Is er een 'míjn ik' of is het: 'ík bén'?


Als een mens er ten slotte toe is gekomen zich de meest wezenlijke levensvraag te stellen: "Wie ben ik?", is er sprake van een beginnende bewustwording van zichzelf als het eeuwig levende: de menselijke geest, de persoon als de kern van de binnenwereld; door die geest, de persoon wordt die geleidelijke bewustwording ook mogelijk. De betreffende persoon kan vervolgens naar een woord gaan zoeken om de levende geest die hij of zij zelf is, aan te duiden en zo bespreekbaar te maken.
Dat gebeurt dan echter niet vanuit de kennis van dat levende zelf, de menselijke geest als de persoon, want de geest heeft in die toestand aanvankelijk alleen nog maar een vage voorstelling van zichzelf. Het zoeken naar een woord voor dat levende gebeurt daardoor vanuit de toestand dat de menselijke geest nog min of meer onbewust is van zichzelf en daardoor in een toestand verkeert van onbewuste vereenzelviging met dit stoffelijke bestaan. In die toestand denkt men nog werkelijk dat dit bestaan het enige is, wat er is.
Want doordat de menselijke geest door de aanwezigheid in het stoffelijke lichaam is verbonden met het tegendeel van zichzelf - het levende, het onvergankelijke is hier verbonden met het levenloze, het vergankelijke - is de geest hier onbewust geworden van zichzelf. Aandacht en toewijding zijn daarbij voornamelijk op de buitenwereld gericht, zij zijn naar buiten uitgevloeid, de geest als een innerlijke leegte achterlatend; die toestand was er ook de oorzaak van dat die vraag naar zichzelf moest worden gesteld.
Nergens in dit stoffelijke bestaan is echter een aanwijzing te vinden voor het bestaan van een zelfstandige geest; en niemand weet hier uit zichzelf dat de geest in de geestelijke wereld zichtbaar is als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte; terwijl met dat licht en die warmte de geestelijke vermogens samenhangen: het vermogen de dingen waar te nemen (vormbaar licht), ze in zichzelf als die wolk te overdenken (zelfvormend licht) en te doorvoelen (vormbare warmte); en na zo een besluit te hebben gevormd, kan de geest met de wilskracht (zelfvormende warmte) dat besluit gaan uitvoeren. Zolang de menselijke geest hier een stoffelijke levensvorm heeft, bevindt die zich in de ruimte van de voorhoofdshersenen en daar verbindt die zich ermee.

Door die toestand wordt de zoektocht naar een geschikt woord als een aanduiding voor zichzelf, vanuit de omgéving, vanuit de buitenwereld begonnen… niet vanuit de kern, de geest. In die omgeving, in de ruimte van de buitenwereld, klinkt het woord 'ik' als het woord, waarmee de geest, het levende, zichzelf als persoon aanduidt. Men voelt aan dat dat woord 'ik' naar dat wezenlijke in zichzelf verwijst. Ook het gebaar dat bij het woord 'ik' hoort, is een wijzen naar de borst, naar het 'hart', naar zichzelf.

Om toch met een woord dat veronderstelde wezenlijke in zichzelf te kunnen aanduiden, is de spreekwijze in zwang geraakt die wezenlijke kern in de mens - de geest - aan te duiden met een kunstvorm van het woord 'ik', namelijk met: 'het ik', 'het ego' of 'het zelf'. Van het persoonlijke voornaamwoord 'ik' is op kunstmatige wijze een zelfstandig naamwoord gemaakt door er een lidwoord voor te plaatsen, zoals in de vorm van 'het ik'.
Daardoor heeft de menselijke geest, die nog onbewust is van zichzelf, maar al wel in zichzelf werkzaam is met de vermogens, een bedachte zelfstandigheid gevormd in de vorm van het denkbeeldige 'het ik'. Dáármee is het begrip van het wezenlijke van zichzelf verbonden, waardoor vervolgens alle aandacht en toewijding vanuit de geest naar dat zelfbeeld uitgaat. Onbewust van zichzelf heeft de menselijke geest een denkbeeld van zichzelf gevormd, 'het ik' als een zelfstandigheid en daarop het dagende besef van de werkelijkheid van zichzelf, overgedragen.

Het woord ‘ego’ wordt in bepaalde levensbeschouwingen zoals ‘New Age’-kringen, gebruikt voor de toestand, dat een persoon zich met een onjuist denkbeeld van zichzelf vereenzelvigt. Zo iemand heeft een zelfbeeld dat niet met de door anderen ervaarbare werkelijkheid van die persoon overeenkomt, maar dat door zelfoverschatting wordt gekenmerkt.
Daarnaast wordt onder 'ego' een houding van zelfgerichtheid verstaan, de toestand dat een persoon zich van anderen onderscheidt en zich zelfzuchtig gedraagt.

