Prof. Dr. Woldemar Graf von Uexkuell-Gyllenband - 'Die Einweihung im alten Aegypten'

Avalun, 1957, Leinen
Het Boek Thoth, vertaling door Ds. W.Tj. Klumper

Voorwoord
In dit boek wordt de inwijding van een Jongeling in de Egyptische Mysteriën beschreven en wel in de vorm van een verhaal, zodat de lezer het als het ware meebeleeft. Dit werk is gedeeltelijk de vrucht van de studie van boeken van occulte en mystieke schrijvers, en gedeeltelijk van aanvoelen bij intuïtie van deze stof.
De Egyptische inwijding bestaat uit 3 gedeelten. Het eerste deel heet: 'De Proeven'. In dit gedeelte moet de neophyt [nieuweling] het onderzoek doorstaan, waarmee hij het bewijs moet leveren dat hij moed en zelfvertrouwen bezit en waard is de inwijding te ontvangen. Het tweede deel van het werk heet: 'Het Onderricht'. Dit wordt gegeven in de grote tempelhal, waar 22 muurschilderingen zijn aangebracht, het zgn. Boek Thoth, die als het ware de etappes van het onderricht weergeven.
[Thoth was de Egyptische god van de maan, magie, kalender, schrijfkunst en wijsheid. Hij had het schrift uitgevonden en die kennis doorgegeven aan de mensheid. Hij werd beschouwd als de zelfverwekte en zelfvoortgebrachte, die Een was. Hij stond ook symbool voor de opkomende zon en de oorsprong van de schepping. Maät is zijn wederhelft, de godin die de waarachtigheid, rechtvaardigheid en kosmische orde vertegenwoordigde. Thoth werd door de Grieken herkend als Hermes.]

De voortgang van het onderwijs wordt tot uitdrukking gebracht door het logische verband tussen de op zichzelf staande afbeeldingen onderling. Deze samenhang vindt zijn oorsprong in de zgn. 'Occulte Mathematica' (of 'transcendente arythmie'), welke in dit boek met eenvoudige voorbeelden wordt toegelicht. In het verloop van 10 dagen verklaart de Hogepriester de leerling telkens een afbeelding en leert hij hem het magische woord uitspreken, waardoor de leerling in staat is zijn 'geleidegeest' op te roepen, die dan verschijnt.
In het derde gedeelte van dit werk wordt in het verloop van 12 nachten de geest van de leerling door zijn Gids door de verschillende gebieden van de onzichtbare wereld gevoerd. Ondertussen bevindt zich het lichaam van de leerling zonder bewustzijn, maar niet dood, achter het altaar, toegedekt met de mantel van de Hogepriester. Elke morgen echter verklaart dan de Hogepriester de jongeling één van de 12 laatste afbeeldingen van het Boek Toth en spreekt op de laatste dag de priesterzegen over de nieuw ingewijde uit, welke tevens in beknopte vorm de hoofdzaken van de leer, die het gehele Boek Thoth bevat, tot uitdrukking brengt.

Het Boek Thoth is een historisch feit. Wijzen en mystici der oudheid en van de Middeleeuwen grijpen daarop terug (Clemens van Alexandrië, Apollonius en Thyana, Raymundus Lullus e.a.), ook schrijvers uit onze tijd maken er melding van. Voor dit werk zijn de afbeeldingen in het Boek Toth naar oude verwijzingen en beschrijvingen gereconstrueerd door Leo Sebastian Humer, een talentvolle schilder uit Innsbruck.
Z. Zt. Mittenwald (Obb.) Aug. 1922 W. v. Uexkuell

Terug naar Pythagoras

Inhoud

Eerste Boek - In de Waagschaal
  De leerling
  De beproeving
  Het priesterschap
Tweede Boek - Het onderricht
I Het eerste beeld - Osiris, de Godheid, de oergedachte
II Het tweede beeld - Isis, de Goddelijke Moeder
III Het derde beeld - Horus, zoon van Osiris en Isis, de Geest
  De geestelijke ontwikkeling
  De vier rijken
  De zelfverwerkelijking
IV Het vierde beeld - de Pharao, de wetten
V Het vijfde beeld - de Hogepriester, de Leer
VI Het zesde beeld - Schoonheid en Liefde, de Keuze
VII Het zevende beeld - triomphwagen van Osiris, de Verwerkelijking
VIII Het achtste beeld - Waarheid en Gerechtigheid, het Oordeel
IX Het negende beeld - de Pelgrim, de Wijsheid
  De onbewustheid (het etherische vlies)
X Het tiende beeld - het Rad des Levens, de Ommekeer
  Het lot
  De Sphinx
  De uittreding
  De gedachtevormen
  De zonnegeest
XI Het elfde beeld - Moed, Magische krachten, de Overwinning
  De rozenkrans en lemniscaat
  De levenskracht
  De werelden der begeerten
  Voortplanting is een heilig gebeuren
  Het lijden der verslaafden
XII Het twaalfde beeld - de Beproeving
  Voordeel na beproevingen
  De toornigen
  De ongelovigen
  Zelfopoffering voor de lijdenden
XIII Het dertiende beeld - de Dood, de Overgang
  De dood als ommekeer
  Het overlijden
  De nevelachtige schimmen
  De ongelovige, gehechte geesten
XIV Het veertiende beeld - de Hergeboorte, een nieuw begin
  De geestelijke kringloop
  Zo boven, zo beneden
  De keten van levens
  De aanleiding voor de geboorte
  De indaling in het lichaam
XV Het vijftiende beeld - de Ongerechtigheid, de Tegenstander
  Door het diepste dal naar de hoogste top
  De Wachter: beeld van eigen onvolmaaktheid
XVI Het zestiende beeld - de Verwoesting, het Ingrijpen
  De overeenstemming tussen boven en beneden
  Liefde, de onzelfzuchtige inzet
  De kunstmatige scheiding van geest en lichaam
XVII Het zeventiende beeld - de Herverbinding, de Terugkeer
  De vereniging met de Godheid
  Hemellichamen en mensen gaan dezelfde weg
  Het geestelijke leven achter hemellichamen
  De geest en planetaire harmonie (astrologie)
XVIII Het achtiende beeld - de Chaos, de Hartstocht
  Het rijk der dromen
  De wegvagende sluiers der onbewustheid
  De 'Levensboeken'
XIX Het negentiende beeld - de Zon van Osiris, het volle leven
  De Osiris-weg
  De occulte getalswaarde: herleiding en samenvoeging
  Het stralende middelpunt
XX Het twintigste beeld - de Onsterfelijkheid, de Opstanding
  De Isis-weg
  De wereld der oerbeelden: hemelse Hierarchieën
XXI Het een en twintigste beeld - God is alles in allen
  De Horus-weg de Weg des Geestes
  Het zilveren koord
  De wereld der oerbeelden: de pyramide
  De onbewuste vereenzelviging
  De oude helderziendheid
  Geschiedenis der mensheid
  Kosmische maten

XXII Het beeld nul - De dwaas, de Aanvangstoestand

Over de schrijver
Naschrift (door de vertaler)


Eerste Boek - In de Waagschaal

De leerling
Het geschiedde vele duizenden jaren geleden in Egypte: de Pyramiden waren nog niet gebouwd en de Sphinx en de Obelisken stonden er nog niet. Slechts de palmen hieven hun bladerkroon in de doorzonde lucht. Toen heerste de goddelijke dynastie en werden in Memphis de uit Hogere Werelden afkomstige Schatten van Wijsheid beheerd.
Uit het Westen, van zeer, zeer ver waren deze Stralenden gekomen. Wijsheid en Weten, Kunst en Macht hadden zij meegebracht, gered. Want dank zij hun helderziendheid hadden zij waargenomen, dat hun vaderland door Onderaardse wateren zou worden overspoeld. Zij hadden geweten dat de tijd nabij was dat hun gehele vasteland met zijn heerlijke hoofdstad, de stad der gouden poorten, door een aardbeving getroffen, in wateren zo diep als bergen hoog zijn, zou verzinken. En zij waren weggetrokken. Zo was het geweest.
Ik zie een slanke, bruine jongeling in alleen maar een zwart en wit gestreept lendenschort. Hij werkt met enige anderen in de tuin van de tempelwijk. Hij moet overeenkomstig de wens van zijn vader magiër en priester worden en ook hemzelf trekt het aan achter het voorhangsel te schouwen. Hem zijn de pralende, voor het gehele volk toegankelijke godsdienstoefeningen niet voldoende. Hij wil meer.

Onbewust sluimert in zijn geest de wens te aanbidden en hij wil weten, weten! Vragen komen in zijn binnenste op, die hij niet kan beantwoorden. Hij wordt de priesters aanbevolen en als leerling, als neophyt aangenomen. Hij wordt besneden en het genot van vlees, vis en peulvruchten wordt hem ontzegd. Slechts een lichte wijn wordt hem bij uitzondering toegestaan. Iedere morgen zit hij zwijgend en ernstig temidden van zijn kameraden met onder het lichaam gekruiste benen op het grote, naar de opgang der zon gerichte terras. Hij moet meditatieoefeningen doen: gedurende een bepaalde tijd mag hij geen gedachten bij zich laten opkomen. Hij moet aan niets denken en moet leren meester te zijn over zijn gedachten en gevoelens.

Na een licht ontbijt, bestaande uit groenten en fruit, gaat hij aan het werk; hij weet dat de priesters hem zien en observeren, ook al ziet hij hen niet, want zij beschikken over wonderbare, hem onbegrijpelijke kundigheden en krachten. Maar hij weet ook dat zij mensen zijn als hij, dat zij zich geoefend hebben, hebben gestudeerd en tenslotte door iets ontzettends zijn heengegaan en dat zij nu veel vermogen, veel weten, maar boven alles hebben geleerd te zwijgen. Wat zij hebben bereikt, daarin wil en zal ook hij slagen.
Tegen de middag moet hij met zijn medeleerlingen naar de grote tempelhal. Reusachtige met hiëroglyphen versierde zuilen dragen het dak, gedempt licht vult de geweldige ruimte. Langs de wanden zijn 22 grote in rood en bruin, zwart en wit uitgevoerde schilderijen aangebracht. Uitzonderlijk mysterieus. Elf aan elke kant. Hier moeten zij volle twee uur zwijgend verwijlen. Zij moeten de schilderijen beschouwen, ze als het ware in zich griffen. En hij beschouwt de schilderijen urenlang, maand in maand uit, van het ene jaar in het andere. Hij kent ieder bijzonderheid aan ze, zij spreken, maar hij verstaat hun taal niet. Hij ziet priesters, koningen, maagden - hij zou in de betekenis der beelden willen doordringen, maar hem ontbreekt de sleutel.
In de tuin werken ook slaven, oudere en jongere mannen, die de tempelwijk nooit mogen verlaten. De jongelingen die zich voorbereiden op de inwijdingen, mogen geen gemeenschap met hen hebben, zelfs niet dicht bij hen komen. Maar 's avonds, als ze op hun slaapmat liggen, fluistert de één de ander toe dat deze slaven ook priesters hadden willen worden, maar zij hadden het ontzettende, waardoor zij op de proef werden gesteld, niet doorstaan en waren daarom slaven geworden. De jongelingen huiveren.

Eenmaal per jaar moet hij voor de Hogepriester verschijnen. Deze is een machtige man. Hij is een ziener. Hij kan zien wat er op een afstand gebeurt, hij kan zien wat in het hart van een mens leeft. Hij leest gedachten, voelt stemmingen aan en neemt waar of de geest al rijp is.
Vier maal was de jongeling voor de Hogepriester verschenen. Telkenmale had deze hem zwijgend, doordringend aangezien, maar een wenk met de hand en hij moest zich verwijderen en opnieuw ging een jaar voorbij. Meditatie bij zonsopgang, zwijgend de muurschilderingen beschouwen. Van de afbeeldingen vloeit zachtjes iets in hem over. Hij voelt dat zijn geest onder invloed van deze geheimzinnige, bijzondere beelden staat.
Elke dag werkt hij in de tuin van de tempelwijk. Des avonds echter verzamelen de neophyten zich in de bibliotheek van de tempel en een priester leest hen uit oude papyrusrollen en houten tafeltjes woorden voor van wijsheid en kennis. Woorden om over na te denken, die hoe langer hoe meer diepte krijgen, naarmate men erin afdaalt. Het wordt hen geleerd eerbiedig naar de woorden van de leraren, van de priesters te luisteren en zich geen kritiek te veroorloven.
Zij moeten meester zijn over hun gedachten en gevoelens, en slechts datgene voelen en denken, wat zij bewust willen. Zij leren het leven en sterven in de natuur op te merken en mee te voelen, alsof zij één waren met de bloeiende bloem en de stervende boom. Zij leerden echter niet alleen in het leven der planten door te dringen en eraan deel te nemen, maar ook het dierenrijk mocht geen geheimen voor hen bezitten; zij luisteren naar de weeklacht en de lokroep, de klanken waarmee zij honger of toorn tot uitdrukking brengen, en voelen met hen mee. Zij leren met al het levende te leven en te lijden.
In hun gebeden danken zij de Godheid voor al het goede, voor elke gave en zij vermijden elk wezen dat een geest bezit, leed te berokkenen of smart te veroorzaken. Dit was één van de redenen waarom zij afzagen van vleeseten.

terug naar de Inhoud

De beproeving [aardeproef, waterproef, luchtproef, vuurproef]
Maar dan, toen de jongeling zich voor de vijfde maal aan de Hogepriester voorstelde, zond deze hem niet weg, hij boog als in toestemming het hoofd en sprak: "Nu kunt gij de inwijding ontvangen en achter het voorhangsel blikken. Maar wij, de priesters, moeten u eerst op de proef stellen. De beproevingen zijn zwaar, maar noodzakelijk: slechts hij is waard de geheimen der hemelen te aanschouwen, die over moed en wilskracht beschikt en weet te zwijgen. Weten; willen, wagen en zwijgen zijn de trappen, welke naar de volmaking voeren. Daarom moet ik u vragen, wilt gij u aan de beproevingen onderwerpen? Ik wil u niet overhalen. Nog zijt gij vrij, nog kunt gij omkeren en de tempelwijk verlaten. Kies volgens de ingeving van uw hart."
Ernstig en zacht kwam het antwoord: "Ik wil."
"Ga dan terug naar uw werk." Zwijgend verliet de leerling na een diepe buiging te hebben gemaakt de cel van de Hogepriester. Hem werd bevolen drie dagen te vasten en alleen van water en brood te leven. Op de avond van de derde dag werd hij door een priester naar een gedeelte van de tempel gebracht, dat tot dan toe voor hem verboden was geweest. Zij kwamen door verscheidene zalen, die langzamerhand nauwer en lager werden en bij de bezoeker een gevoel van geheimzinnige beklemming wakker riepen.
In een lange, smalle en lage ruimte waren veel priesters bijeen. Aan het einde van de zaal stond een hoog metalen altaar. Aan weerszijden van het vertrek stonden komforen met sterk geurend reukwerk te branden op hoge stellages. Getroffen en schuchter stond de jongeling stil. De Hogepriester trad op hem toe en vroeg hem wederom of hij er bij bleef zich op de proef te laten stellen. De jongeling antwoordde bevestigend. Hij wilde weten, kennen.

Op een wenk van de Hogepriester ging het altaar open. De voorwand bestond uit twee deurvleugels, die op hun hengsels draaiden. Erachter gaapte een donkere ruimte. Een priester gaf de jongeling een kleine met olie gevulde lamp in de hand, die van klei was vervaardigd.
"Pas op uw lamp en laat het tot u doordringen dat weten, willen, wagen en zwijgen niet alleen trappen tot volmaking zijn, maar ook een richtsnoer dat u heden kan beschermen. Gij weet dat deze weg tot volmaking voert. Gij wilt hem gaan, welnu dan, gij moet wagen en zwijgen. Vergeet het niet: wagen en zwijgen. En nu, ga."
De jongeling deed een stap in de richting van het altaar. Nog eenmaal trad de Hogepriester op hem toe. "Bedenk," sprak hij ernstig, "nog zijt gij vrij, nog kunt gij terug, als gij echter eenmaal binnen zijt, gaat de deur niet weer open. Nog nooit heeft iemand dit altaar als uitgang kunnen gebruiken. Het is alleen maar ingang, de uitgang is ergens anders. U wacht de dood of slavernij wanneer gij faalt, maar weten en macht als gij overwint. Voor het laatst, wat wilt gij?"
De jongeling keek de Hogepriester ernstig en eerlijk recht in de ogen en sprak: "Ik wil slagen."
"Ga dan!"

De jongeling trad binnen en hoorde hoe de metalen deuren terstond op hun hangsels draaiden en in het slot vielen. Het licht van zijn lampje met de hand beschermend, schreed hij voorzichtig verder in de voor hem liggende duisternis. Na enige tijd stootte hij zijn hoofd tegen de rotsen, hij bukte zich en sprak bij zichzelf: "Voorwaarts." Maar spoedig stootte hij zijn hoofd opnieuw en moest hij bij het voortgaan nog dieper buigen. Grauw gesteente omgaf hem aan alle kanten. Zijn lampje verlichtte slechts de allernaaste omgeving. [aardeproef]
Kilte stroomde uit de rotsen. De aan de Afrikaanse zon gewende jongeling huiverde. Maar de gang werd steeds lager en smaller. De jongeling moest bij het voortgaan steeds dieper buigen. Hij bleef staan; nacht achter hem, nacht voor hem. Ondoordringbare nacht. Er was geen terugkeer mogelijk. "Voorwaarts." Nadat hij weer herhaalde malen onzacht in aanraking was gekomen met de rots, ofschoon hij nu al geheel gebukt ging, besloot hij op handen en voeten verder te kruipen. In de rechter hand hield hij nog steeds voorzichtig zijn flakkerend olielampje. Hij wist wel dat dit lampje zijn redding, zijn hulp was en de woorden die hij steeds bij zichzelf herhaalde: "Wagen. Zwijgen."
Hij kroop vooruit; dat ging moeilijk doordat de lamp mee moest en de gang almaar nauwer en nauwer werd. Het kwam hem voor, alsof hij in een eindeloze doodkist verkeerde, alsof hij niet verder kwam, alsof de wanden van deze vreselijke doodkist steeds dichter op elkaar toekwamen. Toen hij een schreeuw onderdrukte, was hij weer met het hoofd tegen een rots gestoten. Hij ging op de buik liggen en kroop zo goed hij kon verder. Hij werkte zich op knieën en ellebogen vooruit als een slang, want op handen en voeten ging het niet meer.

Een vreselijke angst, een diepe zielsbeklemming dreigde zich van hem meester te maken, maar hij streed er dapper tegen en zei tegen zichzelf: "Waar anderen doorheen zijn gekomen, daar kom ik ook door - voorwaarts." Maar het voorwaartsdringen werd moeilijker, de rotsen kwamen zo dicht bij elkaar, dat het was alsof hij zich in een buis bevond. Toen bleef hij steken. Zijn hart klopte luid een huivering doortrilde zijn zenuwen, maar hij klemde zijn tanden op elkaar en beet zichzelf toe: "Voorwaarts." Hij wrong, schoof, perste zich er doorheen.
Hij herademde. De gang werd ruimer. Hij kon zich oprichten, hij kon lopen, de gang werd zo hoog en breed als bij het begin, op de plaats waar hij hem, onder het altaar, het eerst betrad. Maar opeens bleef hij verschrikt staan. Voor zijn voeten gaapte een afgrond, die de gang over de volle breedte versperde. Er was geen mogelijkheid er links of rechts omheen te komen. De wanden liepen loodrecht naar beneden als bij een put. Hij ging dicht bij de afgrond staan en hief de lamp op naar de zoldering. Hij wilde zich overtuigen of hij niet over de hindernis heen kon springen. Maar neen, dit plan moest hij laten varen, de put was te breed, bovendien hing het dak van het gewelf te laag: hij zou er tegenaan stoten en te pletter zijn gevallen.
Hij aarzelde en wilde het zich niet bekennen dat er geen andere uitweg overbleef dan in het zwarte gat te springen. Nog eenmaal hief hij zijn lampje omhoog, nog eenmaal zag hij spiedend in het rond. Overal slechts dood gesteente dat verloren ging in de stikdonkere nacht. De gedachte om te keren en aan de metalen deuren van het altaar te kloppen en te schreeuwen, kwam bij hem op, maar hij zei tegen zichzelf dat de priesters de zaal zeker verlaten zouden hebben, niemand zou zijn roepen horen en de Hogepriester had immers plechtig verklaard dat de deuren niet weer geopend zouden worden. En dan, wilde hij niet een wetende, een ingewijde worden? Ja, hij wenste dit tot elke prijs, al zou het hem het leven kosten - hij moest voorwaarts. Dus, daar er geen andere weg was, naar beneden: "Wagen."

Hij hield de lamp omhoog en sprong omlaag in de gapende duisternis. Een hoog opklateren - het gevoel van ijzige kou - water - maar, hij had vaste grond onder de voeten. Een blij gevoel doortrilde hem. De hinderpalen waren zo ingericht, dat zij konden worden overwonnen, men kon dus de proeven met goed gevolg afleggen. Men had het dus niet op zijn leven gemunt. [waterproef]
Zoiets als een gevoel van overwinning kwam bij hem op. Hij hield de lamp boven zijn hoofd en verheugde zich dat zij niet was uitgegaan bij het naar beneden springen. Hij had het koud, tot de oksels stond hij in het donkere water. "Er moet hier een uitweg zijn," zei hij in zichzelf, "dit is niet het einde, kan het niet zijn." Hij keek bij het onzekere schijnsel van zijn lampje spiedend in het rond. Niets. Aan alle zijden rezen de rotsen steil uit het water omhoog.
Een tijdlang bleef hij staan en overlegde bij zichzelf. Zijn rechter arm werd moe van het boven zijn hoofd houden van het lampje, hij nam het in de andere hand. Met de lamp in de linkerhand naderde hij, daar hij een ondiepte vreesde, voorzichtig de rotswand; hij betastte die onderzoekend met de rechterhand. Hij ontdekte een kleine uitholling, groot genoeg om er zijn hand in te steken; hogerop was er nog een en nog een. Hij moest het wagen.
Hij nam het handvat van het lampje tussen de tanden en greep met de handen in de uithollingen. Met zijn ene voet zocht hij in het water een steunpunt om naar boven te klimmen. Hij vond een vooruitstekende rotspunt en trok zich omhoog, maar gleed uit en viel achterover in het water. De lamp ontglipte hem en ging sissend uit.

Nu omgaf hem de nacht, zwarte ondoordringbare nacht. "Help mij, Gij Hemelse Machten," was de bede, die zich uit zijn angstige hart opschoot. Weer stond hij tot de oksels in het water, hij huiverde van kou. Met uitgestrekte armen tastte hij zorgvuldig de rotswand af. Maar de uitholling vond hij niet, hij was door de val de richting kwijtgeraakt. Hij tastte terug naar rechts - niets; hij tastte terug naar links steeds verder - eindelijk kwam zijn hand terecht in de spleet. Hij herkende ze aan de vorm. Ook zijn voet vond de vooruitstekende rotspunt terug, hij ging erop staan, thans bleef hij staan. Hij hield zich met zijn handen vast aan de oneffenheden van de rotsen, hij klampte er zich in vertwijfeling aan vast, hij voelde, tastte voorzichtig verder, nu eens met de hand, dan weer met de voet nieuwe kloven en uitsteeksels vindend. Hij steeg.
Nu was hij uit het water, maar hij voelde dat zijn krachten afnamen, hij wist dat wanneer hij uitgleed, hij niet meer de kracht zou hebben weer naar boven te klauteren en het koude angstzweet brak hem uit.
Hoger en hoger klom hij in diepe duisternis. Opeens stiet hij bij het zoeken naar een steunpunt op een vooruitstekend stuk gebogen ijzer; hij greep het en trok zich omhoog en was aan de bovenkant van de rots. Hij werkte zich over de rand. Hij stond op. Gered!
De handen omhoog heffend sprak hij: "Dank, Gij Hemelse Machten, dank!" Hij kwam met de hand niet tot aan de zoldering, maar met uitgestrekte armen kon hij de zijwanden raken. Hij had immers geen lamp meer en onderzocht met zijn voet zorgvuldig de bodem voor hij een stap vooruit deed. Hij vreesde gaten, afgronden. Maar de bodem was effen, de zijwanden waren gelijkelijk ver van hem af. Hij kwam vooruit en liep en liep. De weg leek eindeloos, de nacht steeds ondoordringbaarder. De gang maakte vele bochten. [luchtproef]

Op het laatst werd hij na het omslaan van een hoek in de verte een zwak schijnsel gewaar. Met hernieuwde moed ging hij verder. Het schijnsel werd sterker. Hij kon nu de wanden en de vloer goed onderscheiden. Hij liep wat hij kon. Tenslotte kwam hij in een kamer, die in de rotsen was uitgehouwen. Ze was vierkant en had twee uitgangen. Door de ene was hij binnengekomen, in de andere brandde een geweldig kolenvuur met laaiende vlammen. Daar moest hij dus doorheen!
Nog eenmaal bekeek hij de ruimte. De enige uitweg was het vuur. Omkeren bestond niet voor hem. Liever ging hij door het vuur dan door de verschrikkingen van het water. Dus vlug er doorheen! Hij rende het vuur in, door de laaiende hitte - verbaasd bleef hij staan. Een zachte koele luchtstroom woei om hem heen, hij had geen hitte gevoeld. Het vuur was slechts handig aangebrachte weerschijn. [vuurproef] Hij glimlachte en ging verder. De brede gang was nu van achteren slechts zwak verlicht.
Hij kwam nu in een kamertje dat met tapijten was belegd en dat werd verlicht door een aan de zoldering hangende lamp. In het midden van het vertrek noodde een bank met veelkleurige kussens tot rusten. Twee slaven traden hem tegemoet. Hij herkende ze, hij had ze uit de verte op de velden en in de tuinen van de tempelwijk aan het werk gezien. Hij wilde hen juist aanspreken, toen hem het woord 'zwijgen' te binnen schoot. Veel heb ik al gewaagd, dacht hij, nu zal zeker de proef van het zwijgen komen.

De ene slaaf ontdeed hem van zijn natte lendendoek en gaf hem een droge. Daarop hulde hij hem in een warme wollen mantel en nodigde hem met een handbeweging uit tot rusten. De andere slaaf plaatste een laag tafeltje bij het rustbed en bracht spijs en drank. Daarna verdwenen zij zwijgend, achter de tapijten viel een deur met zacht geklik in het slot. De jongeling liet zich wat hem was voorgezet goed smaken, hij had immers drie dagen gevast. Hij was te moe om op te staan en een onderzoek in te stellen naar de deur, hij was blij te mogen uitrusten.
Het scheen hem toe dat de lamp minder helder ging branden. Toen werd het voorhangsel opgelicht en een Nubisch meisje trad binnen; ze was slank en donker, haar jeugdige vormen waren krachtig en lieftallig, een rode zijden sjerp was om haar middel gewonden en hiervan hing gouden franje naar beneden. Om haar bovenarmen en enkels rinkelden en glansden gouden ringen. Haar ogen glansden en lokten veelbelovend. Haar lippen waren rood en vol als een vrucht. In de rechterhand hield zij een schaal wijn, de linker steunde op haar heup.

