De betekenis van Jezus' kruisdood en opstanding voor de mensheid


   
 

Opstanding van Jezus, Theotokoskerk (± 1000)
Hosios Loukas-klooster, Griekenland   
 
De strijd om zichzelf te worden
In ieder mensenleven en in iedere maatschappij - door mensen gevormd - is een worsteling te herkennen om een toestand van orde te scheppen en een evenwicht te vinden tussen de verschillende krachten die er in ieders leven en ook in de omgeving werkzaam zijn. De doelen die bij die strijd worden nagestreefd, zijn samen te vatten als pogingen om de eigen ontwikkelingsmogelijkheden te ontplooien en uiteindelijk zichzelf te worden, door al datgene te verwerkelijken wat als aanleg al in de mens aanwezig was. In iedere mens is daardoor een aandrang zichzelf te ontwikkelen om geheel zichzelf te kunnen zijn.
Dat die worsteling om zichzelf te worden er is, duidt erop dat de mens - en daarmee ook de door de mensen gevormde maatschappij - een wezen is dat nog onaf is, dat zijn vorm nog moet vinden door zichzelf te ontwikkelen. De vraag kan worden gesteld wat van deze toestand de oorzaak is en wat voor gevolgen die toestand van voorlopige onvolmaaktheid voor de mens en de mensheid heeft gehad en nog heeft.

Gods algeest en heilige geest
De oorzaak van het verschijnsel dat de mens een wezen in ontwikkeling is, kan worden gevonden in de eigenschappen van de bron waaruit de menselijke geest is voortgekomen: de goddelijke algeest - want wat uit een bron voortkomt, krijgt de kenmerken ervan met zich mee. De algeest is de ongevormde oertoestand van Gods geest, terwijl de heilige geest de gevormde toestand ervan is, de toestand waarin alle eigenschappen van de algeest in hun gevormde toestand zichtbaar zijn - en wel in de vorm van de menselijke gestalte, die al de vorm heeft gekregen van de goddelijke gestalte: die van Gods heilige geest.
Het onderscheid is alleen dat in Gods heilige geest alle geestelijke vermogens in hun volledig ontwikkelde toestand verkeren - en eeuwig ook in de algeest zo hebben verkeerd - en dat in de menselijke geest al die geestelijke vermogens al wel werkzaam zijn, maar dat zij nog níet geheel tot ontwikkeling zijn gebracht, nog niet alle geheel bewust en beheerst door de menselijke geest worden gebruikt.

De goddelijke algeest wordt door eeuwigheid en oneindigheid gekenmerkt, door mij zo ervaren doordat ik als menselijke geest door vervoering weer met de algeest werd verbonden. Door die oneindigheid is er nergens een bron buiten de algeest te vinden, waar de algeest zelf ooit uit zou kunnen zijn voortgekomen. Daardoor is er ook nooit een tijd geweest zonder de algeest. De algeest zelf is daardoor niet alleen ruimteloos, zonder ruimte om zich heen, maar de algeest is daardoor ook tijdloos, want is zelf zonder oorzaak en kent daardoor geen begin of einde, geen verleden of toekomst... alleen een eeuwig nú. Daardoor is de algeest geheel één, er is geen tweede geest buiten de algeest. Daardoor is 'algeest' de juiste naam.

De geestelijke vermogens
De algeest wordt ook gekenmerkt door de geestelijke vermogens, want deze hangen samen met het geestelijke licht en de geestelijke warmte in de algeest. Dat licht en die warmte kunnen zich beide in twee, tegengestelde toestanden bevinden: in een doordringbare toestand waarin het licht en de warmte van buitenaf vormbaar zijn, en in een doordringende toestand, waarbij de geest in zichzelf met het licht en de warmte zelfvormend, zelfscheppend werkzaam is.
De geestelijke vermogens zijn het waarnemen, denken, voelen en willen. Als de geest waarneemt, dan stelt de geest het eigen licht vormbaar open voor inwerking van buitenaf, waardoor de buitenwereld zich als lichtbeeld in de geest kan afdrukken en de geest zich er zo bewust van wordt; als de geest denkt, dan vormt die zelfwerkzaam het eigen licht om tot lichtbeelden, wat dan denkbeelden zijn; als de geest voelt dan laat de geest de waargenomen beelden ook tot de geestelijke warmte toe, waardoor de warmtetoestand, wat de gemoedsgesteldheid is, wordt gevormd in overeenstemming met de waargenomen beelden, waardoor de geest daarmee kan meevoelen, meeleven; en als de geest wil, dan vormt de geest de eigen warmtetoestand, die dan een krachttoestand is, zodanig om, dat de door het denken en voelen gevormde gedachten en gevoelens naar buiten toe kunnen worden uitgedrukt in de vorm van uitspraken en handelingen.

