eenheid van het al


De eenheid waar het al van uit is gegaan, is de geest. De geest is de bewuste levenskracht, die in de geestelijke wereld ervaarbaar is als een lichtende warmte. De geest is de scheppende kracht, die door de warmte als kracht werkzaam te laten zijn in zichzelf licht kan doen stralen. De geest is door die warmte een uit zichzelf stralende lichtbron.
Vervolgens kan de geest zichzelf als licht vorm geven als een innerlijk lichtbeeld, door verdichting en verdunning van het licht in zichzelf, waardoor bepaalde plaatsen in het licht helderder zijn dan andere. De geest is een beeldhouwer die niet buiten zich, maar in zichzelf een innerlijk lichtbeeld schept door zichzelf als scheppende vormkracht werkzaam te laten zijn.
De goddelijke algeest, binnen wie dit scheppende gebeuren in het begin plaatsvond, heeft de verdichting van de geschapen lichtbeelden stapsgewijs in zichzelf voortgezet tot die toestand van verdichting, die in het tijdelijke bestaan door de menselijke geest 'stof' wordt genoemd.
Stof is gestold licht dat is voortgekomen uit de warmte van de goddelijke geestkracht, waardoor stof een grote hoeveelheid kracht vertegenwoordigt (volgens Einstein is E=mc²: de energie E (warmte) in de stof is de massa m maal de lichtsnelheid c (licht) in het kwadraat, wat een groot getal is). Volgens de algemene Eenheidstheorie, die in de natuurkunde wordt uitgewerkt om de schepping vanuit één beginsel te verklaren, is dat ene beginsel: licht. Dat betekent dat de natuurkunde vanuit de stoffelijke wereld naar een eindpunt toewerkt, dat voor geestkunde juist het uitgangspunt is, het beginpunt: de goddelijke algeest als de bewuste kracht, die zich voordoet als een lichtende warmte.
De geest als lichtende warmte is de scheppende eenheid waaruit alles is voortgekomen en waarmee alles ook weer samenhangt als een eenheid.


terug naar de woordenlijst






^