De verschijningsvormen van de ene godheid

Geheel vanuit de geest gezien.

De 'godheid' is de goddelijke natuur, het goddelijke wezen;
de godheid is al het goddelijke en in de godheid is het al één.
Welke afzonderlijke eigenschapen zijn er in de eenheid
van het goddelijke wezen te onderscheiden?

Inhoud

1. De vermogens van de geest
2. De geestestoestanden van de geest
3. De ongevormde toestand
4. De gevormde toestanden
5. De engelen
6. Het goddelijke gezin en de kubus
7. De mensheid
8. Bewustwording
9. De bouwstof van de stoffelijke schepping

1. De vermogens van de geest
Al het goddelijke is geest,
geest als de vermogende, bewuste levenskracht,
die zich voor het geopende geestesoog laat waarnemen als:
de beweging van geestelijk licht en geestelijke warmte,
maar met daarin als kern verborgen:
de rust van geestelijk donker en geestelijke koelte.
Door de beweging is de geest in een zelfvormende toestand,
door de rust in een vormbare toestand.
Deze rust en beweging zijn de geestelijke grondeigenschappen,
zij zijn de vrouwelijke en mannelijke zijde van de geest.


de werkzaamheid van de vermogens
binnen de menselijke geest
Met dat zelfvormende licht en die zelfvormende warmte
en daarin dat vormbare donker en die vormbare koelte,
hangen de vermogens van de geest samen,
het waarnemen, denken, voelen en willen:
waarnemen is - binnen de geest - een toestand van vormbaar licht, waarbij lichtbeelden als waarnemingsbeelden worden gevormd,
en door waar te nemen komt de géést
in de geestestóestand van bewustzijn;
denken is zelfvormend licht binnen de geest,
waardoor lichtbeelden als denkbeelden worden gevormd,
voelen is vormbare warmte, waardoor binnen de geest
medegevoel, medeleven kan worden gevormd,
en willen is zelfvormende warmte in de vorm van wilskracht.

Aan de werkzaamheid van deze vermogens, in de vorm van
waarnemingen, denkbeelden, gevoelens en wilskracht
is de werkzame geest rechtstreeks in zichzelf,
maar ook door anderen in het gedrag, te herkennen
als een werkelijkheid: als dat, wat werkt.

terug naar de Inhoud

2. De geestestoestanden van de geest: ongevormd en gevormd
Niet alleen is alles in de godheid geest,
maar het is ook 'geest in een bepaalde geestestoestand';
dat zijn toestanden van de vermogende, bewuste levenskracht,
toestanden van dat licht en die warmte, van dat donker en die koelte.

De geestestoestand van de godheid doet zich op twee wijzen voor:
er is een ongevormde oertoestand, de toestand van de algeest
en daarbinnen zijn er meerdere gevormde toestanden mogelijk.
De gevormde toestanden zijn door verdichting van licht uit de algeest ontstaan,
zij blijven door die verdichting altijd binnen de algeest
- zij zijn er door een naadloze overgang onwrikbaar mee verbonden -
en zijn al dan niet - door doorstroming met warmte - tot leven gewekt.

terug naar de Inhoud

3. De ongevormde toestand
De geestestoestand van de oorsprong van het al, de albevattende algeest,
doet zich aan het geopende geestesoog voor
als een zee van geestelijk licht en geestelijke warmte,
met daarin verborgen het geestelijke donker en de geestelijke koelte,
die zich in de eeuwige oneindigheid uitstrekt.

De algeest is God als de geestelijke vadermoeder van het al,
door de werkzaamheid van de geestelijke vermogens
in de meest verheven toestand: de ongevormde oertoestand.
Vanuit die ongevormde oertoestand vormt God als vadermoeder door te denken
alle geschapen vormen als lichtvormen binnen zichzelf als de algeest
en een deel daarvan is vanuit het voelen met warmte doorstroomd
en zo - binnen de algeest - tot zelfstandig leven gebracht.

terug naar de Inhoud

4. De gevormde toestanden

de vorm van de vermogens:
de menselijke gestalte
De geestestoestand van het algeestmiddelpunt,
het middelpunt van de oneindigheid - dat zich daardoor overal bevindt -
komt tot uitdrukking in Gods heilige geest,
de algeest als gevormde toestand,
die zelfverwekt is en uit Eén, de algeest, is geboren,
- 'monogenes': uit één, de algeest, voortgekomen, -
door zelfverwekking geboren uit zichzelf als de algeest.

Gods heilige geest is de zoondochter
die de algeest als vadermoeder door verdichting
als eerste uit zichzelf liet ontstaan.

