bezetenheid (psychose)


Om inzicht te kunnen verkrijgen in het wezen van de bezetenheid, is het noodzakelijk het onderscheid te kennen dat bestaat tussen geest, ziel en lichaam, en tevens hun onderlinge wisselwerking te begrijpen.
De menselijke geest is niets meer of minder dan een bewuste kracht, die weliswaar onzichtbaar is, maar een volstrekte zelfstandigheid bezit. De geest is de bewuste levenskracht, die de oorzakelijke kracht is achter de woorden, die je uitspreekt en de handelingen, die je uitvoert. De geest is de bewuste kracht, die zichzelf aanduidt met het woord 'ik'.
De geest beschikt over de geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen. Het enige wat je in feite kunt en ook de hele dag door doet, is het waarnemen van je zintuiglijke gewaarwordingen en de ervaringen die je opdoet, het beoordelen van die ervaringen door ze te overdenken of te doorvoelen, en daarna het door middel van de wilskracht uitvoeren van de redelijke en zedelijke besluiten, die je door te denken en te voelen hebt gevormd.
Je bent als geest aanwezig in je ziel, je inwendige wereld. Je kunt jezelf in je ziel als bewuste kracht ervaren door tegen jezelf te spreken. Buiten je mond en buiten je oren om, vorm je dan je woorden, als een uitdrukking van je gedachten en gevoelens, en neem je ze zelf onmiddellijk waar. Je ziel is een inwendige ruimte, een vormbare krachtruimte die je van jezelf uitstraalt; die uitstraling is een overdrachtsmiddel tussen het lichaam en de geest. De geest als kracht kan door middel van de vormbare krachtruimte van de ziel inwerken op het lichaam, in het bijzonder op de hersenschors (zoals ook de zwaartekracht inwerkt op een stoffelijk voorwerp), terwijl omgekeerd de zintuiglijke gewaarwordingen vanuit de hersenschors worden omgezet in ermee overeenkomende 'voorstellingen' in de ziel, die daar 'voor de geest worden gesteld', en daar als 'voorstelling' door de geest worden waargenomen.

Het lichaam is letterlijk het 'vlees-hemd' ('lic' is vlees, 'haam' is hemd). Het is het stoffelijke omhulsel, waarmee ziel en geest in een gebied in de hersenen (in het voorhoofd) zijn verbonden. Het is aan de ene kant het werktuig, waarmee de geest ervaringen opdoet in het dagelijkse bestaan d.m.v. de zintuigen, die die ervaringen doorgeven aan de ziel, waar ze door jou worden waargenomen; het is aan de andere kant het werktuig, waarmee de geest zijn wilsbesluiten kan omzetten in handelingen door de spieren ervan in beweging te brengen.
Bijvoorbeeld: op het netvlies van je oog valt het beeld van een boom. Het netvlies vormt dit beeld om in zenuwprikkels, die door de oogzenuw naar het achterste gedeelte van de hersenschors worden geleid. Deze prikkels eindigen in de buitenste cellen van de schors, die het bijzondere vermogen hebben deze prikkels om te zetten in een met de uiterlijke boom overeenkomend magnetisch veld, dat een beeld vormt in de vormbare krachtruimte van je ziel, de inwendige wereld. Ook jij als de geest bevindt je in de ziel, en jij neemt nu dit inwendige beeld van de uiterlijke boom waar, waardoor je je er bewust van wordt. Je ziet niet onmiddellijk de uiterlijke boom, maar je ziet de boom door middel van je zintuigen en je ziel. Het is alleen door jouw onbewustheid van dit gebeuren, dat je meent dat je oog de boom ziet. Je begint je bestaan namelijk in een toestand, dat je onbewust bent van het bestaan van jezelf als de zelfstandige geestkracht, waardoor je je onbewust met je lichaam - en daardoor ook met het oog - vereenzelvigt.