De jongeling had zich op zijn armen opgericht en staarde de wonderbare verschijning aan, maar zij glimlachte; haar ogen, haar lippen schenen iets te willen, iets te beloven. Zij deed een paar korte passen vooruit, de ringen om haar enkels rinkelden nauwelijks hoorbaar. Zij kwam dichter naar hem toe. Reeds rook hij de geur die zij verspreidde. Zij boog zich over hem heen en bood hem de schaal.
"Gij hebt overwonnen, o jongeling," fluisterde zij, "gij hebt de beproevingen doorstaan, ontvang nu het loon dat gij verdient. Neem de schaal en drink de wijn. Hij zal u kracht geven voor de liefde. Mijn lippen hunkeren naar de uwe, mijn jong en schoon lichaam verlangt naar u, jongeling, ontvang, ontvang het loon."
Hij zweeg echter, was dit de beloning of was het een nieuwe beproeving? Hij weifelde. Maar zij legde haar donkere hand op zijn schouder: "Waarom zwijgt gij, zeldzame gast, of beval ik u niet, spreek!" Daar schoot hem het woord 'zwijgen' te binnen. Weten wilde hij, kennis en macht bezitten. Hij stiet het meisje van zich af, zo ruw dat de gouden schaal kletterend op de grond viel. De verleidster schreeuwde en vluchtte weg. Maar het gordijn werd weggetrokken en uit een in de wand verborgen deur trad de Hogepriester binnen, gevolgd door een grote schare priesters, allen in het wit gekleed.

terug naar de Inhoud

Het priesterschap
"Trekt hem het witte priestergewaad aan, het kleed van Osiris," beval de Hogepriester. "Gij zijt nu één der onzen," zo ging hij verder, zich tot de jongeling wendend, "gij zijt onze broeder, gij zijt priester, gij hebt de weg betreden, maar staat nog helemaal aan het begin. De weg heeft vele mijlpalen; beproevingen hoeft gij niet meer te doorstaan, maar wel zult gij leringen ontvangen en het pad van de inwijding gaan. Ga nu rusten en kom morgen voor zonsopgang bij de morgenoefeningen in de grote hal."
De Hogepriester verwijderde zich. Een van de jongere priesters trad op de jongeling toe: "Kom," zei hij, "ik zal u nu uw woning laten zien." Zwijgend voerde de priester de neophyt door verschillende gangen en vertrekken naar buiten. Heldere maneschijn verlichtte de blauwfluwelen nacht. Zij kwamen in een prachtige tuin, waardoorheen een kanaal stroomde, dat door een stenen beschoeiing in toom werd gehouden en dat verscheidene vierkante vijvers van water voorzag. Overal stonden waterplanten, vooral lotusbloemen. Aan de oever hoge palmen, die lange schaduwen wierpen. In de tuin stonden hier en daar huisjes met platte daken. Rondom bloemen en bloeiende struiken. Het geheel was door een hoge muur omgeven.
De jongeling keek om zich been: "Hier ben ik nog nooit geweest." "Dit zijn de woningen van de ongehuwde priesters. Novieten mogen hier niet komen." "Wie bewerkt dan deze aanleg," vroeg de jongeling, terwijl hij naar de bedden met prachtige bloemen, grote pompoenen en meloenen wees.
"Slaven." "Worden die voor de tempel gekocht?" "O neen, dat hoeven wij niet" "Hoe dat?" "Wie de laatste beproeving niet doorstaat, wie zich overgeeft aan de roes der zinnen, heeft wel zijn leven gered, maar zijn vrijheid verloren. Op straffe des doods mag hij de tempelwijk niet verlaten."
"Dus..." "Wanneer gij heden de Nubische niet van u had gestoten, zoudt gij thans slaaf zijn." "Maar de Nubische dan?" "De slavinnen kopen wij; wanneer het haar gelukt de noviet te verleiden, krijgt zij de vrijheid - dat weet zij en daarom doet zij hear uiterste best."

De jongeling dankte in stilte de Hemelse Machten en vroeg: "Wanneer ik nu de weg uit het water eens niet had gevonden?" "Wij hebben reeds meer dan een lijk daarvandaan gehaald." "Verschrikkelijk!" "Niet iedereen is geschikt voor priester van Osiris, wij halen niemand over, ook u stond het vrij terug te treden. Maar de deuren van het altaar openen zich voor niemand die terug wil. Enige jaren geleden verhongerde een noviet, die voor de afgrond was teruggekeerd onder het altaar. Maar dit is uw woning."
Hij wees naar een keurig huisje, dat in de schaduw van enkele machtige palmen stond. "Wanneer gij vrienden of familieleden wilt ontvangen, dan kunt gij dat doen in de voorhoven van de tempel. Hier hebben slechts priesters en hun slaven toegang. Uw verwanten zullen blij zijn u in priestergewaad te zien. Maar ga nu rusten. Voor zonsopgang zal ik u afhalen om naar de Hogepriester te gaan."
De jongeling wierp zich op het bed. Door deur en vensters streek de koele nachtlucht. Hij trok een deken over zich heen, in de vijvers onder de lotusbloemen kwaakten de kikvorsen. Vermoeid van alles wat hij had beleefd, sluimerde hij spoedig in.

De volgende morgen verzamelden de priesters zich voor zonsopgang in de bibliotheek van het heiligdom. De neophyt was in hun midden. Kort voor zonsopgang gingen zij in plechtige optocht, twee aan twee, uit de bibliotheek naar twee reusachtige beelden, die in meditatiehouding zaten met de handen op de knieën. De stoet wachtte op de zonsopgang. Toen de zon achter de bergen opkwam en het gele zand der woestijn sterker deed oplichten, vielen de priesters op hun aangezicht.
Zodra de zonnestralen de mond van de beelden aanraakten, lieten de reusachtige beeldzuilen een heldere toon horen als van een gesprongen snaar. De priesters stonden op. De Hogepriester wendde zich tot de neophyt. "Gij zijt thans een der onzen," zei hij, "maar ieder van ons heeft de bevestiging van zijn priesterschap uit de mond van deze dode steen ontvangen; ook thans zullen wij de Godheid vragen of zij het in u aangevangen werk wil voleindigen. En de steen zal u, gij kind der zon, antwoorden op dezelfde wijze, als hij de morgengroet der zon met een klinkende toon heeft beantwoord."

De priesters stelden zich in een halve cirkel voor het beeld op en zongen rhythmisch. Ze zongen eerst in 'C', de eerste toon van de toonladder;
"Osiris, Osiris, Machtige Heerser, antwoord uw dringend smekende zoon."
Ze zongen in 'D', de tweede toon van de toonladder:
"Isis, Isis, Verheven Moeder, antwoord uw dringend smekende zoon."
Vervolgsns zongen ze in 'E', de derde toon van de toonladder:
"Horus, Horus, Goddelijke Geest, antwoord de innig smekende pelgrim."
Ze zongen in 'F', de vierde toon van de toonladder:
"Die door wilskracht in te zetten, wil voldoen aan alle wetten."
Ze zongen in 'G', de vijfde toon van de toonladder:
"Die de Goden vreest en eert, zelf een God te zijn begeert!"
Toen zongen ze in 'A', de zesde toon van de toonladder:
"Die door Liefde tot schoonheid ontwaakt, worde door liefde tot schoonheid gemaakt."
En toen zongen ze, met verdubbelde kracht, in 'B', de zevende toon:
"Osiris, en Isis en Horus, Gij drie, geeft ons het teken, daalt uit den hoge tot ons neer!
Ontlok aan dode steen een toon, als deze u welkom is als zoon."

En toen de priesters de zevende strophe hadden gezongen, klonk uit de mond der beeldzuilen dezelfde toon als bij zonsopgang. "Heil u, heil u, mijn zoon," sprak de Hogepriester, "zelfs de stenen moeten spreken, moeten vertellen dat de Goden u gezegend hebben." Onder het zingen van een hymne gingen de priesters twee aan twee terug naar de bibliotheek. Hun witte stoet verdween door de donkere poort.


Tweede Boek - Het onderricht

De volgende dag kort voor zonsopgang kwam de jonge priester en leidde de jongeling naar de hem zo goed bekende hal met de 22 afbeeldingen. Spoedig verscheen ook de Hogepriester, na een minzame maar ernstige begroeting, sprak deze als volgt: "Deze afbeeldingen, welke wij het Boek Toth noemen en die een samenvatting zijn van de 42 boeken van Toth, de God der wijsheid, spreken ons van het wezen der Godheid, die wij dienen, van de mensen en hun wegen, van de wereld en haar evolutie.
Ze spreken ons ook van de eeuwige wetten, waarop elke kunst, het heelal en iedere wetenschap is gefundeerd. Ze bevatten veel meer dan gij heden kunt bevroeden. Ik zal u de sleutel geven om dit boek te ontraadselen. Gij zult in de toekomst hier vole uren vertoeven en licht en openbaring uit deze afbeeldingen putten. Ik zal u later nog meer van de geheime wetten en het onderlinge verband tussen de afbeeldingen vertellen, vandaag zal ik u slechts tonen wat gij voor uzelf uit dit wonderbare boek kunt lezen. Uw gehele ontwikkeling, door alle levens heen, door ontelbare eeuwigheden, welke gij in het eigenlijke tehuis der geesten doorbrengt, vindt gij hier."

terug naar de Inhoud


I - Osiris, de Godheid
I Het eerste beeld - Osiris, de Godheid
"De gedachte is de oorsprong van alle dingen, uit de gedachte der Godheid is alles ontstaan ['denken']. Want gij zijt uit de schoot der Godheid voortgekomen en gij zult er ook weer in terugkeren.
Zie naar de eerste afbeelding. Ze heet Osiris. Zij stelt voor de Godheid, de Oneindige, Eeuwige, Onuitsprekelijke, de nooit geheel Begrepene. Het is niet een afbeelding van Osiris, het openbaart slechts in symbolen zijn wezen.

Gij ziet een man in het kleed van een magiër, d.i. iemand die de eeuwige wetten kent en ze beheerst, een machthebber. Zie hoe hij zijn handen houdt. Hij gebiedt in de hemel en hij verwerkelijkt op aarde. Zo is hij de samenvatting van de grote Oergodheid, de Schepper, uit wie alles is voortgekomen en tot wie alles terugkeert.
Wiens oog alles ziet, wiens oor alles hoort ['waarnemen'], wiens hand overal zijn macht uitoefent ['willen'], die almachtig en alomtegenwoordig is.
Hij is ook de grote wetgever. In Zijn wijsheid heeft Hij de wetten vastgesteld en gegeven, die de schepping beheersen en onderhouden. Geesten, mensen, elementen, natuurkrachten, al het levende en dode is Hem onderdanig.

Voor Hem op de tafel staan vier symbolen, een staf, een schaal, een kruis of zwaard en een muntstuk. Zij stellen veel voor. Heden zeg ik u slechts, dat zij het symbool zijn van het menselijke lichaam, maar ook van de menselijke samenleving.
In de staf ziet gij het hoofd, dat de gedachten voortbrengt; de schaal stelt de het leven onderhoudende, ademende borst voor; het zwaard, dat het lot der volkeren verandert, wijst u op de maag, die het opgenomen voedsel omzet. Het muntstuk duidt de geslachtsdelen aan, waaruit een volgende generatie voortkomt.
In het staatsbestel vertegenwoordigt de staf de geestelijk scheppenden, de dichters, kunstenaars, uitvinders. In de schaal zien wij het conservatieve, de rechters, geleerden, verzamelaars. In het zwaard de hervormers, de krijgslieden, door wie het leven der volken andere vormen krijgt. In de munt de voortbrengenden, de barenden, het volk, dat vele kinderen heeft en waaruit de andere standen worden aangevuld.

Osiris is de grote Eén, waarvan de oneindige getallenreeksen afstammen. Hij zelf echter stamt van niemand af. Uit Hem komt gij voort, uw geest, het innerlijke van uw persoonlijkheid is een vonk van het oervuur, een druppel uit de oneindige oerwateren.
Het was zijn wil en welbehagen, dat gij de weg door de levens, de grote spiraal naar beneden en weer omhoog zoudt gaan, de grote kringloop, de slang die zichzelf in de staart bijt: terug tot Hem. Uw geest is dus van goddelijke oorsprong, is god.
Hij heeft alle eigenschappen van de Godheid juist zoals de druppel alle eigenschappen van het grote water heeft, dat de aarde omspoelt. Uw geest sluimert echter nog in u, maar zal tot heerschappij komen.
Niet het lichaam met zijn nooddruft, niet de ziel met haar begeerten en wensen moet in u de doorslag geven, maar het goddelijke, de geest in u, zult u ontwikkelen tot god.
Er zijn vele goden maar er is slechts één God, die schept en onderhoudt, maar Zijn kinderen hebben deel aan Zijn natuur, Zijn wezen. Dit zijn degenen, die bewust zijn geworden.
Hoor dit goed: "De mensen zijn onsterfelijke goden en de goden waren eens sterfelijke mensen." Dit is het doel dat gij vanaf heden hebt na te streven. Ga heen in vrede en kom morgen terug.

terug naar de Inhoud


II - Isis, de Goddelijke Moeder
II Het tweede beeld - Isis, de Goddelijke Moeder (Hogepriesteres)
Op de tweede dag sprak de Hogepriester aldus: "In het eerste beeld hebt ge uw oorsprong en uw doel gezien. De vragen: vanwaar komen en waarheen gaan wij, heeft dit beeld in hoofdtrekken beantwoord. Heden ziet ge het tweede beeld: Isis de Goddelijke Moeder. Het ene heeft zich gedeeld en het tweede is ontstaan. Bij het mannelijke heeft zich het vrouwelijke gevoegd of van het geheel heeft het vrouwelijke zich afgescheiden.
Het beeld heet: de Hogepriesteres. Gij ziet hier een koninklijke vrouw op een zetel vóór het voorhangsel zitten; ze heeft twee sleutels in de linker hand en een boekrol in de rechter.
Zij zegt u: wilt gij weten wat achter het voorhangsel is, wilt gij de gebieden welke nu voor uw ogen verborgen zijn, leren kennen, wilt gij de sluimerende gaven ontwikkelen, dan moet gij eerst in de heilige boeken lezen, vooral in het Boek Toth. Dan zal ik u, wanneer uw tijd gekomen is, met de beide sleutels die ik in de hand heb, de poorten openen van de beide gebieden; en gij zult nu reeds, vóór uw dood, kunnen ingaan in de oorden van kwelling en straf, en in de plaatsen van zalig heersen en eeuwige vreugde.
Gij zult de grote wet van zaaien en oogsten zien regeren, want ons aller bezigheid is zaaien en ons beleven is oogsten, gij zult u zelf kunnen overtuigen dat al het zichtbare slechts uitdrukking is van onzichtbare dingen en zijn oorsprong heeft in het onzichtbare. Zoals deze tempel eerst in het scheppende denken van zijn bouwmeester ontstond en daarna is gebouwd, zo is het heelal eerst in de geest van de Schepper ontstaan, voordat het door de adem zijns monds is verstoffelijkt. Ga nu en leer. Neem in u op de inhoud der heilige boeken en ruim in uw geest een plaats in voor nieuwe, hoge gedachten.

terug naar de Inhoud


III - Horus, zoon van Osiris en Isis
III Het derde beeld - Horus, zoon van Osiris en Isis
De derde dag sprak de Hogepriester, staande voor het derde beeld: "Dit beeld, mijn zoon, stelt de God Horus voor, de adelaar, de Geest; Gij ziet hier niet de onder het volk algemeen bekende voorstelling van de man met de sperwerkop. Gij ziet hier zijn wezen in symbolen uitgedrukt. Horus wordt de zoon van Osiris en Isis genoemd.
Dit beeld heet ook de Koningin, zij heerst. Gij ziet dat ze een scepter in de hand en een met sterren versierde kroon op haar hoofd heeft. Aan haar voeten bloeit het veld in zijn rijkste kleurenpracht. Zij heerst op aarde, daarop wijzen de bloemen. Zij heerst ook in de hemelsferen, daarop wijzen de adelaar en de sterren aan de kroon. Maar de koningin, die het Al beheerst is de natuur, die alles doordringende levenskracht, de Geest.
Uit de gedachten ['denken'] van het Oerwezen ontstond het Al, juist als uit onze gedachten de hoorbare woorden, de zichtbare daden voortkomen. Maar in de gedachten heerst dezelfde geest als in de daden en woorden.
Hier hebt gij de goddelijke driehoek: Osiris gedachte, Isis woord, Horus geest. De uit de schoot der Godheid uitgaande geest schept en onderhoudt naar eeuwige wetten het leven. Word van hem vervuld, wees met hem in harmonie, gehoorzaam Hem, dan zal hij u op adelaarsvleugelen omhoogdragen, uw doel: de volmaaktheid tegemoet.
Zie naar de adelaar op de rots naast de Koningin. Hij is een onvervulde belofte. Nog rust hij, maar hij is bereid zijn machtige Vleugels uit te breiden en met u, wanneer gij aan Hem u toevertrouwt, omhoog te stijgen, de Zon tegemoet. Zijn wachtwoord is: omhoog! opwaarts! en niet voorwaarts zoals vele menen, wier vooruitgang feitelijk achteruitgang is, want steeds hoger ontwikkelt zich het Al in een machtige, zich naar boven windende spiraal; en alles wat zich tegen deze wet verzet, wordt door deze werking op zichzelf al vernietigd.

terug naar de Inhoud

De geestelijke ontwikkeling
Mijn zoon, het Heelal bestaat uit twee machtige stromen, die elkaar raken, elkaar kruisen, met elkaar huwen, zonder zich te vermengen, zonder ooit hun persoonlijke geaardheid prijs te geven en hun doel uit het oog te verliezen. Zij heten: de stroom der geesten en de golf des levens [in de schepping].
De stroom der geesten ontspringt aan het hart der Godheid; de afzonderlijke vonken, de geesten der mensen moeten afdalen in de materie, zich belichamen in de stof om deze te overwinnen en zichzelf door strijd te ontwikkelen.
In het rijk der doden [hiernamaals] reinigen zij zich van bezoedelingen en stijgen gelouterd naar het rijk des levens omhoog. Daar blijven zij tot ze weer naar beneden worden getrokken, om door een nieuwe incarnatie tot nieuwe ervaringen te komen, meerdere rijpheid op te doen en door het overwinnen van moeilijkheden nieuwe krachten te verkrijgen. Zo dalen de geesten naar omlaag en stijgen omhoog, steeds hoger in een goddelijke spiraal.
Hoe verder ze komen des te meer stralen zij in liefde, verbreiden warmte ['voelen'], des te meer wordt de zelfzucht in hen gedood tot zij ten laatste boven aankomen en van liefdevuur brandend, zich met het grote Oervuur verenigen: de Grote sprong.

terug naar de Inhoud

De vier rijken
De geesten worden door hun indaling in de stof niet alleen zelf geholpen in hun ontwikkeling, maar zij oefenen ook een veredelende invloed uit op de stof, waarmee zij in aanraking komen en op de levensvormen, waarin zij tijdelijk worden opgenomen. Deze stoffelijke vormen zijn voortbrengselen of liever de verschijningsvormen van de grote levensgolf, die zich eveneens tot steeds hogere levensvormen ontwikkelen.
1. De levensgolf [de schepping] ontspringt eveneens aan de schoot der Godheid, ze doorstroomt ruimte en tijd. Uit aether en lucht, uit het water en wat daaruit bezinkt, uit de myriaden ontelbare, onzichtbaar kleine oereenheden, vormt zich in de loop van vele millennia, door verschillende verbindingen, het rijk der gesteenten en metalen. Langzaam werkt het leven zich door deze dichte stof heen, het vormt in de schoot der aarde de kristallen en laat aan de oppervlakte het gesteente verweren.
2. Op dit gesteente groeit mos, varens voegen zich hier bij. Steeds meer gesteente verweert en daardoor kan zich steeds weelderiger plantengroei ontwikkelen.
3. Op dezelfde wijze ontwikkelt zich het dierlijke leven van lage trap tot steeds hogere.
4. De levensgolf stroomt door het rijk der planten en dieren, het rijk der mensen en geesten, overal nieuwe vormen scheppend, steeds hoger stijgend, tot ze eveneens in de schoot der Godheid terugkeert. Deze twee spiralen, de stroom des geestes en de golf des levens, die naast elkaar lopen, elkaar steeds weer rakend, vormen de evolutie van het Al.

terug naar de Inhoud

De zelfverwerkelijking
Er is echter ook een andere weg, mijn zoon, een kortere, steilere, dan deze natuurlijke weg. Een weg, welke u vlugger naar de top voert, dit is de weg der Inwijding. Ge kunt de top van een berg langs een geleidelijk stijgende weg bereiken, maar ook langs een smalle, zeer moeilijk begaanbare weg, vlugger naar boven klimmen. Er zijn geesten die ertoe worden aangezet het pad der inwijding te betreden. Dit zijn de uitverkorenen, die vlugger hun doel willen bereiken, om daarna anderen vooruit te kunnen helpen.
Ze hebben dan een leven, dat voller is van lijden en moeilijkheden, maar ook rijker aan vreugde en inzicht. Zij doorleven in één leven de inhoud van meerdere levens. Zij willen vooruit, zelfs ten koste van deze hoge prijs. Het zijn de gedrevenen, de door de goden beïnvloede mensen.
Het zijn degenen, die graag zouden willen weten, die antwoord zoeken op de vragen: vanwaar komen wij, waarheen gaan wij? Het zijn zij, die bereid zijn zich aan de Beproevingen te onderwerpen en deze goed doorstaan, zoals gij. Zij rijpen vlugger dan de anderen en vinden reeds in dit leven, maar meer nog daarna, hun zaligheid in het onderwijzen, helpen, aansporen, dienen, troosten en liefhebben. Dit is uw weg. Ga nu en dank de grote God."

terug naar de Inhoud


IV - de Pharao
IV Het vierde beeld - de Pharao, de wetten
Op de vierde dag sprak de Hogepriester: "Heden staat gij, mijn zoon, voor het beeld dat Pharao heet. Hebt gij in het eerste beeld de scheppende, de elementen gebiedende God gezien, in dit vierde beeld ziet gij de God die door wetten de schepping, de Kubus, beheerst. Wetten beheersen het heelal. Aan de wetten kan niemand zich onttrekken.
De beide kronen op het hoofd van de Pharao, de beide scepters in zijn handen wijzen u erop, dat Hij door wetten de zichtbare en nu voor ons nog onzichtbare werelden beheerst. Het Heelal, dat Hij beheerst, is door de Kubus, de dobbelsteen voorgesteld, want de wet van vier is de grondwet van de schepping, op de wet van vier is alles gegrondvest.

De Godheid is drieënig: Osiris, Isis en Horus. De eeuwige oorsprong, die zich deelt, het handelende, het Actieve drijft een gedeelte uit zich weg, het Passieve of het Lijdzame deel. Daardoor ontstaat een Tweede en de verbinding tussen deze beiden is het derde, dat ontstaat, het Resultaat. Daarom wordt de Godheid steeds door een driehoek voorgesteld; wanneer nu deze in geestelijke hoogten levende Drieëenheid een Heelal met duizenden zonnestelsels en myriaden sterren wil scheppen, dan is deze wereld, de Kosmos, door een vierhoek aangegeven.

En inderdaad blijkt een geheimzinnige wet van vier overal te heersen; vier richtingen heeft de windroos: noord, zuid, oost en west; uit vier elementen bestaat het Heelal; vier zijn de indelingen van jaar en dag; vier phasen doorloopt een mens van wieg tot graf: kind, jongeling, man en grijsaard; en gijzelf, mijn zoon, bestaat wanneer gij de rechte zelfkennis bezit, uit vier delen: lichaam, leven, geest en ik.
Ge hebt uw stoffelijke lichaam, verder het voor de helderziende flauw oplichtende leven, dat uw stoffelijk lichaam doordringt en omstraalt (etherlichaam, vert.). Deze twee lossen zich na het sterven in de oereenheden op, waaruit ze bestonden. De dood is slechts het losmaken van de banden, welke de vier delen, waaruit wij bestaan, bij elkaar houden.
Uw geestelijke lichaam, het derde deel, dat uit zeer fijne stof bestaat en gelijkheid met zijn (grof)stoffelijke lichaam vertoont [aura, de geestgedaante, de gevormde ziel], verlaat bij de dood het zichtbare omhulsel tegelijk met het ik, de goddelijke vonk [de geest], uw vierde deel, en gaat door het Rijk van schaduw en dood naar het Rijk van licht en leven.

Zo is ook wat onze samenstelling aangaat, het getal vier overheersend. En bekijk nu tot slot de houding van de Pharao. Ook hierin vindt gij de grote waarheid symbolisch uitgedrukt: de Godheid beheerst Zijn schepping.
Zie naar de houding van de armen. Vormen zij niet met het hoofd een driehoek? En de benen? Zij zijn toch gekruist, ze vormen een vierhoek [de diagonalen]. Gij ziet dus een driehoek boven een vierhoek en dat benoemen wij aldus: "De Godheid beheerst het Heelal."
Wanneer gij het Heelal nauwlettend bekijkt en iets van het wezen van de Godheid wilt begrijpen, dan moet gij eerst de wetten leren kennen, waardoor de Godheid het Heelal beheerst. De wetten der Godheid zijn het eerste, dat de zoeker op de weg naar de waarheid tegemoet treedt. Ga nu heen in vrede en laat deze waarheden in u naklinken."

terug naar de Inhoud


V - de Hogepriester
V Het vijfde beeld - de Hogepriester, de Leer
Op de vijfde dag sprak de Hogepriester aldus: "Mijn zoon, gij staat heden voor het beeld dat mijn naam draagt. Het heet de Hogepriester. Het betekent: geloof, gezag, mondeling onderricht, gefluisterde mededeling. Gij ziet de Hogepriester voor het voorhangsel zitten, evenals de Priesteres op het tweede beeld. Dit zegt u dat er tussen de beide beelden een innerlijk verband bestaat. Dit is ook zo.
Beide wijzen u op de noodzaak onderricht te ontvangen, maar let op het verschil: het boek in de hand van de Priesteres ried u aan, uit boeken wijsheid en lering te vergaren. Hier op dit beeld ziet gij geen boek in de hand van de leraar, maar de opgeheven hand van de Hogepriester wijst naar boven, verklarend wijzend op hogere werelden. Het beeld toont u dus de noodzakelijkheid van mondeling onderricht en wel dat, hetgeen gij in deze dagen van mij ontvangt.
Dit onderricht omvat niet alleen de verklaring der diepzinnige, wereldomvattende, heilige symbolen, welke gij hier ziet, maar ook de mededelingen van geheime, maar toepasbare kennis, die de sluier der onzichtbare werelden oplichten. Het doel echter van het onderricht der beide beelden II en V, Hogepriesteres en Hogepriester, is hetzelfde: het voorhangsel en de beide sleutels zeggen ons dit: het ontsluiten der beide grote rijken achter het voorhangsel. Het ontsluiten, de kennis dezer gebieden is vereist en nuttig, daar gij door deze kennis van het grote plan in staat wordt gesteld, in contact te komen met hogere wezens en aan de bevordering der Evolutie actief deel te nemen.

