monisme en dualisme


Monisme en dualisme zijn twee filosofische standpunten die betrekking hebben op de ontologie, de zijnsleer: de leer over 'het zijnde', 'dat, wat is'. Het woord 'monisme' hangt samen met het Griekse 'monos': een, terwijl 'dualisme' samenhangt met het Griekse 'duo': twee. Het monisme stelt dat er slechts één substantie, één stof is waaruit alles bestaat, terwijl het dualisme stelt dat het er twee zijn, namelijk stof en geest.

Binnen het monisme en het dualisme zijn er verschillende stromingen.
Het monisme kent o.a. 1. het substantiële monisme, 2. het attributieve monisme (waarin onderscheid is te maken tussen fysisch en psychisch monisme) en 3. het neutrale monisme.
Het dualisme kent 4. het substantiedualisme, 5. het eigenschapsdualisme en 6. het predikatieve dualisme.

Inhoud

1. Substantieel monisme
2. Attributief monisme
3. Neutraal monisme
4. Substantiedualisme (anthropologisch dualisme)
5. Eigenschapsdualisme (emergent materialisme)
6. Predikatief dualisme
7. Geestkunde: monisme én dualisme

Monisme
1. Substantieel monisme
Substantieel (Latijn 'substare', ondersteunen) monisme houdt in dat er slechts één zijnde, één substantie is. De filosofen die deze stelling verdedigen zijn Demokritos (hij bedacht het begrip 'atoom': ondeelbaar deeltje), Heraklitos en Parmenides ('Wat is, is, wat niet is, is niet'). Volgens de laatste is de schepping een ondeelbare en onveranderlijke zelfstandigheid, en alle veranderingen die worden waargenomen, zijn schijn; alleen het onveranderlijke [de waarnemende geest] ís.

terug naar de Inhoud

2. Attributief monisme
Attributief (Latijn 'atributus': eigenschap) monisme houdt in dat er slechts één soort is die bestaat.
Er zijn twee vormen van attributief monisme: fysisch en psychisch monisme.
Het fysische monisme stelt dat de hele schepping stoffelijk, materieel is; een meer bekende naam is: materialisme (het standpunt van veel natuurwetenschappers). Een voorbeeld hiervan is het atomisme: de schepping bestaat uitsluitend uit atomen, de kleinste materiedeeltjes. In het fysische monisme wordt ontkend dat 'geest' een zelfstandigheid is en los van de materie zou bestaan.
Hiertegenover staat het psychische monisme: de materiële wereld wordt ontkend en er wordt gesteld dat de zichtbare werkelijkheid zich slechts als een voorstelling in de geest afspeelt; dit wordt ook idealisme genoemd: al het zichtbare is een idee.

terug naar de Inhoud

3. Neutraal monisme
Neutraal monisme (Latijn 'neutralis': onzijdig, geen van beide) houdt in dat alle verschijnselen uit één onbekende bron voortkomen; lichaam en geest zouden dan alleen uiterlijke aanzichten daarvan zijn. De filosofieën van Spinoza en Hegel bijvoorbeeld worden gekenmerkt door een substantieel neutraal monisme: de schepping is één geheel en álles is goddelijk. God ís eenvoudig hetzelfde als het universum. Maar hoewel alles één is, heeft het oneindig veel attributen, eigenschappen. Daarvan kent de mens er twee: materie en geest.

Monistische denkrichtingen gaan uit van de eenvoudige vaststelling dat datgene, wat de mens om zich heen ziet en ervaart, álles is, wat er is. Alle waarnemingen en ervaringen die door menselijke geesten zijn gedaan in de geestelijke wereld, zoals bijvoorbeeld door mystici, worden als slechts denkbeeldig en nutteloos eenvoudig terzijde geschoven.

Dualisme
In het dualisme wordt ervan uitgegaan dat de geest in meerdere of mindere mate een zelfstandigheid is en dat er een wisselwerking tussen geest en stof mogelijk is.
In het monisme is er geen onderscheid tussen lichaam en geest, er is alleen het lichaam dat geestelijke eigenschappen vertoont; de dood is het einde van het persoonlijke bestaan. In het dualisme is er wel een onderscheid: zowel het lichaam als de geest zijn zelfstandigheden; de dood geldt alleen voor het lichaam, de geest 'wordt overgeleid' (de betekenis van 'overlijden') naar een geestelijke vorm van bestaan, dat - hier onzichtbaar - naast het stoffelijke bestaan bestaat.
Bij het dualisme kan onderscheid worden gemaakt tussen het substantiedualisme, het eigenschapsdualisme en het predikatieve dualisme.