In je ziel, na het waarnemen van het beeld van de boom, ga je nu bijvoorbeeld de eigenschappen van de boom met je denken beoordelen. Dat denken is een ontledende, vergelijkende en samenvattende geestesarbeid, die je verricht aan de inhouden van je ziel. Je vormt hierdoor van de boom een verstandelijke beoordeling, die je bijvoorbeeld doet besluiten dat je de boom nader wilt gaan bekijken om het soort ervan vast te stellen.
Je bent nu als geest in staat om dat verstandelijke besluit: "Ik wil de boom bekijken", op het voorste gedeelte van je hersenschors af te drukken, waar zich de gebieden bevinden die te maken hebben met de beweging van het lichaam. Je bent als geest in staat om de cellen ervan te beïnvloeden, te prikkelen, waarna die prikkels over de ermee verbonden zenuwbanen naar die spieren lopen, die je benen de loopbeweging laten maken. Je lichaam, jou als geest met zich meevoerend, beweegt zich dan naar de boom, waarna je je volgende besluit kunt gaan uitvoeren door je ogen naar de kenmerken van de boom te richten, waarna je kunt waarnemen en vaststellen, tot welke soort de boom behoort.
Heb je dit door te denken vastgesteld, dan ben je in staat om dit verstandelijke oordeel op dezelfde wijze op je spraakcentrum af te drukken, wat tot gevolg heeft dat die spieren van je spraakorganen in beweging komen, die dat oordeel omvormen in klanken, woorden, die een uitdrukking zijn van het oordeel.
Met andere woorden, de gewaarwordingen van je zintuigen kunnen door de hersenschors in de ziel tot een gewaarwordingsbeeld worden omgevormd; die ervaring kan door jou als de geest met behulp van je vermogens worden waargenomen en verwerkt tot een besluit; dat besluit kan door jou als geest weer met de wilskracht op de hersenschors worden afgedrukt, waarna je lichaam in beweging wordt gebracht om aan het besluit uitvoering te geven.

Je begint dit bestaan door wedergeboorte, waarbij je als ontwikkelde geest vanuit de geestelijke wereld opnieuw afdaalt in een levensvorm in de stoffelijke wereld, om er opnieuw ervaringen op te doen voor je verdere ontwikkeling. Door de onderdompeling in het stoffelijke vergeet je je afkomst uit de geestelijke wereld en je geestelijke zelfstandigheid. Doordat je niet jezelf kent, maar door de indrukken die de uiterlijke wereld op je zintuigen maakt, wel de stoffelijke wereld, verkeer je als geest in een aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging met je lichaam en de inhouden van je ziel. Je verkeert daardoor in de mening, dat je je lichaam bent. Er is aanvankelijk immers niets, dat jou je geestelijke bestaan bewust zou kunnen maken door de aandacht op jezelf als geest te richten. Pas later kun je je, door zelfbezinningsoefeningen en gebed, bewust worden van jezelf als de menselijke geest.
Je treedt dit stoffelijke bestaan binnen als in een school, waar je ervaringen kunt opdoen in het dagelijkse bestaan; ervaringen, die je kunt verwerken met je geestelijke vermogens, waardoor jouw beheersing over je vermogens toeneemt. Dit betekent geestelijke ontwikkeling. Het peil dat je hebt bereikt is blijvend; in de loop van je wedergeboortes verlies je alleen steeds de opgedane kennis, maar niet de graad van ontwikkeling van je vermogens.
In de begintoestand verkeren je vermogens in een toestand van onbewustheid en onbeheerstheid. Het verloop van je geestelijke verwerking is dan het ogenblikkelijke op elkaar volgen van de zintuiglijke gewaarwording, de innerlijke voorstelling ervan, de onbeheerste gemoedsaandoening die ermee kan samenhangen en de daarop volgende aandrift tot handelen, de begeerte. In die toestand wordt de menselijke persoon min of meer gekenmerkt door een grondtoestand van zelfzucht, waar heb- en heerszucht uit voort komen.
Heb je als geest een langdurige ontwikkeling meegemaakt, met veel tussenstappen, dan kun je de geestelijke verwerking leren beheersen. In de eindtoestand, die van het bewuste en beheerste waarnemen, denken, voelen en willen, in evenwicht met elkaar, schenkt het waarnemingsvermogen je dan schoonheidszin, het denken wijsheid, maakt het voelen je liefderijk, terwijl het willen je ondernemingszin geeft. Het vermogen je vermogens naar buiten te keren verleent je een instelling van gemeenschapszin, het vermogen ze op jezelf te richten zelfbezonnenheid.