Er zijn echter zaken die niet op elk willekeurig moment aan iedereen kunnen worden geopenbaard, maar slechts op het juiste moment aan hem, die daartoe is voorbereid, mogen worden meegedeeld. Zulk een uur is heden voor u gekomen. Ik zal u nu een woord zeggen, u een naam leren, een sleutel geven, die u de toegang tot de onzichtbare werelden zal verlenen."
De Hogepriester boog naar de jongeling over en fluisterde hem een vijflettergrepige naam in het oor.
"Hebt gij het verstaan?" "Ja."
"Herhaal dit woord. Fluister het mij in het oor." De leerling deed het.
"Goed mijn zoon, vergeet het woord niet, maar spreek het nooit ondoordacht uit, dit zou vreselijke gevolgen voor u hebben. Het is het begin der dingen, welke gij tot nu toe niet hebt gekend.
Hedenavond en de vier volgende moet gij, nadat gij uw avondmeditatie hebt volbracht, u op uw bed neerleggen en het woord, dat ik u zoëven heb geleerd, hardop uitspreken. In dit woord schuilen goddelijke krachten, het roept de geest naderbij, die thuis hoort in een boven ons gelegen wereld en die door nog hogere machten is aangewezen uw ontwikkeling te leiden [de beschermengel]. In de loop van vijf nachten zal hij zich aan u openbaren. Denk aan het leidende richtsnoer: Weten, willen, wagen en zwijgen.

Er is echter nog een onderscheid tussen de beelden. De Hogepriesteres heeft geen leerlingen, zij zegt tot allen: "Leest in de boeken en u zal worden opengedaan." De Hogepriester echter heeft wel leerlingen voor zich, die naar hem luisteren, die met opgeheven handen om onderwijs vragen. Leerlingen, volgelingen zijn zij, die willen leren, die zich aan de voeten van een leraar zetten; maar hun beweegredenen zijn verschillend. Hier wordt met lichte toets, slechts in de kleding, het onderscheid aangeduid tussen zwarte en witte magie. Hier splitst zich de weg.
De leerling in het wit is iemand die het eerlijk meent, hij houdt zijn hand op het hart. Zijn bedoelingen zijn zuiver. Hij wil vooruit, hij wordt tot de Godheid gedreven. Hij wil aanbidden, kennen. Hij wil inzicht krijgen in het wereldplan Gods om een medearbeider der Godheid te worden. Hij wil helpen, dienen, nuttig zijn.
Geheel anders is het met de leerling in de zwarte mantel. Ook hij wil leren, weten, kunnen, maar zijn bedoelingen zijn onzuiver; hij zoekt kennis om zelfzuchtige redenen. De zucht naar geld, de lust der zinnen vervult zijn hart. Hij zal aan zijn zelfzucht te gronde gaan.
Maar wandelt gij op het pad van licht en liefde, en vermijd het glibberige pad der zelfzucht en duisternis. Ga nu heen in vrede en dank de Godheid, die u heeft uitverkoren."

De gehele dag moest de jongeling aan de komende avond denken. Steeds weer sprak hij in gedachten het heilige woord uit, dat uit vijf lettergrepen bestaat. De zon neigde ter kimme. De jongeling mediteerde op zijn mat. Het wilde niet echt vlotten. Steeds gingen zijn gedachten naar het geheimzinnige woord. Eindelijk was hij met zijn meditatie klaar. Hij legde zich op zijn bed.
Door het venster scheen de afnemende maan. Weten, willen, wagen, zwijgen. Hij sprak het woord hardop uit en lag enige ogenblikken in gespannen afwachting. Plotseling overviel hem een grote angst, het was een hem lichamelijk en geestelijk verlammende ontzetting. Hij zag niets, maar voelde iets, iets dat hem als bovennatuurlijk voorkwam, was in zijn nabijheid. Het bleef enige tijd, dan verdween het even plotseling als het was gekomen. De jonge priester ademde verlicht op, beval zich in de bescherming der goden aan en sliep in.

terug naar de Inhoud


VI - Schoonheid, Liefde
VI Het zesde beeld - Schoonheid en Liefde, de Keuze
De zesde dag sprak de Hogepriester: "Op het zesde beeld, dat Schoonheid, Liefde heet, ziet ge een jongeling besluiteloos tussen twee vrouwen staan; hij moet kiezen. Het is de Geest (beeld III), die de uitverkorenen voor de keuze stelt. De vrouw aan zijn rechterhand betekent de wijsheid, die aan zijn linkerhand, naakt en met bloemen in het haar, de zintuiglijkheid. Maar er wordt op hem gelet, dit is steeds met ons het geval. In de wolken is een engel, die zijn pijl op de plaats naast de naakte vrouw gericht houdt. Beslist de jongeling voor de vergankelijke vreugde der zintuigen, dan wordt hij door de Hogere Machten, voor zijn bestwil, pijnlijk gestraft, opdat hij tot inkeer komt en zich bekeert.
Gij mijn zoon, hebt op de dag toen gij de proeven doorstond, de wijsheid verkozen die u reine, eeuwige vreugde zal schenken. Gij zijt echter nog niet aan het einde uwer beproevingen. Wij zullen u weliswaar niet aan nieuwe proeven onderwerpen, maar de ons door de Godheid op onze levensweg meegegeven voortplantingsdrift laait telkens weer op.

Ook zijn er, voor ons nu nog onzichtbare wezens, geesten van een lagere orde, die behagen scheppen in de zintuiglijke lust der mensen. Deze voeden zich met de uitwaseming van het zaad en het bloed, en prikkelen en bekoren de mensen door influistering van wellustige gedachten; daarom is het zo belangrijk meester over zijn gedachten te zijn, om deze onreine ingevingen te kunnen afwijzen.
De krachten van de voortplantingsdrift zijn een zegen, wanneer zij in goede banen worden geleid. Ze zijn ons niet gegeven voor de bevrediging der vluchtige zintuiglijke lusten; wel is het Gods wil dat er gezonde kinderen worden verwekt, want de mensheid moet blijven bestaan en zich verder ontwikkelen. Maar het is nog meer overeenkomstig de wil van de Godheid, wanneer deze 'dynamische vochten' [hormonen] door geestelijke arbeid en concentratie in de hersenen worden verwerkt en ook wanneer het door deze inspanning slechts enkele leden van het menselijk geslacht gelukt om verder te komen, hogere trappen van geestelijke ontwikkeling te bereiken en vervolgens in staat te zijn ook anderen vooruit te helpen. Ga nu heen in vrede."
Ook deze avond sprak de jonge priester, toen hij op zijn bed lag, het heilige woord uit en wachtte. Het was weer een heldere maannacht. Opnieuw maakte iets huiveringwekkends zich van hem meester. Het was als een wolkkolom, het stond daar bewegingloos. Maar hij kon geen woord uitbrengen en staarde de verschijning aan. Zij verdween plotseling, geruisloos, net zoals zij was gekomen.

terug naar de Inhoud


VII - triomphwagen van Osiris
VII Het zevende beeld - triomphwagen van Osiris, de Verwerkelijking
De zevende dag sprak de Hogepriester aldus: "De beelden ontstaan de ene uit de andere. Geheimzinnige wegen leiden door het boek. Er heersen magische systemen, welke op de onderlinge betrekking der getallen zijn gegrondvest. Heden zult gij iets van de Osiris-weg kunnen overzien. U wordt het heersen van Osiris getoond. Deze weg slingert door het Boek Toth van het eerste beeld tot het negentiende, telkens twee beelden overslaand. Hij omvat dus de zeven beelden: I, IV, VII, X, XIII, XVI en XIX.

Het eerste wat wij stervelingen van de Godheid, die in de Hemel woont - en voor de meeste mensen ondoorgrondelijk en ontoegankelijk is - kunnen waarnemen en kennen, is de aanwezigheid van zekere wetten (afb. IV). Wetten echter brengen gezag voort (afb. V) maar waar de goddelijke wet heerst en gezag heeft, daar ontstaat schoonheid (afb. VI) en kan de Godheid Zijn plannen verwerkelijken (afb. VII).
En dit is het plan der Godheid voor u, dat gij tot volmaaktheid zijt geroepen. Dit betekent niet alleen dat het slechte, lagere in u moet afsterven, moet worden uitgeroeid en dat gij de edele hogere talenten tot volle bloei moet ontwikkelen, maar bovendien dat gij inzicht in het Grote Gebeuren moet krijgen. En nu zullen wij het beeld van vandaag nader bekijken, het verschaft ons rijke stof tot nadenken.

Beeld VII heet de triomphwagen van Osiris of verwerkelijking van de Plannen Gods. Ge ziet een man, die op een rijdende wagen staat. De kroon op zijn hoofd, de scepter in zijn hand wijzen u erop, dat er verband bestaat met beeld IV, de Pharao. In beeld I ziet ge de allesscheppende God; beeld IV toont u de God die na de schepping rust en de geschapen wereld door wetten beheerst en op beeld VII ziet ge de God, die zijn schepping naar de volmaaktheid voert, die hij zich had voorgesteld.
De sterren op de baldakijn van de wagen zijn het symbool, dat ook de oneindige sterrenwereld aan de evolutie deelneemt. Aan de wagen ziet ge de gevleugelde schijf: ook onze aarde gaat evenals wij en het heelal, steeds hogere phasen van vergeestelijking tegemoet. De phallus aan de wagen zegt u, dat door voortplanting het geslacht der mensen vooruit wordt gebracht; de levensvormen waarin de geesten zich belichamen, worden steeds volmaakter.
Bekijk ook de scepter in de hand van de rijdende Pharao. God is eeuwig in zijn schepping, dit zegt ons de driehoek in het vierkant, hetwelk door een cirkel omsloten is. De eeuwige zal het werk zijner handen niet laten varen, Hij is getrouw. Leer u op dit inzicht verlaten.

De zwarte en de witte Sphinx die de wagen trekken, zijn de boze en de goede machten die beide, aan de Godheid dienstbaar, moeten bijdragen tot de verwerkelijking van het grote plan. De sphinx is een raadselachtig wezen; wij kunnen soms niet begrijpen hoe door bepaalde gebeurtenissen het plan van de Godheid kan worden bevorderd. We moeten ons daar niet over opwinden of boos maken, maar ons in vertrouwen daarop verlaten. Voor de grote, machtige heerser zou het een kleinigheid zijn de boze machten te vernietigen, maar Hij doet het niet. Hij heeft ze nodig voor de opvoeding van zijn goden, van zijn kinderen. Zij moeten het kwaad leren kennen om zich er voorgoed van af te wenden, ze moeten in de strijd met de boze machten worden geoefend en hierdoor kracht verwerven.
Trekt de zwarte sphinx sterker aan de wagon, dan moet ook de witte zijn schreden verhaasten. Alles draagt bij tot het grote Plan. Van de Godheid komt alles, door Haar wordt alles onderhouden en tot Haar wordt alles teruggevoerd. Ga nu heen en verlaat u op dit inzicht."
Ook deze avond sprak de jonge priester het heilige woord uit. Hij voelde nu slechts geringe vrees. Na enige ogenblikken verscheen de wolk. Ze deelde zich in tweeën en een grote man in een grijs gewaad stond bij de deur. Een gedempt licht straalde van hem uit. De jonge priester kon ook ditmaal geen woord uitbrengen.

terug naar de Inhoud


VIII - Waarheid en Gerechtigheid
VIII Het achtste beeld - Waarheid en Gerechtigheid, het Oordeel
De achtste dag sprak de Hogepriester als volgt: "Waarheid en Gerechtigheid, de weegschaal, zo heet dit beeld, dat we heden beschouwen. Zoals beeld VII met beeld IV en I samenhangt, zo is er ook verband tussen VIII en II. In beeld II en V ontving gij de gelofte dat u zou worden geopenbaard, hetgeen zich achter het voorhangsel bevindt, n.l. de waarheid. Gij zult niet de elkaar tegensprekende systemen der philosofen leren kennen, gij zult u niet gelovig buigen voor de leer der priesters van deze of een andere tempel, maar gij moet, nadat gij gewogen en niet te licht bevonden zult zijn, dat leren, wat werkelijk is.
Gij bevindt u thans op de Isis-weg, welke door de 7 beelden II, V, VIII, XI, XIV, XVII en XX door het Boek Toth voert. Schriftelijk en mondeling onderricht voert u tot het kennen der waarheid en tot het aanschouwen van de grote wet van zaaien en oogsten, van geluid en echo, van daad en vergelding.
Bekijk beeld VIII eens goed, de heersende, op een troon zittende vrouw, houdt met geblinddoekte ogen een zwaard en een weegschaal in haar handen. Het zitten duidt op rust en afwezigheid van hartstocht. De geblinddoekte ogen zeggen ons, dat de oordelende en straffende Macht geen aanzien des persoons kent, maar onpartijdig is. Zij laat zich noch door schoonheid, noch door hoge afstamming of door rijkdom beïnvloeden of omkopen. Zij straft rechtvaardig en oordeelt in gerechtigheid.

Vraagt gij echter: hoe zal ik weten of wat ik heb aanschouwd en heb leren kennen werkelijk de waarheid is, dan geeft het volgende beeld van de Isis-weg, het beeld drie plaatsen verder (het elfde) u het antwoord: Moed en Magische Krachten. Laat dit de toetssteen zijn of gij werkelijk de waarheid hebt leren kennen, want dan zult gij moed hebben. Waarheid brengt moed voort; vooreerst zult gij moed hebben om de dood onder ogen te zien, niet de moed der zgn. dapperen die de tanden op elkaar klemmen en met sterkte van wil, de dood tegemoet treden, maar de moed der wijzen, die weten dat de dood een zich dikwijls herhalende, natuurlijke gebeurtenis is, slechts een overgang, geen einde.

Gij zult niet alleen moed hebben tegenover de dood, maar ook in het lijden en tegenover de mensen. Gij zult lijden gelaten kunnen dragen, daar gij het voorbijgaande ervan hebt gezien. Gij zult wanneer dit nodig is tegenover de mensen van de waarheid getuigen, want gij zult hen niet vrezen. De waarheid zal u van elke vrees bevrijden, daar er immers niets te vrezen is. Want alles, lijden en vreugde, brengt u nader tot uw doel, hetwelk de volmaaktheid is. Dit is het eerste kenmerk der waarheid.
Het andere echter: gij zult krachten in u ontdekken en ze tot ontwikkeling zien komen, die gij vroeger niet hebt gekend. Zoals de sterren in haar verheven rust langs haar banen door het hemelruim zweven, zo zult ook gij, als gij afstemt op de wereldharmonie, deze in u horen opklinken en uw bestemming tegemoet gaan. Uw vrede zal groot zijn, daar gij in alles de goddelijke gerechtigheid zult gewaarworden. Gij zult u niet ergeren over lijden en onrecht, daar gij meer dan één leven zult overzien. Gij zult de oorzaak en de werking der dingen, welke gij heden beleeft, in een ver verleden en in verre toekomst zien. De onzichtbare draad van het lot van mens tot mens, van het ene leven naar het volgende, zult gij kunnen volgen.
Uw rust zal niet te schokken zijn en uw geluk ongestoord. Ga heen en dank de Godheid."

De jonge priester wachtte met ongeduld op de avond, de vrees voelde hij niet meer, hij had begrepen dat de bewoner der hogere werelden hem er geleidelijk aan wilde gewennen zijn tegenwoordigheid, zijn aanblik te verdragen. Hij lag op zijn bed, de maan scheen helder. Luid sprak hij het woord uit.
Hij wachtte gespannen. Er klonk muziek van nog nooit bevroede lieflijkheid. Daar verscheen de wolk, ze loste zich op en een lichtende gestalte in een merkwaardig stralend wit kleed, een ernstige, eerbiedwaardige man werd zichtbaar: "Ik ben de geest, die u van de geboorte tot het graf, van leven tot leven geleidt." [de beschermengel] Dit sprak hij, maar de jonge priester hoorde geen stem. In zijn binnenste vernam hij deze woorden. Het was hem niet mogelijk iets te vragen, hij wilde wel, maar kon niet. "Morgen zult gij kunnen spreken," de geest was verdwenen.

terug naar de Inhoud


IX - de Pelgrim
IX Het negende beeld - de Pelgrim, de Wijsheid
De negende dag sprak de Hogepriester: "Heden bewandelen wij de weg van Horus, die over de 7 beelden III, VI, IX, XII, XV; XVIII en XXI door het boek van Toth loopt. Het is een lijdensweg, maar hij voert u tot grote hoogten. Bekijk het beeld IX, het derde beeld van de Horus-weg: de man, die gij op de afbeelding ziet, heet de Pelgrim; vier dingen heeft hij u te zeggen: Hij trekt door de woestijn. Hij draagt een muts. Hij heeft een staf in de ene hand; in de andere een lantaarn.

Ten eerste: hij trekt door de woestijn, hij heeft de nietswaardigheid der dingen van dit leven erkend en begeert eigenschappen en talenten te verwerven, die eeuwig de zijne blijven. Hij voelt zich als een vreemde in deze wereld, daar hij weet van het rijk van Leven en Licht. Hij is hier niet thuis, maar trekt op naar zijn echte tehuis.
Ook gij, mijn zoon, zijt niet thuis in dit land, op onze aarde. Uw geest heeft zijn vaderland in het rijk des Levens, vanwaar gij kwam en waarheen ge terugkeert na elke incarnatie. Onze geest heeft vaak het gevoel, dat hij hier in een woestijn verkeert en verlangt naar een oord, waar geen banden hem aan een lichaam binden, waar geen verzoeking is door begeerte, waar geen beperking van ruimte en tijd bestaat. Daarom is de man in wie de geest heerst, een pelgrim in dit leven.

Ten tweede: de muts. Ook zij heeft een diepe betekenis. De muts veroorlooft noch naar achteren, noch op zij te zien, alleen maar vooruit. Zo is het ook gesteld met de man die zich zijn roeping bewust is geworden. Hij denkt niet terug aan zijn vroegere leven, aan de overleveringen, aan zijn geslacht, hij let niet op dit of dat genot, dat hem hier geboden zou kunnen worden, maar dat hem in zijn ontwikkeling zou kunnen vertragen; neen, hij richt zijn blik vooruit, omhoog. Die van licht doorstraalde hoogten trekken hem machtig naar boven; hij wil datgene worden waartoe hij is uitverkoren, hij strijdt om de zegen te veroveren en om dat aan anderen door te kunnen geven.

Ten derde: de staf. Deze betekent: de inhoud der heilige schriften. Wat de pelgrim uit de boeken heeft geleerd, daarop steunt hij. De wonderbare wijsheid die hem daaruit tegemoet is gestraald, de onweerlegbare logica van hun opbouw, licht steeds weer in hem op. En deze steun heeft hij nodig, want hoewel hij een pelgrim is, is hij toch een uit verschillende delen samengesteld mens. Niet slechts de stem van zijn geest laat zich in hem horen; er zijn ook dierlijke behoeften van het lichaam, de krachtige eisen van de ziel, welke al te luid worden. Om nog maar niet eens te spreken van al datgene, wat van buitenaf nog op hem toekomt. Hierdoor zou hij in zijn besluiten kunnen wankelen en daarom heeft hij een staf nodig om staande te blijven [de staf is ook de verbinding tussen boven en beneden].
De herinnering aan de grote evolutie der dingen helpt hem om zekere gedachten, verzoekingen en zorgen in het 'licht van de eeuwigheid' te zien en daardoor te overwinnen. De gedachte dat zijn staf na het beëindigen der pelgrimstocht, in een koninklijke scepter zal veranderen, geeft de pelgrim grote kracht en deze houdt hem er bovenop.

Ten vierde: de lantaarn. Ze is een in hem zelf besloten, hem toevertrouwd licht, een hem door hogere wezens verleend inzicht, dat het pad van de pelgrim verlicht. Hij ziet de stenen, de gaten en de slangen op zijn weg, en daardoor kan hij ze vermijden. De lantaarn verlicht niet de gehele weg, maar slechts een gedeelte van het pad. Wanneer de pelgrim de gehele weg zou overzien, zou hem misschien de moed ontzinken bij het zien van alle moeilijkheden en beproevingen; daarom wordt hem de weg stap voor stap getoond. Elke dag heeft zijn eigen drukkende last. En nu mijn zoon, ga heen in vrede en laat het gehoorde in u naklinken."

Ernstig en in zichzelf gekeerd, ging de jonge priester naar zijn kamer. Het was een stormachtige avond. Grote wolkengevaarten joegen voorbij de maan en de palmbomen in de tuin bogen zich onder de kracht van de wind, die door hun kruinen ruiste. De jonge priester lag op zijn bed en concentreerde zich. Hij was voornemens veel vragen te stellen. Hij sprak het heilige woord uit. Het duurde niet lang of wederom klonk een lieflijk gezang, een harmonische mengeling van zwevende klanken door de lucht en tegelijkertijd vervulde een welriekende geur het vertrek. De wolkkolom drong door de gesloten deur naar binnen, deelde zich in tweeën en de Geleidegeest verscheen in een lang gewaad, stralend van innerlijk licht. Er ging verhevenheid van hem uit en zijn tegenwoordigheid wekte eerbied.
Hij naderde de jonge priester. Deze herinnerde zich dat hij veel vragen wilde stellen, maar hij kon het niet, zijn geheugen liet hem in de steek, hij was alles vergeten. Hij kon slechts de nabijheid van de verheven bewoner ener hogere wereld waarnemen. En weer hoorde hij de stem in zijn binnenste: "Morgen is de dag dat gij van weten tot schouwen zult geraken. Ik zal u morgen in de werelden van de schaduwen en van het eeuwige licht binnen leiden, in het gebied van het werkelijke zijn.

terug naar de Inhoud

De onbewustheid
De jonge priester wilde vragen stellen, maar hij kon zich niets daarvan herinneren, het was of alles in hem was uitgewist. Daar voelde hij, hoe hem een vraag op de lippen werd gelegd: "Wanneer ik reeds in een vorig leven op aarde ben geweest en tussen deze levens in die onzichtbare werelden heb vertoefd, waarom herinner ik mij dat niet meer?"
"Doordat tussen de verschillende gebieden grenzen zijn, afgeschermd door sluiers, die het bewustzijn van de sterveling omhullen bij de overgang van de ene wereld naar de andere [het etherische vlies]. Het is alsof wij uit een stroom vergetelheid drinken [de rivier de Lethe], maar gij zult leren de sluier op te lichten en u in het ene gebied te herinneren, wat gij in het andere hebt gezien en beleefd."
De jonge priester wilde verder vragen, maar hij wist niets meer. Er wilde hem niets te binnen schieten. Er werd hem niets meer op de lippen gelegd dat hij had kunnen vragen: de Geleidegeest verdween.

terug naar de Inhoud


X - het Rad des Levens
X Het tiende beeld - het Rad des Levens, de Ommekeer
De tiende dag sprak de Hogepriester: "Het beeld, waar gij heden voor staat, heet 'het Rad des Levens'. Het stelt de grote ommekeer van alle dingen voor. Wat heden leeft, is morgen dood, wie heden sterft, leeft morgen, wie heden rijk is, is morgen arm, wie heden arm is, is morgen rijk. Alles leeft, stroomt voort, verheft zich en verzinkt wederom. Ziet gij de wapperende linten aan het rad? Zij wijzen u op de razende snelheid waarmee het levensrad door tijd en eeuwigheid voortwentelt. Duizend jaren zijn als één dag.

terug naar de Inhoud

Het lot
De Sphinx, die rustig en raadselachtig boven het Rad des Levens op de wolken troont, zegt ons dat in hogere werelden voor ons nu nog onbegrijpelijke wezens, ons lot gadeslaan en leiden. De geheimzinnige tekens in het Rad wijzen ons erop, dat in ons leven veel is, wat we nog niet kunnen begrijpen.
De verklaring van ons lot wacht ons, wanneer we tot rijpheid en kracht zullen zijn gekomen. Dan zullen wij bij vol bewustzijn en met volledige herinnering die werelden kunnen bezoeken, waar we gedurende de tijd van de éne dood tot de volgende incarnatie uitrustend en werkend, oogstend en genietend, of treurend en lijdend onze tijd zullen doorbrengen. Maar omdat we nu nog in onze onontwikkelde toestand zijn, kunnen wij ons, wat wij daar hebben beleefd en aanschouwd, niet meer herinneren.

terug naar de Inhoud

De Sphinx[de geestelijke vermogens]
Beschouw de Sphinx goed. Zij openbaart ons het karakter van degenen, die het Rad des Levens besturen. Zij toont ons echter ook de eigenschappen, die wij zélf in ons moeten ontwikkelen. Ze bestaat evenals wijzelf uit vier delen. Vier delen, die ons het 'weten, wagen, willen en zwijgen' toeroepen; het 'weten, willen en kunnen, wagen en zwijgen' is het goddelijke in het wezen van de mens. Weten en Willen, Aangrijpen en Zwijgend naar het Hogere streven is een karaktertrek, die ook de goden met ons gemeen hebben, die door oefening hun natuur is geworden.
Het Mensenhoofd van de Sfinx zegt ons: weten ['denken']. De Heren van het Lot der mensen weten wat hun doel is. Ook wij willen weten. Uit twee bronnen putten wij mensen dat weten. Ten eerste uit boeken en uit het mondeling onderricht van hen, die verder zijn gevorderd dan wij. Ten tweede zijn er stemmen die uit de andere wereld tot ons doorklinken, nu eens als invallende gedachten, die bij het mediteren tot ons komen, dan weer rechtstreekse mededelingen van onze geestelijke Leiders.
Het Stierenlichaam van de Sphinx zegt ons: werken, tot stand brengen, kunnen, kracht ['willen']. Kracht is daar, waar een wil is; onze wil is de drijfveer van onze kracht. Daarom moeten wij niet alleen onze wil versterken, maar er ook voor oppassen niet onder invloed van de wil van een andere persoon te geraken; wij zouden deze dan de bron van onze kracht, het sterke deel van onze persoonlijkheid, uitleveren.
Het stierenlichaam van de Sphinx zegt ons dus: wil en kracht. De Leiders der mensheid hebben niet alleen inzicht en wijsheid ['denken'], maar ook wil en kracht ['willen'] om de mensen naar de hoogten te voeren. Zij volbrengen wat zij willen. Zij werken rusteloos voort. Ook wij zijn door hen geroepen om het hoogste, schoonste en lieflijkste in ons te willen en te verwerkelijken.
De Leeuwenklauwen zeggen: aangrijpen, wagen, vasthouden. De leiders kunnen ingrijpen als het nodig is. Wij moeten, als we de noodzakelijkheid van een stap hebben ingezien, het wagen die te doen [moedig zijn: een 'gevoel' van vertrouwen hebben].
De Adelaarsvleugels zijn een symbool voor het omhoogstijgen der Geesten. Goden en mensen, die op weg zijn naar vergoddelijking, zweven in zalige reidansen steeds reinere, meer vergeestelijkte hoogten tegemoet, het goede willend en zwijgend over de opgedane ervaring en aanschouwde schoonheid ['waarnemen'].

