algeestvonk


De menselijke geest is in wezen een vonk van geestelijk licht en geestelijke warmte, die door verdichting uit de goddelijke algeest is gevormd; de menselijke geest als algeestvonk bevindt zich in de goddelijke algeest en leeft daarin.
Aan het geestesoog doet de menselijke geest zich voor als een brandpunt, als een bolvormige wolk van licht en warmte, die uit het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de algeest door verdichting daarvan is gevormd. Door de verdichting uit de algeest is er geen grens tussen de algeest en de algeestvonk, maar er is een naadloze, geleidelijke overgang tussen de algeest, God, en de algeestvonk, de menselijke geest. Het is alleen door de toestand van onbewuste vereenzelviging met de omgeving op aarde, dat de menselijke geest zich van de eeuwige verbondenheid met God hier niet meer bewust is.
De menselijke geest als geestelijke zelfstandigheid wordt voortdurende door God gedacht en als goddelijke gedachte in de algeest vastgehouden en wordt voortdurend door Gods liefde doorstroomd en zo als zelfstandige eenheid in leven gehouden. De goddelijke algeest wil de menselijke geest voortdurend denken en met Gods liefde belevendigen, omdat de menselijke geest als Gods godenkind de meest wezenlijke uitdrukking is van Gods denken en voelen over zichzelf als vadermoeder.

De betekenis van het begrip 'algeest-vonk' geeft het wezenlijke van de menselijke geest weer: die is uit en in de goddelijke algeest. Wij zijn de algeest-vonk en tot die toestand behoren niet alleen alle menselijke geesten, maar ook Gods heilige geest, die zo'n zelfde algeestvonk is en die in de persoon van Jezus persoonlijk bij de mensheid op aarde is geweest.

Wij als menselijke geest zijn allen algeest-vonk: persóónlijk en gemeenscháppelijk tegelijk.
Er is alleen een verschil in nadruk, bij God, Gods heilige geest en Gods engelen ligt de nadruk op de álgeest, bij de menselijke geest ligt de nadruk op de vónk.


De volgende teksten beschrijven deze toestand:

1. Jakob Lorber, Jeugd van Jezus, Inleiding
In de tijd tot mijn dertigste jaar leefde Ik zoals iedere andere welopgevoede jongeman;
ook Ik moest, door mijn leven in te richten volgens de Wet van Mozes, eerst het goddelijke in Mij opwekken, net als iedere mens Mij in zichzelf tot leven moet wekken. (de zelfbewustwording)
Zo goed als ieder ander moest ook Ikzelf beginnen met aan een God te geloven, waarna Ik Hem in alle denkbare zelfverloochening steeds meer heb moeten omhelzen, en met steeds sterker wordende liefde Mij aldus geleidelijk aan volkomen aan de Godheid heb moeten onderwerpen.
Op die wijze was Ik, als de Heer Zelf, een levend voorbeeld voor iedere mens, en daarom kan iedere mens Mij nu dus op dezelfde wijze aantrekken als Ikzelf in Mij de Godheid heb aangetrokken,

en kan hij door de liefde en het geloof zelfstandig evenzo volledig één worden met Mij, als ikzelf als Godmens in alle grenzeloze volmaaktheid één ben met de Godheid. (de hereniging)

2. Johannes 17:21-23
17:21 Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
17:22 En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
17:23 Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één ...

3. Uyt der diepten quamt ghy

Ick meende oock de Godheyt woonde verre,
In ene troon, hoogh boven maen en sterre,
En heften menighmael myn oogh
Met diep versuchten naer om hoogh;
Maer toen ghy u beliefden t'openbaren,
Toen sagh ick niets van boven nedervaren;
Maer in den grondt van myn gemoet,
Daer wiert het lieflyck ende soet, daer
quamt ghy uyt der diepten uytwaerts dringen.
En, als een bron, myn dorstigh hart bespringen,
Soo dat ick u, o Godt! bevondt,
Te zyn den grondt van mynen grondt
.

Dies ben ick bly dat ghy myn hoogh beminden,
My nader zyt dan al myn naeste vrinden.
Was nu alle ongelykheyt voort,
En 't herte reyn gelyck het hoort, geen
hooghte, noch geen diepte sou ons scheyden,
Ick smolt in Godt, myn lief; wy wierden beyde
Een geest, een hemels vlees en bloedt,
De wesentheyt van Godts gemoedt
,
Dat moet geschien. Och help getrouwe Heere,
Dat wy ons gantsch in uwen wille keeren.

Jan Luyken (1649-1712)

4. Ik ben de rank des Zoons

Ik ben de rank des Zoons, die Vader plant en voedt.
De vrucht die uit mij groeit, is God, de heilige Geest.

Angelus Silezius, mysticus (1624-1677)

5. 'Binnen jou zelf is de geest', die eeuwig in het nu is en aan jou zelf ter verwerkelijking blijft. Je bewustzijn ontwikkelt zich, al naar je de kracht van de geest verwerkelijkt (m.a.w. de geest is een bewuste kracht). Voel in je hart de macht van de geest. De mensheid wordt volwassen en zal zich bewust worden van de inwonende geest als de enige werkelijkheid. Je wil, gedachten en verstand worden in hun geheel door de heilige, onzichtbare geest geleid naar de kennis van alle waarheid.
De geest van de Vader 'woont in jou'. Het is dezelfde geest (dan kan de geest niet 'in mij' wonen, maar bén ik die geest) en geest is ondeelbaar. De ene geest openbaart zich in de veelheid, de veelheid in de ene (er is m.a.w. een veelheid van uitdrukkingsvormen van dezelfde geest, die 'ík onder andere bén'). Het heelal is niet verdeeld, het is één geheel. Je leeft niet alleen. Je denkt dat je (geheel) uit jezelf leeft, maar dat is een illusie, ontstaan door de zintuigen. Het leven is ondeelbaar. Aan de wortel is er dat ene leven, dat voortvloeit uit die ene bron, de ene geest, die zich in alles uitdrukt. De Heer je God is één en dat is de oneindige geest in heel de mensheid.

Murdo McDonald-Bayne - Goddelijke heelmaking van ziel en lichaam

terug naar de woordenlijst






^