'het ik' en 'het ego'


Het woord 'ik' (in het Latijn 'ego') is een persoonlijk voornaamwoord, dat terugverwijst naar de persoon. Het Latijnse woord 'persoon' komt van het werkwoord 'per-sonare': er doorheen klinken. Wat 'er doorheen klinkt' is de geest, die door middel van de hersenen, de stembanden en de mond naar buiten toe tot klinken komt in de vorm van zijn uitspraken. De persoon is daardoor hetzelfde als de menselijke geest.
Dat betekent dat het de menselijke geest is die de bron is van het woord 'ik' en dat die dat woord gebruikt om zichzélf aan te duiden. In deze zin wordt het woord 'ik' gebruikt in geestkunde.

Nu is er wat het gebruik van het persoonlijke voornaamwoord 'ik' betreft een bepaalde spreekwijze in zwang geraakt (door Freud en Jung), waarbij van dat woord een zelfstandig naamwoord wordt gemaakt in de vorm van 'het ik'; en zo wordt er ook gesproken over een 'het ego'.
De persoon, m.a.w. de menselijke geest, die deze spreekwijze navolgt, is er daardoor toe overgegaan op een afstandelijke wijze over zichzelf te spreken. Aangezien deze persoon het woord 'ik' als een zelfstandigheid benoemt (namelijk als een 'het ik') moet dit 'het ik' een zelfstandigheid zijn, die buiten deze persoon bestaat óf die als een denkbeeld moet worden beschouwd, dat in de binnenwereld van deze persoon aanwezig is.
Er wordt immers ook nog gesproken over een 'mijn ik' waarbij het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' wordt gebruikt, dat een bezit aanduidt; en een bezit is iets, wat de bezitter ervan bezit en daardoor los staat van de bezitter.

Als deze spreekwijze op een werkelijkheid zou berusten, dat heeft dat tot gevolg dat er ook ergens een 'het jij', een 'het hij', een 'het zij' enzovoort moet bestaan. Dit gaat de meesten toch wel wat te ver doordat men vaag aanvoelt, dat deze spreekwijze louter denkbeeldig is.
Nu is ook de persoonlijke naam van iemand een woord dat net als het woord 'ik' wordt gebruikt om de persoon aan te duiden; stel dat deze persoon Piet heet. In overeenstemming met het gebruik om van 'ik' 'het ik' te maken, moet het nu ook mogelijk zijn om over 'het Piet' te spreken. Dit is weinig zinvol, waaruit blijkt dat het spraakgebruik 'het ik' en 'het ego' louter tot een denkbeeldigheid leidt. 'Het ik' en 'het ego' is iets, dat alleen in gedachten bestaat en geen aantoonbare werkelijkheid is. Dit spraakgebruik is afkomstig uit het rijk der verbeelding.
Als ik een ongeluk veroorzaak, kan ik niet als verontschuldiging zeggen dat niet ik, maar 'mijn ik' het heeft gedaan. Als ik dat ter plekke zou beweren, zou men mij rechtstreeks naar een psychiater vervoeren.
Wie is ooit in zichzelf dat 'het ik' tegengekomen?
Wat is er de oorzaak van dat dit spraakgebruik toch algemeen ingang heeft gevonden?

De onbewuste vereenzelviging met de omgeving
Iedereen die op aarde in een stoffelijk lichaam wordt geboren, gaat vanuit de volwassen geestestoestand in de geestelijke wereld daarvóór, weer terug naar een kinderlijke toestand op aarde; in die toestand is de geest weer onbewust en onbeheerst geworden. De neerdalende geest móet zijn bewustzijn en geestkracht inhouden, anders zou het jonge lichaampje op aarde bezwijken.
Door de verbinding met de aarde vindt een omvorming van de in de geestelijke wereld al bereikte geestestoestand plaats naar de vroegste ontwikkelingstrap van de mensheid. Daarmee begint de inwikkeling in de stof. De aanvankelijke toestand waarin de geest als gevolg van die inwikkeling op aarde verkeert, is een onbewustheid, die door een daarmee samenhangende onwerkzaamheid wordt gekenmerkt. De geest is in de aanvangstoestand in het pasgeboren kind teruggekeerd tot een toestand, dat die louter en alleen de levenskracht is, zoals in de begintoestand van de schepping.
De geest is de levengevende kracht, die het leven van het jonge, menselijke levensvormpje vertegenwoordigt. De geest is de kracht die door de ziel en hersenen heen de rest van het lichaampje belevendigt en daardoor de organen ervan werkzaam laat zijn. Die kracht verkeert in de aanvangstoestand echter in de toestand van onbewustheid, zowel van zichzelf als van de omgeving. Pas later kan diezelfde kracht beginnen naar de toestand van bewustzijn en werkzaamheid toe te groeien.

