zodanig in het heelal en in de eenheid van de geest aanwezig stelt. Boven alle menselijk begrip, in de verheven stilte van ons wezen, woont en werkt ononderbroken, eeuwig begin en oorzaak van ons bestaan zelf, de allerheiligste Drievuldigheid. Met een gegeven uit de toenmalige opvatting over (39) de opbouw van de wereld en de onderlinge beïnvloeding der hemellichamen probeert Ruusbroec het mysterieuze, bovenbegrippelijk inwerkende contact van de geest met God duidelijker te maken. God woont in de enkelvoudige klaarheid van de 'hoogste hemel' als in zijn rijk. Onmiddellijk onder God, als de dichtst bij God gedachte sfeer, is de 'invurige hemel', vanwaar de oerbeweegkracht aan de sterrenhemel, het firmament, de zon en de planeten hun bewegingen inprent. Evenzo heerst God, als in een opperste klaarheid, in onze geest als een oerbeweegkracht tegenover het wezen van de ziel, zowel in de natuurlijke als in de bovennatuurlijke orde. Hij is de eerste en allervoornaamste oorzaak van alle deugdzame leven. Vanuit deze globale overschouwing situeert Ruusbroec synthetisch de opgang van de mens in het werkende leven (eerste boek), in de twee reeds beschreven eerste fasen van het innige leven (eerste en tweede komst) en nu tot de top van het innige leven. In de eenheid van de geest, waaruit de onderscheiden geestelijke krachten voortkomen, komt en is God aanwezig met zijn enkelvoudig 'gerinen' of met de volheid der genade, waaruit de verspreide genaden in de vermogens vloeien. Tot zover de inleidende verklaring over Gods natuur en zijn inwerken op de eenheid van de geest.

Voor de beschrijving van de komst zelf herneemt Ruusbroec nu zijn vroegere vergelijking over de bron met drie rivieren, om ze aan te vullen. In deze komst, zegt hij, is dit 'gerinen' als de ader, de ondergrondse stroom of wel, die de bron of de fontein voedt. Hier geschiedt de 'innigste oefening', het hoogste stadium van het innige leven, dat reeds een 'lijdend' (passief) ondergaan van Gods inwerking is. Dit 'gherinen' in het innigste leven ligt op het raakpunt van Schepper en schepsel, het is het 'laatste middel' tussen ons en God. Boven dit 'gherinen' in het stille wezen van de geest, zweeft een onbegrijpelijke Klaarheid, de hoogverheven Drievuldigheid, waaruit dit aanroeren komt. (40)

Voor de beantwoording wordt de ziel wederom aangemaand: 'gaat uit' met de passende oefening. De geest wordt boven zijn eigen werkzaamheid verheven; want de verlichte geest is onbekwaam om dit lichtende aanroeren te vatten; het verblindt hem; tegenover dit licht is zijn verstand als de ogen van de vleermuis tegenover het zonnelicht. Hier geldt in nog hogere mate: "waar het verstand buiten blijft, gaan minne en begeerte binnen". Ruusbroec schildert hier op meesterlijke en ook literair merkwaardige wijze de uitwerkingen van dit 'gherinen'. Het verwekt een eeuwige honger en hunker naar het onbereikbare: "een geschapen vat kan geen ongeschapen goed bevatten" (199; vert. 265). En toch blijft dit alles nog "creatuerlijckerwijs ende onder Gode". De ziel kan haar honger niet verzadigen 'sonder Gode'. Daarop volgt dan een storm van minne, waarin twee geesten strijden, de Geest van God en onze geest: dat is der minnen strijd. Ten slotte doet het vloeien en wedervloeien van Gods genade de fontein der minne overvloeien. Hier ontstaat de 'eenvuldighe minne', waarin de geest, overwonnen door (ingestorte) minne, te niet gaat wat haar werkzaamheid betreft, zich 'ute werket' en zelf minne wordt. Dit is dan de innigste oefening (reeds passief) en "boven dit en es niet dan een godscouwend leven in godlijcken lichte ende na der wise gods". Hier staan klaar tegenover elkaar: 'in godlijcken lichte' en 'in ghescapen licht' en 'na die wise gods' en 'creatuerlijcker wijs'.

