het zich bewust zijn

(meestal genoemd 'het bewustzijn')

Het wederkerende werkwoord 'zich bewust zijn' heeft als zelfstandig naamwoord 'het zich bewust zijn'. In de Angel-Saksische literatuur gebruikt men echter het - van het Latijn afgeleide - woord 'consciousness', met de betekenis: 'medeweten', 'bewustzijn'. Door de invloed daarvan is in het Nederlands het wederkerende voornaamwoord 'zich' uit het zicht verdwenen, maar daarmee ook de verwijzing naar het ónderwerp van de zin: 'de persoon, die zich bewust is'.
Het 'zich bewust zijn' is een toestand van de persoon en die persoon is de menselijke geest; het is daardoor een geestestoestand. Het is een geestestoestand van wetend zijn, van weet hebben van, van kennen; en de geest kan in die wetende toestand komen te verkeren door gebruik te maken van het vermogen 'waar te nemen'. Het werkwoord 'weten' hangt etymologisch samen met het Latijnse 'videre', dat 'zien' betekent en met andere woorden met: waarnemen. De geest komt in de geestestoestand van 'zich bewust zijn' te verkeren, door bewust gewild - op willekeurige wijze - een onderwerp waar te nemen door zich er aandachtig voor open te stellen.
(De geest kan ook op een onwillekeurige wijze in die toestand komen te verkeren, namelijk door lijdzaam bepaalde zintuiglijke gewaarwordingen te ondergaan, bijvoorbeeld pijn of harde geluiden.)

In de geestelijke wereld is zichtbaar dat de menselijke geest een vorm heeft; voor het geopende geestesoog doet de geest zich voor als een bolvormige wolk van geestelijk licht en geestelijke warmte. Dat licht en die warmte kunnen in twee, tegenovergestelde toestanden voorkomen: een doordringbare, vormbare en een zelfvormende, doordringende toestand.
Met die vormbare en zelfvormende eigenschappen van dat licht en die warmte hangen de geestelijke vermogens samen: waarnemen is vormbaar licht, denken zelfvormend licht, voelen vormbare warmte, willen zelfvormende warmte. Voortdurend is de menselijke geest binnen zichzelf als die bolvormige wolk werkzaam door de dingen om zich heen waar te nemen, ze te beoordelen door ze te overdenken en te doorvoelen, en in aansluiting daarop er iets mee te willen doen.

De geest als die bolvormige wolk bevindt zich overdag op de plaats van het voorhoofd. Als de menselijke geest zich - vanuit zichzelf als die bol - wil uitspreken, dan drukt die de in zichzelf gevormde gedachten als lichtbeelden op de hersenschors af; door de hersenen, de zenuwbanen, de stembanden en de mond heen komen deze gedachten dan naar buiten toe tot uitdrukking: zij 'klinken doorheen' de mond (zie hiervoor de pagina 'Wisselwerking tussen geest en hersenen' in het menu). De bron van wat er zo door de mond heen tot klinken komt, is de menselijke geest en die is daarmee ook datgene, wat 'de persoon' (van 'per-sonare', er doorheen klinken) wordt genoemd.
Het omgekeerde gebeurt door waarnemen. Door waar te nemen, neemt de geest, de persoon, het waargenomene als een beeld in zich op (zie de boven genoemde pagina), dat daardoor binnen de geest een lichtbeeld wordt, een waarnemingsbeeld. Dat is de tóestand waarin 'de geest zich bewust wordt' van het waargenomene. M.a.w. het 'zich van iets bewust zijn' is een tóestand van 'wetend zijn', waarin de geest komt te verkeren als die zijn waarnemingsvermogen gebruikt. Het 'zich bewust zijn' of 'wetend zijn' is een geestestóestand. Het is niet een aanwijsbare zelfstandigheid, niet een wezen. Het 'wezen' als 'dat, wat is', is de géést.
Door echter het wederkerende voornaamwoord 'zich' weg te laten uit 'het zich bewust zijn' verdwijnt ook de geest zelf uit het zicht - terwijl 'het zich bewust zijn' alleen een éigenschap van de geest kan zijn. Alleen de géést kan 'zich van iets bewust zijn'.