Na de geboorte van het stoffelijke levensvormpje begint de menselijke geest in het midden van de ziel wakker te worden door de gewaarwordingen, die de omgeving door de lichamelijke zintuigen heen in de geest opwekt. De honger die wordt ervaren, de melk die te drinken wordt gegeven, de hand die de huid streelt, de woorden die worden gesproken, de kleurige vormen die worden voorgehouden en bewogen - dat alles veroorzaakt een stroom van zintuiglijke gewaarwordingen en beelden in de ziel. Door de eigen vormbaarheid en onwerkzaamheid van de 'pasgeboren' geest wordt het licht in die geest in het begin geheel van buitenaf gevormd en wordt de geest alleen van buitenaf in beweging gebracht. De geest wordt langzamerhand wakker, doordat prikkels uit de omgéving die hebben gewekt. Daardoor wordt de geest - door de eenzijdige inwerking vanuit de omgeving - zich aanvankelijk alléén van die omgeving bewust.

Het is alleen die omgeving die aanvankelijk op de geest inwerkt. Dat is daardoor in het begin ook het enige, wat wordt gezíen. Daardoor komt het de geest van het begin af aan voor alsof alleen dat bestaat en wérkelijk is, wat búiten de geest zichtbaar is. Werkelijk is immers: dat, wat werkt, wat werkzaam is. Aanvankelijk is de geest zich nog niet bewust van de éigen werkzaamheid die door de geestelijke vermogens mogelijk is en daardoor ook nog niet voldoende in staat zelf bewust op de buitenwereld in te werken door middel van die vermogens. Als gevolg daarvan is het alleen de buitenwereld, die 'werkt' en voor het gevoel van de nog 'jonge' geest werkelijk is!

Door die onbewustheid van zichzelf beheerst de geest in het begin het waarnemingsvermogen nog niet volledig, waardoor de aandacht afleidbaar en verleidbaar is. De geest verkeert eerst immers in een toestand, waarin die door de eigen vormbaarheid weerloos is tegenover de inwerking vanuit de buitenwereld.
Doordat de vermogens zijn ingesteld op verbinding, kan de aandacht en de geestelijke werkzaamheid in deze beïnvloedbare toestand onwillekeurig door personen, ervaringen en voorwerpen naar buiten worden getrokken en gebonden. Dit opeisen van de aandacht door de buitenwereld en het onbewust zichzelf daar in laten gaan, heeft de vereenzelviging ermee tot onmiddellijk gevolg.

Het uitstromen van aandacht en toewijding
De vereenzelviging is een geestestoestand, waarbij aandacht en toewijding vanuit de geest uitstromen naar de omgeving. Doordat de geest onbewust is van zichzelf, wordt dit gebeuren niet opgemerkt. Door het uitstromen gaan aandacht en toewijding, de geestelijke werkzaamheid, als het ware in een andere persoon of een ander voorwerp op. De geest verbindt zich innerlijk met dat andere, doordat de innerlijke werkzaamheid zich dáár naar uitstrekt: aandacht en toewijding worden zodanig door het andere 'getrokken' en 'geboeid', dat de geest 'zich er één mee voelt'. De toestand zich één te voelen met een onderwerp buiten zichzelf, is de vereenzelviging.
In de vereenzelvigde toestand bestaat de geest in de eigen beleving zelf niet; alleen het andere waar de aandacht naar uitgaat en in overgaat, bestaat. De aandacht kan daardoor alleen naar buiten en niet naar binnen, naar de geest zelf - want voor het gevoel is daar niets, doordat de eigen geestelijke werkzaamheid nog niet wordt ervaren. De vereenzelviging heeft daardoor een 'zich tot hetzelfde maken' als het ándere, een 'zichzelf gelijk stellen' aan het ándere, tot gevolg.