terug naar de Inhoud

4. 'Om Hem te ontmoeten'
a. Voor tot het vierde deel, de ontmoeting, over te gaan, begint Ruusbroec met zijn voorgaande beschouwing over het geestelijk 'zien', de verschillende 'komsten' van Christus en het beantwoorden ervan door de mens kort samen te vatten, opdat wij des te beter ons in zijn literair architectonisch gebouw zouden kunnen oriënteren. Want (41) al de voorafgaand beschreven genaden en geestelijke
gunsten, alsook onze trouwe beantwoording ervan hebben tot doel: "de ontmoeting en de vereniging met de Bruidegom, die onze enige rust, het doel en het loon van al onze arbeid is" (202; vert. 271).
Elke ontmoeting, zegt Ruusbroec - kan het eenvoudiger? - is een samentreffen van personen, die uit verschillende richtingen komen. Nu komt Christus van boven als een Heer en milde Gever en wij komen van beneden als arme dienaren; "Christus comt in ons van binnen uitwert ende wij comen tot Hem van buten inwert". Deze ontmoeting wordt, volgens Ruusbroec gerealiseerd hetzij met middel hetzij zonder middel. Daarmede is dan ook de duidelijke indeling van zijn volgende uiteenzettingen gegeven.

Omdat wij hier aan een kernpunt van de Gheestelijcke Brulocht staan, vraagt Ruusbroec andermaal onze bijzondere aandacht voor de grondinzichten van zijn leer, maar nu om een diepere zin ervan naar voren te brengen, nl. de verhouding tussen de wezenlijke eenheid van de geest met God zonder middel en de 'werkelijke' of werkzame eenheid met middel. De 'wezenlijke' eenheid in de natuurlijke orde, die hij vroeger reeds beschreef, legt meteen de mogelijkheid om in de bovennatuurlijke orde God ook zonder middel in de geest te ontvangen. Het 'inhangen' in God maakt ons op zich noch heilig noch zalig. Deze 'wezenlijke' vereniging bestaat niet op zichzelf: 'zij blijft in God en zij vloeit uit God en zij hangt in God en zij vloeit wederom in God als in haar eerste oorzaak' (203; vert. 275). Maar de 'werkelijke eenheid' dat is dezelfde eenheid in haar werkzaamheid, bestaat op zichzelf in de grond of eigendom der hogere vermogens en hier ligt het beginsel van alle geschapen werkzaamheid, zowel natuurlijke als bovennatuurlijke. Nochtans 'werkt deze eenheid niet in zoverre zij eenheid is' (204; vert. 277); zij werkt door de vermogens, die hun kracht uit hun grond of eigendom putten. Dit is dan het wijde gebied van het (42) werkende en innige leven met geheel ons deugdenleven in Christus.

In onze beantwoording aan Gods genade gaan wij Christus tegemoet, zoals Hij, volgens de hiervoor geschetste verhouding tussen wezenlijke en werkelijke eenheid, tot ons komt met middel en zonder middel, d.w.z. met zijn gaven en boven alle gaven en wij van onze kant komen tot Hem met middel en zonder middel, dat is met onze deugdzaamheid en boven alle deugden. Want op hetzelfde ogenblik waarop God in de mens zijn genade instort, hem zijn zonden vergeeft 'en hem vrij maakt in karitate', dat is door de heiligmakende genade 'verzinkt de geest in genietende minne'. En hier heeft een bovennatuurlijke vereniging plaats, waarin heel onze zaligheid is gelegen.
Hier beschrijft Ruusbroec de 'bekering' waardoor wij 'met middel', nl. de genade en de ingestorte liefde en tegelijk 'zonder middel', nl. door de inwoning van de allerheiligste Drievuldigheid, met God verenigd worden, dat is Hem in Christus ontmoeten.