Dan ziet gij nog twee gestalten op het Rad. Links de goede God, Hermanubis, de hondekop, wijst op trouw en rechts de slechte God, Typhon, de gevleugelde slang. Hermanubis gaat op het Rad omhoog, Typhon omlaag. In de plaatsing van deze beide goden, die het goede en het slechte betekenen, ligt de hoogste stelregel van levenswijsheid.
Het goede voert steeds opwaarts naar volmaaktheid; het boze steeds naar omlaag, naar innerlijke en ook uiterlijke verdorvenheid en tenslotte naar de vernietiging. Maar dat is niet onmiddellijk zichtbaar. Het tijdstip waarop alles zichtbaar wordt, komt dikwijls pas later na het levenseinde van de mens. Maar het tot openbaring komen van wat wij zijn, is onafwendbaar.
Daarom, o pelgrim op de weg naar het heerlijke licht, heb het goede lief, zoek het en oefen u erin, maar haat het slechte, vermijd het en laat het na. Met het goede weeft gij gouden draden in het gewaad, dat gij eenmaal zult dragen. Laat u niet bedriegen door de bevrediging, die het slechte u voor het ogenblik biedt. En ga heen in vrede."

De jonge priester bracht de dag biddend en vastend door. Hij bad om wijsheid steeds de juiste keuze te maken, om kracht om altijd het goede te zoeken en het slechte te vermijden. Hij lag lange tijd in aanbidding op zijn knieën voor de Hoogste God, van wiens bestaan en karakter hij iets wist en meer in eerbied vermoedde. Hij zat, in meditatie verzonken, in de heilige houding, rechtop, de handen op de knieën. Toen neeg de zon ter kimme en kleurde een tijdlang het zand van de woestijn purper en goud.
Toen het avond was geworden, verliet de jonge priester de Hof. De palmen verloren zich in de oneindige donkerte. Het water van de vijver glansde nauwelijks. Overal schaduwen en geheimzinnigheid.
In het heiligdom ontving hem de Hogepriester. Het scheen de jongeling toe alsof naast deze, slechts even zichtbaar, een wolkkolom stond, of zou het gezichtsbedrog zijn?
Zwijgend geleidde de Hogepriester de jongeling door hoge zalen. Geweldige zuilen, welker kapitelen het heilige symbool van de lotusbloem voorstelden, droegen de gebinten, die zich naar boven toe in duisternis oplosten. In een klein, gewelfd heiligdom, achter een altaar, stond een rustbed.
"Leg u hierop neer." Zwijgend strekte de jongeling zich op het bed uit. De Hogepriester hief de rechterhand op: "Slaap!" De zintuigen van de jongeling vervaagden. Hij verloor het bewustzijn niet geheel, maar het duizelde hem. Dit was een nieuwe toestand, hij was niet wakker, maar hij sliep ook niet. Hij zag wolken en uiterst fijne, nevelige gestalten om zich heen. Hij zag ook de Hogepriester en daarnaast, rustig, waardig en stralend zijn Geleidegeest. Het duizelige gevoel werd sterker. Hij zag de woorden van zijn Geleider: "Het Rad des Levens draait." Hij zag deze woorden meer dan hij ze hoorde.

terug naar de Inhoud

De uittreding
De draaiende beweging werd steeds sterker en plotseling kreeg hij het gevoel alsof zich in hem een splitsing voltrok: een deel van hem bleef op het rustbed liggen, datgene wat ademde; het andere deel zweefde boven het lichaam, dat op het rustbed lag. Het was datgene van hem, wat dacht, maar tevens zag, hoorde en voelde, het was overal. Het was iets bijzonders, het was alsof hij geheel gezicht en gehoor en gevoel was. Hij was ook stomverbaasd te moeten constateren dat hij niet datgene was, wat op het rustbed lag, maar iets, wat daarin gehuisvest was geweest.
Ook verwonderde hij zich dat hij in het binnenste van de ander kon zien, het scheen hem toe dat hij door de Hogepriester en door zijn Geleider heenzag. Deze kwam op hem af, zweefde als het ware op hem toe. De Hogepriester legde zijn mantel over het als levenloos neerliggende lichaam van de jonge priester; daarop scheen het hem toe dat zijn Geleider hem bij de hand nam en met hem omhoog zweefde. Tot zijn verbazing vormde het gewelf van het heiligdom geen belemmering; hij drong door de stenen als een vogel door de wolken. Het was een geheel nieuwe ervaring voor hem.
Toen zag hij zijn Geleider spreken: "Uw lichaam blijft in het heiligdom onder de mantel van de Hogepriester, opdat geen onreine geest er bezit van kan nemen. Er zijn namelijk veel geesten, die rondom zwerven en een lichaam zoeken. Ze hangen aan het leven en streven niet naar omhoog, naar de gebieden van vrede en licht. Dikwijls varen deze gekwelde geesten in de lichamen van dieren of van mensen, die in een kwetsbare toestand verkeren, een toestand van vestingen, waarvan de muren gehavend zijn, van hen die door uitspattingen of ziekte hun weerstand hebben verloren."

terug naar de Inhoud

De gedachtevormen
Zij zweefden hoger. De stad lag diep beneden hen. De heilige rivier glansde als een breed zilveren lint. De jonge priester dacht aan zijn stille kamer in de tuin van de tempel en wilde haar zien. Terstond werd hij sterk naar beneden getrokken en hij zou in de richting van zijn huis zijn geijld, als zijn Geleider hem niet had tegengehouden. "Gij moet hier nog meer dan in de zichtbare wereld uw gedachten en uw wil beheersen. Gedachten zijn scheppingen die wij voortbrengen en onze wil is de drijfkracht die ons daarop voorwaarts beweegt. Kijk eens om u heen!"
De jonge priester deed het en ontwaarde een schier eindeloze schare nevelachtige gestalten, verschillend van vorm en kleur, die hen volgde en hij kwam zichzelf voor als een komeet, die een staart achter zich aansleept. "Gij kunt nu zien hoe wijs uw leermeesters waren toen ze u onderwezen op uw gedachten en gevoelens te letten. Gij ziet hoe uw gedachten, die uit uw brein[?] zijn ontstaan, hun schepper en vader volgen."
"Maar wie zijn de enkelingen, die boven en naast ons in de verte zweven?" "Dat zijn geesten," sprak de Geleider. "Hoe kan ik weten of ik een geest of een gedachte voor me heb?"
"Spreek de verschijning aan; als het een geest is, krijgt gij antwoord, want hij is een persoon. Als het echter een gedachtevorm is, zult gij geen antwoord ontvangen, daar deze geen geest heeft, maar slechts een soort plantenleven leidt en alleen de drang heeft haar schepper te volgen.

Zoudt ge nu het huis van uw ouders willen zien?" "Ja." "Wil het dan."
De jonge priester richtte zijn aandacht op het huis van zijn ouders en met de snelheid van de bliksem stond hij ervoor. Hij wilde naar binnen en drong zonder enige moeite door de muren in de slaapkamer. Hij zag zijn ouders liggen slapen, hun lichamen schenen hem echter leeg toe. "Zij zijn niet hier," legde zijn Geleidegeest hem uit, "ze zijn ergens anders, in het rijk der dromen. Slechts het omhulsel rust en leeft op het bed. Kom, we gaan hoger!"
Gedragen door hun wil zweefden de jonge priester en zijn Geleider weer omhoog. "Gij ziet, dat het de wil is, die ons hier beweegt en draagt. Uw meesters deden er goed aan u oefeningen op te geven, die uw wilskracht versterkten, want er dwalen willoze geesten in de dampkring van de aarde rond, die niet de kracht hebben zich tot hogere sferen te verheffen. Wij kunnen echter naar omhoog. Kom!"
Zij vlogen. Aan hun rechterzij nam de maan met razende snelheid in grootte toe. De jonge priester onderscheidde met grote belangstelling de eigenaardige, reusachtige kraters op de door de zon beschenen schijf.
"De maan is een dood lichaam," sprak de Geleider, "eens werd zij uit de aarde weggestoten, daar waar nu de Middellandse Zee glanst en ruist. Houdt u niet op, we hebben nog een lange reis voor ons."

Een ster die schitterde als een reusachtige smaragd, doemde snel voor hen op. Flauw oplichtende groenachtige nevelsluiers omhulden hen. Zij vlogen zo dicht langs haar heen, dat de jonge priester zeeën en continenten, meren en bergen op haar kon onderscheiden. "Hoe komt het dat ik slechts de sterren zie, maar hun bewoners niet," vroeg de jonge priester. "Gij kunt nu nog niet de dampkring van een andere planeet betreden, dat zal later wel eens gebeuren. Ook is een bepaalde blinddoek nog niet van uw ogen afgenomen. Maar ze zal spoedig vallen."
Ze vlogen verder en lieten de als smaragd glanzende ster spoedig achter zich. Een reusachtige, blauw gloeiende kogel kwam nu op hun weg, hier omheen cirkelden vier kleinere, roze, geel, groen en rood lichtende manen. De kleurenpracht was overweldigend en de jonge priester wilde deze heerlijke wereld naderen, maar zijn Geleider stond het niet toe. "Hoger op," sprak hij tot hem, "kijk!"

terug naar de Inhoud

De zonnegeest
Het was de jonge priester of een blinddoek hem van de ogen viel en hij zag ontelbare geesten, die boven, naast en achter hen eveneens omhoog zweefden. Zij lichtten en schitterden in de meest verschillende kleuren, het merendeel van hen straalde echter een wit licht uit, dat van tijd tot tijd opaliseerde.
Ze vlogen gezamenlijk op de zon af, die snel groter en overweldigender werd. Een zee van licht leek hen te omschijnen, vreugde en jubel trilde aan alle kanten om hen heen.
"Wat voor een schare is dat, waarheen spoeden deze heerlijke geesten zich?" vroeg de jonge priester. "Dat zijn de gereinigde, gelouterde en gerijpte geesten, die zich hier verzamelen tot zalige vreugde en heilige lofprijzing."
In het midden van een eindeloze vlakte straalde een voor de jongeling haast niet te verdragen licht. Het scheen hem toe dat alle geesten naar dit licht stroomden. "Wie is dat, om wie deze verheerlijkten zich allemaal verzamelen?" vroeg hij. "Dat is een hoge geest, die het lot van de zon en haar planeten leidt en over hun ontwikkeling waakt."
"Het zou dus niet de troon van de Allerhoogste, de Onuitsprekelijke kunnen zijn?" "Neen, van Hem zijn we nog ver, heel ver verwijderd!"
"Zullen we ..." "Vraag niet - zie toe - hoor." In eindeloze rijen gingen de gereinigden het Licht tegemoet, de glans, die zij uitstraalden, verenigde zich met de rythmische harmonie van hun lofzang tot een onuitsprekelijke heerlijkheid. Ook de jonge priester kon zich niet stil houden - de zalige vreugde die allen voelden, sleepte ook hem mee en ook hij loofde de Hoogste God, wiens dienaren reeds zo stralend zijn. Toen sprak zijn Geleider: "Hier looft de neophiet God, hier spreekt niemand beledigingen uit en wordt geen leed veroorzaakt."
De jonge priester wilde het licht dichter naderen, maar zijn Geleider liet het niet toe. "Gij kunt het nog niet verdragen," sprak hij en hield hem vast.

Zij bewogen zich met de snelheid van een bliksemschicht door eindeloze ruimten naar de aarde terug. De jonge priester voelde dat zich weer iets als een blinddoek voor zijn ogen legde. "Waarom gebeurt dit?" vroeg hij. "Gij zult daardoor heden veel verschrikkelijks en treurigs niet zien. Dat zult gij nog vroeg genoeg leren kennen."
De jonge priester kwam tot zichzelf, het was als of hij met een schok in zijn lichaam was terecht gekomen, dat rustig onder de mantel van de Hogepriester was blijven liggen. Hij ontwaakte. Hij had niet gedroomd. Hij had iets groots, iets wonderbaarlijks beleefd, iets, dat nooit uit zijn gedachten zou verdwijnen.

terug naar de Inhoud


XI - Moed, Magische krachten
XI Het elfde beeld - Moed, Magische krachten, de Overwinning
Op de elfde dag sprak de Hogepriester als volgt: "Gij staat heden voor het laatste beeld der linker rij. Het heet Moed, Magische krachten. Als gij tot hiertoe in uw ontwikkeling zijt gekomen, zijn zekere, u vroeger onbekende krachten, welke wij de magische noemen, in u tot ontwikkeling gekomen. Deze krachten zult gij in de toekomst kennen, beheersen en gebruiken.

Ge zult, zoals ge op dit beeld ziet, op een ander plan ontmoetingen hebben met verschrikkelijke wezens. Ge zult ze echter temmen. De uitwerking van de goedheid, de hoogheid, het licht dat ge zult uitstralen, zal sterker zijn dan de invloed van hun lagere, duistere, afschuwelijke aandriften. En ze zullen, overwonnen door de u zelf misschien nu nog onbewuste kracht uwer persoonlijkheid, zich aan uw voeten neerleggen en u de hand likken.
Uw vijanden zullen u niets kunnen doen, tot eenmaal - misschien is het ook u beschoren - het uur komt, waarin gij u als offer zult moeten overgeven, uit liefde voor uw vijanden, om hen te helpen. Dan is het mogelijk dat gij naar het besluit van Hogere Machten aan hen zult worden uitgeleverd en dan zullen de bozen, onwetend, het plan des Hemels uitvoeren.
Afbeelding XI is het 4e beeld van de Isis-weg. Nadat gij uit boeken kennis hebt verzameld (beeld II) en de rijpheid hebt bereikt mondeling onderricht te kunnen ontvangen (beeld V), hebt gij de waarheid erkend (beeld VIII) en magische krachten in u ontwikkeld (beeld XI). Gij weet dat het hier zichtbare slechts een vergankelijke schijn en dat het onzichtbare eeuwig is. Door dit inzicht hebt gij moed en door zekere oefeningen hebt gij magische krachten gekregen (beeld XI). Noch de vlam van het eeuwige vuur, noch haat of boosheid zullen u kunnen schaden.

terug naar de Inhoud

De rozenkrans en lemniscaat
De rozenkrans waarmee gij de jonge vrouw, de menselijke geest, omgord ziet, is uw beschutting, uw wapenrusting, de bron van uw kracht. Deze rozenkrans is de band der reinen, welke allen omvat, wier beweegredenen rein, oprecht en onzelfzuchtig zijn, en die in verbinding staan met het grote centrum. Het zijn slechts enkele rozen, maar hun kracht bestaat in hun verbinding, hun eenheid, door liefde.
De lichte uitstralingen van de enkeling die omhoogstreeft, hebben een veelvoudige uitwerking wanneer ze met gelijkgestemden samenklinkenen; zij maken degene, die ze uitzenden, niet alleen onkwetsbaar, maar ze omgeven hem als het ware ook met een ondoordringbaar pantser, waardoor geen pijl der van haat vervulde machten hem kan bereiken. Ja, boosheid en haat zullen onder de invloed van zijn wezen in deemoedige onderwerping veranderen - gij ziet, de leeuw likt de hand van de jonge vrouw. Zo zal de welwillende, de reine door de menigte van zijn vijanden schrijden en geen hand zal zich tegen hem kunnen verheffen. Een voor hen niet te begrijpen ban zal hen gevangen houden. Het is de kracht der hogere uitstralingen.
Gij ziet echter op dit beeld nog iets, mijn zoon. De met de rozenkrans omgorde jonge vrouw die de leeuw de hand likt, draagt op haar hoofd dezelfde hoed, welker randen de liggende vorm, het teken van het goddelijke evenwicht, dragen net als de magier op beeld I [de lemniscaat].
Het goddelijke is in de pelgrim tot doorbraak gekomen. Met dezelfde verheven rust, waarmee de Godheid werelden in het leven roept - de Hogepriester wees hier op beeld I - beheerst (beeld IV) en tot volmaking voert (beeld VII) - handelt degene, die reeds een zekere graad van goddelijkheid heeft bereikt en zijn omgeving beheerst.
Zulk een ver gevorderd mens ontwapent en onderwerpt zijn vijanden door de rust en de goedheid, welke hij uitstraalt. Hij heeft uit boeken geleerd (beeld II), heeft aan de voeten van een Meester gezeten (beeld V), heeft de waarheid leren kennen en is gewogen (beeld VIII). Hij heeft moed en zekere krachten in zich ontwikkeld (beeld XI, samen de Isis-weg). Hij is rijp om ingewijd, in de onzichtbare werelden ingeleid te worden en van trap tot trap, van licht tot licht voort te gaan. Vrede zij met U."

's Avonds ging de jonge priester naar het heiligdom. Weer lag hij onder de mantel van de Hogepriester en evenals de vorige avond scheen het hem toe dat hij zich op een rad bevond, dat hem met razende snelheid ronddraaide en plotseling als met een ruk voelde hij, dat hij uit zijn lichaam werd geslingerd en weer zag hij zijn omhulsel zonder beweging, maar volstrekt niet levenloos, onder de mantel van de Hogepriester rusten. Zijn Geleider was, als steeds, naast hem.
Hij hoorde hem zeggen: "Heden gaan we de diepte in, naar de afgronden van het eeuwige vuur, waar zich de sterren tot één grote krans aaneensluiten. Gij zult inzicht krijgen in het heersen der levenskrachten." De Geleider raakte op een bepaalde manier een plaats aan het hoofd van de jonge priester aan en terstond zag deze de omgeving in een geheel ander licht. De stoffelijke dingen, huizen, landerijen en bergen kwamen hem omsluierd voor, als uit nevel geweven, maar wat het meeste opviel, was een sterk blauwachtig licht, dat hen omgaf. "Dat is de levenskracht," sprak de Geleider.

terug naar de Inhoud

De levenskracht
Het scheen de jonge priester alsof hij dreef in een zee van licht, stralend, trillend, levend licht. Alles was licht. Licht omspoelde de aarde. Licht ontsprong aan de bloemen, de bomen en de planten op de velden. Licht ontgloeide zachtjes aan de kristallen en edelstenen in de schoot der aarde. Licht omstraalde en vervulde in meerdere of mindere mate al het levende.
De jongeling staarde naar het wonder van deze nooit vermoede wereld. Hij bemerkte spoedig een zeker rythme in deze zee van licht, een deining die van een zeer ver verwijderd centrum scheen uit te gaan. "Dat zijn de levensgolven," dacht hij. En waar de levensgolf kwam, lichtten de kristallen sterker, geurden de bloemen zoeter, rijpten de vruchten en beminden de mensen. In de geest de alles scheppende en onderhoudende Godheid aanbiddend, staarde de jonge priester in de lichtzee.
"Dat is het leven," zei hij in zichzelf. "Ja, dat is de levenskracht," antwoordde de Geleider, "die alles vervult en voortdrijft. Als zij op haar hoogtepunt is, voert zij ons in het leven en op haar dieptepunt voert ze ons er weer uit. Overal heerst het heilige rythme. Sterke mensen vloeien over van levenskracht en kunnen van hun overvloed afstaan om zwakkeren te sterken, wonden te genezen, zenuwen te kalmeren, planten tot snellere groei aan te zetten.
Zwakkere personen daarentegen kunnen, zoals gij weet, door rythmisch diep adem te halen en door de kracht van hun wil uit de oneindige rijkdom van Levenskracht, die hen omgeeft, putten zoveel als zij willen, zich ermee versterken en tot overlopens toe ermee vullen. Dat is het geheim van veel genezingen in de tempels. Wetende, krachtige mensen gelijken op stralende sterren, die in dezelfde toon klinken, die hun lichtgolven in hetzelfde rythme uitzenden. Zij hebben voortdurend onzichtbaar verband met elkaar omdat zij gelijk zijn en gelijk willen; beschermd door de kracht van deze heilige 'Rozenketen' willen wij in de afgrond van het eeuwige vuur afdalen! Kom!"

terug naar de Inhoud

De werelden der begeerten
Het scheen de jonge priester dat hij klein werd en met zijn Geleider in het oneindige viel; toch had hij het gevoel door naar rozen geurende nevels te zijn omgeven. "De rozenkransen," dacht hij, "de sterrenkransen." Zij ijlden door de werelden van geesten en van zielen. Gedachtevormen en 'gestorven' geesten vlogen hen voorbij, maar zij konden door de geweldige snelheid nauwelijks iets onderscheiden. De jonge priester keek naar zijn Geleider. Deze sprak: "Een andere maal zult gij dit alles leren kennen. Nu gaan we naar de afgronden van het eeuwige vuur, naar de werelden der brandende begeerten. Dieper, steeds dieper."
Plotseling dook uit de schemering een felle rosse gloed op, die hen geheel omgaf, maar de koele rozengeur, de nevelsluier, verliet hen niet. "Dit is het oord der kwellingen en verwensingen, van de nog ongebroken trots, de ongestilde begeerten.
Ge kunt hier ongehinderd vertoeven, daar in uw geest geen overeenkomstige snaren kunnen meetrillen. Daarom moest ge in de jaren van uw voorbereiding uw geestelijke lichaam reinigen, voordat ge tot de inwijding kon worden toegelaten. Hierheen, naar dit oord van verschrikkingen, kunnen slechts reinen van hart zonder gevaar afdalen; want degene, in wie nog die begeerten woelen, zou hier onherroepelijk worden vastgehouden.
Iedere menselijke geest moet na het afleggen van zijn sterfelijke lichaam door deze gebieden heen. De reinen van hart, de gelouterden stijgen als in een droomtoestand er doorheen, zonder iets van al het lelijke te bemerken, dat wij hier heden moeten zien. Degenen echter in wie nog bepaalde hartstochten, zonden en begeerten leven, worden hier onverbiddellijk vastgehouden, op dezelfde wijze als ijzervijlsel door een magneet. De misschien nog niet geheel afgestorven neiging of begeerte leeft onder invloed der omgeving hier weer op. De nog zwak gloeiende kool wordt door bepaalde geesten, die hierin een afschuwelijk genoegen hebben, weer tot felle gloed aangewakkerd.

Hier moeten de geesten verblijf houden, wachten en lijden, tot ze zelf ervan overtuigd zijn geraakt dat begeerte hier op niets uitloopt, tot ze zelf een walging van die neigingen krijgen en tot de begeerten in hen zijn afgestorven. Maar let nu eens op de lijdenden, op zulken die bezig zijn zich te louteren.

terug naar de Inhoud

Voortplanting is een heilig gebeuren
Ge ziet hier voor u een menigte van geesten die de - door de Godheid ingeschapen - voortplantingsdrift hebben misbruikt. De mensen moeten kinderen verwekken om de grote evolutie der geesten mogelijk te maken, die met behulp der voortplanting van reïncarnatie tot reïncarnatie, van trap tot trap, stijgt. Kinderen voortbrengen is een heilig gebeuren.
Die daar hebben echter niet de geesten gediend, die smachten naar reïncarnatie, maar de edele geslachtsdrift misbruikt en ontwijd door de fantasie hunner verdorven lusten. Daardoor hebben zij zich de toorn des Hemels op de hals gehaald.
Zie die nevels, die hen omgeven; hierin zijn vormen, gestalten, ledematen zichtbaar, hun gedachten, die op aarde van hen zijn uitgegaan en die hen - als hun verwekker - volgen. En door deze nevels, door de menigte van deze, de mensen volgende gedachtevormen, schieten geesten, die nooit mensen zijn geweest. Vol boosheid en wellust beïnvloeden zij de mensengeesten om zich aan onkuise voorstellingen en neiging over te geven, die weliswaar de boze geesten een zekere prikkel bereiden, maar de lijdenden nooit bevrediging verschaffen. Op de lust volgt het verdriet, de teleurstelling, zij kunnen met hun geestelijke lichaam slechts begeren, hun ontbreekt echter voor de bevrediging van hun lust het grofstoffelijke lichaam.

Van tijd tot tijd treft hen een troost uit hogere sferen, als iemand die hen eens nastond in liefde, zegenend en voor hen biddend, aan hen denkt. Dan zwijgt een tijdlang het onedele, het dierlijke in hen en maakt plaats voor edeler aandriften, maar spoedig ontwaakt weer de begeerte naar de hartstochten van het vlees en breidt zich tot in het oneindige uit, zonder echter voldoening te vinden. En deze vreselijke kwelling van het niet bevredigd worden is het, die op het laatst de hartstocht in hen doodt. Zo lijden zij en leren zelf het vergeefse van hun begeren kennen, tot zij rijp zijn, tot het uur van hun verlossing kan naderen, tot het onkuise in hen is afgestorven en zij naar de hogere gebieden omhoog kunnen zweven.

terug naar de Inhoud

Het lijden der verslaafden
Op een andere plaats waren diegenen bijeen, die in verschillende ongewone prikkels bevrediging hadden gezocht. Ook zij leden in een geestelijk vuur dat zonder ophouden brandde, daar het ook door de begeerten der lijdenden steeds weer werd gevoed. Daar waren de vrienden van de wijn, die zich in het leven aan dronkenschap hadden overgegeven, diegenen, die door de zinnenbenevelende eigenschappen van zekere plantensappen hun gezondheid hadden ondermijnd en hun arbeidskracht vernietigd.
Weer van een andere zijde klonk woedend geschreeuw. Op winst beluste spelers twistten over winst en verlies, dat zij nooit zouden kunnen betalen of innen. "Ook zij zullen zelf tot inzicht komen," sprak de Geleider, "en wanneer de begeerte in hen is gestorven, zullen zij omhoog zweven."

Op een andere plaats waren de vijanden der waarheid bij elkaar, want het gelijke trekt het gelijke aan en hier in het bijzonder geldt deze wet. Ze hebben nooit de verleiding om te liegen en een ander te bedriegen kunnen weerstaan; zij zaten elkaar te beliegen, zonder dat de een de ander gelooft. En uit de vele woorden, vertelsels en verzekeringen was noch hulp, noch voordeel te putten, werd geen eer of inzicht bereikt, want de een doorzag de onzuivere gedachten van de ander. Het was alles bedrog.
"Ook zij zullen moede worden stro te dorsen," sprak de Geleider vol mededogen.
Op een andere plaats leden zij die in het recht van de Godheid om de lengte van een mensenleven te bepalen, hadden ingegrepen, en die hadden gedood. Verschillend was hun lijden, want de redenen waarom zij bloed hadden vergoten, waren verschillend. Haat en wraakzucht, jaloezie, hebzucht of verwrongen begrippen van eer hadden hen tot de misdaad aangevuurd; nu leden zij. In hun harten kwamen van tijd tot tijd dezelfde gedachten van haat en toorn op; hun kwelling was nu dat zij die niet konden botvieren. Zij stormden op elkander los, maar konden elkaar geen schade meer berokkenen. Dikwijls kwamen zij ook hun slachtoffers tegen en hadden dan meestal te lijden door bitter en wanhopig berouw.

