de boom


De boom verenigt in zich de vier elementen van de schepping: het vuur van de zon met zijn warmte en licht voor de bladeren, dat de boom doet leven en groeien; de lucht waarin de boom met zijn bladeren ademt; de aarde waarin hij wortelt en die hem houvast geeft; en het water dat hem voedt.

De boom toont met zijn bladeren in de vier jaargetijden de vier levenstijdperken van al wat in de schepping leeft: in de lente geboorte en jeugd; in de zomer de volwassenheid; in de herfst ouderdom en overlijden; en in de winter het verblijf in de geestelijke wereld.

Door jaar in jaar uit bladeren te krijgen en ze weer te laten vallen, toont de boom de kringloop van het leven die door de tijdelijke en eeuwige wereld heengaat.

Een boom met zijn stam en kruin is ook een toonbeeld van de éne stam met zijn fractale kruin, waarvan de vele vertakkingen in het klein toch gelijkvormig zijn aan de ene stam; zo vormen zij een eenheid in verscheidenheid: een beeld van de wijze waarop de éne goddelijke algeest tot uitdrukking komt in de oneindige verscheidenheid van geschapen geesten, die alle de eigenschappen van de algeest in aanleg in zich hebben.

Wat de boom van zichzelf laat zien, is daardoor een zinnebeeld van het eeuwige leven.


terug naar de woordenlijst






^