Ruusbroec schrijft: 'Dit hebben alle goede mensen' (206; vert. 281; 'goede' is hier: die de heiligmakende genade bezitten). Hij vermoedt dat deze algemene uitspraak wel verbazing zal wekken: een zo geweldige bevestiging dat God in de gedoopte woont, is overweldigend. Toch relativeert Ruusbroec ze niet. Hij geeft alleen toe: "maar hoe dit geschiedt, blijft hun (de goede mensen) verborgen hun leven lang, indien zij niet innig leven (zich niet bewust zijn van zichzelf), maar gevangen blijven in het geschapene" (de onbewuste vereenzelviging). Deze bladzijden zijn kapitaal voor het begrijpen van Ruusbroec's mystiek, want geheel de zieleopgang (geestelijke ontwikkeling) bestaat er in, met Gods genade, zich van wat ons fundamenteel gegeven is (onszelf als geest en de geestelijke vermogens) bewust te worden en ernaar te leven.

b. Heel onze heiligheid op aarde (en later onze verheerlijkte zaligheid) is afhankelijk hiervan, dat wij ons door middel van de genade hier beneden (en van de glorie hierboven) laten binnenleiden 'in de wezenlijke eenheid' (43) (207, vert. 283). Want de genade is de noodzakelijke weg (het middel) om te komen tot het blote wezen, waarin God Zich zonder middel aan ons geeft. De grote straf (de pijn van schade) van de verdoemden, zegt Ruusbroec, is dat zij door het tussenschot (afgescheidenheid) van hun onboetvaardigheid (verzet) verhinderd zijn om te komen tot hun wezenlijke eenheid, waarin zij God zouden vinden. Want ook hier komt Christus in ons door zijn gaven en komen wij Hem tegemoet met onze deugdbeoefening en tegelijk wordt Christus voortdurend boven onze werken en boven zijn genade aanwezig gesteld. Zo zien wij weer, hoe werkend en innig leven, naar het 'werkelijk' en het 'wezenlijk' aspect in elkaar grijpen, ja met elkaar verstrengeld zijn voor wie zich op de vereniging met God toelegt. Daardoor verwezenlijkt de mens in Gods genade door alle fasen van het geestelijke leven, geleidelijk, zijn (wezenlijke) eenheid met God: 'toe den beelde' 'sonder middel', én zijn (werkelijke) gelijkvormigheid met God: 'toe den ghelijcke', 'overmids middel'.
c. Deze geleidelijke ontplooiing beschrijft Ruusbroec volgens de ontwikkeling van de gelijkvormigheid en eenheid, waarin de mens achtereenvolgens op de zeven gaven van de Heilige Geest reageert.
De gaven van de Heilige Geest zijn speciale middelen om de tegemoetkoming van Godswege te verlevendigen: zij maken ons bekwaam om in heel onze zieleopgang de leiding van de Heilige Geest steeds volmaakter te volgen. Bij het 'werkende leven' - of ook het 'werkende' element in elk innig leven - wordt de ziel bijgestaan door de drie lagere gaven nl. de gaven van de vreze Gods, de gave van goedertierenheid of mildheid en de gave van kennis.
In het 'innige leven' komt de gave van sterkte haar te hulp om alle tegenstand te overwinnen bij het zich losmaken van de schepselen: dat is de bijzondere hulp bij de eerste twee wijzen van de eerste komst (151 vv; vert. 161 vv); de gave van raad in de laatste twee wijzen van dezelfde eerste (44) komst (160 vv; vert. 181 vv). Bij de tweede komst (178 vv; vert. 221 vv) ontvangt zij de gave van verstand, die de geest standvastig maakt bij zijn inkeer in de eenheid en 'ghemeyn', dat is vol liefde in zijn verhouding tot allen gemeenschappelijk. Steeds weer hamert Ruusbroec op zijn lievelingsidee: "Caritas in gelijkvormigheid moet altijd actief zijn en eenheid met God in genietende minne immer rusten; en dat is minne plegen!" (216; vert. 303). Dit bevestigt hij opnieuw ten overvloede door het voorbeeld van de heilige Drievuldigheid, die eeuwig 'werkt' naar de Personen en eeuwig 'rust' naar de eenheid. Hierop ingaande behandelt hij dit met vele beschouwingen. Ten slotte bij de derde komst (194 vv, vert. 255 vv) dat is in het innigste leven, "ontspringt de zevende gave, die van de smakende wijsheid". Zij verwekt het 'gherinen' in de eenheid van de geest; zij is de inval en de grond van alle genaden en gaven, een goddelijk aanroeren, het 'laatste middel' tussen God en ons, tussen rusten en werken, tussen wijze en onwijze, tussen tijd en eeuwigheid (221 vv; vert. 313). Hier moet onze werkzaamheid wijken en het inwerken Gods lijdzaam ontvangen boven ons begrip. Hier heeft een ontmoeting plaats in de eenheid der krachten of vermogens; en zij verwekt een eeuwige honger en dorst in de geest, die zou willen 'doresmaken ende in minnestorme dorevaren die afgrondicheit' van God (222; vert. 313). En hier is de geest "eenvuldich ende ontfanckelijc alre gaven" (en tegelijk) "heblijc tot allen doechden". In deze grond voelt onze geest de wellende ader aan, waaruit de bron van Gods inwerken steeds nieuw leven ontvangt. Dit is als het ware de 'werkelijke' of werkzame beleving in middel van de gave van smakende wijsheid.
