de letterlijke en figuurlijke betekenis van 'hoofd' en 'hart'


De woorden 'hoofd' en 'hart' kunnen letterlijk en figuurlijk worden gebruikt.
In de letterlijke betekenis kunnen zij worden gebruikt om er het stoffelijke, lichamelijke hoofd (de kop) mee aan te duiden en het stoffelijke, kloppende hart in het lichaam. Worden zij figuurlijk gebruikt (als beeldspraak) dan wordt met 'hoofd' het denken en met 'hart' het voelen bedoeld.
Veel verwarring ontstaat als dit onderscheid niet wordt beseft en in het spreken wordt toegepast, maar de letterlijke en figuurlijke betekenissen door elkaar worden gebruikt.

Als over 'denken' en 'voelen' wordt gesproken in letterlijke zin, dus als over de vermogens die beide gééstelijke vermogens zijn, dan komt het voor dat er desondanks met een gebaar toch naar het hoofd en naar de plaats van het hart wordt gewezen; daardoor wordt met het gebaar tegelijkertijd toch ook op de letterlijke betekenis van de woorden gezinspeeld. Alsof het denken als geestelijk vermogen zich werkelijk in het hoofd zou bevinden en het voelen als geestelijk vermogen in het hart.

Het ontbreken van het besef van het wezenlijke onderscheid tussen letterlijk en figuurlijk heeft tot gevolg, dat er werkelijk wordt geloofd dat het denken zich in het hoofd (en in het bijzonder in de hersenen) afspeelt en dat het voelen werkelijk in het hart zetelt. Het denken wordt vereenzelvigd met de hersenen in het hoofd, het voelen met het hart in de borst.
Deze vergissing wordt nog in de hand gewerkt doordat gemóedstoestanden meteen invloed hebben op de fysiológische werking van het hart: zoals versnelling, vertraging, bonzen en hartepijn, waardoor de vereenzelviging van het voelen met het hart wordt bevestigd.
Naast het hart zijn ook de maag, de dunne en de dikke darm zeer gevoelig voor de geestelijke gemoedstoestand, vooral als het angst en boosheid betreft. Doordat beide ongunstige gemoedsaandoeningen zijn, worden met het woord 'onderbuikgevoelens' meestal gemoedstoestanden aangeduid zoals haat en nijd, afgunst en wantrouwen.

Het hart is in de figuurlijke betekenis in het bijzonder een zinnebeeld van de liefde.
De stoffelijke werking ervan - de bloedvoorziening van alle cellen van het lichaam - is immers een weergave van de kenmerken van liefde: onbaatzuchtige inzet, belangeloze toewijding naar anderen toe. Voortdurend is het hart werkzaam, zet het zich in om alle cellen van voedingsstoffen en zuurstof te voorzien en tegelijkertijd hun afvalstoffen te verwijderen.


De geestelijke werkelijkheid is dat denken en voelen geestelijke vermogens zijn, die werkzaam zijn binnen de geest als de bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Als de menselijke geest denkt, dan worden er zelfscheppend in het eigen geestelijke licht lichtbeelden gevormd, wat denkbeelden zijn; terwijl als de geest voelt, dan stelt die de eigen geestelijke warmte, wat de gemoedstoestand is, open voor inwerking vanuit de buitenwereld - daardoor komt de innerlijke gemoedstoestand in overeenstemming met uitwendige gebeurtenissen en kan de menselijke geest met anderen meevoelen, meeleven.

Het denken en voelen speelt zich uitsluitend af binnen de menselijke geest, die zich in de geestelijke wereld op de plaats bevindt van het voorhoofd in de stoffelijke wereld (beide werelden bestaan naast elkaar). Door vanuit de geest in te werken op de linker hersenhelft verbindt de geest de denkende werkzaamheid met de hersenen en is zo in staat zijn of haar gedachten naar buiten toe onder woorden te brengen; door vanuit de geest in te werken op de rechter hersenhelft verbindt de geest de voelende werkzaamheid met de hersenen en is zo in staat de gemoedstoestand tot uiting te brengen in stembuigingen en lichaamstaal.