"Ook zij blijven hier," sprak de Geleider, "tot de tijd van onwetendheid is vervuld en het gemene en afschuwelijke van hun geest is afgevallen, tot zij eindelijk naar het Rijk van Vrede en Licht omhoog kunnen stijgen. Want alle geesten willen vrij worden van de bezinksels die zij meebrachten, zij voelen vaak hun aanwezigheid hier als een noodzakelijke en heilzame kuur, als de reddende en helende, hoewel soms ook als smartelijke behandeling van een arts."

De Geleider wees op een andere groep van geesten, die zich van de zonden van eerzucht en inhaligheid hadden te zuiveren. Sommigen waren dieven en rovers, anderen oneerlijke kooplieden. Zij werden hier, net als in het aardse leven, geplaagd door de zucht om te roven, te stelen, zich bovenmatig te bevoordelen. Daar zij dit hier niet meer kunnen doen, omdat hier niets te stelen, roven of op oneerlijke manier te verkrijgen is, sterft ook in hen langzamerhand de begeerte naar onrechtmatig verkregen bezit af. De gevolgen van hun slechte handelingen zijn hier steeds om hen heen en zij lijden er aan niets ongedaan te kunnen maken.
"Voor allen," sprak de Geleider, "nadert het uur der bevrijding. Het inzicht komt. Hopen goud en vergankelijke aardse roem kunnen hier niet helpen."
Sluiers van onbewustheid legden zich over de geest van de jongeling. Hij werd duizelig en ontwaakte in het heiligdom, in zijn lichaam.

terug naar de Inhoud


XII - de Beproeving
XII Het twaalfde beeld - de Beproeving
Op de twaalfde dag sprak de Hogepriester: "Gij staat heden voor het twaalfde beeld, mijn zoon, het heet 'de beproeving' of 'de gehangene'. Zoals alle beelden van het Boek Toth ontstaat ook dit begripsmatig uit het voorgaande. Wie de goden bij de ontwikkeling van magische krachten hebben geholpen, die geven ze ook spoedig gelegenheid deze te benutten, zich erin te oefenen en te tonen dat hij ze waarlijk bezit. Zij stellen de stervelingen op de proef. Daarom moet naast het beeld dat magische krachten voorstelt, het beeld van de beproeving staan.

Zoals in de gehele beeldenreeks, is er een sterk innerlijk contrast tussen tegenover elkaar staande beelden. Op beeld XI de zachte maagd die met rozen versierd is en strelend de leeuw de muil sluit, tegenover haar de man die weerloos aan één voet vastgebonden hangt. De dorre boomstronken, zonder loof of vruchten die de dwarsbalk dragen aan welke hij hangt, wijzen u op het ontbreken van beschuttende bladeren en verkwikkend fruit.
Hulpeloos, door iedereen verlaten, zweeft hij tussen hemel en aarde. Hij overwint wanneer hij het lijdende lichaam uitschakelt en in de geest het grote doel voor ogen houdt. Hier leert men ook dat de magische krachten niet gegeven zijn om zichzelf te helpen, maar om anderen te dienen en ten goede te beïnvloeden.

terug naar de Inhoud

Voordeel na beproevingen
De gedachte die in beeld XII wordt uitgedrukt, moet verder ook in een zeker verband staan met het derde voorgaande beeld de Pelgrim (beeld IX). En zo is het ook; wat in beeld IX is aangeduid, voltrekt zich in beeld XII, het vierde beeld van de Horus-weg, de weg des Geestes, die op adelaarsvleugels omhoog gaat en opwaarts voert. De eenzame pelgrim, die door de dorre woesternij dwaalt (beeld IX) is in een nog veel moeilijker positie gekomen. Eenzaam was hij reeds op de weg door de woestijn; terwijl hij aan de balk hangt, is zijn eenzaamheid nog verschrikkelijker.
Nadat gij een zekere rijpheid had bereikt, werd gij tot de beproevingen in de tempel toegelaten en evenzo zullen u, wanneer gij vordert in uw ontwikkeling, in uw ganse leven beproevingen niet gespaard blijven. Verdraag ze met de lankmoedigheid van de wetende, dan zal alles u ten voordeel gedijen.
Ga heen in vrede!
"

terug naar de Inhoud

De toornigen
Toen de jonge priester deze avond zijn lichaam had verlaten, sprak de Geleider: "Ook heden moeten wij de oorden van lijden en loutering bezoeken." Zij gingen de diepte in. Wederom omhulde hen de koele, naar rozen geurende nevel en zij kwamen opnieuw op een plaats van vuur en pijn. "Dit is het heiligdom van de toorn en de haat; slangen, honden en vuur wachten u hier. Wees bereid uw persoonlijkheid te offeren."
Ook hier zagen ze grote scharen geesten, die zich met inbeeldingen en gevoelens kwelden. Bij velen was reeds een zekere moeheid te bespeuren, deze waren hun bevrijding nabij. Vlammen lekten in een rose gloed. Zwarte nevels deemsterden. De atmosfeer was drukkend zoals op aarde voor het losbarsten van een onweer.
"Dit is de plaats van de toorn en haat," sprak de Geleider, "kijk hoe ze elkaar hiertoe prikkelen en aanzetten. Hoe ze ziedend van toorn op elkaar afvliegen en teleurgesteld weer terugvallen, daar ze elkaar niets kunnen doen. Ze hebben in hun leven niet zoals gij geleerd door concentratie en meditatie hun gevoelens en gedachten te beheersen. Daarom moeten zij een veel langere en smartelijker school van loutering doorlopen."

terug naar de Inhoud

De ongelovigen
Ze keerden zich naar een andere schare van geesten, die deels kijvend, deels debatterend of knorrig en vertwijfeld in stof en nevelwolken ter neer zat. Dit waren degenen, die niet aan de onzichtbare wereld hadden geloofd, zij die de Godheid niet door offer en gebed hadden geëerd, die de mening waren toegedaan dat de werelden door een toeval waren ontstaan en dat met het sterven het bestaan en het bewustzijn een einde namen. Ze hadden de vromen voor 'dwazen' uitgemaakt en blijken het nu zelf te zijn, want ofschoon ze dood zijn, menen ze dat ze niet gestorven zijn, doordat zij zich nog bewust zijn van hun bestaan, zien, horen, zich herinneren, vrezen en begeren.
"Hoe kunnen deze geholpen worden?," vroeg de jonge priester. "Ze moeten hun dwaasheid inzien, ook zij ontvangen onderricht en bemoediging uit hogere sferen. Zie deze lichtstralen, die zich door de duistere nevels boren, dat is de hulp van liefhebbende geesten."

Terzijde van deze schare was een kleiner aantal bijeen; een gedeelte was bezig zich aan bomen op te hangen, anderen doorboorden zich met zwaarden en dolken, weer anderen schenen in krampen tengevolge van vergiftiging te sterven. Zij stierven echter nooit helemaal, maar leefden steeds weer op en begonnen weer aan de huiveringwekkende voorbereidingen en vatten het plan op opnieuw zelfmoord te plegen. "Dit zijn zij, die zelf een eind aan hun leven hebben gemaakt, het kwaad, dat zij trachtten te ontlopen, ontmoeten ze hier in veel sterkere mate."
"Welk een ontzettende ellende," dacht de jonge priester geschokt, "Kon men deze ongelukkigen toch maar helpen."

terug naar de Inhoud

Zelfopoffering voor de lijdenden
"Gelukzalig is hij, die erbarming gevoelt," sprak de Geleider, "en die bereid is om zijn persoonlijkheid op te offeren om de lijdenden te helpen." "Hoe kan dit geschieden?"
"Uit offers bestaat het koord, waaraan deze stervelingen uit hun ellende worden opgetrokken en de liefde heeft van oudsher de meest gelouterde en verst gevorderde geesten tot het offer aangespoord."
"Hoe?" "Zoiets kan op twee manieren geschieden. Doordat de door liefde en erbarming gedrevene afstand doet van de vreugden en heerlijkheden van de hogere sferen, waarin hij thuis hoort en afdaalt in het lijden en de ellende van een van deze hellekrochten om hier te troosten en te genezen, te onderwijzen en raad te geven, te steunen en op te beuren.
De gelouterde liefdevolle kan er echter ook in toestemmen, hoewel hij het voor zijn eigen volmaking niet meer nodig heeft, toch te reïncarneren en wel in een familie, in een tijd, in een volk, in omstandigheden, waar hij veel zal moeten lijden, veel zal hebben te vergeven. Hij zal dan de schuld en het onrecht van anderen op zich nemen en voor hun zonden verzoening doen. Hij zal het boze door het goede overwinnen, en de duisternis door het licht doen opklaren. Hij zal in staat zijn een voorspraak te zijn voor de overtreders. Een heilige taak!"
"Ook uw uur zal eenmaal slaan!"
Nevel, verdoving, onbewustheid, ontwaken.

terug naar de Inhoud


XIII - de Dood
XIII Het dertiende beeld - de Dood, de Overgang
Op de dertiende dag sprak de Hogepriester: "Het vijfde beeld van de grote Osiris-weg heet de Dood. Het is evenals beeld VII een overgang. Het voert de beschouwer van de ene wereld in de andere. Beeld VII toont ons de Godheid, die, nadat ze zich in de voorafgaande beelden heeft geopenbaard, haar wereldplannen en bedoelingen uitvoert. Ze doet dit door de schepping en voortplanting van het mensengeslacht en door de vergeestelijking van de hemellichamen, de sterren.
De nu volgende beelden van VII - XIII tonen ons het lot van de mens: zijn ontwikkeling, beproeving en tenslotte (beeld XIII) zijn dood, d.w.z. zijn splitsing, de overgang naar een andere wereld. Het ene deel keert terug naar de materie, het andere, het eeuwige, onvergankelijke, gaat naar de voor de stervelingen nog onzichtbare werelden.
De dood is dus niet een einde, maar slechts een overgang. Hij is zowel einde als begin. Hij is transformator, het grofstoffelijke lichaam wordt omgezet in stof, het eeuwige deel wordt omgezet in een lichaamloze geest.
Bekijk nu eens het beeld in de volgorde, het staat naast de gehangene, de beproeving. Op de beproeving volgt in het leven vaak de dood. De beproeving kan te zwaar zijn geweest en de dood trad in. De proef is mogelijk ook glansrijk doorstaan en de leerling wordt overgeplaatst naar een hogere school.

terug naar de Inhoud

De dood als ommekeer
Niet steeds ziet de leerling in dit leven de vruchten van zijn lijden, eerst in het andere leven wordt alles openbaar. Beeld XIII is geplaatst tegenover beeld X, het levensrad. Het staat in een sterk contrast hiermee, maar toch is er ook een zekere samenhang: het leven baart de dood en de dood het leven.
Kijk eens naar de ruiter met het zwarte vaandel, de kleur van de droefheid. De zon gaat achter hem aan de horizon onder, torens storten in. Bladeren vallen van de bomen, bloemen verwelken en mensen dalen in het graf. Maar in al deze symbolen van sterven en droefheid ligt één hoop, is één verwijzing vervat naar de omkeer, die hun levensweg met zich meebrengt.
De zon zal weer opgaan, de bomen zullen weer groen worden en de bloemen weer bloeien, maar ook de mensen zullen na hun reis door het ware vaderland van de geest, weer hier leven en liefhehben, werken en lijden. Dank de Godheid en ga heen in vrede."

terug naar de Inhoud

Het overlijden
Toen op de avond van deze dag de Geleider met de geest van de jonge priester zwijgend uit de Tempelgebouwen was opgestegen, richtte hij zich naar de stad, naar een huis, waarin een man op de dood wachtte. "Heden moet gij met het wezen van de dood vertrouwd worden," sprak de Geleider. Zij drongen zonder weerstand te ondervinden door de muren in het sterfvertrek. De stervende rochelde. De gestalten der familieleden die in de kamer waren, schenen de jongeling nevelachtig en doorzichtig toe. Hij zag echter ook een Geest naast de stervende staan en door het sterke, geestelijke licht dat deze uitstraalde, begreep hij dat dit ook een Geleidegeest was.
Uit het lichaam van de stervende verhief zich een lichtend, etherisch lichaam, dat in alle opzichten op het physieke lichaam geleek. Dit lichaam had zich reeds van de voeten en het onderlichaam losgemaakt. De beide hoofden echter lagen nog in elkaar.
Op het voorhoofd van de stervende vertoonden zich zweetdruppels.
Toen trad zijn Geleidegeest nader en hielp het geestelijke lichaam om zich helemaal van het grofstoffelijke omhulsel los te maken. De stervende blies de laatste adem uit en zijn oog brak. De familie begon luid te weeklagen en te schreien. De geest van de ontslapene echter zweefde aan de hand van de Geleidegeest door de kamer. Het was hem heerlijk te moede, hij voelde zich licht en bevrijd van het lichaam, dat hem tijdens het sterven pijn en moeite had bereid. Slechts door eigen wilskracht gedreven, zweefde hij door de ruimte, hij straalde van geluk.
Een weerschijn van deze zaligheid drukte zich af op het gelaat van het dode lichaam, want ofschoon de eigenlijke samenhang niet meer bestond, toch stond het lichaam nog enigszins onder de invloed van de geest, die er zolang mee verbonden was geweest.

terug naar de Inhoud

De nevelachtige schimmen
"Kom," sprak de Geleider tot de jonge priester, "dit was het feit van het overlijden, maar gij hebt heden nog wat anders te zien. Voor de dood behoeft gij niet bevreesd te zijn, het is een natuurlijk gebeuren. De appel valt van de boom wanneer hij rijp is. Het volgende jaar draagt de boom weer nieuwe appels, tot hij terugkeert vanwaar hij is gekomen, in de schoot der aarde. Het bijkomstige verdwijnt telkens, het werkelijke blijft en ontwikkelt zich verder tot ook dit weer naar zijn oorsprong terugkeert. Het zichtbare echter sterft, valt uiteen wanneer het leven dat alles bij elkaar houdt, is gevloden."
Ze zweefden naar de dodenstad. Deze lag aan de rand der woestijn. De jonge priester kon haar duidelijk zien daar hij laag vloog. Hij zag de ontbinding der lichamen en kon het uit elkaar streven van de atomen zien, waaruit de lijken bestonden. Ook zag hij verscheidene vormen, nevelachtige schimmen, die deels op de graven rustten, deels erboven zweefden.
"Deze vormen horen bij het leven, dat het lichaam heeft verlaten," sprak de Geleider, "en ook dat wordt door het geesteslichaam afgestoten, maar dat nu door de macht der jarenlange gemeenschap in de buurt van het lijk blijft, tot het zelf ook vergaat en zijn levensatomen zich oplossen in de grote levensoceaan die de aarde omspoelt en het heelal doorstroomt. Zie hoe enkelen van deze verwaaien als wolkenflarden, die door de wind worden verstrooid."

terug naar de Inhoud

De ongelovige, gehechte geesten
"Wat zijn dat voor gestalten, die als van binnenuit lichtend zijn?"
"Dat zijn de geesten van mensen, dit zijn geen bollen zonder bewustzijn, zonder persoonlijkheid zoals we die zo juist zagen, maar geesten van mensen, die gestorven zijn en niet naar hogere werelden hebben kunnen zweven. Zij hangen aan het aardse, ze hebben een zeer materialistisch leven geleid en zich bijna uitsluitend om hun stoflichaam bekommerd. Het leven van de Geest was hun vreemd, zij hadden geen belangstelling voor de wereld der Gedachte. Daardoor hangen zij ook nu nog aan hun lichaam, met smart en afkeer volgen zij het verval van hun vroegere woning.
Velen van hen zullen zich nog lange tijd niet van hun graven kunnen losmaken. Anderen dwalen in het rond en zoeken een lichaam te bemachtigen welks wilskracht verzwakt of welks verstand omneveld is. In hun begeerte naar een lichaam nemen zijn soms zelfs bezit van het lichaam van een dier."
"Dat is verschrikkelijk." "Gij moet ook het verschrikkelijke leren kennen."
"Zijn dit de geesten, die door de dodenbezweerders worden opgeroepen?" "Ja, hogere, meer ontwikkelde geesten spreken ook wel tot de mensen, maar alleen daartoe aangezet door hemelse machten. De stemmen der zogenaamde dodenbezweerders [zoals door 'glaasjedraaien'] kunnen niet in het Rijk van het Licht en de Vrede doordringen en kunnen de zalige geesten niet ondervragen en storen. De dodenbezweerders staan meestal alleen met deze ongelukkige, ontevredene, bijna altijd plagerige of boosaardige geesten [kwelgeesten] in verbinding. Deze kunnen, doordat zij zelf verduisterd zijn, alleen op dwaalwegen brengen."

Zij verhieven zich en vlogen zeer snel naar het Oosten. De jonge priester bemerkte in enige landen graven, waarin de lichamen niet vergingen, maar fris en vol bloed waren. Vragend wendde hij zich tot zijn Geleider: "Hoe is dit mogelijk?" "Dat zijn de lichamen van mensen die in het geheel geen belangstelling voor de hogere geestelijke werelden hebben gehad, voor wie het Rijk der Gedachten gesloten is gebleven, daar zij nooit aan zijn deuren hebben geklopt. Zij hebben een zeer materialistisch leven geleid en zijn bovendien nog zintuiglijk egoïstisch en wreed geweest. Hun liefde tot de zichtbare wereld, tot hun lichaam was zo groot dat zij ook na het verbreken van het zilveren koord een zeker contact met hun lichaam konden maken. Dit bereiken zij door bijzondere magische krachten en inzichten, die zij in hun leven hebben verworven.
Zij naderen in de nacht hun slachtoffer terwijl het slaapt en zuigen bloed en levenskracht uit hem en brengen dit op een geheimzinnige manier in hun reeds afgelegde lichaam. Hier helpt alleen de vernietiging van het lijk door verbranden of onthoofden. Dan vloeit al het geroofde bloed weg en het lichaam vergaat zoals de loop der natuur is. De geest die een vampier was, wordt dan zeer tegen zijn zin van zijn lichaam bevrijd en de slachtoffers van wellustige gruwelijkheid zijn verlost van hen. Maar voor heden genoeg."
Nevel en duizeligheid. De jonge priester ontwaakte achter het altaar onder de mantel van de Hogepriester.

terug naar de Inhoud


XIV - de Hergeboorte
XIV Het veertiende beeld - de Hergeboorte, een nieuw begin
Op de veertiende dag sprak de Hogepriester: "Uit de dood ontspruit het leven, op sterven volgt hergeboorte, zoals na zonsondergang weer zonsopgang komt. Daarom staat naast beeld XIII, de dood, beeld XIV, de hergeboorte. Beeld XIII: de ondergaande zon, het sterven; beeld XIV: de reïncarnatie, het begin van het nieuwe leven. Het levensrad draait steeds maar door. Overeenkomstig het verband tussen beelden X, het rad des levens, is er ook verbinding tussenbeeld XIV en IX, die eveneens tegenover elkaar staan.
Beeld XIII toont ons het einde van een bestaan en beeldt de eeuwige wisseling uit van het begin en het einde, van dood en leven, geboorte en graf. Toont ons beeld IX de reis van het ene leven in deze zichtbare wereld, beeld XIV stelt ons daarentegen de lange keten van onze verschillende aardse levens voor ogen met de steeds terugkerende hergeboorte, na een rustpoos in het hemelse Vaderland.
Beschouw nu het beeld. De terugkeer van de geest in het aardse leven, in een stoffelijk lichaam, is het overgieten van het water, de geest, van het ene vat in het andere. Een jonge vrouw die de macht van de hemelingen voorstelt, giet de inhoud van de ene kruik in de andere, zonder dat één druppel in zee valt. Hierdoor wordt uitdrukking aan het feit gegeven, dat niets van de inhoud der individualiteit door overlijden, eeuwigheid en hergeboorte verloren gaat.

terug naar de Inhoud

De geestelijke kringloop
Aan haar voeten ruist de oneindigheid van de zee. De zee is de Godheid [de algeest]. Dit beeld stelt dus niet de vereniging van de menselijke geest met God voor, dat komt pas later (beeld XVII). De bedoeling van dit beeld is slechts: de inhoud krijgt een nieuwe vorm. De vloeistof wordt uit een zilveren in een gouden kruik gegoten; in een van edeler materiaal. Daarin ligt voor ons een verwijzing naar de ontwikkeling, de spiraalvormige evolutie van het mensengeslacht. Want een dubbele spiraal voert de mensheid maar de volmaaktheid.
Eensdeels zien wij de afzondelijke menselijke geest van incarnatie tot incarnatie schrijden, in elk leven een nieuwe les leren en zich met steeds edeler, hoger, fijner lichamen bekledend, die steeds volmaakter werktuigen worden om het met iedere nieuwe incarnatie steeds rijker wordende, geestelijke leven van een mens te kunnen uitdrukken. Anderdeels zijn wij echter ook de stroom van de zich met behulp der geesten voortplantende vormen, het menselijk lichaam, die steeds grotere volmaaktheid en verfijning bereiken.

De menselijke geest is een deel van de stroom der geesten. Het menselijke lichaam is een deel van de stroom des levens. Beide stromen gaan van God uit, omkronkelen en omwinden elkaar veelvuldig, bevruchtend en bevrucht, zonder evenwel zich met elkaar te vermengen of in elkaar op te gaan en keren tenslotte in de schoot der Godheid terug. Dit is de lering die wij uit het beschouwen van de gouden en zilveren schaal kunnen trekken.
Beeld XIV is het vijfde beeld van de Isis-weg. Het heeft ook net als alle beelden een innerlijk verband met het voorgaande vierde beeld van de Isis-weg, beeld XI, de magische krachten, die de pelgrim leiden nadat zij in hem zijn gewekt. Wanneer zij hem al in het leven in staat stellen beproevingen te doorstaan, dan zijn zij in nog meerdere mate beslissend bij het overgieten van de vloeistof uit het ene in het andere vat, bij het vormen van het karakter [de tijdelijke leerpersoonlijkheid] en de verhoudingen in een nieuw aardeleven.
En ga nu heen en verheug u in de grote troost, die beeld XIV u geeft. Zie met dank aan de Godheid in de wijde perspectieven die zich openen."

terug naar de Inhoud

Zo boven, zo beneden
Deze avond zweefden de beide geesten onder een heldere sterrenhemel.
"Heden gaat de tocht naar het Vaderland; naar het heerlijke land der geesten," zo begon de Geleider. "Gij zult indrukken ontvangen over het heersen der machten, die de herbelichaming der geesten leiden en het verdiende lot afmeten, wegen, toekennen en gestalte geven." Niet door duistere nevels of hoogoplaaiende vuren, niet door van smart en vloek vervulde oorden ging nu hun weg; ze gingen zalige sferen tegemoet.
Het viel de jonge priester op dat alles wat ze tegenkwamen in beweging was.
"Wij zijn thans in de wereld der gedachten, alles wisselt hier veel sneller dan in de zichtbare wereld." Ze vlogen langs verschillende gestalten, die in de zelfde richting als zij schenen voort te snellen.
"Dit zijn geesten die zich van het aardse hebben losgemaakt, het afgelegde lichaam achterlaten en het vergeten zijn en nu naar hogere regionen gaan." Ze kwamen door streken die door talrijke geesten waren belevendigd. "Ook hier gaat het gelijke samen met het gelijke," verklaarde de Geleider, "het is alles zo boven, zo beneden; de dood verandert niets aan het leven van de geest."
Op met bloemen bezaaide weiden voerden kinderen onder leiding van liefde uitstralende wezens reidansen en allerlei kinderspelen uit. Jongens bouwden van stenen en zand aan een beek, dijken en vijvers, kanalen en vestingen. Een klein meisje wiegde een pop die ze in de armen had, in slaap. "Wat ze beneden hebben gedaan zetten ze hier voort," zei de Geleider, "niets is veranderd, alles blijft bij het oude. Ze hebben slechts het zwaardere kleed voor een lichtere, dat uit zeer fijne stof vervaardigd is, verwisseld."