d. Het aspect van de (wezenlijke) vereniging zonder middel in de gave van de smakende wijsheid. Bij de derde komst, nl. in de eenheid van de geest (194; vert. 255), helpt de gave van wijsheid ons in de 'werkelijke' of werkzame beleving van de innigste oefening, die bestaat in het 'liden' (45) of lijdzaam ondergaan van het geschapen 'gherinen', zoals wij zoëven (aan het slot van c) zagen. Maar dit inwerken Gods is slechts de geschapen weerslag van Gods wezenlijke aanwezigheid in de geest (als wezen beschouwd): "dat onghemetene inlichten Gods met onbegripelijcker claerheit, dat eene oersake es alre gave ende alre doechde" (222; vert. 315), "dat selve onbegripelijcke licht (Gods wezen) overformt ende doregheet die ghebrukelijcke neyghinghe ons geests (van ons wezen) met onwisen (zonder middel)" (223; vert. 317); m.a.w. naast de werkelijke beleving van de gave van smakende wijsheid, in gelijkvormigheid, in middel en lijdzaam ondergaan, kent Ruusbroec een wezenlijke beleving, het aspect van eenheid, boven middel en geheel lijdzaam (passief) ontvangen. Dat is de vereniging zonder middel door de invorming van God in de opperste eenhed van de geest. Nu onderscheidt Ruusbroec in deze delikate en diepe ervaring drie 'wijzen' of momenten, waarvan de eerste, de ontledigende wijze, eigenlijk de karakteristieke kan worden genoemd; want de tweede is een vereniging met middel en de derde is het samengaan van beide en uit dien hoefde de volmaaktste.
De eerste wijze, de vereniging zonder middel is de genadevolle inkeer in het naar genieting neigende wezen, boven elke deugdenwerkzaamheid, door een eenvuldig zien met genietende minne. Hoe onmogelijk zij met het begrippelijk verstand te begrijpen is, toont ons reeds de beschrijving die Ruusbroec ervan geeft: in de eenheid Gods (onze wezenlijke eenheid waardoor wij in God hangen) schijnt voor de begenadigde een eenvuldig licht, dat zich voor hem als een duisternis vertoont. In deze wijze 'bezit' hij het goddelijk Wezen en ontmoet hij God met God. En zijn vervuldzijn met God vloeit over in de eenheid van de hogere vermogens en van daar in de lagere krachten, waardoor de mens inwendig onbeweeglijk wordt en in ziel en lijf niets anders gevoelt, dan een uitzonderlijke (46) klaarheid. Deze 'wijze' ontledigt de mens van alle werkzaamheid en brengt hem in een standvastigheid van de innigst mogelijke oefening, hier 'wezenlijk' beschouwd. De tweede 'wijze' is een ontmoeting 'met middel', nl. door de gave van wijsheid nu 'werkelijk' beschouwd. Ruusbroec beschouwt en behandelt ze hier als noodzakelijke ontvankelijkheid van de mens tegenover Gods inwerking in de eerste wijze. Hij noemt ze zelfs nuttiger dan de eerste (die geheel passief is); want zij leidt de geest binnen in de eerste: niemand toch kan 'rusten' wanneer hij niet eerst in werkzaamheid heeft liefgehad. Daarom moet ieder, zolang hij het in zijn macht heeft, deze (tweede) wijze beoefenen.
De derde wijze is tenslotte het samengaan, elkaar opvolgen of afwisselen van de beide eersten: het is God ontmoeten door zonder middel in God te rusten (het wachtgebed) én met middel werkzaam te zijn in minne (het woordgebed): dat noemt Ruusbroec gerechtigheid of de hoogste volmaaktheid. Zo kan de mens inkeren, wanneer hij het verlangt en ongehinderd blijven in deze inkeer, ongestoord door werken van gerechtigheid. Wij herkennen hier wederom het 'ghemeyn' leven van de mens, die even gemakkelijk tot God kan inkeren als voor God werken. Zeker brengt dit niet een zodanige bevestiging in de genade mee, dat men niet meer zou kunnen falen: maar voor wie tot dit innigste leven is verheven, zijn dagelijkse fouten als een druppel water op een gloeiende ovenplaat zegt Ruusbroec.
"Hiermede besluit ik het innig leven" (228, vert. 327).