Het woord 'hart' heeft daarnaast ook de betekenissen: het 'midden', de 'kern', het 'wezenlijke'.
Aangezien de menselijke geest in de geestelijke wereld zichtbaar is als een bolvormige wolk, kan daarbij óók over een 'midden' of een 'hart' ervan worden gesproken. Daarbij moet echter een onderscheid worden gemaakt in het geestelijke licht en de geestelijke warmte. In het midden of het hart van het geestelijke licht wordt door de geest gedacht, in het midden of het hart van de geestelijke warmte wordt gevoeld.


Fysiologisch gezien horen de hersenen en het hart bij elkaar. Ze zijn in belangrijkheid de organen nummer een en twee. Ze zijn door zenuwen vanuit de hersenen en bloedvoorziening vanuit het hart, nauw op elkaar betrokken. De hersenen hebben een grote behoefte aan zuurstof en glucose, dat door vier slagaders vanuit het hart wordt aangevoerd. Vanuit de hersenen wordt de hartslag neuro-hormonaal geregeld.
Vanuit de hersenen wordt de hartwerking op neurale en hormonale wijze gemoduleerd; dat geschiedt vanuit de hypothalamus en de hypofyse, een tweetal orgaantjes aan het einde van de neurale buis, die nauw met elkaar samenhangen en samenwerken. Van deze twee orgaantjes hangt het leven van het lichaam af, de mogelijkheid voor de geest om het lichaam te kunnen belevendigen en erin werkzaam te kunnen zijn.

In feite is het zo dat het hart een orgaan is, dat volkomen zelfstandig klopt en werkzaam is, geheel uit zichzelf. Dat hangt samen met een zenuwknoop in de hartspier zelf, de 'sino-auriculaire knoop', die geheel uit zichzelf steeds opnieuw in een bepaald ritme zenuwprikkels naar de hartspier zendt. Zelfs buiten het lichaam gaat het hart daardoor verder met kloppen als het in een bad met een geschikte zout/glucose-oplossing wordt gelegd.
Dat er naast die stoffelijke 'sino-auriculaire knoop' in de geestgedaante ook zo'n geestelijk 'orgaantje' aanwezig is, is in feite niet meer dan vanzelfsprekend. Dat geestelijke orgaantje zal worden bedoeld als door sommigen wordt gesteld dat het leven van de geest zich in het hart bevindt.


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog


People tend to locate the self in the brain or the heart
ScienceBlog. May 20, 2015 | Rice University

Samenvatting van dit artikel
De keuze van de plaats van het zelfbesef (het besef een persoon te zijn) voor hoofd of hart hangt samen met het zelfbeeld: de opvattingen die een persoon heeft over eigen gedachten, gevoelens en handelingen, al of niet met betrekking tot anderen.
Mensen met een onafhankelijk zelfbeeld plaatsen hun zelfbesef in hun hoofd - zij leggen de nadruk op hun zelfstandigheid, verwerkelijken hun doeleinden, beïnvloeden hun omgeving en bespreken verstandelijke zaken.
Mensen die zich op anderen betrokken voelen, plaatsen hun zelfbesef in hun hart - zij willen bij een groep horen, onderhouden evenwichtige betrekkingen met anderen, passen zich aan en bespreken gevoelsmatige onderwerpen.
Meer mannen dan vrouwen plaatsten hun zelfbesef in hun hoofd, omgekeerd plaatsten meer vrouwen dan mannen hun zelfbesef in hun hart.
Of mensen hun zelfbesef in hun hoofd of in hun hart plaatsen, heeft invloed op de keuzes die ze maken en de besluiten die ze nemen.
In het algemeen hebben mensen de neiging te denken dat hun zelfbesef in hun hoofd zit.

Whether people locate their sense of self in the brain or the heart can have a major influence on people's decision-making, according to a new study by management and business experts at Rice University and Columbia University.
Overall, the study found people tend to locate the self in the brain.
The paper, "Who You Are Is Where You Are: Antecedents and Consequences of Locating the Self in the Brain or the Heart," will be published in the journal Organizational Behavior and Human Decision Processes.