Ze vlogen verder. Naar grote tempels voerden brede wegen. Feestelijke scharen stroomden door vreugde bewogen naar de Godsdienstoefening. In met zuilen versierde hallen gaven meesters van wijsheid onderricht. Aan hun voeten zaten leergierige, eerbiedige leerlingen. In kleine hutten en grotere huizen woonden mensen die van elkaar hielden of gehele families. Enige families waren tezamen naar hier gekomen, anderen daarentegen waren door de dood van elkaar gescheiden, ze hadden dan op elkaar gewacht en zich op het weerzien verheugd. Liefde en vriendschap verfraaide hun bestaan. Ze konden elkaar bezoeken, de wilskracht droeg ze naar elkaar toe en uitwisseling van gedachten was steeds mogelijk en verrijkte hun bestaan.

terug naar de Inhoud

De keten van levens
Ze overzagen ook hun vroegere levens, maakten gevolgtrekkingen uit de ervaringen die ze hadden opgedaan en uit de slagen van het lot die ze hadden ondergaan. Allen bewonderden de wijsheid, waarmee de draden der hemelse leiding door het weefsel van de lotgevallen in hun aardse bestaan liepen. Zij zagen in, dat alles in hun vele levens zaaien en oogsten was, zoals elke belevenis een gevolg en iedere handeling een oorzaak is, zoals daarom alles slechts een schakel is in een oneindig lange keten.
De rijpere geesten konden onder toezicht van de hogere machten het voor hen liggende leven zelf gestalte geven, om op een wijze die hun gunstig toescheen, onrecht uit een vroeger leven goed te maken, geliefde geesten te helpen en zelf noodzakelijke eigenschappen te verwerven. Ze konden ook de moeder uitkiezen die hen bij de reïncarnatie behulpzaam moest zijn.
Onrijpe, onontwikkelde geesten evenwel, werden in al deze vraagstukken door hun Geleidegeest voorgelicht.
Daarna kwamen de jonge priester en zijn Geleider in een streek waar onuitsprekelijke vrede en diepe stilte heersten. Onder grote, wondermooie bomen rustten verscheidene gestalten op het mos. Velen hadden de arm onder het hoofd, enkelen hadden één knie opgetrokken. Ze schenen te slapen. Eentonig murmelend kabbelde een beekje door de koele grond. Op een vragende blik van de jonge priester verklaarde zijn Geleider: "Dit zijn geesten die spoedig van ons zullen scheiden, want ook wij spreken hier van ontslapenen en heengeganen. Ze zullen spoedig de grote reis naar het stoffelijke aanvaarden. Ze hebben de vreugde des hemels genoten, ze hebben kracht en wijsheid verzameld, doordat ze hun vroegere levens overzagen en nu worden ze weer naar het aardse leven getrokken, naar het stoffelijke bestaan."

terug naar de Inhoud

De aanleiding voor de geboorte
"Wat trekt hen terug?" "De meesten worden aangetrokken door de liefde van een mensenpaar, velen willen terug om dicht bij geesten te zijn die nog in het lichaam vertoeven en waarmee ze op bijzondere wijze verbonden zijn. Anderen worden naar beneden getrokken om boete te doen, om goed te maken wat zij in vroegere levens hebben misdaan.
Enkele, hoge, heerlijke geesten gaan terug om te helpen, te beïnvloeden, te onderwijzen en ... om misverstaan en vervolgd te worden. Zie, deze geest staat op het punt weer naar de aarde te gaan."
Vol onrust en verlangen, maar toch als een slaapwandelaar, verhief zich de geest van het hoge mos, waarop hij had gerust en bewoog zich naar beneden, naar de aarde. Een Geleider voegde zich bij hem en bleef aan zijn zijde. De jonge priester wendde zich tot zijn Geleider: "Waarheen begeven zij zich?"
"Naar een ouderpaar dat juist in liefde is verenigd. De geest die zich weer wil belichamen, zal zich met de moeder verbinden tot het nieuwe lichaampje is gevormd dat hij moet betrekken of beter gezegd, aantrekken; waar hij zich in moet persen.

terug naar de Inhoud

De indaling in het lichaam
Geboren worden is veel moeilijker dan overlijden. Zich in een stoffelijk lichaampje te persen is veel moeilijker dan zich eruit los te maken; daardoor huilen kleine mensenkinderen ook zo vaak, schijnbaar zonder redenen. De eeuwige geest gevoelt het nog onvolkomen lichaampje, dat zich nog niet bij hem heeft aangepast, als een hinderlijke kluister en een ondraaglijk leed; huilen is dan de enige manier van uitdrukken die de onvolkomen levensvorm, het kleine lichaam, toestaat."
De beide geesten drongen door een muur en kwamen in een slaapkamer, waar een ouderpaar rustte. Boven de moeder, dicht bij haar, zweefde als in slaap, de geest, die naar incarnatie verlangde.
"Heilige mysteriën," dacht de jonge priester.
De Geleider voerde de geest van de jonge priester terug naar zijn lichaam in het heiligdom.

terug naar de Inhoud


XV - de Ongerechtigheid
XV Het vijftiende beeld - de Ongerechtigheid, de Tegenstander
Op de vijftiende dag sprak de Hogepriester: "Het beeld dat we heden bezien, heet ongerechtigheid, leugen. Het stelt een gedrocht voor, half mens, half dier, dat op een troon, een zwarte kubus zit. Het heeft horens waartussen een pentagram hangt met de punt naar beneden. Het heeft vleermuisvleugels en aan de voeten reusachtige vogelklauwen in plaats van tenen. Vóór hem knielen twee van zijn, met kettingen aan de kubus vastgeklonken, leerlingen.
Beeld XV staat juist tegenover beeld VIII, dat waarheid en gerechtigheid voorstelt. Een sterke tegenstelling. Beeld XV is het vijfde van de Horus-weg. Het zegt ons dat degene die de hoogste hoogten wil bereiken, zich door de diepste diepten moet laten sleuren.

terug naar de Inhoud

Door het diepste dal naar de hoogste top
Na de keuze (beeld VI), wordt de mens een eenzame, een verkeerd begrepen pelgrim (beeld IX); deze geraakt in de meest vertwijfelende omstandigheden (beeld XII) en heeft met leugen en bedrog te kampen, met de geestelijke machten, die de waarheid verdraaien, valse leringen verkondigen en de geesten aan zich ketenen (beeld XV).

Gij ziet dat de Horus-weg, de weg van de Geest, een moeilijke en huiveringwekkende weg is; maar hij eindigt in het reinste licht. Leugen en ongerechtigheid zijn nodig om in de stervelingen de liefde tot de waarheid en gerechtigheid te ontwikkelen; wie in het ene leven onder leugen en onrecht heeft geleden, zal in het volgende leven een sterke zin hebben voor waarheid en rechtvaardigheid. Zo dient in het grote plan der Godheid ook het kwaad om het goede te bevorderen.
Ga nu heen in vrede en dank de Hemelse machten."

terug naar de Inhoud

De Wachter: beeld van eigen onvolmaaktheid
Toen de jonge priester deze avond zijn lichaam had verlaten en met zijn Geleider langs de nachtelijke hemel zweefde, sprak deze: "Heden zult gij de stromingen in het Rijk der Geesten leren kennen en de 'Wachter' ontmoeten." Het scheen de jonge priester toe alsof zij deze avond in een geheel nieuwe richting voortsnelden. Het was eigenlijk geen richting, het was iets geheel anders; wolken stapelden zich in het duister van de nacht op en vormden een diep en nauw dal, waaruit de jonge priester iets kwam tegenwaaien, dat hem schrik en angst inboezemde.
"Ieder die hier binnendringt, moet de 'Wachter' ontmoeten," sprak de Geleider.
"De 'Wachter', wie is dat?" "Hij is het product van uw misslagen en fouten in uw vorige levens; gij zijt het zelf. Maar kijk, daar komt hij aan!" De jongeling blikte in het wolkendal. Uit de nevels trad geleidelijk een gedaante naar voren, een gedrocht, misvormd en afzichtelijk, half mens, half fabeldier. De uitpuilende ogen, dreigend en vast op de jonge priester gericht, kwam nader.
"Wees maar niet bang," kalmeerde hem de Gids. Kijk hem kalm aan. Ik blijf bij u." Een nameloze afschuw, een nog nooit ondervonden gevoel van ontzetting, greep de jongeling aan. Het monster bleef dreigend voor hem staan. Het was heel dicht bij hem.
De Gids sprak: "Gij zult hem van nu af aan steeds voor u zien, deze Wachter, want gij zijt thans helderziende geworden. Gij hebt hem in het leven geroepen, maar hij zal uw opvoeder zijn. Telkens wanneer gij iets slechts zult denken of doen, zal hij dreigend groter worden, dichter bij u komen en u afschuw en vrees inboezemen. Iedere reine gedachte echter, iedere edele, onzelfzuchtige daad zal hem beïnvloeden en veranderen. Geleidelijk aan zal hij zijn afzichtelijkheid verliezen. Tenslotte zal hij zich met u, zijn schepper, verenigen tot één wezen. Hij was vroeger reeds bij u, steeds dicht bij u, maar gij zag hem niet; van nu af aan zult gij hem echter steeds voor ogen hebben, ook wanneer gij in het lichaam zijt."

De jonge priester huiverde. Ze zweefden hoger, het wolkendal verdween in de diepte. De wachter was naast de jongeling, maar als het ware in een andere wereld, slechts voor hem en zijn Geleider zichtbaar. Ze zweefden hoger. Gestalten met een buitengewone glans kwamen hen tegemoet, gestalten die het door hen uitgestraalde licht ver in het rond lieten schijnen. "Dat zijn aartsengelen," sprak de Geleider eerbiedig, "Het zijn degenen die het lot der volkeren besturen en leiden. Zij hebben duizenden dienaren: dat zijn degenen die de heersers op aarde beïnvloeden bij hun besluiten en de volksmenigten als een zee opzwepen of kalmeren."
Golvende nevels en onbewustheid. De jonge priester ontwaakte onder de mantel van de Hogepriester.

terug naar de Inhoud


XVI - de Verwoesting
XVI Het zestiende beeld - de Verwoesting, het Ingrijpen
Op de zestiende dag sprak de Hogepriester: "Het beeld, waarvoor gij heden staat, heet 'verwoesting'. Gij ziet een toren die door de bliksem getroffen, in tweeën breekt en in vlammen opgaat. Van de bovenste verdieping stort de bouwer met uitgespreide armen ter aarde. De kroon valt van zijn hoofd. Dit beeld ontstaat zoals alle andere uit het voorgaande.
Uit leugen en ongerechtigheid kan alleen verwoesting voortkomen. Met leugen en bedrog kan alleen verwoesting ontstaan, kan men niet opbouwen, alleen maar afbreken.
Verwoesting (beeld XVI) is dan ook het spiegelbeeld van het derde eraan voorafgaande beeld (XIII), de dood. De dood, de scheiding van lichaam en geest, is in eerste aanleg verwoesting van het lichaam, verder ook van vele aardse banden en verhoudingen. Het staat tegenover beeld VII, dat de verwerkelijking van de Plannen Gods voorstelt; verwerkelijking en verwoesting, twee grote tegenstellingen.
De verwoesting van de toren door de Hemelse bliksemschicht zegt ons, dat goddelijke strafgerichten het gebouw, dat mensen tot hun eigen verheerlijking hebben opgericht, zullen treffen en verwoesten. Dit is een eeuwige wet, die voor alle tijden geldt. Wat mensen tot hun eigen verheerlijking bouwen, ook al is het in naam van de religie of van een of ander staatsmanschap, kan niet blijvend zijn.

De eeuwigen zullen het verwoesten en de oprichter en bezitter van de toren, ook al draagt hij een wereldlijke of geestelijke kroon, zal van de hoogte van de verwoeste toren ter aarde storten en zijn kroon zal hem ontvallen. Een kroon is een menselijk surrogaat voor ontbrekende grootheid en geschiktheid om leiding te geven. In de plaats van een stralende Geest wordt blinkend metaal gesteld.
Werk, mijn zoon, niet tot uw eigen eer, maar tot nut van uw naaste in de geest van de wereldontwikkeling en gij zult iets blijvends scheppen en oogsten, dat, wat gij hebt gezaaid. Ga heen in vrede."

terug naar de Inhoud

De overeenstemming tussen boven en beneden
Toen de jonge priester deze avond met zijn Geleider langs de nachtelijke hemel zweefde, sprak deze: "Heden zult gij de krachten van het heilige vuur leren kennen. Het vuur in onze zichtbare wereld is, zoals alles op aarde, een afschijnsel van iets dergelijks in de geestelijke wereld, waarin zich de oerbeelden van alle dingen, van alle wezens, die wij hier zien, bevinden.
Oerbeeld en afschaduwing hebben steeds hetzelfde karakter, de zelfde eigenschappen. Daardoor kunnen wij uit de eigenschappen van het aardse vuur gevolgtrekkingen maken over het geestelijke vuur; ook dit moet licht geven en verwarmen of verwoesten en verbranden.
Op beeld XVI zag gij hedenmorgen hoe het hemelse vuur het werk van mensenhanden vernietigde, hedennacht zult gij deze weldoende kracht van het geestelijke vuur leren kennen."

Zij zweefden hoger en hoger. Het scheen de jonge priester toe, alsof zij zich niet alleen in ruimtelijke zin van de aarde verwijderden, hij had ook de indruk dat ze in een geheel andere wereld werden gebracht. Ruimte en tijd maakten zich van hem los en het was hem te moede alsof de eeuwige werkelijkheid hem tegemoet zou komen. Kleuren en vormen zweefden hem voorbij, vloden en gleden langs hem heen, om in de verte te verdwijnen.
Eerst zachtjes en daarna sterker klonken toen geluiden om hem heen. Als geweldige golven zwollen de harmonieën aan, schuimden en bruisten om daana over te gaan in een geestverkwikkende overgang en in een andere toonaard weg te stromen, in een ander rhythme te kloppen. Iedere toon was vorm en kleur tegelijk. En iedere klank was vol geest en begrip - onuitsprekelijk en toch verstaanbaar.
"Wij naderen de gebieden der oerbeelden, het grote geheim," sprak de Geleider eerbiedig. Voor hen verhief zich een berg, die tot aan de hemel reikte. Ze zweefden omhoog.

Een hoogvlakte. Een door een Hof omgeven Tempel. In de Hof een zeer groot uit rotsblokken bestaand altaar. Een weg voerde naar boven. Hout was daar opgestapeld. In het heiligdom zelf was een gouden altaar, waarop reukwerk gloeide, rookte en geurde. Zware rookwolken stegen omhoog en vulden de verheven ruimte. Op de achtergrond stond een kandelaar stralend te branden. De Geleider wees ernstig naar het grote altaar en de jonge priester begreep de bedoeling; hij sprak: "Op het altaar wordt zeker een offerdier geslacht en verbrand?" De Geleider knikte instemmend. "Het offerdier ondergaat de dood in de plaats van de overtreder. Zie hier de wet van de plaatsvervanging. Wat vindt gij van het feit dat het offerdier wordt verbrand?"
"Ik zie dat het lichamelijke vergaat," antwoordde de jonge priester aarzelend. "Zeker, deze waarheid ligt erin, maar het is niet de voornaamste lering, die het grote altaar geeft."
De jonge priester zweeg, hij wist niet meer wat te zeggen. Toen sprak de Geleider vriendelijk: "De voornaamste waarheid die het altaar ons leert, is die van het offer en wel het vrijwillig gebrachte offer; wees bereid uw persoon te offeren. Dit is u reeds eerder verteld. Het is het grote geheim, dat dit altaar u verkondigt, de aansporing, de kracht hiertoe vindt gij in de liefde."
"Wanneer moet dat worden gedaan?" "Oefen u in het dagelijkse leven, offer uw wil, uw comfort, uw voorrechten. Handel onzelfzuchtig en ook voor u zal het uur van het offer, van de grote beslissing, slaan. Zelfs de allergrootsten zal dit niet bespaard blijven. Dan zal het niet-wezenlijke in u worden vernietigd. Dit is de ene werking van het vuur."

terug naar de Inhoud

Liefde, de onzelfzuchtige inzet
Zij waren in het heiligdom. De Geleider sprak: "Zie naar het reukwerk op het kleine altaar. Heeft het zichzelf ontstoken?" "Neen, ik geloof van niet, het is zeker aangestoken."
"Juist, ook gij moet bidden, dat het vuur in u ontbrandt!" "Welk vuur?"
"Het vuur van de liefde tot de mensen, tot de Godheid, tot het heelal."
"Maar wie steekt dat aan?" "Geen sterfelijke hand." "Wie dan?"
"Bid tot de Hemelse Machten! In ieder mensenhart gloeit en glimt de heilige vonk, hoewel diep onder as en gruis. Bid om de Heilige wind, die de vonken tot vuur moet aanwakkeren." "En dan?"
"Dan zal ook uit uw innerlijk een de Hemelse Machten welgevallig reukwerk opstijgen, lof en aanbidding. Dat vuur zal u echter ook in staat stellen u voor anderen in te zetten. Voorbede te doen voor zieken en overtreders, genezende stralen zullen van uw handen uitgaan."
De Geleider wees op de kandelaar: "Licht, de derde en grootste werking van het vuur. Ziet gij iets?" "Ik zie, ik zie!" "Wat ziet gij?" "Ik zie een heilige weg, van altaar tot altaar en vandaar naar de kandelaar; ik ga voorwaarts van inzicht tot inzicht. Vergankelijke en eeuwige dingen leer ik onderscheiden. Liefde offert zich, Heilige wind wakkert de gloed aan en uit het hart van de sterfelijke mens stijgt wierook tot de Godheid omhoog en het einde is Licht, stralend Licht, een wandelen in het Licht." "Gij hebt juist gezien, dat is de weg. Kom nu mee."

terug naar de Inhoud

De kunstmatige scheiding van geest en lichaam
Tempel en berg waren verdwenen. De Geleider en de jonge priester vlogen door hun wil gedreven naar de verre aarde. In de eindeloze ruimte, van elkaar gescheiden door bijna oneindige tussenruimten, zagen ze zonnestelsels bewegen. Als vurige bollen cirkelden de planeten om de Moederzon, die hen had voortgebracht. Het waren ontelbare werelden, die zich in de duistere verten verloren. "Zij ontstonden alle door het woord, de onuitsprekelijke 'Naam'!" sprak de Geleider eerbiedig.
Snel naderden zij de aarde. De jonge priester voelde, dat hij een vraag wilde stellen. "Kunnen ook onbevoegden in het rijk van de Geest, van het Licht binnendringen?" "Ja, langs een kunstmatige weg en dan nog alleen in de lagere en middelste gebieden." "Wat bedoelt u met een kunstmatige weg?"
"Er zijn plantensappen, wier gebruik tijdelijke scheiding veroorzaakt van de delen, waaruit een mens bestaat. Net als bij de slaap, de dood of de inwijding. Het is echter een gevaarlijk spel."
"Hoe dat zo?" "De indrukken zijn voor een onvoorbereide te sterk en hij wordt daardoor ziek of krankzinnig. De op kunstmatige wijze veroorzaakte scheiding van geest en lichaam verwoest de krachten van het zenuwstelsel [door verstoring van de stofwisseling van de zenuwcel]."
Een sluier van nevel en het gevoel van een val in een bodemloze diepte. De jonge priester ontwaakte in het heiligdom achter het altaar.

terug naar de Inhoud


XVII - de Herverbinding
XVII Het zeventiende beeld - de Herverbinding, de Terugkeer
Op de zeventiende dag sprak de Hogepriester: "Beeld XVII heet 'Herverbinding' ['religio'] [in de vertaling staat: Herbelichaming(?)] en stelt voor: de terugkeer van de menselijke geest tot de wereldziel, tot de Godheid; en haar uiteindelijke verlaten van onze planeet [er kan daardoor geen 'herbelichaming' zijn].
Gij ziet hier weer de maagd, die gij reeds op beeld XI en XIV hebt aanschouwd. Ze draagt dezelfde hoed met het teken van de oneindigheid [lemniscaat], hetgeen de Goddelijke evenwichtstoestand beduidt. Ze doet echter iets anders dan in beeld XIV. In plaats van de inhoud der zilveren kruik in een gouden te gieten, laat ze de inhoud van beide in de oneindige zee [de algeest] stromen, in de branding aan haar voeten.

terug naar de Inhoud

De vereniging met de Godheid
Dat de inhoud van de ene kruik niet meer in de andere wordt gegoten, betekent dat de reïncarnaties ten einde zijn. Deze school is niet meer nodig. De leerling heeft geleerd wat hij in deze klas, op onze planeet, kon leren. Hij heeft de rijpheid verkregen en wordt in een andere overgeplaatst. Los van al het aardse, verenigt hij zich in volle overgave met de Godheid, om dan tot hogere werkzaamheid, op hoger plan, misschien op een andere ster te worden geleid. Ook is het mogelijk dat hij kortere of langere tijd in de schoot van de Godheid zal rusten.
In de symbolen van dit beeld vinden we een duidelijke aanwijzing voor de verhoging van de leerling van de ene klas in de andere. Rechts van de jonge vrouw heft een vogel op een struik zijn vleugels op om weg te vliegen. Hij stelt de geest voor, die de aarde verlaat om niet weer terug te keren.
Verder ziet ge links boven op de afbeelding acht sterren, waarvan één bijzonder groot is. Op deze ster wordt in het bijzonder de aandacht gevestigd als op de grootste en meest gewichtige, zijnde de toekomstige verblijfplaats, de levenssfeer van de geest, die dan van de aarde zal zijn losgemaakt.
Gij hebt heden grote vergezichten mogen aanschouwen, mijn zoon. Ga heen in vrede en dank de Godheid."

terug naar de Inhoud

Hemellichamen en mensen gaan dezelfde weg
Stromende regen - iets zeer zeldzaams in Egypte - kletterde de avond van de 17e dag op de tempeldaken, boog de waaierkronen der palmen en vormde plassen en beken op het plaveisel der hoven. De jonge priester verliet zijn lichaam, de Geleider was als altijd aan zijn zijde.
"We hebben heden een lange reis voor ons."
Het regende, maar de regen raakte de geesten niet. De druppels vielen door hen heen als hagelstenen door mistbanken. "Wij zijn in een andere wereld," verklaarde de Geleider. Zij vlogen omhoog, steil naar boven. Zij zagen de aarde als een verre ster, die langzamerhand uit hun zicht verdween. Zij vlogen voorbij talloze zonnen, die door hun planeten omringd, statig langs hun onzichtbare banen hun weg vervolgden. De hemellichamen lichtten in verschillende kleuren van overweldigende sterkte en verrukkelijke schoonheid. "Zij ontstaan alle door de wijsheid en de wil van de Godheid, die zich in Kracht veranderen. Uit kracht ontstaat Bewegingen, uit deze hitte, vuur.
Eerst, onzichtbaar voor de mensen, cirkelen de zonnen in een geestelijke wereld, daarna verdichten zij zich tot stof; zo ontdekken de astrologen en de wijzen nieuwe sterren, die zich in miljoenen jaren steeds meer in de materie verdichten en daarna in een grote boog door vergeestelijking weer omhoog zweven naar een hogere wereld. Het is dezelfde weg als die van onze geest, maar dan in het groot."

terug naar de Inhoud

Het geestelijke leven achter hemellichamen
De jonge priester zou gaarne één van deze heerlijke sterren hebben bezocht of zijn Geleider iets hebben willen vragen over de bewoners, maar het werd hem niet toegestaan, hij kon geen vraag stellen, hij kon er de woorden niet voor vinden.
"Het is nog te vroeg," sprak de Geleider, die in zijn binnenste had gelezen, "alles komt op zijn tijd." De jonge priester begreep, dat hij voor zulk bezoek nog niet de nodige rijpheid bezat, dat hij nog niet in staat was deze indrukken in zich op te nemen.

De snelheid waarmee ze stegen werd groter door de krachtige wil van de Geleider. Het scheen de jonge priester toe alsof ze zo maar omhoog schoten. Zonnen en de hen omringende planeten werden groter, lichtten voor hen op, schrompelden weer in elkaar, verbleekten en verdwenen. Plotseling hield de Geleider stil en sprak: "Zie om u heen."
Het scheen de jonge priester toe dat een nieuw oog in zijn binnenste voor hem open ging. Hij zag iets geheel nieuws. Had hij vroeger individueel leven in het kleinste gezien, in waterdiertjes, die elkaar bestreden en verslonden, liefhadden en voortplantten, zo zag hij nu individueel leven in het groot. De sterrenstelsels schenen hem toe families te zijn. De afzonderlijke sterren deden zich aan hem voor als verschrikkelijk grote levende schepselen van de Godheid, die bewust in de kracht van hun wil hun banen beschreven. Het scheen hem ook toe alsof er tussen hen een overeenkomst was om botsingen te vermijden.

Hij zag eb en vloed op de hemellichamen en begreep dat dit hun polsslag was. Hij zag vuurspuwende bergen, die ver in de omtrek verwoestingen aanrichtten en alles met lava en slakken bedekten en hij begreep, dat deze uitbarstingen afscheidingsprocessen van deze reuzenlichamen waren.
Hij zag de invloeden der planeten, hun uitstralingen; ze brachten geluid voort, het waren echter geen aardse klanken, ze straalden kleuren uit, geestelijke kleuren. De bijzonderheid van elk hemellichaam openbaarde zich in deze 'kleurrijke geluidsgolven'. De uitstralingen van enige planeten klonken harmonisch tezamen en vormden prachtige, vrede brengende accoorden, anderen echter lieten een onbevredigdheid achter, deden pijn, doordat er disharmonieën waren.

terug naar de Inhoud

De geest en planetaire harmonie (astrologie)
De Geleider sprak: "Het lot der mensen hangt af van de planetaire harmoniën en disharmonieën. Daarom kan men zeggen dat het aardse bestaan van een sterveling in de sterren staat geschreven. Deze zijn het, die vreugde en smart, geluk en lijden in het leven der mensen te voorschijn roepen. Op elk uur onder een bepaald acooord, onder invloed van een hemelse samenklank, wordt een mensenkind geboren. Deze mens wordt als het ware op deze klanken afgestemd [astrologie]. Daarna wentelen de sterren in hun eeuwige baan verder en de mens komt doorlopend onder verschillende invloeden. Klinken deze harmonisch met zijn grondaccoord samen, dan voelt hij zich prettig en wat hij doet, slaagt. Bij disharmonische invloeden echter, die in schreeuwende tegenstelling staan met zijn grondaccoord, voelt hij zich terneergeslagen en onrustig; hem treffen tegenslagen en smart.
In zulke tijden gelukt dan niets en geeft menigeen zich over aan vertwijfeling, als hij tenminste niet overtuigd is van de goedheid van de Godheid en haar wondere plan niet kent. Daarom hebben de wijzen, de astrologen, gelijk als zij zeggen dat de sterrenhemel een boek is, waarin de Godheid toestaat het lot der mensen te lezen. Maar voor vandaag genoeg."
De Geleider vatte de jongepriester bij de hand. Ze vielen, schoten in onmetelijke diepten.
De jonge priester verloor het bewustzijn. Een ruk en hij ontwaakte in zijn lichaam achter het altaar in de tempel.

terug naar de Inhoud


XVIII - de Chaos
XVIII Het achtiende beeld - de Chaos, de Hartstocht
Op de achttiende dag sprak de Hogepriester: "Het beeld, waarvoor gij heden staat, heet Chaos, hartstocht. Het draagt het nummer XVIII. Gij ziet in het schijnsel van de maansikkel een berg, waarop twee torens staan. Een weg naar boven kronkelt erheen. Deze voert door een modderpoel, waaruit een kreeft komt kruipen. Een hond en een jakhals huilen tegen de maan.
Het is de moeite waard de verhouding, waaruit dit beeld tot de andere staat nader te bekijken. Het is het spiegelbeeld van XV, de leugen. Dit zien we ook in het leven der volken. Uit leugen en onrecht kan alleen anarchie en chaos ontstaan. Wee degenen, die door leugenachtige voorspiegelingen de hartstochten van de menigte ontketenen. Ze storten duizenden in het verderf om hen ten laatste zelf daarin te volgen.
Beeld XVIII staat tegenover beeld V, het verstand, het gezag. Ook in deze opstelling vinden wij, tussen de tegenover elkaar geplaatste beelden de door de maker van het Boek Toth bedoelde, scherpe tegenstelling: hier hartstocht, daar verstand, hier chaos, daar gezag. Hoe hoger individuen en volkeren staan, des te minder laten zij zich door hun hartstochten meeslepen en des te meer handelen zij volgens hun verstand. Maar door hartstochten zinkt een volk in chaos en ellende weg.