Doordat de geest daarbij onbewust is van zichzelf, is er sprake van een onbewuste vereenzelviging. De onbewuste vereenzelviging is een algemene en van tevoren bestaande grondtoestand, waarmee iedere geest opnieuw aan dit bestaan begint. Het is een toestand, waarbij het 'besef van werkelijkheid' onbewust door de omgéving wordt bepaald. Daar de geest in wezen alleen zélf de - eeuwige - werkelijkheid is, maar zich daar (nog) niet van bewust, gaat dat besef van werkelijkheid vanuit zichzelf op personen of voorwerpen in de omgeving over: zíj worden 'de werkelijkheid'.
Het met 'vereenzelviging' overeenkomende leenwoord 'identificeren' komt van het Latijnse 'idem facere': 'hetzelfde maken', met andere woorden 'zichzelf gelijk maken aan iets anders'.
Door de kinderlijke vormbaarheid laat de geest in die toestand de eigen aandacht door al het andere trekken, richten en boeien, en raakt er daardoor mee verweven, is er als het ware mee vermengd, is er in opgegaan. Bijgevolg 'is de geest nu niet zichzelf'. Voor het eigen gevoel is de geest gelijk aan het andere om zich heen - en dat geldt in de eerste plaats het eigen lichaam. Het is door de vereenzelviging dat de geest er vast van overtuigd is het lichaam te zijn!

Door de vereenzelviging is de geest als het ware binnenstebuiten gekeerd, veruiterlijkt. De geest is letterlijk 'buiten zichzelf' geraakt, de geestestoestand is verlichamelijkt en daardoor als het ware 'verstoffelijkt'. Daardoor is het innerlijk schijnbaar leeg en kan de geest niet 'zichzelf zijn'. Door de toestand van onbewuste vereenzelviging heeft de geest het gevoel alleen dán te leven, als er 'iets te beleven valt' in de buitenwereld, iets waar de vereenzelviging zich naar uit kan strekken.
Door dit gebeuren is de geest voor zichzelf een onwerkelijkheid geworden; daardoor ontstaat de toestand van begoocheling, dat alleen de stoffelijke wereld de werkelijkheid is. Deze toestand wordt in de Indiase wijsbegeerte al eeuwenlang 'maya', 'begoocheling' genoemd of 'illusie', van het Latijnse 'in-ludere': letterlijk 'erin-spelen', 'een spel met zich laten spelen'; een duidelijke omschrijving.
In sommige levensbeschouwingen bestaat de mening dat 'de wereld een illusie is'; echter, niet de wéreld is een illusie, want zij is Gods schepping, maar het is voor de géést een illusie te denken - door de onbewuste vereenzelviging - dat de wereld het enige is, wat er is. Aangezien de menselijke geest zelf de werkelijkheid is, zelf het enige is wat er altijd ís, ontstaat door de vereenzelviging ermee het gevoel dat juist de stóf 'het enige is, wat er is'. In deze toestand lijkt de geest op het oog, dat, al ziende, zichzelf niet ziet. De geest beseft wel alles te zien wat in de omgeving waarneembaar is, maar beseft niet wie degene is, die ziet!