God als man en vrouw
In de gevormde toestand vertoonde de goddelijke algeest zich aan mij in de vorm van een tweelinggeest, als een man en een vrouw, in een huwelijk verenigd. Het wezenlijke onderscheid tussen beiden is de volgorde waarin de geestelijke vermogens in hen werkzaam zijn: in de mannelijke geest als waarnemen, dénken, voelen en willen, in de vrouwelijke geest als waarnemen, vóelen, denken en willen. De mannelijke geest voelt vanuit het denken, de vrouwelijke geest denkt vanuit het voelen. Beide geslachten beschikken over dezelfde vermogens, alleen de volgorde waarin zij door de geest worden gebruikt, is anders.

Het vermogen lief te hebben
De algeest kan alle vermogens zelfstandig in zichzelf gebruiken zonder dat daarbij een ander nodig is, behalve bij het voelen in de vorm van het liefhebben. Om lief te kunnen hebben, is een ánder nodig.
Het liefhebben van die ander kan pas duurzaam worden, als er sprake is van een evenwichtige wisselwerking tussen beiden: liefdesuitingen van de een moeten worden beantwoord door die van de ander, opdat de liefde tussen hen levend blijft. Daarvoor is het noodzakelijk dat die ander een gelijkwaardige partner is, alleen dan kan aan de noodzaak van een evenwichtige wisselwerking worden voldaan.

Gedreven door het eigen vermogen lief te hebben, werden God als man en vrouw tot God als vader en moeder, door in zichzelf als de algeest jonge geesten te vormen: in volgorde de geesten van engelen, mensen, dieren en planten. Zij werden alle door God gevormd door eerst een bolvormige verdichting van het licht in de algeest te denken als een goddelijke gedachte, die vervolgens door warmte uit de algeest in de vorm van Gods liefde werd doorstroomd, waardoor die goddelijke gedachte tot leven kwam.
Dit alles is aan mij in een toestand van vervoering getoond.

De aarde als geestelijke leerschool
Voor al deze groepen geesten werden werelden geschapen als 'trillingstoestanden' binnen de algeest. Voor de menselijke, dierlijke en plantaardige geesten is dit in het huidige tijdperk van ontwikkeling de stoffelijke schepping.
Voor de menselijke geest is die stoffelijke schepping een geestelijke leerschool. Daarin wordt de menselijke geest, door de geboorte in een stoffelijke levensvorm, het lichaam, schijnbaar aan zichzelf overgeleverd om zo in een toestand te kunnen verkeren, dat de menselijke geest er ongemerkt toe kan worden aangezet, zelfstandig zijn geestelijke vermogens te gaan gebruiken. Dat is nodig om de gebeurtenissen, die in de tijd als (schijnbare) stroom van gebeurtenissen op de mens afkomen, te verwerken teneinde zichzelf in die stroom staande te kunnen houden.
De stoffelijke omstandigheden en gebeurtenissen op aarde vormen voor de geest een weerstand die als doel heeft de menselijke geest ertoe aan te zetten, zélf de eigen geestelijke vermogens vanuit hun aanleg bewust en beheerst te leren gebruiken. Op eigen kracht, schijnbaar zonder hulp of beloning, komt de mens er zo toe zijn eigen geestelijke vermogens zélf tot ontwikkeling te brengen. Die zelfstandigheid is een onvermijdelijk vereiste, doordat de goddelijke algeest zelf immers ook geheel zelfstandig is. Opdat de menselijke geesten Gods volwassen godenkinderen kunnen worden, waarmee een evenwichtige, liefdevolle wisselwerking mogelijk is, moeten zij zichzelf uit vrije keuze en op eigen kracht tot die toestand van goddelijke zelfstandigheid hebben ontwikkeld.
Gods heilige geest kan slechts met gelijkwaardige partners een liefdevolle wisselwerking tot stand brengen.

De vrije keuze
Om die toestand van zelfstandigheid zélf te kunnen bereiken, moest aan de mens de mogelijkheid worden gegeven vrij te kunnen kiezen. De vrije keuze is voor de mens een onvermijdelijke noodzakelijkheid om op eigen kracht geestelijk zelfstandig te kunnen worden. Maar om die geestelijke ontwikkeling in het nog jonge godenkind in gang te kunnen zetten, was het noodzakelijk aan de mens al een zekere zelfstandigheid door een hoeveelheid zelfgevoel mee te geven, om het vormen van een vrije keuze vanaf het begin mogelijk te maken.
Als alles goed zou gaan en de mens een juist gebruik van die mogelijkheid zou maken, dan zou de mens de vermogens ontwikkelen tot de toestand van het geweten en de deugden zou zijn bereikt. Vanuit het geweten stelt de mens zichzelf de wet doordat de mens handelt, geleid door eigen zelfbeschouwing, door een redelijke en zedelijke zelfbeoordeling en door zelfbeheersing; vanuit de deugden handelt de mens geleid door aandacht, begrip, liefde en geduld - dit zijn de eigenschappen van de geheel tot ontwikkeling gebrachte vermogens. Dit is de beoogde toestand, waarin er pas sprake is van een evenwichtige wisselwerking tussen mens en medemens, en van waaruit later eenzelfde wisselwerking kan ontstaan tussen de mens en Gods heilige geest.