Door dat grammaticaal onjuiste woordgebruik lijkt het alsof het bewustzijn op zich een zelfstandigheid zou zijn, die ook zelf iets zou kunnen doen; want door gemakshalve 'zich' weg te laten, dat terugverwijst naar het onderwerp in de vorm van de handelende persoon, wordt deze verhouding niet meer gezien. Die handelende persoon is altijd de geest zélf (de persoon). Het is daardoor alleen de géést die in zichzelf een wilshandeling kan uitvoeren met een van de vermogens.
De geest 'kan zich iets herinneren', maar is niet zelf 'de herinnering' of de geest 'kan iets bedenken', maar is niet zelf 'de gedachte'; en daarmee overeenkomend: de geest 'kan zich van iets bewust zijn', maar is niet zelf 'het bewustzijn'.
Het 'zich bewust zijn' is als geestestoestand een gevolg van het waarnemen, zoals een gedachte een gevolg is van het denken. Door waar te nemen vormt de geest ín zich een toestand van 'zich van iets bewust zijn' als gevolg van het waarnemen, zoals de geest door te denken in zich een gedachte vormt als gevolg van het denken.
De werkzame geest die het waarnemingsvermogen gebruikt om zich van iets bewust te worden, om van iets weet te krijgen, is de oorzaak van de daarop volgende geestestoestand van 'zich van iets bewust te zijn', van iets weet te hebben gekregen. Die geestestoestand - die dus ook wel tot 'bewustzijn' wordt afgekort - is het gevolg van de voorafgaande geestelijke werkzaamheid, het waarnemen.
Maar door onwetendheid van die werkzaamheid wordt de oorzaak niet gezien, alleen het gevolg. Op het gevolg wordt nu alle aandacht gericht... maar als men de oorzaak niet kent, wordt het gevolg iets onbegrijpelijks.

Als de menselijke geest werkzaam wordt door de vermogens te gebruiken, dan brengt de geest door waar te nemen zichzelf in een waarnemende toestand, waardoor de geest een 'waarneming' doet en zo 'zich van iets bewust wordt'. Als de geest gaat denken dan brengt de geest zichzelf in een denkende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'denking' verricht en zo een 'gedachte' vormt. Als de geest gaat voelen dan brengt de geest zichzelf in een voelende toestand, waardoor de geest in zichzelf een 'voeling' tot stand brengt en zo een 'gevoel' laat vormen. Als de geest gaat willen dan brengt de geest zichzelf in een willende toestand, waardoor de geest een 'willing' (wilshandeling) tot stand brengt en zo een 'wilsbesluit' gaat uitvoeren.
Met andere woorden: het 'zich bewust zijn' is in wezen een geestestoestand van 'waarnemend zijn'; het is een toestand waarin de geest komt te verkeren door te 'willen waarnemen'.

In sommige levensbeschouwingen wordt 'het bewustzijn' als een zelfstandigheid gezien en wordt wel gesteld dat 'het bewustzijn voelt' of dat 'het bewustzijn wil'. Als wordt gezegd dat 'het bewustzijn voelt' en de toestand van 'bewustzijn' een gevolg is van het vermogen waar te nemen, dan moet het daarmee overeenkomend ook mogelijk zijn om te zeggen dat 'de gedachte voelt'. Dit is echter een onmogelijkheid. Alleen de géést is in de binnenwereld de werkzame zelfstandigheid die iets kan doen met behulp van de geestelijke vermogens, onder andere 'zich van iets bewust worden' door iets waar te nemen en gedachten vormen door te denken.