terug naar de Inhoud


René Descartes (1596-1650)
wiskundige en filosoof
door: Jonas Suyderhoef
bron: Rijksmuseum
4. Substantiedualisme (ook anthropologisch dualisme genoemd, de filosofie van de geest; geestkunde)
Substantiedualisme houdt in dat geest en stof twee verschillende substanties, twee te onderscheiden zelfstandigheden zijn: het z.g.n. lichaam-geestdualisme. De filosofen Pythagoras, Plato, Aristoteles en Plotinos gaan van deze opvatting uit. Intelligentie en wijsheid behoren volgens hen tot (de ziel of) de geest, en kunnen niet met stoffelijke kenmerken worden beschreven. Volgens Plato bestaat er een geestelijke wereld der Ideeën (archetypen) waarvan deze stoffelijke, tijdelijke wereld een afschaduwing is.
Ook René Descartes (wiskundige, filosoof) stelde dat geest en lichaam wezenlijk van elkaar verschillen: de geest is een zelfstandigheid en bestaat uit een ónstoffelijke substantie. Descartes beschouwde bewustzijn en zelfbewustzijn als geestelijke eigenschappen, die los staan van de hersenen:
'Cogito, ergo sum' - 'Ik denk na, dus ik besta.'
Klik hier voor een beschrijving van zijn gedachtengang hierover in zijn werk A discourse on method in deel IV.

Het Latijnse werkwoord 'cogitare' betekent: 'verzamelen'. Het houdt het volgende in: het verzamelen van feiten door ze waar te nemen en ze vervolgens in soorten in te delen door over hun betekenis na te denken.
Descartes formuleerde het zogenoemde 'lichaam-geest-probleem' en zijn filosofische benadering van dit onderwerp wordt het 'Cartesiaanse dualisme' genoemd. Voor zover hij inzicht had in de werking van de hersenen, beschreef hij op zijn wijze de interactie die er bestaat tussen geest en hersenen.
Klik hier voor een algemeen artikel over zijn filosofie en klik hier voor een filosofisch vraaggesprek over dit onderwerp.

Substantiedualisme wordt gekenmerkt door 'interactionisme': de geest is in staat invloed uit te oefenen op stoffelijke voorwerpen, zoals de hersenen; maar ook het omgekeerde is het geval.
Het lichaam-geestprobleem staat in het middelpunt van substantiedualisme als filosofie. Het behandelt de wisselwerking die er bestaat tussen geest en stof (zie in het menu: De wisselwerking tussen geest en hersenen).
Daarnaast heeft het betrekking op de onsterfelijkheid van de (ziel of de) geest, die immers in een sterfelijk lichaam huist. Daardoor worden de meeste theologieën gekenmerkt door het substantiedualisme: de geest (of de ziel) is onstoffelijk en onsterfelijk, en gaat na het afscheid van de stoffelijke wereld naar een geestelijke vorm van bestaan, waar een ontmoeting met overleden voorouders, met engelen en Gods heilige geest kan plaatsvinden.

terug naar de Inhoud

5. Eigenschapsdualisme (emergent materialisme)
Bij eigenschapsdualisme is het verschil tussen geest en stof gelegen in de onstoffelijke eigenschappen van levensvormen, die door de evolutie tevoorschijn kunnen treden. Dit houdt in dat geestelijke eigenschappen tot uiting komen in overeenstemming met de graad van complexiteit van die levensvormen.
Ook het leven in biologische zin wordt als een emergente eigenschap beschouwd (van Latijn 'emergere': opkomen, eruit voortkomen). Als voorbeeld kan de cel dienen, die uit veel verschillende biochemische moleculen is opgebouwd. De moleculen op zichzelf vertonen geen leven, maar de complexe wisselwerking ertussen zorgt ervoor dat de cel als geheel 'leeft' (zij vertonen stofwisseling, groei en vermenigvuldiging).
Het eigenschapsdualisme wordt vertegenwoordigd door bijvoorbeeld Teilhard de Chardin (paleontoloog, theoloog, jezuïet) en Jean Charon (natuurkundige). Zij nemen aan dat hoe meer de materie op een complexe wijze is georganiseerd, hoe meer de levensvormen geestelijke eigenschappen zullen gaan vertonen.

terug naar de Inhoud

6. Predikatief dualisme
Predicatief dualisme is een stroming in de filosofie, die geestelijke aanduidingen (predicaten) tegenover fysische aanduidingen stelt. Zij stelt dat de psychologie van het alledaagse bestaan met al haar geloof in en verlangen naar geestelijke aangelegenheden en zingeving, noodzakelijkerwijs moet worden beschreven wil men menselijke gedragingen kunnen begrijpen. Het feit dat over het onderwerp 'geest' wordt gesproken, maakt het onvermijdelijk dit als een verschijnsel te zien dat moet worden onderzocht.
Deze opvatting houdt in dat de aanduidingen van geestelijke onderwerpen en verschijnselen niet tot stoffelijke kunnen worden herleid. Geestelijke aanduidingen (zoals 'rationeel', 'emotioneel') zijn volkomen verschillend van stoffelijke (zoals 'atoom').
Predikaatdualisme staat tegenover predicaatmonisme, een eliminatief materialisme, dat stelt dat aanvankelijk bestaande aanduidingen zoals geest, ziel, geloof, denken en voelen vanzelf uit de taal zullen verdwijnen, doordat zij geen betrekking hebben op de werkelijkheid (die uitsluitend als stoffelijk wordt gezien).