Op beeld V spreekt de Hogepriester woorden van wijsheid tot zijn leergierige leerlingen. Op beeld XVIII huilen stomme dieren, door een onbestemd gevoel gedreven, naar de Maan, het dode lichaam, dat geen leven heeft in zichzelf. Dat hun ontwikkeling hierdoor niet wordt bevorderd, maar tegengehouden, zelfs teruggedrongen, wordt aangeduid door de achterwaarts lopende kreeft, die uit het moeras komt kruipen. Beeld XVIII is het zesde beeld van de Horus-weg, de weg van de Geest.
Deze weg stelt de mens voor de keuze (beeld VI) en voor het geval hij juist kiest, maakt hij hem tot pelgrim (IX). Dan laat hij hem beproevingen doorstaan (XII), leugen en onrecht bestrijden (XV), en voert hem door de chaos der hartstochten (XVIII), waardoor hij doordringt tot het opgaan in God (XXI). Wantrouw uw hartstochten, mijn zoon, beheers ze en laat u er niet door beheersen. Hartstochten kunnen goede krachten zijn, maar slechte meesters. Ga heen in vrede."

terug naar de Inhoud

Het rijk der dromen
Deze avond, toen de geest van de jongeling zich van zijn lichaam had losgemaakt, sprak zijn Geleider: "Nu zult gij inzicht krijgen in het rijk der dromen. Zie naar uw eigen, slapende lichaam. De denkende, leidende, willende meester, uw geest, heeft het lichaam verlaten en zoals gij ziet, brengen de hersenen naar hun gewoonte gedachten en voorstellingen voort[?], maar, doordat het leidende verstand ontbreekt, zijn de beelden onlogisch en de gedachtengangen onsamenhangend.
Uw hersenen[?] werken verder met de voorstellingen en begrippen, waarmee ze vandaag of eerder bezig zijn geweest en doordat er geen logische wetten heersen, is het resultaat chaos en duistere gevoelens. Zo leidt de mens gedurende de slaap een dubbel leven. Zijn geest belooft wat werkelijk is. Zijn hersens echter laten allerlei onzin opborrelen[?]. Daardoor hebben zowel diegenen gelijk, die zeggen dat dromen bedrog zijn, als degenen die beweren dat het goddelijke openbaringen zijn.

terug naar de Inhoud

De wegvagende sluiers der onbewustheid
Gij weet dat op de drempel tussen de zichtbare en onzichtbare wereld sluiers golven. Telkens wanneer wij de drempel overschrijden, hetzij bij het inslapen of in omgekeerde richting bij het ontwaken, leggen zich de sluiers der onbewustheid over ons geheugen en we vergeten wat daarachter was. Wanneer we inslapen, vergeten wij de zorgen en het leed van het dagelijkse leven en als we ontwaken vergeten wij gewoonlijk wat we hebben gedroomd.
Zowel wat onze geest in de onzichtbare wereld heeft beleefd, alsook het meeste van de onzin, die onze hersenen hebben voortgebracht[?], valt buiten onze herinnering. Alleen door bijzondere oefeningen en de strengste concentratie kunnen we zover komen, dat we niet meer letten op de dwaze dromen van onze hersenen, maar ons datgene herinneren, wat onze geest in de werkelijke, geestelijke wereld heeft beleefd.
Voordat wij ons geheugen door deze oefeningen hebben geschoold, kunnen we ons zeker ook van tijd tot tijd het een of ander van onze nachtelijke belevenissen in de werkelijke, onzichtbare wereld herinneren. Dit gebeurt alleen maar dan, wanneer de desbetreffende gebeurtenis zo ingrijpend is geweest, dat die zich op een heel bijzondere wijze diep in het geheugen heeft gegrift, zodat de wegvagende sluiers der onbewustheid bij het overschrijven van de drempel het niet geheel kunnen uitwissen.
En nu volg mij, we hebben nog een zeer lange reis voor ons."

terug naar de Inhoud

De 'Levensboeken'
Met de snelheid van de gedachte, die de snelheid van het licht verre overtreft, schoten de beide geesten door de oneindige wereldruimte. Het ene na het andere sterrenstelsel verdween, nadat het nauwelijks in het zicht was gekomen, in de duisternis.
Ziedaar! Voor hen rees een geweldige muur in het oneindige op. In deze muur waren talloze kleine cellen. Het was net een reusachtige honingraat.
"Iedere mens, iedere geest," sprak de Geleider, "heeft hier een cel, waarin alles wordt opgenomen en vastgelegd wat hij heeft gedacht, gevoeld, gezegd en gedaan. Iedere mens heeft zoals gij weet zijn eigen accoord en op ditzelfde accoord is ook zijn cel hier ingesteld. Zijn accoord is er als het ware de sleutel van. Alles wat de mens doet, zegt of lijdt, weerklinkt hier met de klank van zijn accoord en op dit accoord reageert alleen maar zijn eigen cel, die alles volkomen naar waarheid registreert.

Dit zijn de 'Levensboeken'. Hier kunt gij ook, wanneer gij de nodige rijpheid ervoor hebt gekregen, als het ware naslaan wat gij vroeger zijt geweest en daaruit lering putten. Ook kunt gij over het verleden als gij daarvoor belangstelling hebt, worden ingelicht door een geest. Gij kunt hier ook in de boeken van het verleden bladeren en op grond van zekere wetten gevolgtrekkingen maken voor uw eigen toekomst. En nu terug naar het heiligdom."
Een vallen door eindeloze ruimten, duizeligheid en onbewustheid. De jonge priester ontwaakte in zijn lichaam onder de mantel van de Hogepriester.

terug naar de Inhoud


XIX - de Zon van Osiris
XIX Het negentiende beeld - de Zon van Osiris
Op de negentiende dag sprak de Hogepriester: "Het beeld, waarvoor gij heden staat, is 'de Zon van Osiris'. Het betekent het volle leven. Het is het einde van de Osiris-weg, d.w.z. de gedachtenketen, die met het eerste beeld begint en zich verder in elk derde beeld door het Boek Toth voortzet. Er zijn drie van zulke wegen. De weg van Osiris, die zoals reeds is gezegd, met het eerste beeld begint, de weg van Isis, die bij het tweede aanvangt en de weg van Horus, de weg van de Geest, beginnende bij het derde beeld. Al deze wegen lopen volgens hetzelfde systeem van elk derde beeld naar het eerstvolgende derde.

terug naar de Inhoud

De Osiris-weg
Wij zijn thans in staat de weg van Osiris te lezen: de Godheid (beeld I) volvoert door wetten (IV) Zijn plannen (VII) en leidt de Kosmos en ons, door de wenteling van het Rad des Levens (X) door dood (XIII) en verwoesting (XVI) naar het volle leven (XIX).
Ik moet u er echter opmerkzaam op maken, dat op de weg van Osiris niet alleen de inhoud der afzonderlijke beelden met elkaar in verband staan, nl. door allen gelijkelijk op het eerste beeld terug te wijzen; maar ook de nummers der beelden van de Osiris-weg wijzen door hun getal naar het eerste beeld terug. Het is nu de tijd om u in een deel der geheimen van onze occulte mathematica in te wijden.

terug naar de Inhoud

De occulte getalswaarde: herleiding en samenvoeging
Ieder getal heeft buiten zijn rekenkundige waarde nog een occulte, geheime waarde, die ons zijn diepergaande betekenis openbaart. Om deze innerlijke, magische waarde te vinden, bedienen wij ons van twee bewerkingen: a. herleiding en b. samenvoeging.
a. De herleiding bestaat hierin, dat men de afzonderlijke cijfers van een getal bij elkaar optelt tot een getal tussen 1 t/m 9 is verkregen; het resultaat is de occulte waarde van het getal. B.v. de occulte waarde van 12 is 3, want 1+2=3.
b. De samenvoeging bestaat hierin, dat men de getallen, die aan een bepaald getal voorafgaan, bij dat getal optelt; het resultaat is de occulte waarde van het getal.
Is het resultaat groter dan 9, dan volgt een herleiding, waarna het verkregen getal opnieuw wordt samengevoegd en herleid.
B.v. de occulte waarde van 12 is 3, want 1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12=78, 78 is door herleiding 7+8=15, 15 is 1+5=6; 6 is door samenvoeging 1+2+3+4+5+6=21; 21 is door herleiding tenslotte 2+1=3.

Wij zien dus dat we op beide manieren der occulte mathematica tot hetzelfde resultaat komen.
Wij zullen de methoden van herleiding en samenvoeging toepassen op de getallen van de beelden van de Osiris-weg: I, IV, VII, X, XIII, XVI en XIX. Luister:

Het 1e beeld van de Osiris-weg (I) is ook het 1e in de beeldenrij. Het getal 1 kent geen herleiding of samenvoeging, het blijft altijd zichzelf: 1. De occulte waarde is gelijk aan de rekenkundige waarde.

Het 2e beeld van de Osiris-weg (IV) is het 4e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4=10; 10 is herleid: 1+0=1.
Het 2e beeld van de Osiris-weg (IV) wijst naar het eerste beeld van de rij (I) terug en staat ermee in het volgende verband: de wetten hebben hun oorsprong in de Godheid.

Het 3e beeld van de Osiris-weg (VII) is het 7e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7=28. 28 is herleid: 2+8=10 is 1+0=1.
Het 3e beeld van de Osiris-weg (VII) wijst naar het eerste beeld van de rij (I) terug en staat ermee in het volgende verband: de verwerkelijking van Zijn plannen der Evolutie is Gods zaak.

Het 4e beeld van de Osiris-weg (X) is het 10e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10=55. 55 is herleid: 5+5=10. En 10 is 1+0=1.
Het 4e beeld van de Osiris-weg (X) wijst naar het eerste beeld van de rij (I) terug en staat ermee in het volgende verband: de veranderingen in het leven der mensen en volken - de ommekeer der gebeurtenissen - is op God terug te voeren.

Het 5e beeld van de Osiris-weg (XIII) is het 13e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13=91; 91 is herleid: 9+1=10 en 10 is 1+0=1.
Het 5e beeld van de Osiris-weg (XIII) wijst naar het eerste beeld van de rij (I) terug en staat ermee in het volgende verband: ook de dood, het overgaan is op God terug te voeren.

Het 6e beeld van de Osiris-weg (XVI) is het 16e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15+16=136. 136 is herleid: 1+3+6=10, 10 is 1+0=1.
Het 6e beeld van de Osiris-weg (XVI) wijst naar het eerste beeld van de rij (I) terug en staat ermee in het volgende verband: ook de verwoesting van zelfzuchtige arbeid is op God terug te voeren.

Het 7e beeld van de Osiris-weg (XIX) is het 19e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15+16+17+18+19=190, 190 is 1+9+0=10, 10 is 1+0=1.
Het 7e beeld van de Osiris-weg (XIX) wijst naar het eerste beeld van de rij (I) terug en staat ermee in het volgende verband: het leven heeft zijn oorsprong in God. God is het leven Zelf.

Bekijken wij thans het beeld XIX. Gij ziet op een bloeiende vlakte, waarover de Zon schijnt, een ruiter, die op een wit paard rijdt. Het is dezelfde die wij op de voorafgaande beelden als Schepper, als wetgever en onderhouder, als triomphator en voleinder, als de beheerser van leven en dood, als degene, die de bliksem slingert voor de verwoesting, hebben gezien en die thans met het vaandel der liefde in de hand, het volle leven tot overwinning voert: Beeld XIX staat tegenover beeld IV, de wet.
Hier ziet gij het subtiele verschil tussen de tegenover elkaar staande beelden. Op het beeld IV heeft de Pharao een scepter in de hand. Op beeld XIX ziet ge de grote Levensschenker, de zon, de heerseres over het leven op deze aarde. Haar ontelbare stralen zijn evenzovele scepters, die leven en wetten brengen en daar doen ontstaan waar zij op de aarde komen.
En ga nu heen in vrede, het uur van uw verlichting is gekomen."

Toen de jonge priester deze avond in het heiligdom door het woord van de Hogepriester in slaap was gevallen en zijn grofstoffelijk omhulsel had verlaten, bemerkte hij, dat behalve zijn Geleider ook de Hogepriester in zijn geestelijke lichaam naast hem zweefde. "Wij zullen heden de goddelijke wereld betreden" sprak de Geleider. "De zon van Osiris zal over u lichten."
Duizeligheid en onbewustheid bevingen de geest van de jonge priester en hij ontwaakte in een derde, geheel andere wereld. Stralend licht omgaf hem. "De poorten van de Hemel zijn geopend," sprak de Hogepriester. "En de mens wordt gehoorzaam wedergeboren in een lethargische slaap," voegde de Geleider hieraan toe.
"Hier kan waarlijk niets onreins binnen komen," dacht de jonge priester. Diepe vrede heerste hier en een sterke drieklank [accoord] weerklonk, machtig en ononderbroken. Het was anders dan in de zichtbare wereld, ook anders dan in de tot nu toe bezochte gebieden van de geestelijke werelden. Vele geesten zweefden om hen heen. De meesten schitterden als een opaal en verspreidden licht, en straalden en resoneerden in schoonheid en heerlijkheid.

terug naar de Inhoud

Het stralende middelpunt
Onder de stralende geesten was een beweging merkbaar, zij richtten zich allen naar een middelpunt. De jonge priester en zijn Begeleider volgden de stroom. Het licht werd voortdurend stralender, doordringender, verterender. De jonge priester bleef achter. "Ik kan het niet verdragen, het licht is te sterk." "Later zult gij het kunnen verdragen, wanneer gij rijper, meer ontwikkeld zult zijn", sprak de Geleider. "Wacht hier op ons," sprak de Hogepriester, "en zie ons na."
De jonge priester bleef achter en zag de Geleider en de Hogepriester in gezelschap van ontelbare geesten verder zweven, het licht, het middelpunt tegemoet. Hij probeerde in dit middelpunt te schouwen. Na enige tijd scheen het hem toe dat hij in de verblindend stralende gloed de omtrekken van een menselijke gedaante onderscheidde. Op hetzelfde ogenblik kwam een nooit ondervonden gevoel van geluk en vrede over hem; hij voelde zich met Liefde en welwillendheid overgoten en doorstroomd, en kon niets anders doen dan zijn hoofd buigen vol aanbidding en dank.
Toen hij zich weer oprichtte, waren de Geleider en de Hogepriester naast hem. Hun gezichten lichtten als verheerlijkt. Ook op hen rustte iets als de weerspiegeling van iets schoons, iets heerlijks dat zij hadden aanschouwd. Zij spraken geen woord. Zij lieten het aanschouwde in hun hart naklinken. Zij keerden naar de aarde terug. Zij zagen de heilige rivier door het slapende land stromen. De heilige, grote stad lag onder hen.
Duizeligheid en onbewustheid. De jonge priester ontwaakte in het heiligdom onder de mantel van de Hogepriester. Op zijn aangezicht echter lag iets als een lichtend schijnsel. "Hij heeft de zon van Osiris geschouwd," zei de volgende dag - toen hij voorbijging - een priester tegen de ander.

terug naar de Inhoud


XX - de Onsterfelijkheid
XX Het twintigste beeld - de Onsterfelijkheid, de Opstanding
Op de twintigste dag sprak de Hogepriester: "Gij staat heden voor het beeld, dat 'onsterfelijkheid' heet. Gij ziet een bode der goden, die op een wolk staande de bazuin blaast. Uit graven stijgen mannen en vrouwen op met opgeheven handen; zij stellen de mensheid voor, die het graf, de dood voorgoed de rug heeft toegekeerd. Ze begroeten met vreugde de klank van de bazuin, die een nieuwe aera, die der onsterfelijkheid, aankondigt. Er zal geen dood meer zijn, geen ziekte zal meer heersen, oorlogen en onrecht zullen verdwijnen.
Beeld XX ontstaan uit beeld XIX, dit wil zeggen: in het volle goddelijke leven kan sterfelijkheid niet bestaan, evenmin als bij volledige gezondheid ziekte kan bestaan.

Gij staat heden, mijn zoon, aan het einde van de Isis-weg in het Boek Toth. Nu moogt gij uw ontwikkeling overzien. Nadat gij uit heilige boeken had geleerd en de belofte had ontvangen dat de poorten der onzichtbare wereld voor u zouden worden geopend (beeld II) is mondeling onderricht uw deel geworden en de belofte ingelost (beeld V). Gij zijt vervolgens door onpartijdige rechters gewogen en hebt de waarheid leren kennen (beeld VIII). Gij hebt daardoor moed gekregen en magische krachten ontvangen en hebt de kwade machten aan u kunnen onderwerpen (Beeld XI).
Gij zijt van incarnatie tot incarnatie voortgeschreden (beeld XIV). Gij hebt ten laatste de school van het aardse leven niet meer nodig gehad en zijt vrij geworden van de wet steeds weer naar de aarde terug te moeten keren. Gij hebt u aan de Godheid overgegeven, zijt met haar verenigd, in haar opgegaan (beeld XVII) en hebt tenslotte onsterfelijkheid verkregen (beeld XX). Wat u van het begin af is beloofd, hebt ge ontvangen, de poorten der onzichtbare werelden hebben zich voor u geopend, gij hebt achter het voorhangsel mogen zien.

Ook de Isis-weg, die met beeld II begint, vertoont een soortgelijke onderlinge samenhang der getallen als de Osiris-weg, al wijzen alle getallen niet naar het tweede, maar naar het derde beeld. Hiermee wordt aangeduid dat het onderricht uit boeken niet de hoofdzaak is, maar moet worden gebruikt voor geestelijke ontwikkeling door de krachten van de Geest. Dit gegeven wordt ook op occult mathematische wijze bevestigd.

terug naar de Inhoud

De Isis-weg
De Isis-weg: II, V, VIII, XI, XIV, XVII, XX.

Het 1e beeld van de Isis-weg (II) is het 2e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2=3; 3 is niet verder te herleiden, het blijft 3. De samengevoegde waarde van 3 is: 1+2+3=6.
Zes is 1+2+3+4+5+6=21. 21 is herleid: 2+1=3. We zien dat de occulte waarde van 2 is 3.
Het 1e beeld van de Isis-weg (II) wijst naar het 3e beeld van de rij (III) en staat ermee in het volgende verband: drie is het getal van de geest (beeld III); beeld 6 (de samengevoegde waarde van 3) is de liefde; beeld 21 (de herleide waarde is 3) betekent God is alles in allen.

Het 2e beeld van de Isis-weg (V) is het 5e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5=15; 15 is herleid: 1+5=6. De samengevoegde waarde van 6 is: 1+2+3+4+5+6=21.
21 is herleid: 2+1=3.
Het 2e beeld van de Isis-weg (V) wijst naar het 3e beeld van de rij (III) terug en staat ermee in het volgende verband: de gesproken woorden in het mondeling onderricht (V), moeten door de geest (III) worden verwerkelijkt.

Het 3e beeld van de Isis-weg (VIII) is het 8e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8=36; 36 is herleid: 3+6=9. De samengevoegde waarde van 9 is:
1+2+3+4+5+6+7+8+9=45; 45 is herleid ook: 4+5=9. Door het getal 9 ontstaat een kringloop.
[net als het getal 1 blijft het getal 9 altijd zichzelf] Het 3e beeld van de Isis-weg (VIII) is in zoverre een uitzondering, dat het niet naar beeld III: de Geest, maar naar IX, de Pelgrim wijst.
Het 3e beeld van de Isis-weg (VIII) (de Waarheid) wijst naar beeld IX van de rij (de Pelgrim) en staat ermee in het volgende verband: het erkennen der waarheid maakt ons tot pelgrims, zowel als het ook een waarheid is dat wij in wezen pelgrims zijn.

Het 4e beeld van de Isis-weg (XI) is het 11e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11=66; 66 is herleid: 6+6=12. 12 is herleid: 1+2=3.
Het 4e beeld van de Isis-weg (XI) wijst naar het 3e beeld van de rij (III) terug en staat ermee in het volgende verband: moed en magische krachten zijn vruchten van de Geest.
Het 5e beeld van de Isis-weg (XIV) is het 14e in de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14=105. 105 is herleid: 1+0+5=6. 6 is 1+2+3+4+5+6=21.
21 is herleid: 1+2=3.
Het 5e beeld van de Isis-weg (XIV) wijst naar het 3e beeld van de rij (III) terug en staat ermee in het volgende verband: de reïncarnatie wordt door de Geest tot stand gebracht en vorm gegeven.

Het 6e beeld van de Isis-weg (XVII) is het 17e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15+16+17=153. 153 is herleid: 1+5+3=9.
9 is samengevoegd 45, 45 is herleid: 4+5=9. Door het getal 9 ontstaat een kringloop.
Het 6e beeld van de Isis-weg (XVII) wijst naar het 9e beeld van de rij (de Pelgrim) en staat ermee in het volgende verband: het doel van onze pelgrimsreis is de uiteindelijke vereniging van de geest met God

Het 7e beeld van de Isis-weg (XX) is het 20e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15+16+17+18+19+20=210. 210 is 2+1+0=3.
Het 7e beeld van de Isis-weg (XX) wijst naar het 3e beeld van de rij (III) terug en staat ermee in het volgende verband: de Onsterfelijkheid is het werk en de vrucht van de Geest.

Dit was de les van de Isis-weg en ga nu heen in Vrede."

terug naar de Inhoud

De wereld der oerbeelden: hemelse Hierarchieën
Het was nacht. De geest van de jonge priester zweefde met zijn Geleider boven de slapende stad. De Geleider sprak: "Heden zult gij een blik slaan in de hemelse hierarchieën. Kom!" Zij vlogen omhoog door schier eindeloze ruimten. Zij naderden het gebied der oerbeelden, die uit de wil en de wijsheid van de Godheid waren voortgekomen, toen deze tot de schepping der wereld en de evolutie van het heelal had besloten.
De jonge priester zag een geweldig gebergte voor zich, dat in zeven trappen, waarvan elk een hoog plateau vormde, als een toren omhoog rees. De Geleider sprak: "Dit zijn de rangorden van de Machtigen, die zien [waarnemen] en weten [denken], liefhebben, gehoorzamen en dienen [voelen], en leiden, willen en kunnen [willen].
1. Op de eerste trap zijn de Geesten, die wij Leiders noemen, die de enkele mens apart gegeven zijn om hem door zijn hele bestaan, door al zijn levens te begeleiden. Zij zijn talrijk, zij geven licht, dienen, beschermen en hebben lief.
2. Op de tweede trap vindt gij de Machtigen, die het lot der volken besturen, die de geest van een volk beïnvloeden; zij staan op 't ogenblik verder van ons af, maar komen ons desondanks machtiger voor en meer licht uitstralend, omdat zij groter en stralender zijn dan de Geesten van de eerste trap, die de afzonderlijke mens leiden.
Zoals nu de geesten van de eerste trap, de beschermers der afzonderlijke mensen, hen stap voor stap door middel van onzichtbare draden leiden, hen opvoeden en laten oogsten wat zij hebben gezaaid, desgelijks doen ook de geesten van de tweede trap met de volken. Ook de volken worden geleid, beïnvloed, opdat zich hun lot voltrekt, opdat zij de gevolgen van hun beslissing dragen en omdat ook zij oogsten wat zij hebben gezaaid, opdat overal gerechtigheid zal heersen. Deze machtige geesten van de tweede trap zijn het, die vriendschap tussen de volken, maar ook afkeer, vervreemding, ja zelfs haat en oorlog hebben doen ontstaan.
3. Want de oorlog, het zwaard, is de grootste hervormer der politieke verhoudingen op aarde, door een geest van de derde trap in het leven geroepen, door de Machtige - die de ontwikkeling van het gehele menselijke geslacht gadeslaat, bestuurt, beheerst en vorm geeft - ontstaan tussen de geesten van de tweede trap verhoudingen en stemmingen die zich op hun beurt in de verhoudingen der volken op aarde afspiegelen. Oorlogen beginnen dus steeds in een onzichtbare wereld, het zijn wrijvingen tussen de Machtigen, die de verschillende volken beïnvloeden.

"Maar wanneer de mensen en de volken," vroeg de jonge priester, "willoos door hogere wezens tot vriendschap of vijandschap worden gebracht en beïnvloed, waar blijft dan hun verantwoordelijkheid?" "De verantwoordelijkheid bestaat; hun wil is vrij. Zij bepalen zelf hun lot, al naar gelang zij beslissen. Is deze eenmaal genomen, dan is geen ontkomen meer mogelijk: wat zij hebben gezaaid, moeten zij oogsten. De hogere machten benutten in een wonderbaarlijke samenwerking, hun macht en invloed slechts om gerechtigheid te doen heersen, niet om het zaaien te beïnvloeden, maar alleen om de oogst te laten rijpen. De wet van oorzaak en gevolg is eeuwig [karma].
En kijk nu naar de geesten van de derde trap, deze zijn nog heerlijker, nog machtiger dan die van de tweede trap. Het licht hunner stralen, de schitterende glans die hen omringt, reikt nog veel verder. Ieder van hen is de beschermgeest van een planeet en heerst over de ontwikkeling en de geestelijke vorming van zijn bewoners. Want tegelijk met de sterren worden de bewoners ervan naar hogere bestaansvormen gevoerd.
4. Zie nu naar de vierde trap. Nog groter heerlijkheid, een bijna ondraaglijke glans omstroomt en omstraalt deze ontzagwekkende Machten. In oneindige ruimten cirkelen miljoenen zonnen, ieder door een aantal planeten omgeven. Deze zonnestelsels vormen, ieder voor zich een geheel, als het ware een familie; zij worden door een verheven wezen beheerst, dat op de zon van het stelsel zijn plaats heeft en deze tot leven brengt.
Op de volgende trappen, de vijfde, de zesde en de zevende zijn in voortdurend strenger, opklimmende hiërarchie steeds heerlijker en machtiger geesten, die veel goddelijks schouwen en weer uitstralen. Van hun wijsheid en macht kunnen wij ons geen voorstelling maken, hun nabijheid niet verdragen, het zijn Goden, Goden gewordenen, want zij zijn God nabij. De geesten van de zesde en de zevende trap schouwen steeds de zon van Osiris. Eens zult gij ook daartoe komen, maar voor heden genoeg."
Duizeligheid en onbewustheid. De jonge priester ontwaakte in de tempel achter het altaar.

terug naar de Inhoud


XXI - God is alles in allen
XXI Het een en twintigste beeld - God is alles in allen
Op de 21e dag sprak de Hogepriester: "Heden staat gij voor het 21e beeld; het draagt het onderschrift: 'God is alles in allen'. Beeld I toont u het begin van de schepping, het uitgaan van het Al uit de Schepper op Zijn bevel. Dan wentelt het heelal, zoals de beeldenreeks van het Boek Toth u toont, door ruimte, tijd en eeuwigheid en keert tenslotte tot zijn oorsprong terug, zodat God weer alles is in het Al. In beeld XXI sluit zich de grote ring. Alles in zwijgen en macht.

Gij ziet een jonge vrouw, dezelfde, dat gij reeds op de beelden XI, XIV en XVII hebt gezien, dansen op heilige, symbolische wijze. De op de zijden steunende armen vormen met het hoofd de heilige driehoek; de benen zijn gekruist. De driehoek boven de vierhoek, die gij op beeld IV hebt gezien en die op beeld XII omgekeerd, als dissonant te zien was, alsook de driehoek, die op beeld VII in het vierkant was op te merken, is thans in beeld XXI in de juiste stand, in de harmonie teruggekeerd.
Een sluier golft om de jeugdige gestalte. Een krans van bloesems omringt haar, zoals een lijst om een schilderij. Deze ring, die de driehoek boven de vierhoek omsluit, herhaalt voor ons nog eenmaal - tot besluit van het Boek Toth - de ter harte te nemen waarheid dat God Zijn schepping in eeuwigheid beheerst.

