bestaansangst


De geest gaat op aarde door de geboorte in een stoffelijke levensvorm over, het lichaam. Het lichaam is een afbeelding van de eigen geestgedaante, waar de geest zich hier echter niet meer bewust van is. Door onbewuste vereenzelviging met het lichaam moet de geest echter bepaalde wérkingen, aandriften van het lichaam ervaren, zoals honger en dorst. Door het meemaken van honger en dorst kan de geest in een heftige gemoedsaandoening komen te verkeren. De gemoedsgesteldheid is echter een gesteldheid van de geest zelf. De heftigheid van de gemoedsgesteldheid heeft tot gevolg, dat de geest zichzélf gaat beleven. Daardoor wordt de geest zich langzamerhand bewust van de aanwezigheid van zichzelf in zijn eigen binnenwereld.

Door de onbewuste vereenzelviging met het kwetsbare lichaam is de allerdiepste gemoedsaandoening angst. Het is bestaansangst als de angst om het lichaam en voor het eigen gevoel daarmee ook het eigen bestaan (zie aldaar) te verliezen. Door de onbewuste vereenzelviging is deze angst de angst om als persoon ook zélf dood te gaan, op te houden te bestaan, vernietigd te worden. Die angst drijft de geest aan het lichaam te behouden en voedsel en drinken te gaan zoeken, wat de drift tot zelfbehoud is. Doordat de geest zo uit innerlijke noodzaak gedwongen wordt de geestelijke vermogens te gaan gebruiken om in zijn lichamelijke behoeften te kunnen voorzien, wordt de geest werkzaam. Zo wordt de geest door angst ertoe aangezet zélf de geestelijke vermogens bewust en beheerst te gaan gebruiken en zo zichzelf te ontwikkelen.

De drift tot zelfbehoud heeft echter zelfgerichtheid, zelfzucht tot gevolg. Alle anderen worden door deze drift tot mededingers. In de toestand van onbewuste vereenzelviging zijn alle menselijke geesten bij voorbaat bang voor elkaar. Tegenover hen kan de angst overgaan in wedijver, achterdocht, boosheid en woede, wat uit kan monden in geweld om de bevrediging van de eigen driftmatige behoeften veilig te stellen.
De anderen worden mededingers doordat voor het eigen gevoel ook zij er immers op uit zijn naar bevrediging te streven en hun leven en bezit veilig te stellen. De anderen moeten dus worden overheerst om zelf veilig te kunnen zijn. Zo ontstaat er heerszucht als een streven om macht over anderen te kunnen uitoefenen. De anderen verkeren echter in dezelfde toestand, wat de oorzaak is van strijd.
Door het hierdoor ontstane geweld en de vernietiging van anderen door moord en doodslag, moet de gewelddadige geest de angst en het leed meebeleven, dat hij of zij de ander aandoet, doordat het niet alleen zichzelf kan overkomen, maar het ook al de zijnen overkomt waarmee hij of zij is vereenzelvigd. Daarin herkent de geest waar hij of zij zelf bang voor is en zelf ook zou kunnen meemaken. Daardoor ontstaat langzaam maar zeker, bestaan na bestaan gedurende miljoenen jaren, schuldgevoel, wroeging, het bij zichzelf te rade gaan wat anderen door eigen gedrag is aangedaan. De mens gaat daardoor over zijn daden nadenken en ze doorvoelen: "Waar ik zelf bang voor ben, de dood, dat doe ik anderen aan!". Waardoor geleidelijk het geweten wakker wordt en de drift tot zelfbehoud wordt omgevormd in geestdrift, in liefde voor de naaste.


terug naar de woordenlijst






^