terug naar de Inhoud


7. Geestkunde: monisme én dualisme
Geestkunde is in te delen als 'interactionistisch substantiedualisme'. De stoffelijke wereld is een schepping binnen de oneindigheid van de goddelijke algeest in de vorm van een goddelijke gedachte die vastheid heeft gekregen door verdichting van geestelijk licht en geestelijke warmte; de menselijke geest - het levende - is in die wereld geplaatst en kan leren zelfstandig met de - levenloze - stof om te gaan, waardoor die een geestelijke groei doormaakt. Er is een 'interactie' (wisselwerking) mogelijk; maar het is de geest die boven de stof staat, als die geest door ontwikkeling zelfstandig is geworden.

In feite houdt geestkunde beide standpunten in. Het al is voortgekomen uit geest (monisme), maar doordat de geestelijke eigenschappen - licht en warmte - in verschillende toestanden van dichtheid kunnen voorkomen, zijn er wel meerdere werelden mogelijk die duidelijk van elkaar zijn te onderscheiden (dualisme). In al die werelden bevinden zich geesten, die zich op verschillende trappen van ontwikkeling bevinden. Daardoor is er in deze stoffelijke wereld een onstoffelijke geest, die zich in een stoffelijk lichaam bevindt. Maar uiteindelijk zijn beide uit één bron afkomstig: uit het licht en de warmte van de goddelijke algeest. Alleen daardoor is er ook een wisselwerking (interactie) mogelijk.
Hierbij ga ik uit van mijn persoonlijke ervaringen met de werkelijkheid van de geestelijke wereld, van wat mij daar door mijn begeleiders is getoond en van wat mij door hen wordt ingegeven als ik in mijn stoffelijke vorm verkeer. Verder ga ik hierbij uit van overeenkomstige ervaringen van mystici; zij zijn a.h.w. degenen die (zij het vooraf) mijn bevindingen hebben getoetst en bevestigd, zoals een wetenschappelijke aanpak dat vereist.

De schepping van menselijke geesten en van stoffelijke deeltjes
De algeest vormde de menselijke geesten door in zichzelf geestelijk licht door te denken te verdichten tot bolvormige wolken en die goddelijke gedachten tot leven te brengen, door die liefdevol met geestelijke warmte te doorstromen. Bij de vorming van stoffelijke deeltjes verdichtte de algeest weliswaar ook het licht in zichzelf tot bolvormige wolkjes, die de bouwstenen (fermionen) van het heelal zijn, maar liet de warmte daar niet invloeien, maar verdichte los daarvan ook de warmte tot deeltjes: de krachtdeeltjes (bosonen). Doordat fermionen (bouwstenen) en bosonen (verbindende krachten) een wisselwerking vertonen, wordt een weefsel van deeltjes en krachten gevormd: de stof, waarmee God de stoffelijke schepping vorm gaf. Doordat deze licht- en warmtedeeltjes gescheiden bleven, vormen zij de levenloze bouwstoffen van het heelal.

Om de menselijke geesten als de lévende deeltjes van zichzelf de gelegenheid te geven een zelfstandig leven te verwerven, in de stoffelijke schepping als leerschool, plaatste de algeest een licht- en een warmtedeeltje van zichzelf in de wereld van de menselijke geest. Zoals één zaadje zich in de loop van jaren tot een oneindig aantal zaadjes vermenigvuldigt, ontstonden door eenzelfde vermenigvuldiging uit de oorspronkelijke eenvoud van die 'zaadvonkjes' de verschillende soorten en het oneindige aantal deeltjes, die nodig zijn om samen het hier zichtbare heelal te vormen.

Die aanvankelijke eenheidstoestand van het ene lichtdeeltje en het ene warmtedeeltje wordt in de natuurkunde een 'singulariteit' (vreemdheid) genoemd. Het is de geünificeerde toestand, de toestand die door de unificatietheorie wordt beschreven en waaruit door de veronderstelde 'oerknal' het hele heelal is onstaan. Het is een toestand waarin alle deeltjes nog een eenheid vormen en ook alle krachten één kracht zijn.

Bronnen:
Wikipedia
Oosthoek Encyclopedie (1976)
Sesam Encyclopedie (1977)
Freek van Leeuwen - Geestkunde (2012)


zie ook immanent en transcendent

terug naar de vragenlijst







^