In de vier hoeken van de afbeelding ziet gij vier hogere geestelijke wezens vertegenwoordigd als adelaar, leeuw, stier en mens.
Het mensenhoofd zegt dat ook gij daar uw plaats hebt, ook gij zijt geroepen tot de hoogste plaats tusson de geesten van kracht, moed en geweten, maar gij moet leren te zwijgen, af te wijzen. Maar boven al deze geesten en wel nog dichter bij de Godheid staat de kring van degenen die liefhebben, aangeduid door de Rozenkrans, die de figuur van de jonge vrouw omsluit en die we reeds op beeld XI zijn tegengekomen.
Beeld XXI is tegelijk het laatste beeld van de Horus-weg, de weg van de Geest, die wij thans als volgt kunnen lezen: de Geest, wiens doel de hoogten is, waar slechts de adelaar kan komen (beeld III), stelt de mens voor de keuze (beeld VI): kiest hij juist, wijs, dan wordt hij hierdoor een eenzame, een pelgrim, die van de wereld afgekeerd, zijn weg gaat door de woestijn (beeld IX).
De eenzaamheid verergert tot ontzettende beproevingen, waarin alles verkeerd en zonder uitzicht schijnt (beeld XII). De pelgrim heeft met leugens en onrecht te kampen (beeld XV) en moet zich ook door de Chaos der hartstochten heen worstelen (beeld XVIII) [zelfverwerkelijking] voordat hij tot volledige rust en helderheid, tot vereniging, tot éénwording met God komt (beeld XXI) [hereniging].

terug naar de Inhoud

De Horus-weg, de Weg des Geestes
Maar ook occult rekenkundig is er een wonderbaarlijke samenhang tussen de beelden van de Horus-weg onderling; de Horus-weg is de weg van de Geest, waarop het vleselijke in ons wordt gedood.
De Horus-weg: III, VI, IX, XII, XV, XVIII, XXI.

Het 1e beeld van de Horus-weg (III) is het 3e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3=6. 6 is samengevoegd 1+2+3+4+5+6=21. De occulte waarde van 21 is drie: 2+1=3.
Het beeld van III toont ons de adelaar, de naar de zon omhoog stijgende koning in de lucht: de geest.
De geest (beeld III) wijst ons op de liefde (beeld VI). Maar beeld XXI (2+1=3) is weer 'God alles in allen'. Zo hebben wij een kringloop en lezen: De Geest is liefde. Liefde is 'God, alles in allen', 'God, alles in allen' is Geest.

Het 2e beeld van de Horus-weg (VI) is het 6e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6=21. 21is herleid: 2+1=3. Wij zijn weer in de kringloop; 3 is 6, is 21 en 21 is 3,
of in begrippen uitgedrukt: De Geest (beeld III) is de liefde (beeld VI), de liefde (beeld VI) is God (beeld XXI) en God (beeld XXI) is de Geest (beeld III).

Het 3e beeld van de Horus-weg (IX) is het 9e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9=45. 45 is herleid: 4+5=9, het enige en daardoor merkwaardige getal, dat alleen naar zichzelf verwijst. De pelgrim heeft zijn doel in zichzelf. Hij denkt slechts aan zijn vervolmaking. Al het andere laat hij terzijde liggen.

Het 4e beeld van de Horus-weg (XII) is het 12e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12=78. 78 is herleid: 7+8=15. 15 is herleid: 1+5=6. 6 is samengesteld:
1+2+3+4+5+6=21. 21 is herleid: 2+1=3.
Beeld XII wijst ons dus op de beelden XV, VI, XXI en III of uit beeld III+VI ontstaat beeld XII, d.w.z. beeld III, in woorden uitgedrukt: de beproeving (beeld XII) voert door leugen en onrecht, die men kalm over zich heen moet laten gaan (beeld XV), om tot kennis der liefde te komen (beeld VI), tot God (beeld XXI), tot de Geest (beeld III).

Het 5e beeld van de Horus-weg (XV) is het 15e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15=120. 120 is herleid: 1+2+0=3,
d.w.z. de Geest (beeld III) is het, die ons in de strijd tegen leugen en onrecht (beeld XV) leidt, waardoor wij worden gestaald en een geoefend onderscheidingsvermogen krijgen.

Het 6e beeld van de Horus-weg (XVIII) is het 18e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15+16+17+18=171. 171 is herleid: 1+7+1=9.
Negen is zoals we hebben gezien het getal, dat op zichzelf wijst.
Wij zien dus dat beeld XVIII op beeld IX terugwijst, dw.z. dat gij door de chaos der hartstochten moet gaan. Gij zult aanvechtingen moeten doormaken, omdat gij een pelgrim zijt. Niets zal u worden bespaard.
Het is heerlijk en bemoedigend dat in het vorige beeld, in beeld XVII (de hoop, vereniging) de pelgrim de troostrijke belofte is gegeven, dat hij vast en zeker zijn doel zal bereiken.

Het 7e beeld van de Horus-weg (XXI) is het 21e van de beeldenrij; samengevoegd geeft dit:
1+2+3+4+5+6+7+8+9+10+11+12+13+14+15+16+17+18+19+20+21=231. 231 is herleid: 2+3+1=6.
6 is samengevoegd: 1+2+3+4+5+6=21. 21 is herleid: 2+1=3.
Wij kunnen dus lezen: de terugkeer van alle dingen tot God (beeld XXI) is het werk van de Geest (beeld III) en wel uit liefde (beeld VI): 'God alles in allen'.

Het schriftteken op beeld XXI veroorlooft ons evenals de drie eerste beelden van onze rij een blik te werpen in het wezen der Godheid. Wij zien op het heilige teken drie vertikale staafjes op een horizontale, die zich tot één teken hebben verenigd.
Het eeuwige passieve dat door het eeuwige actieve uit zichzelf was uitgestoten, keert hiertoe terug, wordt weer één daarmee en tengevolge daarvan houden ook de betrekkingen op, die tussen hen beiden als een derde waren ontstaan. Het drievoud is weer tot eenheid geworden. De vlammende legerscharen zijn tot rust gekomen.
Ga heen in Vrede".

terug naar de Inhoud

Het zilveren koord
De jonge priester viel deze avond gemakkelijk in het heiligdom in slaap. Ja, het scheen hem zelfs toe dat hij in het geheel niet was ingeslapen. Hij had zijn bewustzijn niet verloren. Hij twijfelde er bijna aan of hij zijn lichaam wel had afgelegd, daar de sluiers van de onbewustheid deze keer niet over hem waren neergedaald. Maar het feit dat hij zijn achter het altaar liggende grofstoffelijke lichaam kon zien en dat hij zelf ongehinderd door de muren en gewelven van de tempel kon dringen, was voor hem het bewijs dat hij alleen in zijn fijnstoffelijk lichaam [geestgedaante] zweefde.
De Geleider, die zijn gedachten zag, sprak: "Gij zult leren uw lichaam, wanneer gij dat wenst, te verlaten. De verbinding tussen geest en lichaam is thans bij u zo los geworden, dat gij dit kunt. Gij moet er alleen voor zorgen dat uw lichaam niet wordt aangeraakt en vooral niet kan worden lastig gevallen, want het gevaar bestaat niet alleen dat een andere geest uw lichaam in bezit neemt, maar ook kunnen dwaze onwetende mensen uw lichaam aanraken of aanspreken; daardoor zou het zilveren koord stuk kunnen gaan en dat zou uw dood kunnen zijn."
"Het zilveren koord?" "Ja, het fijne en oneindig elastische, zilveren koord van edele aether, dat lichaam en geest verbindt, dat in de slaap en bij toestanden van extase zoals de Inwijding, lichaam en geest bij elkaar houdt; bij de dood echter scheurt het en lost het op. Omdat de priesters dit gevaar kennen, blijft ook uw lichaam gedurende de nachten van uw inwijding in de tempel achter het altaar. Wanneer gij in de toekomst uw lichaam verlaat, zou het veiliger zijn wanneer iemand in uw nabijheid was, die uw lichaam bewaakte opdat het niets kwaads overkomt."

terug naar de Inhoud

De wereld der oerbeelden: de pyramide
Zij zweefden omhoog, hoger, steeds hoger. Zij passeerden verscheide geestelijke werelden en naderden de wereld der oerbeelden. Op een schier eindeloze, zandige vlakte verhief zich een geweldige berg - of was het een werk van mensenhanden? Het gevaarte was zo hoog als een berg, maar zo regelmatig als een gebouw of een mathematische figuur. Het reusachtige bouwwerk had een volstrekt vierhoekig grondvlak, het was van boven gezien een vierkant. Zijn vier zijden, alle gelijk van grootte, schitterden als gepolijst albast. Op elke zijde was een driehoek. Alle vier zijden liepen naar boven in één punt uit.
Verbaasd staarde de jonge priester naar het bouwwerk. "Wat is dat?" vroeg hij aan zijn Geleider.

terug naar de Inhoud

De onbewuste vereenzelviging
"Het is een gedenkteken van maten en tijden, dat diegenen waarheid en wijsheid zal openbaren, die het zullen weten te lezen. Het zal in uw tegenwoordige vaderland worden gebouwd als de tijd ervoor zal zijn gekomen;
want er zullen dagen komen, dat de meerderheid der mensen niet meer uit de hogere bronnen licht en wijsheid zullen kunnen putten, maar als blinde mollen alleen maar in de stof zullen wroeten [de onbewustheid].
Zij zullen daarbij menen nog wijs te zijn ook. Het innerlijke licht zullen zij niet meer bezitten en in hun ongerechtvaardigde hoogmoed slechts op hun lagere vijf zintuigen vertrouwen [de vereenzelviging].

terug naar de Inhoud

De oude helderziendheid
In die tijden zal dit gedenkteken spreken en van de wijsheid der hemelse machten getuigen. Voor die tijden zal het worden gebouwd en wijzen zullen het doorzoeken en verstandigen zullen het bewonderen. Thans bestaat er nog verkeer tussen de sterfelijke mens en de hemelse machten. De goden kunnen hen die hiervan weten, de ingewijden, waarheid en inzicht meedelen.
Zij hebben echter besloten in dit gedenkteken verleden en toekomst van het menselijk geslacht, de maten en het gewicht der aarde, de plaatsen van de sterren en de afstand tot elkaar en de Godskennis en het menselijke weten vast te leggen en te houden. Het is een openbaring van de waarheid des hemels, die op haar tijd aan de mensheid zal worden gegeven. De dag is nabij dat het in de zichtbare wereld zal worden gebouwd, zoals gij het hier in de wereld der oerbeelden aanschouwt.

terug naar de Inhoud

Geschiedenis der mensheid
"Zie hier," sprak de Geleider verder, "het bevat in zijn binnenste gangen en vertrekken, die zinvol zijn aangelegd en met een bepaald doel gebouwd. In deze gangen is elke duim een zonnejaar in de geschiedenis der mensheid.
1. De toegangsschacht, die precies naar de Noordpool zal wijzen, toont ons eerst een tijd van achteruitgang der aardbewoners. De gang loopt in het begin naar beneden.
2. Dan komt een plaats, waar de gang zich in tweeën splitst. De ene voert steeds dieper naar beneden, terwijl de andere onder dezelfde hoek naar boven gaat.
Deze plaats, waar de gang zich splitst, herinnert ons aan het zesde beeld van onze beeldengalerij; daar zien wij de mens voor de beslissing staan. Hierna zal het ook met hem, al naar gelang van zijn keuze omhoog of naar beneden gaan. Deze plaats in het gedenkteken des hemels zegt ons, dat er een uur in de geschiedenis van het mensengeslacht zal komen, waarin hij weer een besluit zal moeten nemen en wel, zich onder Gods wil te buigen of niet.
3. Voor het geval zij weigeren de Goddelijke weten aan te nemen en de Hemel eerbied te bewijzen, zullen zij in de afgrond, naar het verderf afglijden. Wanneer zij echter de les ter harte zullen nemen, zullen zij de moeilijke weg omhoog moeten gaan.
4. De gang is zo laag, dat men slechts op de knieën naar boven kan kruipen. Hiermede wordt ons gezegd dat degenen die tot de hogere toestanden van leven en bewustzijn omhoog willen stijgen, deemoedig moeten zijn. Zij zullen zich voor God buigen, zij zullen bidden en de Hemelse wet aannemen. 5. Weer na een bepaald aantal jaren zullen de stervelingen, die de goddelijke wet hebben aangenomen, voor een grote beslissing worden geplaatst. Heil en verzachting van het juk der wet zal hun worden aangeboden. Goddelijke krachten zullen hun deel worden, ingeval zij het aannemen. Gij ziet wederom een splitsing, een hoge, spitsboogvormig overwelfde gang voert steil omhoog [de zelfverwerkelijking], terwijl een lagere gang regelrecht naar het binnenste van het gedenkteken doorloopt.

Hiermede is voorspeld dat een deel der menheid het aangeboden heil en de verzachting zal aannemen en omhoog stijgen, weliswaar niet meer in de vroegere slaafse gezindheid, maar om zich bewuster, vrijer, verder te ontwikkelen [de zelfverwerkelijking].
Een ander deel zal zich zeer zeker niet schikken in de nieuwe, hun aangeboden toestanden. Het zal in de slaafse gezindheid blijven en aan de zichtbare wereld willen blijven hechten. Dat is de afwijkende, lange horizontale gang, die niet naar het verderf leidt zoals de gang, die eerst naarbeneden afboog, maar deze horizontale gang, voert naar een tweede kamer, die noch het bereiken van het doel, noch het missen ervan voorstelt, maar een tussenstadium, een middenweg is, een plaats voor onderwijzing, van reiniging [de zelfwording].
De grote, van geweldige, gepolijste zware granietblokken gebouwde galerij, voert naar de kamer, waarin de maten van het heelal zijn vastgelegd. In de galerij ziet gij links en rechts 22 openingen. Hierin zullen zuilen worden geplaatst, die twee aan twee één beeld zullen dragen; dus 11 aan iedere kant - de beelden uit het Boek van Toth, die u bekend zijn, die gij jarenlang hebt bestudeerd.

terug naar de Inhoud

Kosmische maten
Aan het einde van de galerij opent zich weer een, lagere, maar kortere doorgang, die naar een kleine kamer voert. Dwars door deze kamer hangt een reusachtig, ingemetseld rotsblok, dat aan de ene zijde een merkwaardig kapiteel heeft. Dit kapiteel is een maat, een kosmische duim. Het is precies een duim hoog en vijf duim in doorsnee. 25 van zulke duimen vormen een kosmische meter. Het zit echter zo in elkaar dat 365,2422 van deze meters precies de zijlengte van het gedenkteken bij zijn grondvlak uitmaken en hetzelfde getal 365,2422 is het aantal dagen van het zonnejaar.
Deze meter is ook de ware maat waarnaar het heelal is opgebouwd - want 500.000.000 van zulke kosmische duimen zijn de lengte van de aardas; daarop zouden de vijf lage groeven aan de zuidwand van de kleine kamer kunnen wijzen.
De omvang van het grondvlak van het gedenkteken is echter 365,2422 van zulke duimen, die weer op het getal der dagen van het zonnejaar wijzen. Wij vinden echter in het gedenkteken ook een aanduiding van de afstand van de zon naar de aarde. De hoogte van het gedenkteken bedraagt 5.813.00 kosmische duimen. De hoogte van het gedenkteken verhoudt zich tot de halve diagonaal van het grondvlak als negen tot tien. De afstand van de zon naar de aarde komt overeen met het product van 109 maal de hoogte van het gedenkteken.
In de maten van het gedenkteken hebben wij ook het gewicht van de aarde. Gaat of beter kruipt men uit de voorkamer naar de eigenlijke tweede kamer, dan vindt men daar een reusachtige kist gelijkende granieten vat, dat hol is; met water gevuld meet het een kosmische ton. Het gewicht van het gedenkteken is echter precies berekend: 5.273 miljoen van deze kosmische tonnen; maar het gewicht van onze planeet is 5.273 quintiljoenen van zulke kosmische tonnen, zodat de verhouding van het gewicht van ons gedenkteken tot die van onze planeet is als 1:1035. Zo vindt gij in dit gedenkteken de maten van de aarde, haar gewicht, haar plaats en afstand van de hemellichamen en de toekomst en de ontwikkeling van ons geslacht.
In de dagen dat in het hart van de mensen het inwendige licht zal verduisteren, zullen de stenen roepen, maar hun stem zal door de grote massa der mensen niet worden verstaan. De hemelen bepalen maat en tijd, hemelen heersen, maar de mensen zullen oren hebben en niet horen en ogen maar niet zien. Die een vermoeden hebben van deze dingen en ze verstaan, zullen worden vervolgd en bespot."

Zwijgend keek de jonge priester naar het reusachtige, wonderbare gedenkteken. "Gij zult nu," zo sprak de Geleider, "zo dikwijls als gij wilt hierheen kunnen komen om de geheimen van de hemel te doorvorsen."
"Ik zou u willen vragen," begon de jonge priester, "hoe zullen de mensen deze reusachtige blokken steen voortbewegen en omhoog brengen. Alleen reuzen of geesten zouden dit kunnen doen."
"Reuzen noch geesten zullen dit doen, maar de macht van rythmische klanken. Aan de priesters zal door de hemelse machten worden geleerd, hoe zij door het herhalen van een toon, cycloonachtige luchtzuilen kunnen maken, waarmede zij zingend, elkaar steeds afwisselend, de grootste lasten zullen kunnen opheffen en voortbewegen. Iets van de macht van rythmische klanken hebt gij vandaag gezien toen het reusachtige standbeeld op het gezang van de priester antwoordde.
En nu, glijd langzaam in uw lichaam, zodat ge u het geziene herinnert."
Een lichte duizeligheid. Het scheen de jonge priester toe als keerde hij heel langzaam terug in zijn grofstoffelijke omhulsel. Hij herinnerde zich ditmaal met bijzondere duidelijkheid wat hij had aanschouwd.

terug naar de Inhoud


XXII - De dwaas
XXII Het beeld nul - De dwaas, de Aanvangstoestand
Toen de jonge priester de volgende dag voor de Hogepriester verscheen, sprak deze: "Gij hebt nu de inwijding beleefd, gij zijt thans een wetende. Wat u, mijn zoon, door beeld II en beeld V werd beloofd, hebt gij ontvangen. Gij hebt achter het voorhangsel mogen zien en de voor de sterfelijke mens onzichtbare gebieden zijn u ontsloten. Wat het menselijke verstand kan omvaten, is u getoond. Maar de diepten der Godheid zijn ondoorgrondelijk en de geheimen des Hemels oneindig. Gij zijt echter op het Pad. Ga voort van inzicht tot inzicht, van de ene goede daad naar de andere en kracht na kracht zal uw deel worden.

Niets van wat u kon worden geopenbaard is u onthouden. Gij hebt antwoord ontvangen op de vragen: vanwaar komen wij, waarheen gaan wij, waarom leven wij? Het is u alles in de beelden van het Boek Toth getoond. Buiten deze 21 beelden bestaat er niets meer. Hier boven uit nog iets te zoeken, zou dwaasheid zijn. Daarom draagt het laatste beeld het nummer 0 en het onderschrift is: de Dwaas. Dit beeld behoef ik u niet te verklaren, gij kunt het zonder mijn hulp uitleggen.
Het toont u de mens, die in zijn goddelijke roeping heeft gefaald. In plaats van zijn talenten te ontwikkelen en de geesten en de elementen te beheersen, draagt hij in onwetendheid de gave met zich mee. Hierop wijst de zak. Hij steunt met een staf op wetenschap, overtuigingen, dogma's, die hem noch kunnen helpen, noch sterk maken, noch redden, want hij strompelt moeizaam voorwaarts door het mulle zand van de woestijn het gevaar tegemoet: de krokodil loert op hem. De hartstochten (de hond, beeld XVIII) waaraan hij zich heeft overgegeven, vervolgen hem, zijn naaktheid, zijn schande wordt openbaar."

De Hogepriester hief zegenend zijn handen op en sprak plechtig: "Weten, willen en wagen was steeds het richtsnoer der wijzen, wie zwijgt behoudt kracht, maar de pocher wordt vernietigd. Overal ziet gij wetten, die eeuwig gelden; zo beneden, zo boven; wat hier geldt, geldt ook in de hogere werelden.
God is één en eeuwig; maar talloos vele zijn zijn zonen, dragers van het vuur [geest], van de schoonheid [waarnemen], van de wijsheid [denken], de liefde [voelen] en de kracht [willen]. Uit de schoot der Godheid, daalt onze eeuwige geest in de stof, om door de zichtbare wereld, door leven en sterven, strijd en moeite terug te keren tot de Godheid omhoog, in heilige spiralen.
Ga nu mijn zoon, het licht tegemoet, strijd voort van vreugde tot vreugde, ga van zegen tot zegen, rep u naar de zon, naar de waarheid, als een adelaar. Keer terug naar de Godheid, die uw geest deed ontstaan."


Prof. Dr. Woldemar von Uexkuell (1898-1939), historicus, was hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Univ. van Tübingen van 1932-1939.
Andere boeken van zijn hand:
Griechische Kultur - Entstehungslehren; Simion, Berlin 1924.
Plutarch und die griechische Biographie; Kohlhammer, Stuttgart 1927
Das Bildungs und Wissenschaftsideal im Altertum; Kohlhammer, Stuttgart 1933.
Das revolutionäre Ethos bei Stefan George; Mohr, Tübingen 1933.
Der Gnomon des Idios Logos. Band 2: Kommentar (Ägyptische Urkunden aus den Staatlichen Museen zu Berlin. Griechische Urkunden. Bd. 5, ZDBID 8026415). Weidmann, Berlin 1934.
Bron: Wikipedia

terug naar de Inhoud


Naschrift (door de vertaler)
Dit is het boekje dat op zulk een merkwaardige wijze onder mijn aandacht kwam, toen ik bezig was de betekenis van de verschillende aantallen boogjes op het spoor te komen dat in de kerk te Vries sinds eeuwen was waar te nemen. Deze bleken te behoren tot een gesloten getallensymboliek, waarvan Pythagoras de formule heeft gegeven: de omtrek van een cirkel is 22/7 x de middellijn (de breuk 22/7 is het getal π: 3,14...). Wij vinden dit aantal 22 terug in de beelden, die Woldemar von Uexkuell beschrijft in het boek: 'Ein Einweihung im alten Aegypten', dat wij hier in de Nederlandse vertaling uitgeven.
Het boek verscheen in 1922, in hetzelfde jaar dat het graf van Toetankhamon werd ontdekt, waardoor onze kennis van het zgn. Amarnatijdperk, die tot dan toe uiterst gering was geweest, sterk werd uitgebreid. Mogelijk was dit tijdsgewricht het aller belangrijkste in de hele Egyptische geschiedenis, beheerst als het werd door de 'ketter Pharao' Ignaton. Diens dochter moet Mozes uit het water hebben gehaald, zoals Prof. S. Freud m.i. terecht heeft opgemerkt. Daarmee wordt de betekenis van het Jodendom en vooral het Christendom onderstreept, waarin Jezus Christus de hoogste troef van de goddelijke Almacht is; ten tweede male zal Hij verschijnen in deze wereld.
Het boek Openbaringen heeft 22 hoofdstukken en ook de letters van het Hebreeuwse alfabet, dat deze goede tijding aangekondigt. Jezus' uitgang in Jeruzalem wordt in Psalm 22, 1000 jaar voordat het gebeurde, duidelijk beschreven. Toen werd het Lam ter slachtbank geleid, de Belhamel die voorop is gegaan, van wie niemand iets wilde weten. Men is als vissen van Hem vandaan gezwommen.
In de Nieuwe Aera, die op doorbreken staat, komt Hij terug, zal commune houden met wie wel naar Hem luistert. Dit alles staat te lezen in Lucas 22. De Belhamel, eersteling uit de dood, heeft het voorbeeld gegeven van een terugkeer naar normaler omstandigheden dan de mens sinds zijn verschijning op aarde heeft gekend. De conclusie, die Waldemar von Uexkuell niet heeft getrokken, maar waar Eduard Schuré in Les Grands Initiés in zijn biografiën van Hermes Trismegistos en Pythagoras heeft gewezen, is dat de 22 mysterieschilderijen degenen zijn, die de medicus Prof. Dr. G. van Rijbeek als een legende omtrent het kaartspel vermeldt, maar dat bij de Franse occultisten als de herkomst van de Tarot wordt aangegeven.

Als losbladig boekje, een soort beeldroman, hebben de bewaarders der Oude Wijsheid in oeroude tijden dit als middel gebruikt om deze te doen overleven. Ezechiël 3 en de Openbaring 10 spreken van dit levenwekkende boek, dat na opgegeten te zijn (verdwenen) weer tevoorschijn zal komen om Nieuw Leven te brengen in een afgebeelde wereld en onder het bereik van degene voor wie de 7 donderslagen verklonken zijn, de 7 openbaringen van de Logos, als vorm van geestelijk leven hebben afgedaan. In de inleiding tot het geschrift van de telg uit het oude geslacht, dat uit de Baltische staten afkomstig is, kan ik verder op mijn eigen werk niet ingaan, het heeft een bijzondere rol gespeeld; vandaar dat het verhaal wordt uitgegeven voor degenen, die het Duits niet machtig zijn.
Het kwam eigenlijk met verschillende kaartspellen onder mijn aandacht, zoals ik al opmerkte, terwijl ik bezig was de betekenis te ontdekken van de getallencyclus, waarover ik aan het begin van van deze inleiding heb gesproken. Het boek krijgt er juist zin door. Op zichzelf is het spel onbegrijpelijk. Een bekende Egyptoloog deed daarover de uitspraak "allemaal fantasterij". Hij begreep niet wat de schrijver bezielde met 'Einfühlung meiner Phantasie'. Ik geloof ook niet dat de uitleg van de 22 schilderijen van de Hogepriester de alleen zaligmakende is, deze schrijver heeft volgens zijn aanvoelen der in deze afbeeldingen vervatte symboliek zijn verhaal opgesteld, hij put hierbij uit het areaal der vrijmetselarij, waarvan het diepste wezen is, dat zij 'de gang van de mens door de stof' weergeven.
Het bijzondere van dit boek vind ik in de 'Prüfungen', vertaald met 'In de waagschaal'. Bij de latere uitleggingen wordt na de uitleg 'overdag' een nachtelijke expeditie gemaakt, die er goed bij aansluit. Iets dergelijks vinden wij in het bekende boek 'De gevleugelde Pharao' van Joan Grant.
Verdere bijzonderheden betreffende de schrijver kunt u nalezen in 'De levensgang van Woldemar von Uexkuell' geschreven door Ds. W.Tj. Klumper, uitgegeven bij het 'Geesteswetenschappelijk Centrum' te Utrecht.
W.Tj. Klumper


terug naar het literatuuroverzicht

terug naar het weblog







^