Met P. Ampe kunnen wij "aannemen dat Ruusbroec alle ervaringen die hij in deze bladzijden beschrijft, algeheel tot het innige leven terugvoert wegens zijn redactionele schema, dat de drie eenicheden binnen ieder der drie 'levens' ontwikkelt; maar het is even duidelijk dat het laatste 'weselijc' moment reeds tot het 'godlijc' leven overleidt" (A III 273, n. 1).
e. Afwijkingen van deze derde ontmoeting en voorbeeld (47) van Christus. Zoals aan het slot van zijn vorige uiteenzettingen (eerste komst, 171; vert. 205; tweede komst, 187 v; vert. 241v) zo geeft Ruusbroec aan het einde van zijn beschouwing over de derde komst of het toppunt van het innige leven een overzicht van de voorkomende afwijkingen en dwalingen tegen elk van de drie wijzen, die hij beschreef, nl. valse 'ledigheid', zelfzoekendheid en valse passiviteit of Godlijdendheid (zie 228 vv; vert. 327 v) met een scherpe verwerping ervan. En hiertegenover stelt hij zoals bij de overige 'komsten' uiteindelijk ter bemoediging van alle goede mensen het voorbeeld van Christus (237 vv; vert. 349), die in zijn mensheid volmaakte gelijkvormigheid (vereniging met middel) en eenheid (zonder middel) met God binnen het innige leven verwezenlijkte.

terug naar de Inhoud


III. Het godschouwende leven

Uitgaande van de volmaakte beleving van de hiervoor beschreven stadia van het geestelijke leven toont Ruusbroec hoe de innige mens tot een godschouwend leven komt, wanneer hij de verborgen openbaring Gods ontvangt en daaraan beantwoordt. Vooraf verklaart hij zijn principiële inzichten aangaande de drieëne God, naar zijn wezenlijke eenheid en zijn werkzame drieëenheid, waarmee de mens nu de hoogste wezenlijke eenheid zal beleven. Want daartoe spreekt God in de in Hem verzonken verborgenheid van de geest: "Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit, om Hem te ontmoeten". Deze uitnodiging wil Ruusbroec nu verklaren en toepassen op het godschouwende leven volgens het vroeger reeds aangewende schema. Wegens de verhevenheid van de leer en de uitzonderlijkheid van Gods uitverkiezing, waarschuwt hij de lezer met aandrang: als gij dit niet verstaat, veroordeel de schrijver niet; al wat hij kan verwoorden, is verre beneden de waarheid en werkelijkheid, die hij meent. Alleen (48) God kan Zichzelf door Zichzelf laten kennen: "Want God aldus begrijpen is God zijn met God zonder middel of iets anders, dat hinder of scherm zou zijn". Met nadruk herhaalt hij: "Wie dit niet aankan, late zijn wat is en ergere zich niet". Hij mag gerust zijn en bedenke, dat Christus zelf op menige plaats van zijn Evangelie het ons heeft gezegd, als wij zijn woorden wel verstaan en kunnen weergeven.