De eeuwige oneindigheid van de algeest wordt geboren
in de vorm van één algeestvonk door verdichting van zichzelf,
verdichting van het zelfbeeld van de algeest.
Door die verdichting is de algeest in de heilige geest
en de heilige geest in de algeest.
Zij zijn de ongevormde en de gevormde toestand van God.


God als vader en moeder,
als tweelinggeesten
In deze geestestoestand verschijnt de godheid in een bepaalde vorm,
de geestgedaante en de vorm van de geestgedaante is een weergave
van de ontwikkelingstoestand van de geestelijke vermogens.

De werkzaam van die vermogens drukt zich uit
in de vorm van de geestgedaante, de goddelijke lichtgestalte.
De ontwikkelingstoestand van de vermogens komt tot uitdrukking
in de hoedanigheden van die vorm: zoals in de menselijke vorm;
en die vorm is een engelenvorm in aanleg.

Gods heilige geest, God zelf in de vorm van de zoondochter,
zelfverwekt en door verdichting geboren uit zichzelf als de vadermoeder,
zij zijn in liefde in elkaar opgegaan tot een verenigde tweelinggeest,
het goddelijke huwelijk,
handelend als één wezen, als één persoon.

De mannelijke geest van deze eenheid vormt de buitenkant,
de vrouwelijke geest de onzichtbare kern in het hart
maar samen volledig aanwezig in hun uitspraken en handelingen.
O.a. door de mannelijke buitenkant van de verenigde tweelinggeest
ontstond de opvatting dat God alleen een vader zou zijn.

de vader buiten en
de moeder binnen
als de verenigde
tweelinggeest

Deze verenigde tweelinggeest is als één, heilige geest
in de mens Jezus persoonlijk bij de mensheid geweest,
heeft met de mens op aarde geleefd en geleden
en is daardoor God zelf als een broederzuster van de mens geworden
en de mens daardoor in aanleg een broeder en zuster van God.
Door de mannelijke zijde van Gods heilige geest
kan de mannelijke geest op aarde weten
in aanleg een godenzoon te zijn;
door de vrouwelijke zijde van Gods heilige geest
kan de vrouwelijke geest op aarde weten
in aanleg een godendochter te zijn.

terug naar de Inhoud

5. De engelen
De geestestoestand van Gods kennis, gedachten, gevoelens en wil,
die aanwezig zijn in de oneindige ruimte van de algeest,
zij zijn verwekt en geboren door de werking van Gods geestelijke vermogens
- het waarnemen, denken, voelen en willen -
en zijn ieder op zich als een zelfstandigheid werkzaam in de algeest;
zij komen tot uitdrukking in Gods engelen.

Zij zijn zichtbaar in een eigen geestgedaante,
waarin zij de mensheid op aarde
vanuit de geestelijke wereld liefdevol begeleiden
op hun weg van geestelijke ontwikkeling ...
om zodoende ook zichzelf te ontwikkelen.

terug naar de Inhoud

6. Het goddelijke gezin en de kubus

het goddelijke gezin:
zelfstandigheid én
gemeenschappelijkheid
De kleine kubus 1 is de vader (de grondvlakken zijn niet getekend), kubus 2 is de moeder, kubus 3 de zoon en kubus 4 de dochter... het eerste paar heeft zichzelf vermenigvuldigd: het meest evenwichtige gezin.
Zij vormen samen een kring (1,2,3,4) met daarin een kruis (1-3, 2-4), zij staan zij aan zij en zijn gelijkvormig aan elkaar - zij vormen een hechte eenheid. Zij zijn in dezelfde bodem - de algeest - geworteld, waar zij naadloos in overgaan.
Zij zijn gelijkvormig aan het geheel, de vier kleinere in één grote kubus (een fractaal), die in het middelpunt (de 9) alle met elkaar zijn verboden.
Dit is de meetkundige weergave van het goddelijke gezin... een tweetal tweelinggeesten: vader en moeder, zoon (broeder) en dochter (zuster)!

gezin
tetraktys
windroos
elementen
jaargetijden
vier vermogens
temperamenten
vier dieren (Ez.)
Samen met de 4 punten aan de basis (5,6,7,8) zijn er 9 punten.
De 9 in het midden verzinnebeeldt bij Pythagoras
het goddelijke geheel.

