God


God is de algeest als de éne geest, die alomtegenwoordig is en zich onbegrensd uitstrekt in de eeuwige oneindigheid.
De algeest doet zich aan het geestesoog voor als een oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte.
Door het geestesoog gezien wordt de algeest zoals gezegd gekenmerkt door alomtegenwoordigheid en daardoor door onbegrensdheid, oneindigheid. Door de eigenschap oneindigheid is er geen ruimte om de algeest heen. De algeest zelf is dus zonder ruimte, ruimteloos. Dat betekent dat er geen ruimte rondom de algeest is waar iets anders zou kunnen zijn, waar de algeest zelf weer uit zou kunnen zijn voortgekomen. Er is geen 'buiten de algeest' en er kan daardoor buiten de algeest geen oorzaak zijn, die zelf weer de bron is van de algeest. De algeest zelf is daardoor zonder oorzaak, oorzaakloos; met andere woorden, de algeest is de ene oerbron van het al, de algeest is één en ál.

Tijd is een stroom van gebeurtenissen, die in een ruimte plaatsvindt. Als er geen ruimte is, is er geen beweging en daardoor ook geen tijd mogelijk. Daardoor is er ook niet een tijd vóór de algeest, waarin de algeest er niet zou zijn geweest; noch kan er daardoor een tijd ná de algeest zijn, waarin de algeest weer in iets anders zou kunnen opgaan. De algeest wordt daardoor niet alleen gekenmerkt door ruimteloosheid, maar als gevolg daarvan ook door tijdloosheid. De algeest is niet alleen onbegrensd, maar ook eeuwig. De algeest wordt (vanuit de menselijke geest gezien) gekenmerkt door eeuwigheid en oneindigheid, de algeest is in wezen een 'eeuwige oneindigheid'.
Door die ruimteloosheid en tijdloosheid kan er zoals gezegd naast de algeest geen andere geest zijn. Het wezenlijke kenmerk van de algeest is daardoor, dat de algeest één is. Van de algeest is er maar één. De algeest is daardoor een volkomen zelfstandigheid. Maar daardoor moet de algeest alles in zichzelf overleggen en beslissen. Nooit kan de algeest bij iets of iemand anders te rade gaan. De algeest is daardoor ook volkomen zelfwerkzaam, volkomen uit zichzelf scheppend werkzaam.
Met andere woorden: vanuit de eigenschap alomtegenwoordigheid zijn de eeuwige oneindigheid, zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid als wezenlijke eigenschappen van de algeest te beschrijven en te begrijpen.

De goddelijke zelfwerkzaamheid van de algeest hangt samen met de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Door de alomtegenwoordigheid worden de geestelijke vermogens van de algeest gekenmerkt door alwetendheid (waarnemen), alwijsheid (denken), alliefde (voelen) en almacht (willen). God als de algeest heeft het al in zichzelf en is daardoor alwetend; God kan alles in zichzelf met elkaar verbinden en is daardoor de alwijsheid; door de alomtegenwoordigheid verbindt God alles met zichzelf en is daardoor alliefhebbend; doordat God de enige algeest is, heeft God als volkomen zelfstandige de vrijheid alles in zichzelf te voltrekken en is daardoor almachtig.

In de ongevormde oertoestand doet God als de algeest zich voor als de oneindige zee van geestelijk licht en geestelijke warmte. Overal in zichzelf kan de algeest zich verdichten tot een algeestvonk: het punt dat overal het 'algeestmiddelpunt' is. Met deze algeestvonk blijft de algeest volledig verbonden en deze vonk is daardoor de heilige algeestvonk: de eerst geschapen vorm. In deze gevormde toestand doet God als de algeest zich voor als de heilige geest, die aan de menselijke geest verschijnt in de vorm van de geestgedaante. Algeest en heilige geest zijn twee verschijningsvormen van één en dezelfde geest.
Deze heilige geest van God is door Maria heen met de naam Jezus in een lichaam op aarde geboren om zo het leven van de zich ontwikkelende algeestvonken, de menselijke geesten, zelf mee te maken, hen daardoor als een lichtend voorbeeld te kunnen onderwijzen en hen weer met zichzelf te kunnen verbinden.
De oorspronkelijke betekenis van het woord 'god' is: het aanbidwaardige.


terug naar de woordenlijst






^