Het verschijnsel dat over 'het bewustzijn' als een werkzame zelfstandigheid wordt gesproken, ontstaat door de toestand van onbewuste vereenzelviging (zie aldaar). Daardoor vereenzelvigt de werkzame geest zich met de voortbrengselen van de eigen vermogens. Aandacht en toewijding gaan dan door overdracht over in de toestand 'zich van iets bewust te zijn'. Dát wordt nu als de werkzame eenheid ervaren, terwijl de geest zelf verborgen blijft achter de ervaringen of de kennis, waarvan op dat ogenblik de geest 'zich bewust is'. De bewústzijnstoestand wordt daardoor als de werkelijkheid ervaren en als een zelfstandigheid benoemd, alsof het de geest zelf was.
Door de onbewuste vereenzelviging vindt er ook een vereenzelviging plaats met de hersenen. Men gaat daardoor van de gedachte uit, dat de 'toestand van bewustzijn' een eigenschap van de hersenen is en ook dat er in dat orgaan een plaats moet zijn, waar de toestand van bewustzijn aan en uit kan worden gezet. Deze plaats is gevonden en het blijkt het 'claustrum' te zijn (naast de formatio reticularis in de hersenstam en de hypothalamus in de tussenhersenen).
Vreemd genoeg blijken de hersenen zelf nog wel werkzaam te blijven als het claustrum met behulp van stroom op kunstmatige wijze wordt uitgezet! Men beseft niet dat er door deze kunstmatige ingreep slechts een gedeeltelijke uittreding wordt opgewekt, waarbij de geest nog wel gedeeltelijk met de hersenen blijft verbonden, wat de oorzaak is van de overgebleven werkzaamheid in de hersenschors, zoals dat bijvoorbeeld bij de droomtoestand en bij anaesthesie ook het geval is.
Klik hier voor een artikel over dit onderzoek.

Ook wordt in de literatuur wel gesproken over: 'een inhoud van het bewustzijn'. Het 'zich van iets bewust zijn' is echter een geestestoestand en een toestand kan niet iets bevatten. Wat gebeurt is, dat de geest door waar te nemen het eigen geestelijke licht openstelt en daardoor het waargenomen onderwerp 'in zich opneemt'. Doordat het onderwerp zich in de geest heeft kunnen afdrukken en het een inhoud van de geest is geworden, is de geest zich er bewust van geworden, heeft de geest er weet van gekregen.
Er kan wel afgekort over 'het bewustzijn' worden gesproken als maar steeds wordt beseft, dat het een geestestoestand is, waarin de géést door waar te nemen weet van iets heeft gekregen.

De discussie over het 'bewustzijn' is vergelijkbaar met de 'flogistontheorie' die in de Middeleeuwen speelde.
De middeleeuwse mens begreep het verschijnsel vuur nog niet. In een poging dit verschijnsel te verklaren, ontwikkelde men de flogistontheorie, letterlijk de ontstekingstheorie. Er moest een brandveroorzakende stof aanwezig zijn in brandbare materialen, die men flogiston noemde. Ook daar zijn vele boeken door veel geleerden over volgeschreven.
Totdat Lavoisier vond dat de vuurverschijnselen werden veroorzaakt door zuurstof uit de lucht. Hij vond dat iedere brand werd gedoofd door het brandende voorwerp van de lucht af te sluiten met een glazen stolp. Hij bewees daarna dat het zuurstof uit de lucht moest zijn dat bij voldoende hitte een chemische reactie veroorzaakte met de brandbare stof en dat dat de oorzaak was van de vuurverschijnselen. De vlammen die daarbij worden gezien, zijn in feite hete gassen, die licht uitstralen.
Maar voordat men dit wist, richtte men alle aandacht op de brandbare stof zelf, terwijl men de oorzaak, de zuurstof in de lucht, niet zag. Zo zien heden ten dage de bewustzijnonderzoekers niet de waarnemende geest, die aan de geestestoestand 'zich van iets bewust zijn' voorafgaat.

Dit stuk is een antwoord op het artikel Het bewustzijn als illusie uit de serie 'De Volmaakte Mens'.


terug naar de woordenlijst






^