Daardoor is echter een toestand ontstaan die met die van de Oudheid overeenkomt, bijvoorbeeld met die van de Griekse mythologie. Griekse wijsgeren begrepen al wel dat al die goden bedenksels waren, waarmee persoonlijkheidseigenschappen van de mens, als een zelfstandigheid buiten de mens, werden uitgebeeld; in de godenverhalen werd er in feite op een afstandelijke wijze over de mens zelf gesproken. Freud bijvoorbeeld zag dit in en greep deze verhalen aan om ermee overeenkomende 'psychische mechanismen' met een naam aan te kunnen duiden, zoals het Oidipoes- en Elektracomplex.
Met die goden uit de Oudheid komen de hedendaagse bedenksels van zichzelf overeen, want men veronderstelt dat er een 'het ik' moet bestaan en daarnaast een 'het hogere ik', een 'het lagere ik', een 'ego' en een 'Ego', een 'het zelf' en een 'het Zelf', een 'reëel ik' en een 'ideëel ik' enz. Een 'het zich' zou ook een mogelijkheid zijn, maar dat is nog niet ontdekt.
Dat dat veronderstelde 'ik' werkelijk als een innerlijk aanwezige zelfstandigheid wordt gezien, blijkt uit de uitdrukking: 'mijn ik'. Daarmee wordt duidelijk aangegeven dat de persoon, het levende, dat 'ik' werkelijk als een aparte zelfstandigheid ziet, dat van hem of haar is; het wordt door het gebruik van het bezittelijke voornaamwoord 'mijn' immers als een bezit aangemerkt.
(Laatst hoorde ik iemand tegen een andere persoon, die net binnen was gekomen, zeggen: "Je hebt je ego toch wel op de gang achtergelaten, hè?")
De term 'het ik' duidt in feite een afgod aan, het is een modern afgodsbeeld. In de Tien Geboden: Exodus 20:2-17 en Deuteronomium 5:6-21, wordt daar al voor gewaarschuwd. Zoals Exodus 20:4 - Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde.
Deze raad kan worden uitgebreid naar: maak geen denkbeeldige afbeelding van iets dat geestelijk is, maak geen denkbeeld van jezelf als menselijke geest en stel je dat niet als een denkbeeld voor ogen… zoals het denkbeeld 'het ik' of 'het ego'.
Als Mozes later aan God vraagt hoe zijn naam is, volgt dit antwoord: Toen antwoordde God hem: 'Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: "Ik zal er zijn heeft mij naar u toegestuurd."' (Exodus 3:14)

IHWH - Jahweh: "Ik ben"
het wezen van God... en de mens
Exodus 3:14 - "Jahweh, Jahweh"
"Ik ben die ik ben": "Ik ben mijzelf"
God duidt hier rechtstreeks zichzelf aan met de term: "Ik ben"; en aangezien het oude Hebreeuws een medeklinkertaal was, kunnen in het 'woord' IHWH (Jahweh) ook andere klinkers worden gekozen, waardoor IHWH kan betekenen: "Ik ben, Ik was en Ik zal zijn." Met andere woorden: ik ben het eeuwig levende, de geest… en datzelfde geldt voor de menselijke geest, die uit God is voortgekomen. Want als andere klinkers worden ingevoegd, kan IHWH ook betekenen: "Ik doe zijn," met andere woorden: "Ik schep."
In Exodus 3:14 zegt God tegen Mozes: "Jahweh, Jahweh", wat ook de betekenis kan hebben: "Ik ben die ik ben," en dit is als het ware: 'God in het kwadraat': met andere woorden: "Ik ben volkomen die ik ben", "Ik ben geheel mijzelf" en dat is de goddelijke toestand, waar iedere mens naar onderweg is.
(Het Hebreeuws wordt van rechts naar links geschreven: IHWH → HWHI: י ה ו ה)
Zie ook onderaan bij *

Iemand die dit inzicht heel helder begreep, was in ons huidige tijdperk de filosoof René Descartes. Zijn filosofische grondstelling is dat de waarheid het beste kan worden gevonden door een twijfelende houding aan te nemen: betwijfel voortdurend of het standpunt dat je tot nu toe hebt gevormd, wel de waarheid is. Maar hoezeer ik ook alles om mij heen kan betwijfelen, zei hij, één zaak is onbetwijfelbaar: namelijk het feit dat ík de twijfelende bén. Zo kwam hij tot zijn uitspraak: cogito, ergo sum, dat is: ík denk, dus ík bén.

Daarmee geeft hij volkomen duidelijk het geestkundige standpunt weer: het is de menselijke géést die door in zichzelf zijn geestelijke vermogens te gebruiken het begrip 'ik' vormt, het woord voor 'zelfbesef'. Met dat woord kan alleen maar de menselijke geest zélf als de woordvormde zelfstandigheid worden aangeduid. Het woord 'ik' wijst rechtreeks terug naar de bron ervan: de vermogende geest; en als die geest zich van zichzelf bewust is geworden, zegt die in zichzelf de woorden: "Ik ben."