"We view our research as a first step toward reviving the debate about which part of our body contains the seat of the self - a debate that dates back to the ancient Greek philosophers," said Hajo Adam, an assistant professor of management at Rice's Jones Graduate School of Business. "Our findings demonstrate not only that the preference for the brain versus the heart as the location of the self systematically depends on a person's self-construal - meaning the perceptions that individuals have about their thoughts, feelings and actions in relation to others - but also that the location of the self has important implications for people's opinions on contentious medical issues as well as prosocial contributions."

Adam co-authored the paper with Otilia Obodaru, an assistant professor of management at the Jones School, and Adam Galinsky, the Vikram S. Pandit Professor of Business and chair of the management division at Columbia's business school.

The authors' research consisted of eight studies exploring the antecedents and consequences of whether people locate their sense of self in the brain or the heart. Their hypothesis was that although people generally tend to locate their sense of self in the brain, this preference is significantly stronger for people with an independent self-construal than for people with an interdependent self-construal. - People with an independent self-construal tend to assert the autonomous nature of the self, realize their internal attributes and influence their environment. In pursuit of these self-relevant goals, these people often engage in thoughts, conversations and behaviors that are conceptually related to the brain.
- In contrast, people with an interdependent self-construal tend to be part of a group, maintain harmonious relationships and adjust to others. In pursuit of these self-relevant goals, these people often engage in thoughts, conversations and behaviors that are conceptually related not only to the brain, but also to the heart.

Participant groups ranged in size from 95 to 156 people between the ages of 20 and 40; about half the participants were women and half were men. The majority of participants were Americans. The study included a group of Indians, a cultural group that tends to have interdependent self-construals. In the first study, participants were told that a person's identity and sense of self are an essential feature of people's humanity, and that the researchers were interested in finding out where the sense of self is located. The authors explained that some areas or parts of the body may seem more or less connected to the sense of self, so they asked participants to indicate which part of their body is most connected to their sense of who they are. In the next studies, the authors sought to probe participants' perception of where the self is located more subtly to provide convergent evidence across a variety of measures and underscore the robustness of the effect.

In the first six studies, participants' self-construals consistently influenced the location of the self: The general preference for locating the self in the brain was more enhanced among men than women and among Americans than Indians; participants primed with an independent self-construal also were more likely to say their self is in the brain. In all six studies, the majority of participants located the self in the brain rather than the heart, but this behavior was diminished among women, Indians and participants primed with an interdependent self-construal. In the seventh study, participants' perceived location of the self influenced their judgments of controversial medical issues such as the legal definition of death and abortion legislation.

In the final study, the authored primed participants to locate the self in the brain or the heart, which influenced how much effort they put into writing a support letter for and how much money they donated to a charity for a brain disease (Alzheimer's disease) or a heart disease (coronary artery disease). For example, people who believed that the brain contains the self contributed more than twice as much money to a charity fighting Alzheimer's than people who believed that the heart contains the self. The reverse pattern also held true: People who believed that the heart contains the self contributed more than twice as much money to a charity fighting heart attacks than people who believed that the brain contains the self.

"These results suggest that where people locate the self might be a notable characteristic that shapes people's psychological processes and decision-making," said Obodaru. "Consequently, there may be great value in better understanding the antecedents and consequences of being a 'brain person' or a 'heart person.'"

The study's findings also suggest that leadership speeches, entrepreneurial pitches or marketing materials that invoke the heart or the brain could be differentially persuasive, depending on the recipient's perceived location of the self, the author said. For example, the results suggest that advertising messages targeted at people with independent self-construals compared with messages targeted at people with interdependent self-construals might be more effective if they invoke the brain rather than the heart. (For example, "Your head tells you: Buying this car is the right decision" versus "Your heart tells you: Buying this car is the right decision.")

Read more at http://scienceblog.com/78500/people-tend-locate-brain-heart/#eX8BsOYmx2YfGfBF.99


terug naar de vragenlijst

terug naar het weblog







^