terug naar de Inhoud

1. Ziet
Wat de hemelse Vader ons wil laten zien, is zijn enig, grondeloos Woord en niets meer. En dat is niets anders dan het 'uitgaan' (processio: voortgang) of de geboorte van zijn Zoon, het eeuwige Licht. Onvermoeibaar herhaalt Ruusbroec de voorwaarden, die vervuld moeten zijn om het 'inlichtend Woord' te ontvangen;
a) een welgeordend, werkend leven, door deugden vervolmaakt en door totale onthechting onverbeeld geworden;
b) God inwendig aanhangen door toegewijde zuivere mening en minne, zo van liefde ontbrand, dat dit vuur nooit meer geblust kan worden; en
c) een zichzelf verlorengeven in een onwijze en duisternis, waar alle schouwende mensen genietend in verdoold zijn.
Zo kan de openbaring van God en het 'eeuwige' leven geschieden. In die duisternis schijnt een eeuwig Licht, waardoor men 'ziende' wordt en Gods Klaarheid ontvangt, zodat men niets anders meer ziet en ervaart dan een onbegrijpelijk Licht, waarmede men zich één voelt.

terug naar de Inhoud

2. De Bruidegom komt
Voortdurend vernieuwt zich in hem de komst van de Bruidegom, dat is een nieuwe geboorte en een nieuwe Klaarheid. Alle werk of begrip van schepselen moet hier falen. Hier is niets anders dan een eeuwig staren en schouwen van het Licht, door het Licht en in het Licht. De Bruidegom komt zo snel, dat Hij reeds gekomen is en (49) toch telkens opnieuw komt alsof Hij er nog niet was (vgl. 203; vert. 272). En dit Licht is zo sterk, dat het schouwende, open oog niet meer dicht kan gaan.

terug naar de Inhoud

3. Gaat uit
Dit uitgaan is het medeleven van het uitgaan van het Woord. God deelt ons in genade door de liefde mede, wat Hij van nature bezit: zijn Zoon. De schouwende geest blijft in de goddelijke Eenheid omhelsd in Gods Wezen met genietende rust. Met de vruchtbare grond van de Vader leeft de geest het 'eigen werk' van de Heilige Drievuldigheid door de geboorte van de Zoon mede. En zoals de Vader, door Zich te kennen met de Zoon, alles wat ooit leven en bestaan heeft, kent (omdat het ideëel, in zijn Woord leeft en in God God is), zo deelt de schouwende ziel 'minlijcke' met allen gemeenschappelijk de genietende rust in God zowel als het 'werken' der goddelijke natuur in de personen, hoewel nog niet in die volmaaktheid, die de Zaligmakende aanschouwing in de hemel behelst.

terug naar de Inhoud

4. Om Hem te ontmoeten
In een verfijnde beschrijving van de rol van de Heilige Geest in de Drieëenheid toont Ruusbroec hoe de God-schouwende mens zich door de Geest moet laten opnemen, om volgens het ritme van de Geest met God verenigd te zijn in een 'minlijc ontmoet', zowel 'werkelijk' (volgens het onderscheid der Personen) als 'ghebrukelijc' (genietend: in de genietende terugkeer in het éne Wezen der Godheid). In deze onbegrijpelijke wezenlijke eenheid wordt het de ziel gegund de Afgrond, het 'Abys der ongenaamdheid', Gods Wezen door Hemzelf te vatten en te genieten en worden wij niet God zelf, maar één Geest met Hem (I Kor. 6, 17). (50) Ruusbroec besluit zijn meesterwerk met de wens "dat wij de wezenlijke Eenheid mogen bezitten en in de Eenheid klaar de Drievuldigheid beschouwen: dat geve ons de goddelijke Minne".

Eenzelfde verzuchting klinkt uit een der laatste verzen van Vondel, driehonderd jaar later gedicht:
Ter bruiloft van het Zuiver Lam
dat uit de schoot des Vaders kwam
en voor onz' zonden heeft geleden
wordt elk genodigd en gebeden.

En het is de uitnodiging van God zelf en zijn zaligprijzing, die bij een der slotvisioenen van het Boek der Openbaring in de hemel wordt gehoord: "De tijd is gekomen voor de Bruiloft van het Lam en zijn Bruid heeft zich reeds getooid... En de Engel zei tot mij: Schrijf: "Zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam". En hij voegde eraan toe: "Dit zijn de eigen woorden van God" (Ap. 19, 7 en 9). (51)


terug naar het literatuuroverzicht






^