huwelijk


Het woord 'huwelijk' is samengesteld uit de oude woorden 'huwen': de echtgenoten, en 'laika': heilig spel, heilige samenwerking.
Deze samenwerking tussen beide echtgenoten berust in wezen op de eigenschappen van de geestelijke vermogens. De menselijke geest is namelijk een eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende tegendelen. De grondslag van deze tegendelen is het verschijnsel, dat het geestelijke licht en de geestelijke warmte van de geest zich in twee, tegenovergestelde toestanden kan bevinden. In de ene toestand zijn het licht en de warmte in een ontvankelijke, doordringbare en daardoor vormbare toestand, wat de vrouwelijke toestand is; in de andere toestand zijn het licht en de warmte in een zelfvormende, doordringende toestand, wat de mannelijke toestand is.
Met deze grondeigenschappen hangen de geestelijke vermogens samen, het waarnemen, denken, voelen en willen. Door het eigen licht in een vormbare toestand te brengen, neemt de geest waar; door het eigen licht in de zelfvormende toestand te brengen, denkt de geest; door de eigen warmte in de vormbare toestand te brengen, kan de geest meevoelen; door de eigen warmte in de vormende toestand te brengen, wil de geest.
De geest kan de werkzaamheid van de vermogens op zichzelf richten en op de personen met wie een persoonlijke band bestaat: de ingekeerde instelling; en de geest kan de werkzaamheid op de wijde buitenwereld richten: de uitgekeerde instelling.
Het waarnemen, voelen en de ingekeerde instelling zijn de vrouwelijke vermogens; het denken, willen en de uitgekeerde instelling zijn de mannelijke vermogens. Deze vermogens kunnen alle door de geest zelf tot ontwikkeling worden gebracht en vormen dan in de geest de eenheid van elkaar aanvullende en met elkaar samenhangende tegendelen: het denken en voelen, het waarnemen en willen, en de ingekeerde en uitgekeerde instelling. Dat betekent dat de geest zelf in wezen een huwelijk is van mannelijke en vrouwelijke vermogens.
Het verschijnsel 'huwelijk' is daardoor de uitdrukking van de vermogens als de wezenlijke eigenschappen van de geest. Met andere woorden: het verschijnsel huwelijk ligt verankerd in de aard van de geest zelf. Het evenwichtige, gelukkige huwelijk is gegrondvest op het innerlijke, geestelijke evenwicht tussen de vermogens in de geesten van beide partners.


God als man en vrouw,
als tweelinggeesten
Daarnaast zijn er mannelijke en vrouwelijke geesten. In de vrouwelijke geest is de volgorde van de vermogens: waarnemen, vóelen, denken en willen; in de mannelijke geest is de volgorde: waarnemen, dénken, voelen en willen. Mannelijke en vrouwelijke geesten beschikken beiden over álle vermogens, alleen de vólgorde van werkzaamheid is anders: bij de mannelijke geestelijke werkzaamheid valt de nadruk op het denken, bij de vrouwelijke op het voelen. De evenwichtige samenwerking van de vermogens bínnen de geest is een inwendig huwelijk, dat zich - als het goed is - naar buiten toe voortzet in het huwelijk tussen man en vrouw.
Het allereerste en eeuwige huwelijk is dat tussen het mannelijke en vrouwelijke in de goddelijke algeest. God is in wezen een tweelinggeest waarin beiden in een tijdloos, duurzaam huwelijk zijn verenigd. Uit het vruchtbare samenzijn binnen dat huwelijk is het al van de schepping voortgekomen, ook alle mannelijke en vrouwelijke geesten. In hen drukt dat goddelijke huwelijk zich uit in de vorm van de inwendige vermogens binnen de geest en het uitwendige geslachtsverschil tussen de mannelijke en vrouwelijke geest.

Het huwelijk is daarmee de grondslag van de schepping. Het is het oerbeeld van vruchtbare, scheppende werkzaamheid. Het is als oerbeeld ingeschapen in de menselijke geest. Het zal uiteindelijk tot vervolmaking komen als het eeuwige huwelijk van de beide tweelinggeesten: in de vorm van de bij elkaar behorende mannelijke en vrouwelijke geesten, die als broederzuster uit God als hun vadermoeder zijn geboren, als beiden hun ontwikkelingsweg hebben volbracht en volwassen geesten zijn geworden.
Met het goddelijke huwelijk is onlosmakelijk het goddelijke gezin verbonden; het goddelijke gezin als de gehele mensheid, de in wezen goddelijke kinderen van God als vadermoeder van allen. Ook het gezin is daarmee een oerbeeld zoals het huwelijk en is verankerd in de aard van de geest zelf als de voortbrengselen van de eigen, scheppende werkzaamheid van het denken en het voelen. Die voortbrengselen worden in de vorm van gedachten en gevoelens als 'kinderen' in de geest verwekt en uit de geest geboren in de vorm van uitspraken en handelingen.


terug naar de woordenlijst






^