Dit is de zin en de betekenis van het alledaagse bestaan in deze stoffelijke wereld, als zijnde een leerschool voor de menselijke geest. In deze school zitten we allen in één klas, waardoor de hoogst ontwikkelde geest de buur kan zijn van de laagst ontwikkelde. In de geestelijke wereld, vóór de geboorte en na het overlijden, gebeurt in overeenstemming met de ontwikkeling het volgende. De geest beweegt zich, door de ontwikkelingsarbeid op aarde aan zichzelf, van onder naar boven door zeven duistere sferen of geestelijke 'gebieden', gebieden van onbewustheid en onbeheerstheid (de 'hellen') en door zeven lichte geestelijke gebieden, gebieden van zelfbewustzijn en zelfbeheersing (de 'hemelen'). Er zijn daar in grote lijnen veertien klassen. De aardse toestand is een tussengebied, tussen de hellen en hemelen in.
Alleen op aarde is de geest belichaamd; in de duistere en lichte gebieden is de geest onbelichaamd en beweegt zich daar voort met behulp van zijn geestgedaante. De geesten uit de bovenste duistere en de onderste lichte gebieden kunnen naar de aarde toe komen en zich mengen tussen de geesten die daar wonen en die door de geboorte belichaamd zijn. Er bevinden zich op aarde een groot aantal belichaamde geesten, maar nog veel meer onbelichaamde geesten, zowel uit de lichte als uit de duistere gebieden, die onzichtbaar zijn voor de belichaamde geesten, de mensen op aarde.
De lichte geesten zijn hier om de mens te helpen in zijn strijd om het bestaan en om zijn geestelijke ontwikkeling aan te moedigen en te bevorderen; de duistere geesten echter zijn zich niet bewust van de zin van het aardse bestaan. Zij verkeren nog in de toestand dat zij onbewust zijn van zichzelf en onbeheerst, en onbewust van de geestelijke ontwikkeling die ook zij moeten doormaken; een onbewuste toestand, waarin zij worden gedreven zelfzucht: door lust en macht.

Vanuit de duisternis waarin zij zich bevinden, verlangen zij echter naar het licht en de warmte, die zij in vorige bestaanstoestanden op aarde hebben meegemaakt. Daardoor zijn zij, hoewel onbelichaamd, nog steeds aan de aarde en aan het stoffelijke bestaan gehecht. Door deze gehechtheid trachten zij zich te verbinden met dat bestaan, om het opnieuw te kunnen beleven. Dat kunnen zij echter alleen doen door het lichaam dat een belichaamde geest toebehoort, in bezit te nemen. De belichaamde geest komt daardoor in een toestand van 'bezetenheid' te verkeren: hij of zij wordt door de duistere geest 'bezeten', in bezit genomen.
De duistere geest kan dit echter alleen uitvoeren bij een mens, die om wat voor reden dan ook, in eenzelfde geestestoestand verkeert als hij of zij zelf, in het bijzonder wat betreft de gemoedstoestand. De duistere geest wordt aangetrokken door een met die geest overeenkomende gemoedstoestand van een ander door de wet: soort zoekt soort.
Wanneer bijvoorbeeld een mens kwetsende, onverwerkbare ervaringen heeft opgedaan in de jeugd, dan moeten die ervaringen worden verdrongen in dat deel van de ziel, dat het 'ontoegankelijke geheugen' wordt genoemd. Wat verdrongen werd, is echter niet verdwenen, ook al merk je er ogenschijnlijk niets meer van. Vanuit het geheugen beïnvloedt de verdrongen, ongunstige ervaring ongemerkt de gemoedstoestand in ongunstige zin. De gehele geestestoestand zal hiermee in overeenstemming zijn. Door het 'soort zoekt soort' zal de duistere geest zich hiertoe aangetrokken voelen en met zijn uitstraling de uitstraling van die mens willen doordringen, waardoor de toestand van bezetenheid ontstaat. Die toestand lijkt op die van de ingeving, maar de ingeving is in dit geval niet vrijblijvend, maar dwingend, overheersend, gewelddadig.