Deze verhoudingen in het goddelijke gezin wordt Jezus verwoord tijdens het Laatste Avondmaal,
waarbij de grote kubus de Vader (de algeest) voorstelt, de kleine kubus Jezus en de mens:
Ik (de heilige geest) ben in de Vader (de algeest) en de Vader is in mij. (Joh. 14:11)
Vader, laat hen één zijn zoals wij, de Vader in mij, ik in de Vader en zij in ons. (Joh. 17:21)
Opdat zij één zijn zoals wij één zijn. (Joh. 17:22)

terug naar de Inhoud

7. De mensheid

vader, moeder en de
mens als godenkind
De geestestoestand van de mensheid als Gods eigen algeestvonken,
in de algeest verwekt en geboren als Gods godenkinderen in aanleg
door verdichting van vadermoeders eigen licht én warmte,
zij zijn de zich tot volmaaktheid ontwikkelende geesten.
Voor hun geestelijke groei schiep God in zichzelf als de algeest
de stoffelijke wereld, waarin zij schijnbaar aan zichzelf worden overgelaten,
levend in de stof, het levenloze tegendeel van zichzelf als het levende, de geest
(want stof is verdicht licht, zonder belevendigende doorstroming van warmte),
waardoor de geest onbewust wordt van zijn eigen zelfstandigheid
en van zijn geestelijke oorsprong, God.
Door hun schijnbare vrijheid kunnen zij, uit eigen vrije keuze, ten slotte op zoek gaan
naar het wezen van zichzelf en van hun bron, om zo zichzelf te vervolmaken,
want alleen door eigen inspanning kan de mens zich iets eigen maken
daardoor zijn goddelijke aanleg tot ontwikkeling brengen
en zo zelfstandig worden als Gods godenkind.

Door hier het leven te leven, zijn zij zelf op weg gegaan
naar geestelijke volwassenheid - schijnbaar zonder hulp of beloning -
door zelf hun vermogens, hun eigen licht en warmte,
bewust en beheerst te leren gebruiken door het verwerken van levenservaringen
en ze zo om te vormen tot het geweten en de deugden.
De ontwikkelingstoestand van die vermogens is zichtbaar geworden
in de geestgedaante in de geestelijke wereld, het voertuig voor die wereld,
en op aarde zichtbaar geworden in het lichaam, de stoffelijke levensvorm,
het voertuig voor deze tijdelijke, stoffelijke wereld.

terug naar de Inhoud

8. Bewustwording vindt plaats door het onderscheiden van tegendelen.
De algeest is eeuwig en alomtegenwoordig, en is daardoor één.
Er was in de algeest geen punt, waarmee de algeest zichzelf zou kunnen vergelijken;
en daardoor had de algeest geen tegendeel,
waardoor die zich van zichzelf bewust zou kunnen worden.

De algeest is één geest, die zichzelf echter wel door verdichting
in meerdere vórmen kan uitdrukken,
zoals in de engelen, in de menselijke geest, in de dierengeest en de plantengeest,
de mineralengeest en de elementaire deeltjesgeest.
De menselijke geest is een bolvormige wolk van licht en warmte,
door de algeest door verdichting in zichzelf gedacht - een beeld van zichzelf -
en door doorstroming met Gods liefde tot zelfstandig leven gewekt.

De algeest heeft zichzelf in die algeestvonk, de menselijke geest, uitgedrukt,
om, nadat die geest zich door geestelijke ontwikkeling
van zichzelf als geest én als die algeestvonk bewust is geworden,
zich van daaruit ook van zichzelf als de álgeest bewust te worden!

terug naar de Inhoud

9. De bouwstof van de stoffelijke schepping
De stoffelijke wereld is één van de vele werelden, die er in de algeest zijn.
De bouwstof van deze wereld is ook Gods licht en warmte, maar los van elkaar
en daardoor is die bouwstof zelf levenloos.
De bouwstof bestaat uit twee groepen elementaire deeltjes, met de namen: fermionen en bosonen.
De fermionen zijn verdichtingen van het geestelijke licht,
maar levenloos, niet met geestelijke warmte doorstroomd. Zij vormen de stof, de massa.
De bosonen zijn verdichtingen van de geestelijke warmte,
maar levenloos, niet met geestelijk licht verbonden.
Zij vormen de krachten tussen de stofdeeltjes, zodat grotere stoffelijke vormen worden gevormd.

Deze deeltjes vormen geen eenheid van licht en warmte, en daardoor vormen zij
de levenloze stof, die de bouwstof is voor Gods stoffelijke schepping.
Doordat de levende geest in deze wereld leeft in zijn tegendeel, de levenloze stof,
is de geest hier onbewust geworden van zichzelf en daardoor
is de geest hier in de gelegenheid zich op eigen kracht van zichzelf bewust te worden,
door zich te leren onderscheiden van zijn tegendeel, de levenloze stof van het lichaam,
daarin begeleid door Gods engelen en door vrienden en vriendinnen die thuis zijn gebleven.
Door hun onmerkbare hulp kan zelfbewustzijn zijn eigendom worden en kan
zijn eigen goddelijkheid, in aanleg gegeven, door de mens zelf worden verwerkelijkt.


terug naar de Inhoud






^