het bestaan van Jezus 2


Met enige regelmaat uiten sommigen de persoonlijke bewering dat Jezus niet zou hebben bestaan.
Wellicht is het nuttig n.a.v. dit onderwerp kort samen te vatten wat ik daarover in de geestelijke wereld mocht aanschouwen; daarbij zal ik bij het begin beginnen, om uiteindelijk bij Jezus uit te komen.

Het was mij vergund de geest van God in de geestelijke wereld op twee manieren te mogen zien: in een ongevormde oertoestand en in een gevormde toestand; in de ongevormde oertoestand deed Gods geest zich aan mij voor als een alomtegenwoordige geest die zich uitstrekte in de eeuwige oneindigheid, in de gevormde toestand deed Gods geest zich aan mij voor als een geestgedaante in de vorm van de menselijke gestalte, als een geestelijke lichtvorm.
Deze geestelijke ervaringen heb ik meerdere keren mogen meemaken, zij deden zich voor als ik het Onze Vader bad, waarna ik in vervoering werd gebracht en naar de geestelijke wereld werd meegenomen, waar deze beelden aan mij werden getoond.

De gevormde toestand, de menselijke gestalte waarin God zich aan mij voordeed, komt rechtstreeks voort uit de eigenschappen van de ongevormde oertoestand; beide vormen horen onafscheidelijk bij elkaar, er is tussen hen sprake van een wisselwerking: de gevormde toestand komt uit de ongevormde voort en keert er weer in terug door verdichting en oplossing.

De ongevormde oertoestand deed zich eerst aan mij voor als een geestestoestand van donkere koelte, die door de diepste rust werd gekenmerkt, een rust in de vorm van een zelfstandigheid die zich persoonlijk met mij verbond en mij in de vreugde van haar rust liet delen, een toestand van groot geluk. Daarna deed zich in die rust en haar donkere koelte een beweging voor, die kenbaar werd door een lichtende warmte. Ook deze beweging en zijn lichtende warmte was een zelfstandigheid die zich persoonlijk met mij verbond en mij liet delen in de vreugde van zijn beweging, eveneens een toestand van groot geluk.
Toen die twee zich als zelfstandigheden aan mij hadden voorgedaan, verenigden zij zich weer met elkaar, waarbij de beweging en zijn lichtende warmte de rust en haar donkere koelte doordrong en waarbij zij zich liet doordringen. Toen zij zich weer hadden verenigd, had zich een ompoling voorgedaan, want nu was de lichtende warmte als het ware de buitenkant en de donkere koelte de binnenkant, die door de lichtende warmte in zich was opgenomen: de toestand van de algeest, die zich als een zee van licht en warmte, maar nu getemperd door de inwendige donkere koelte, uitstrekte in de eeuwige oneindigheid.

Tijdens die vereniging verscheen er in de algeest door verdichting eerst een bolvormige wolk van licht, die daarna door Gods liefde werd doorstroomd, waardoor die bolvormige wolk van licht en warmte tot leven kwam... die bolvormige wolk van licht en warmte was ik als geest, door verdichting voortgekomen uit de goddelijke algeest. Ik was getuige van de schepping van mijzelf als geest, lang geleden.

Ik had nu geleerd dat de menselijke geest zich in de geestelijke wereld voordoet als een bolvormige wolk van licht en warmte, die zich in twee, tegenovergestelde toestanden konden voordoen, een doordringbare toestand waarin dat licht en die warmte vormbaar zijn (door de inwendige donkere koelte) en in een doordringende toestand, waarin dat licht en die warmte zelfvormend werkzaam zijn. Met de vormbare en zelfvormende eigenschappen van het licht en de warmte hangen de geestelijke vermogens samen: het waarnemen, denken, voelen en willen. Als de geest waarneemt dan brengt die het licht in zichzelf in een vormbare toestand, waardoor de buitenwereld zich in de geest kan afdrukken, wat bewustwording betekent; als de geest denkt dan vormt de geest het eigen licht zelf om tot lichtbeelden, wat denkbeelden zijn; als de geest voelt dan stelt die de innerlijke warmte, de gemoedstoestand, vormbaar open voor de buitenwereld, die zich daarin kan afdrukken zodat de geest met anderen kan meevoelen; en als de geest wil dan vormt die de innerlijke warmtetoestand, de wilskracht, zodanig om, dat die in staat is de gevormde gedachten en gevoelens naar buiten toe tot uitdrukking te brengen in uitspraken en handelingen.
Door inkeer is de werkzaamheid van deze vermogens rechtstreeks in zichzelf te ervaren.