Ik persoonlijk denk dat ik door levenslange zelfbezinning vrij goed op de hoogte ben van wat er zich in mijn binnenwereld aan inhouden bevindt, maar ik ben daar nog nooit iemand tegengekomen tegen wie ik kon zeggen: "Zo, ben jij nou mijn ik!" Ook als ík (de persoon) een stomme fout maak, kan ik daar niet onderuit komen door te zeggen: "Ja, maar ík heb dat niet gezegd, maar 'mijn ik' deed het!"
Mijn persoonlijke mening is dat het spreken over 'het ik' en 'mijn ik' plaatsvindt in een volkomen denkbeeldige wereld, waarin men met elkaar spreekt in een bepaald jargon waardoor men elkaar daarin blijft bevestigen, maar dat alleen in díe wereld bestaat.
Door die afstandelijkheid wordt de geest tot een gespreksonderwerp gemaakt, waarmee men eindeloos in een kringetje blijft rondraaien, in plaats van alle aandacht en toewijding naar binnen te keren om daar zichzelf te ontdekken als de bewuste, werkzame levenskracht: de menselijke geest.
De spreekwijze ’het ik’ is een objectivering. De mens maakt van zichzelf een object en dat leidt noodzakelijk tot een vervreemding van zichzelf.

*Jakob Lorber - Het grote Johannes evangelie deel 4, 192-193

192 Over het wezenlijke van Isis en Osiris
Wij zagen in Egypte in Karnak twee merkwaardige beelden: ten eerste dat van Isis ('isis': de voedingskracht van het oerleven) achter een dikke sluier verborgen en daarnaast de afbeelding van Osiris ('ou sir iez': de weide van de zuivere, geestelijke mens). (GJE 4, 192, blz. 365)
Het eerste beeld was dat van een reusachtige vrouw, waarvan de borst helemaal bedekt was door borsten; ooit moet er in plaats van dat beeld een koe hebben gestaan (de voedende god).
Het tweede beeld, dat van Osiris, stelde een merkwaardig wezen voor. Op een grote, weelderig begroeide weide stond een man, omgeven door een groot aantal kudden, die ijverig graasden en de man stond temidden van allerlei vruchten, die hij at (hij werd door Isis gevoed). (GJE 4, 365)
Met deze twee beelden stelden de Egyptenaren, het eerste versluierd, het oerbestaan voor van het goddelijke wezen, dat schept en het geschapene voedt en onderhoudt (Isis = Astarte = Jahweh); en met het tweede, niet versluierde beeld al het geschapene, levende en verterende van de gehele schepping. Toen begon de overste van de priesters ons het wezen van de enige, eeuwige, altijd scheppende God uit te leggen. Wij beseften dat er een almachtig, alwijs (en alliefhebbend) oerwezen moet zijn, waaruit alle wezens zijn ontstaan en die door dat wezen ook steeds worden gevoed en onderhouden.
Dat goddelijke wezen is voor niemand ook maar zichtbaar of begrijpelijk, doordat het de gehele oneindigheid vervult en heel verborgen overal aanwezig en tegenwoordig is (de algeest), zowel in de ruimte als in de tijd - wat de reden was waarom het beeld van Isis steeds was verhuld. (GJE 4, 365)

193 De grote rotstempel Ja bu sim bil
... rechtvaardige en vrome mensen, die in een zekere geestesvervoering zijn gebracht, waarin zij de geest van God zagen als een licht, dat alle ruimten der oneindigheid vervulde (algeest) en waarvan zij waarnamen, dat zij zelf een deel van dat licht waren (de algeestvonk). (GJE 4, 193, blz. 366)
Allen, die zo'n genade ten deel vielen, getuigen dat zij in dit licht door en door gegrepen werden door een onuitsprekelijk geluksgevoel en begonnen te profeteren ... (GJE 4, 366)
Aan het einde van de drie hallen (in de tempel) bevindt zich nogmaals het gesluierde beeld van Isis en het ongesluierde van Osiris en op een altaar staan, uitgehouwen in de steen, de woorden 'Ja bu sim bil' (Ik was, ben en zal zijn) (m.a.w. Isis is gelijkwaardig aan Jahweh). (GJE 4, 367)

De grote pyramide met de twee obelisken was een 'Mens, ken jezelf'-schoolgebouw, een schoolgebouw voor zelfkennis. Hierin ... kon men tot zelfkennis komen en daaruit tot de kennis van de allerhoogste geest van God. Omdat God zelf zuiver liefde is, kan de mens zich alleen uit liefde met God verenigen. (GJE 4, 206, blz. 392)


Doordat India een Britse kolonie was, zijn hindoeïstische en boeddhistische geschriften het eerst in het Engels vertaald (o.a. door John Woodroff, alias Sir Arthur Avalon). Daardoor is het woord 'Atman' vertaald geworden met 'the self'; wat daarna door iedereen kritiekloos is overgenomen.
Het woord 'atman' hangt echter samen met het Sanskriet werkwoord 'an': ademen. 'Atman' is daarmee 'de ademende' en de kracht die de mens laat ademen, is de levenskracht, de geestkracht.
In het Grieks en Latijn, talen die met het Sanskriet samenhangen, is 'adem': 'pneuma' en 'spiritus', woorden die - net als in het Sanskriet - zowel 'adem' als 'geest' als betekenis hebben.


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^