Aangezien het verschijnsel 'onbewuste vereenzelviging' evenwel toch de géést betreft, is de geest zich er wel vaag van bewust 'er te zijn' en 'in de wereld te zijn'. De geest beseft wel 'iets te zijn' dat 'zich blijkbaar van die wereld bewust is' en dat daarom maar 'het bewustzijn' wordt genoemd. De geest heeft wel een zekere mate van vaag zelfbesef, maar beseft niet in wíe dat zelfbesef leeft. Alleen daardoor kan de mens er in deze toestand toe komen op een gegeven ogenblik zichzelf de vraag te stellen: "Wie ben ik eigenlijk?"; immers, de mens die zich in deze toestand deze vraag stelt, is zichzelf een raadsel - veroorzaakt door de toestand van onbewuste vereenzelviging.
De menselijke geest voelt vaag aan dat met het persoonlijke voornaamwoord 'ik' iets wezenlijks in zichzelf wordt aangeduid, dat de mens door de vereenzelviging met de omgeving echter niet kent. Dat wezenlijke in het innerlijk is door de vereenzelviging met het uiterlijke schijnbaar een leegte. Door de daardoor ontstane overdracht van aandacht en toewijding op onderwerpen buiten de mens, wordt nu ook dat wezenlijke dat blijkbaar met het woord 'ik' wordt aangeduid, ook als iets, wat als een zelfstandigheid buiten de mens bestaat, aangevoeld; daardoor wordt het op afstandelijke wijze met het woord 'het ik' aangeduid. Door de onbewuste vereenzelviging is immers álles buiten en is alleen dát werkelijk.

Door zelfbezinning en gebed te oefenen kan de menselijke geest geheel zichzelf worden. Door in zichzelf de werkzaamheid van de eigen geestelijke vermogens te ervaren - het waarnemen, denken, voelen en willen - kan de geest bewust worden van zichzelf als de vermogende, eeuwige levenskracht; zeker als die vervolgens door uittreding uit de stoffelijke levensvorm, het lichaam, de persoonlijke zelfstandigheid van zichzelf als geest in de geestelijke wereld heeft ervaren. In deze toestand van zelfbewustzijn is de menselijke geest zich er volkomen van bewust dat het woord 'ik' uitsluitend en alleen naar zichzelf als de vermogende levenskracht kan verwijzen.
De kunstmatige nieuwvorm 'het ik' kan alleen maar iets betekenen voor een geest die nog onbewust is van zichzelf door de vereenzelviging, maar die al wel over het wezen van zichzelf is gaan nadenken. De aanduiding 'het ik' is een woordgebruik dat uitsluitend een denkbeeld weergeeft. Een denkbeeld dat in feite een zelfbeeld is van een geest, die zich al wel aan het losmaken is uit de toestand van onbewuste vereenzelviging, maar die het zelfbewustzijn van de zich van zichzelf bewust geworden geest, nog niet heeft bereikt. Het gebruik van dit kunstmatige woord duidt op een tussenstap tussen onbewustheid en zelfbewustzijn in.

In de Angelsaksische literatuur wordt er alleen over 'the ego' gesproken, niet over 'the I', terwijl in de literatuur van andere talen dat onderscheid wel bestaat. Hoewel dat bij Jung nog niet het geval is, is in de loop der tijden het woord 'ego' een verzamelnaam geworden voor alles wat zelfgericht is in de menselijke persoonlijkheid, zoals: hebzucht, bemoeizucht, regelzucht, eerzucht, zelfverzekerdheid, eigendunk en heerszucht, om er maar een paar te noemen.
Daardoor worden al deze onaangename trekken op één hoop gegooid en niet meer apart genoemd. Dit is een voorbeeld van verbloemend taalgebruik. De werkelijke en onaangename karaktertrek - bijvoorbeeld heerszucht - blijft ongenoemd en wordt afgedekt door een woord dat door zijn algemene betekenis die trek verdoezelt. Er wordt niet meer gezegd: "Ik ben heerszuchtig," maar er wordt afstandelijk gesproken over: "Mijn grote ego". Dit is een voorbeeld van zelfbedrog.
Ernstiger is dat het woord 'ik', waarmee de menselijke geest zichzélf aanduidt - de vermogende levenskracht zelf, door verdichting uit God voortgekomen - hierdoor een zeer ongunstige betekenis heeft gekregen. Daardoor wordt de weg terug naar zichzelf, de geest die zichzelf met dat verheven woord 'ik' aanduidt, bemoeilijkt.
   