Verschijnselen die hierbij horen, zijn alle te begrijpen uit het feit dat een tweede geest (1), de duistere geest, zich tracht te verenigen met de uitstraling van de mens (3). Daardoor wordt de aanwezigheid van de oorspronkelijke menselijke geest in het lichaam en de beheersing die die geest over het eigen lichaam heeft door middel van de hersenen, verstoord. Dit komt in het bijzonder tot uiting in de beheersing over de vier geestelijke vermogens: het waarnemen, denken, voelen en willen, en in het vermogen deze naar buiten (gemeenschapszin) en naar binnen (zelfbezinning) te keren.
Doordat de geest met het lichaam verbonden is door middel van de hersenen, tracht de duistere geest nu ook bezit te nemen van de hersenen, om zo de stoffelijke wereld weer te kunnen ervaren. Daardoor wordt voor de oorspronkelijke menselijke geest de mogelijkheid om met zijn vermogens in te werken op de eigen hersenschors, verminderd, terwijl omgekeerd de zintuiglijke prikkels niet meer goed aan de menselijke geest kunnen worden doorgegeven. Dat heeft tot gevolg dat de gewaarwordingen en de in de ziel gevormde voorstelling ervan, niet meer goed, maar gebrekkig door de geest kunnen worden waargenomen en niet meer goed worden herkend, waardoor er sprake is van een toestand van een verminderd zich bewust zijn van de omgeving, van 'bewustzijnsvernauwing'.
Doordat ook het spraakcentrum in de schors alleen met moeite te bereiken is, valt het daardoor ook moeilijk om de gedachten goed onder woorden te brengen, waardoor het denken wordt vertraagd. Het gevoelsleven is daardoor niet meer goed tot uitdrukking te brengen, doordat dit moet gebeuren over de rechter schors, waardoor gevoelens niet op de gewone wijze in lichaamstaal kunnen worden uitgedrukt; het gezicht wordt een masker en het gevoelsleven vervlakt.
Ook de wilskracht kan niet meer goed op de schors inwerken, waardoor de bewegingen traag worden en de ondernemimgszin wordt geremd, met lusteloosheid als gevolg. De naar buiten gekeerde instelling van de vermogens in de vorm van de gemeenschapszin wordt geremd, waardoor mensenschuwheid en teruggetrokkenheid ontstaat, de naar binnen gekeerde instelling wordt bemoeilijkt, waardoor de zelfbezinning vermindert en er een gevoel van zelfvervreemding ontstaat.
(De toestand lijkt op die van de hypnose (z.a.). Bij de hypnose is door de invloed van de hypnotiseur een gedeelte van de geestgedaante uitgetreden uit het lichaam, met name uit het hoofd. Het hoofd van de geestgedaante wordt door de hypnotiseur scheef gehouden, waardoor de gehypnotiseerde persoon de macht over de hersenschors en daardoor over het lichaam verliest, en de hypnotiseur die macht over kan nemen. Er ontstaat een tussentoestand, doordat de hersenschors zich in de uitstraling van beide geesten bevindt. Daardoor kan de gehypnotiseerde nog wel naar de hypnotiseur luisteren en diens bevelen opvolgen; ook kan die opdrachten ontvangen in in het geestelijke gedeelte van het geheugen opslaan om ze later uit te voeren.)
De inbezitnemende geest (1) is nu in staat eigen gedachten en gevoelens (2) op de menselijke geest (3) over te brengen. De gedachte wordt in de uitstraling van de menselijke geest overgebracht en daarmee wordt dwingend de aandacht van de menselijke geest getrokken. Die hoort de vreemde gedachte met het geestesoor als een vreemde stem, die in de eigen binnenwereld inbreekt (het 'horen van stemmen') en iets tegen de persoon zegt.

De geestestoestand van bezetenheid kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door onverwerkte, de persoonlijkheid kwetsende, ontmoedigende en vernederende, verdrongen jeugdervaringen en de daarmee verbonden boosheid. Van die onevenwichtige toestand maakt de duistere geest misbruik. De genezing moet in dat geval worden gezocht in het opheffen van de verdringing, de bewustwording van de boosheid en de verwerking hiervan, door deze ongunstige gemoedstoestand in evenwicht te brengen door er een gunstige tegenover te stellen.
Dit is een moeizame weg, die kan worden begaan door eerst een verstandelijk begrip op te bouwen voor de achtergronden van diegenen, die zich kwetsend gedroegen, om daarna te trachten een gezindheid van vergeving te kweken door te beseffen, dat alleen wie zelf ongelukkig is, ongelukkig kan maken. Wat verder bevorderlijk is voor de verwerking, is het zien van dit stoffelijke bestaan in het licht van de geestelijke ontwikkeling, het licht van de eeuwigheid, waardoor er een doelgerichtheid ontstaat, die noodzakelijk is om de gerichtheid op het verleden en de daardoor mogelijke verstarring van de ontwikkeling, te doorbreken.
Het uiteindelijke doel van deze ontwikkeling, die weer op gang wordt gebracht door jezelf als werk ter hand te nemen, is de hereniging, de hereniging van de menselijke geest met de goddelijke algeest. De weg begint bij jeugdmoeilijkheden, bij onopgeloste vraagstukken, ontstaan door onze onbewustheid en onbeheerstheid; maar zij leidt over bewustwording, bevrijding en zelfverwerkelijking naar de uiteindelijke, bewuste hereniging met onze bron, ons ware tehuis, waar wij eens, in een toestand van onbewustheid, die de oorzaak is van al onze moeilijkheden, van uit zijn gegaan.


terug naar de woordenlijst






^