aanleg


De aanleg is het geheel van eigenschappen waar de geest wel over beschikt, maar die nog tot ontwikkeling moeten worden gebracht om ze te kunnen gebruiken.
Doordat de menselijke geest door verdichting uit de algeest is ontstaan, is de menselijke geest een samenballing van hetzelfde geestelijke licht en dezelfde geestelijke warmte als de goddelijke algeest; de geest is daardoor in wezen een algeestvonk. Dat betekent dat alle eigenschappen die de algeest bezit, ook in de menselijke geest, maar in áánleg aanwezig zijn. Deze eigenschappen zijn de geestelijke vermogens: het vermogen om de dingen waar te nemen, ze te overdenken en te doorvoelen, en er vervolgens iets mee te willen doen. In de menselijke geest kan de werkzaamheid van de vermogens naar buiten zijn gericht in de vorm van de uitgekeerde instelling en naar binnen als de ingekeerde instelling.
Doordat deze vermogens als persoonlijke 'eigen-schappen' alleen die geest 'eigen zijn', is de geest zelf de énige zelfstandigheid, die er gebruik van kan maken. Geen enkele geest kan waarnemen met het waarnemingsvermogen van een andere geest om zo voor die andere geest iets waar te nemen. De ene geest kan wel de andere ertoe aanzetten het waarnemingsvermogen te gebruiken, maar die moet dan wel zélf besluiten dat ook te gaan doen. Eenzelfde overweging geldt voor de overige vermogens.

De geestelijke vermogens kunnen alleen tot ontwikkeling worden gebracht door ze bewust en beheerst te gaan gebruiken. Dat betekent dat ook uitsluitend en alleen de geest zélf de eigen vermogens, die aanvankelijk in aanleg aanwezig zijn, tot ontwikkeling kan brengen. De ene geest kan wel de andere aanmoedigen ze tot ontwikkeling te brengen door ze bewust en beheerst te gaan gebruiken - wat opvoeding wordt genoemd -, maar die moet dan zélf besluiten dat ook te gaan doen.
Dat betekent dat de enige manier waarop God als de goddelijke algeest de menselijke geesten - die als de algeestvonken uit en in God zijn geboren - kan opvoeden, is, door die geesten leerstof aan te bieden en aan hen vervolgens de vrije keuze te laten, die leerstof aan te nemen en er iets mee te doen. Die leerstof bestaat uit de ervaringen en wederwaardigheden, die door de tijd als stroom van gebeurtenissen op de geest toekomen. Besluit de menselijke geest die ervaringen met behulp van de eigen geestelijke vermogens te verwerken, dan wordt de geest door de levenservaringen van buitenaf ertoe aangezet naar eigen vrije keuze een bewust en beheerst gebruik te maken van de eigen vermogens en zodoende op eigen kracht de eigen aanleg te ontwikkelen.


terug naar de woordenlijst






^