    
   M.C. Escher - Klimmen en dalen
hoe 'het ego'-denkers in hun eigen
gedachtenwereld blijven ronddraaien
zij worden door hun eigen gedach-
tengoed gegijzeld   
 
Door op een afstandelijke wijze over zichzelf te spreken en aan 'het ik' onaangename trekken toe te dichten, verhindert de mens zelf dat die bij zichzelf kan komen; door deze zelfmisleiding blijft men in een kringetje in zijn eigen gedachtenwereld ronddraaien.

(Klimmen en dalen. Litho 1960
De eindeloze trap die het hoofdmotief van deze verbeelding is, werd ontleend aan een artikel van L.S. Penrose in het februari-nummer 1958 van het British Journal of Psychology.
Een rechthoekige binnenplaats wordt begrensd door een gebouw, dat een eindeloze trap als dakbedekking heeft. De bewoners van dit huizencomplex zijn misschien wel monniken, leden van een onbekende sekte. Mogelijk is het hun rituele plicht om dagelijks enkele uren deze trap te beklimmen. Als ze moe zijn, mogen ze blijkbaar omkeren en afdalen in plaats van klimmen. Maar beide richtingen, hoewel zinvol, zijn rusteloos.
Twee weerspannige individuen weigeren vooralsnog aan deze oefening mee te doen. Zij denken er het hunne van, maar misschien zullen zij vroeg of laat hun dwaling inzien.
Uit Maurits Cornelis Escher, Grafiek en tekeningen. Ingeleid en toegelicht door M.C. Escher
Uitgeverij Taco ISBN 3-89268-061-2)

Dat door de onbewustheid van zichzelf niemand weet waar die het over heeft, blijkt wel uit de bonte verzameling woorden die met dit onderwerp samenhangen; naast 'het ik' en 'het ego' bestaan ook nog: 'het hogere ik', het lagere ik', 'het Ego' en 'het Ik' (hoofdletter), 'het ware ik', 'het valse ik', 'het zelf' en 'het Zelf', 'het lagere zelf', 'het hogere Zelf', 'het reële ik' en 'het ideële ik' en 'het alter ego'.
Dat hier de fantasie een vrije loop heeft genomen, blijkt wel uit de opmerking: 'het Hogere Zelf en het ego-zelf'(!) (gelezen in Dr. Ralph Blum, Orakel der Runen, terwijl dezelfde schrijver (antropoloog) zich in dat boek ook nog afvraagt of 'het ego' wel iets is!).
Dat de fantasie hier vrij spel kon krijgen, is een aanduiding voor de kunstmatigheid van dit woordgebruik. Het is louter denkbeeldig. Maar doordat zelfbewustwording door de weg naar binnen te gaan, de moeilijkste weg is die de zoekende mens kan begaan, zullen er nog veel boeken mee worden volgeschreven en veel lezingen aan worden gewijd.

Voor de geest die zichzelf is geworden en daardoor zelfbewustzijn heeft verkregen, is het onmogelijk geworden deze misleidende spreekwijze nog te gebruiken. Voor die geest is het woord 'ik' door eigen ervaring een heilig woord geworden.

Doordat India een Britse kolonie was, zijn hindoeïstische en boeddhistische geschriften het eerst in het Engels vertaald (o.a. door John Woodroff, alias Sir Arthur Avalon). Daardoor is het woord 'Atman' vertaald geworden met 'the self'; wat daarna door iedereen kritiekloos is overgenomen.
Het woord 'atman' hangt echter samen met het Sanskriet werkwoord 'an': ademen. 'Atman' is daarmee 'de ademende' en de kracht die de mens laat ademen, is de levenskracht, de geestkracht.
In het Grieks en Latijn, talen die met het Sanskriet samenhangen, is 'adem': 'pneuma' en 'spiritus', woorden die - net als in het Sanskriet - zowel 'adem' als 'geest' als betekenis hebben.

Zie voor dit onderwerp ook Het ik en het zelf? in het menu
evenals het woord ik en het woord zelf in de woordenlijst


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^