Zelfgerichtheid en hoogmoed
Door de noodzaak de mens echter vrij te laten, door aan de mens een vrije keuze te geven en ook een hoeveelheid zelfstandigheid door het zelfgevoel, bestond er ook de mogelijkheid dat de mens de werkzaamheid van zijn vermogens geheel op zichzelf zou richten. Door de ontwikkeling van deze zelfgerichtheid, waarbij de mens alle voortbrengselen van de vermogens zelfzuchtig voor zichzelf zou houden, zou deze liefdevolle wisselwerking tussen medemensen en later met Gods heilige geest, niet tot stand komen. Deze mens zou terechtkomen in een toestand van ongebreidelde eigenliefde, hebzucht en heerszucht. Deze mens zou een tegenstander worden van de goddelijke bedoeling en 'tegenstaan', 'zich tegen iets verzetten' is de betekenis van het Hebreeuwse werkwoord 'satana', waar het zelfstandige naamwoord 'satan', 'tegenstander' van is afgeleid.

De worsteling waarin de mensheid nu verkeert, wordt veroorzaakt door de verschillende fasen van ontwikkeling waarin de menselijke geesten verkeren. Het is een strijd tussen de voorstanders en de tegenstanders, en tussen de verschillen in persoonlijkheid en de daarmee samenhangende richtingen waarin de ontwikkelingen om het doel te bereiken, zich hebben bewogen - samenhangend met de vrijheid van keuze een eigen weg in te slaan. Daardoor zijn er min of meer rechte wegen, maar ook allerlei omwegen ontstaan en ook wegen die doodlopen.
Een deel van de mensheid ontwikkelde naastenliefde, waarmee die het aanvankelijke zelfgevoel zelf in zichzelf in evenwicht brachten en zich zo gereed maakten lief te hebben; een ander deel ontwikkelde het zelfgevoel echter eenzijdig, waardoor dit uitgroeide tot zelfgerichtheid, eigendunk en hoogmoed: het tegendeel van wat de bedoeling was.

De noodzaak van de menswording
Gods heilige geest voorzag dat dit zou kunnen gebeuren en wist dat er een tijd zou komen, dat het scheefgegroeide deel van de mensheidsontwikkeling weer in rechte banen zou moeten worden geleid. Alles wat er in Gods schepping gebeurt, vindt immers plaats binnen de algeest. De algeest zou door die scheefgroei in zichzelf een mensheidsdeel krijgen, dat zich door zijn zelfgerichtheid van de algeest dreigde los te maken door zich zelfzuchtig in te kapselen.
Om dit te voorkomen, moest de ontstane hoogste hoogmoed van hen die zichzelf al een god achtten, in evenwicht worden gebracht door de diepst mogelijke deemoed. De enige die hier weet van had, was de algeest zelf en die was ook de enige die deze afwijking van de goddelijke orde zou kunnen genezen. Maar dat kon alleen gebeuren door als méns een tegenwicht te vormen tegenover het ontspoorde deel van de mensheid. Als God zelf zou ingrijpen in de ontwikkeling, zou er immers van een vrije keuze geen sprake meer zijn. Daartoe besloot de algeest - in de gevormde toestand als de heilige geest - in een menselijk lichaam op aarde te worden geboren en zich bewust uit te leveren aan de hoogmoedigen.

Kruisiging en opstanding
Door toe te laten dat zij Gods heilige geest, die in Jezus aanwezig was, de diepste vernedering zouden laten ondergaan - door de dood aan het kruis - zou door hun eigen gedrag de hoogst mogelijke hoogmoed binnen de algeest (de moord op de schepper) door de diepst mogelijke deemoed (de schepper die zich daarvoor aan het schepsel aanbiedt) in evenwicht worden gebracht. Tegelijk kon de heilige geest, doordat hij als een misdadiger was behandeld, zijn geestelijke uitstraling zodanig inhouden, dat hij ook hen, die door hun hoogmoed de diepste hellen bevolkten, kon bezoeken en hen zo weer met zichzelf kon verbinden. Zij hadden anders Gods licht in hun duistere werelden niet kunnen verdragen.
Door zelf de door hen opgelegde kruisdood te ondergaan, kon de heilige geest ook als geneesheer optreden voor hen die door hun hoogmoed verloren dreigden te gaan, door als méns het evenwicht in de algeest weer te herstellen. Daardoor is nu voor iedere mens die het wil, de weg naar omhoog weer geopend. Daardoor is ook voor iedere mens de geestelijke opstanding, die Jezus aan ons voorleefde, mogelijk geworden; maar het blijft aan de mens om daar in vrijheid voor te kiezen, want Gods heilige geest kan alleen met hen, die zichzélf tot ontwikkeling hebben gebracht, een persoonlijke liefdesband vormen.


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^