Het laatste avondmaal van Jezus en zijn leerlingen



het laatste avondmaal
De gebeurtenis die bekend staat als het laatste avondmaal, wordt uitgebreid beschreven in het Evangelie van Johannes, in de hoofdstukken 13 t/m 17. Naast de Bergrede (Mattheus 5-7) is dit het gedeelte van de evangeliën, waarin Jezus langdurig aan het woord is. In deze toespraak vat Jezus de kern van zijn leer bondig samen; hij begint die toespraak met te zeggen dat: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh. 14:6). Jezus zegt hier duidelijk dat zijn léér de weg is die tot de waarheid en het leven leidt, en uiteindelijk tot God. Die leer is een gééstelijke weg en over die leer wijdt hij uit in de daarop volgende toespraak tot zijn leerlingen.
De kern van zijn leer is de liefdevolle verbondenheid die er bewust bestaat tussen Jezus en God, én de verbondenheid die nog bewust moet worden voor de mensen, opdat de liefdevolle band tussen God, Jezus en de ménsen tot leven zal komen:

Johannes 13:34 Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.
13:35 Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.
14:10 Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?
14:11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is ...
14:20 Op die dag zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u.
15:3 ... blijft in Mij, gelijk Ik in u.
15:5 Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.

16:32 [...] En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
17:21 [...] Opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
17:22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij een zijn, gelijk Wij een zijn.


de voetwassing
De voetwassing door Jezus die aan zijn toespraak voorafging (Joh. 13:3-10), is een zinnebeeldige handeling, waarvan de betekenis met deze woorden duidelijk wordt gemaakt: zich liefdevol inzetten voor de ander alsof het jezelf betrof.

In de andere evangeliën ontbreekt deze toespraak geheel, maar daar staan de volgende teksten over de wijn en het brood, die weer bij Johannes ontbreken(!):

Markus 14:22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
23 En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die; en zij dronken allen daaruit.
24 En Hij zei tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, *) dat voor velen vergoten wordt.

Mattheus 26:26 En als zij aten, nam Jezus het brood, en het gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
27 En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drinkt allen daaruit;
28 Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

Lukas 22:17 En als Hij een drinkbeker genomen had en gedankt had, zei Hij: Neemt deze, en deelt hem onder ulieden.
18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
19 En Hij nam brood en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doe dat tot Mijn gedachtenis.
20 Desgelijks ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.

Jezus vergelijkt zichzelf hier met het slachtofferen van het joodse paaslam, dat werd geofferd en gegeten ter viering van de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit het slavenhuis (Exodus 12). Jezus bereidt zijn leerlingen erop voor dat hij hetzelfde gaat doen, maar dan met zijn eigen lichaam en voor de gehele mensheid.
Volgens de schrijver van Mattheus gaat het bij het offer dat Jezus met zijn eigen lichaam brengt om de vergeving van zonden, wat, met betrekking tot de betekenis van het paaslam, betekent: de bevrijding van hen die een slaaf zijn van de zonde, die door de 'zonde' het 'doel missen', de betekenis van dat woord. Dat doel is de liefdevolle hereniging met God middels Jezus.

Op die zondigen wijst ook de schrijver van de 1e Brief van Petrus, hoofdstuk 3:
18 Ook Christus immers heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt.
19 Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten [in de onderwereld], om dit alles te verkondigen 20 aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd.
In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, van de watervloed gered, 21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus,
22 die de hemel is binnengegaan en nu aan Gods rechterhand zit, terwijl de engelen, machten en krachten aan hem onderworpen zijn.

Alleen de schrijver van het Lukasevangelie weet te melden, dat Jezus tijdens het laatste avondmaal zijn leerlingen de raad geeft om het avondmaal te houden om de herinnering aan het offer dat hij bracht, levend te houden: Doe dat tot Mijn gedachtenis.

Met de woorden "Dit is mijn lichaam" en "Dit is mijn bloed" vergelijkt Jezus zich met het paaslam. Hij nam een brood van tafel en brak er een stuk af en hij nam een wijnzak en schonk wijn in een beker, en iedereen die daar in die omstandigheden op dat tijdstip lijfelijk bij aanwezig was, zag duidelijk dat Jezus' woorden door hem zinnebeeldig waren bedoeld.

Sommigen hebben echter een gevaarlijke neiging om de diepere, figuurlijke betekenis die achter letterlijke woorden verborgen gaat, niet te willen of te kunnen zien. Zij menen dat het luiden van een bel en het uitspreken van een spreuk door een priester ('Hoc corpus est'), een stukje brood tot het 'lichaam van Christus' omvormt (de betekenis van 'transsubstantiatie'), waarmee hij zichzelf tot een soort ongeloofwaardige magiër maakt (er gebeurt namelijk niets, de hostie blijft gewoon brood) en de gelovigen tot schijnbare menseneters.
De betekenis van deze handeling op het altaar blijft volkomen denkbeeldig, terwijl Jezus ons - volgens de schrijver van het Lukasevangelie - eenvoudig vroeg om zijn zelfoffer te blijven gedenken.
Waar het om gaat is het toepassen in het alledaagse leven van de liefde voor de medemens en God, die Jezus ons leerde. De geloofsleer van de transsubstantiatie voegt daar niets nuttigs aan toe en is alleen maar de oorzaak geweest van zinloze discussies en blijvende verwijdering.
Jezus zelf is hier heel duidelijk over: "Het is de Geest die levend maakt, het vlees helpt niets. De woorden die Ik tot jullie gesproken heb, zijn geest en zijn leven." (Joh. 6:63).

Zij die Jezus' woorden letterlijk nemen, zouden moeten luisteren naar deze wijze woorden:
"Het is verkeerd om als kinderen te blijven vasthouden aan de letter
en niet op te groeien tot de vrijheid van de geest."
Desiderius Erasmus (1469-1536), filosoof, theoloog en humanist

*) De schrijvers van Markus (geschreven 60-70 n.Chr.), Mattheus (90 n.Chr.) en Lukas (90-110 n.Chr.) zijn van mening dat Jezus de woorden: "het bloed des Nieuwen Testaments" zou hebben gesproken. In de tijd dat Jezus met zijn leerlingen het laatste avondmaal gebruikte, was er echter van het onderscheid tussen een Nieuw en een Oud Testament nog geen enkele sprake! Zij hebben dit Jezus moedwillig in de mond gelegd.

In de Oudheid waren boeken kwetsbaar en moesten daardoor vaak worden overgeschreven. Het toegeven aan de verleiding om dan de tekst wat te verfraaien of gedeeltes weg te laten, is menselijk.


Klik hier voor een verhandeling over eucharistie en transsubstantiatie

terug naar het overzicht







^