De geest heeft de geestelijke vermogens in de loop van de miljoenen jaren oude evolutie tot ontwikkeling gebracht.
Als de geest de vermogens binnen zichzelf gaat gebruiken, dan vormt de geest een uitstraling om zich heen, de aura of ziel, die een uitstraling is van vormbaar licht. De eigenschappen van de geestelijke vermogens zijn tijdens de evolutie in hun eigen uitstraling tot uitdrukking gekomen en geven er een vorm aan: de geestgedaante. Deze geestgedaante heeft in de loop van de ontwikkeling de menselijke gestalte aangenomen, vanuit de oorspronkelijke, bolvormige oertoestand.
De eigenschappen van de vermogens komen als volgt in de geestgedaante tot uitdrukking: de ontvankelijke eigenschappen van het waarnemen komen tot uitdrukking in het hoofd met zijn opnemende zintuigen; de ontledende en samenvoegende eigenschappen van het denken komen tot uitdrukking in de organen van de buik, deel van de romp; de verzorgende, voedende eigenschappen van het voelen komen tot uitdrukking in het hart met de longen en de bloedsomloop in de borst, het bovenste deel van de romp; en de wilskracht als vermogen om tot handelen over te gaan, komt tot uitdrukking in de handen en de ledematen.
De geestgedaante geeft vorm aan de stoffelijke levensvorm, het lichaam, die op aarde het voertuig is voor de geest.
De menselijke gestalte is een rechtstreekse uitdrukking van de vermogens van de geest, de vermogens waarvan de eigenschappen rechtstreeks terugvoeren naar de beschreven eigenschappen van de algeest. De algeest als de ongevormde toestand komt in de menselijke gestalte als de gevormde toestand tot uitdrukking.

In de menselijke geest zijn de geestelijke vermogens door God in aanleg meegegeven, zodat de menselijke geest in de gelegenheid is ze zelf tot ontwikkeling te brengen en daarmee zijn eigen goddelijke afkomst. Op die ontwikkelingsweg is begeleiding nodig door een helpergeest, de 'parakleitos', Gods heilige geest, die heilig is doordat alle geestelijke vermogens in hun volledig ontwikkelde vorm, rechtstreeks uit de algeest afkomstig, al in die geest aanwezig zijn.
Gods heilige geest begeleidt ons op ons pad (samen met al die geesten die in de loop der eeuwen al tot ontwikkeling zijn gekomen). Eén keer is Gods heilige geest als mens bij de mensheid op aarde geweest in de persoon van Jezus. Naar dat ogenblik waren zowel de mensheid als de heilige geest als helper toegegroeid, om zo de ontwikkeling van de menselijke geest te kunnen bevorderen.
De toestand van de 'Mensenzoon' duidt op de goddelijke tegemoetkoming naar de mens toe, waarbij de algeest de heilige geest uit zich liet voortkomen om zich tot de mensheid te wenden; de toestand van de 'Godszoon' duidt op de geestestoestand van de heilige geest die door verdichting rechtstreeks uit de algeest (de Vader) was voortgekomen. Dit is de betekenis van 'monogenes': van dezelfde soort, uit één voortgekomen.

De algeest denkt uit liefde de stoffelijke schepping en houdt die als een leerschool in zichzelf vast, om de menselijke geesten de gelegenheid te geven in een tijdelijke, stoffelijke levensvorm wonend, geheel aan zichzelf overgeleverd te zijn. In die toestand is de menselijke geest genoodzaakt zelfstandig zijn geestelijke vermogens te gebruiken om zichzelf staande te houden in de tijd als stroom van gebeurtenissen... en zo zijn eigen geestelijke vermogens zelf tot ontwikkeling te brengen. Zo verwerkelijkt de mens zijn eigen goddelijke aanleg en wordt volwassen. En alleen zo kan er een liefdesband groeien tussen de menselijke geest en God als heilige geest, want voor die liefdesband is een wederkerigheid noodzakelijk die alleen kan bestaan als beiden gelijkwaardige personen zijn. In die toestand is de hereniging met God bereikt, die het doel van Gods schepping is.

Wat ik heb ik mogen zien, is, dat de heilige geest, die in de persoon van Jezus bij ons is geweest, door verdichting het 'algeestmiddelpunt' is; niet alleen van zichzelf als de algeest, maar hij is ook het geestelijke middelpunt van zijn eigen tijdelijke, stoffelijke heelal. Naar hereniging met dat algeestmiddelpunt, Gods heilige geest, zijn wij allen op weg, door middel van de stoffelijke schepping als leerschool.


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^