inbeelding


De geest bevindt zich in de eigen binnenwereld temidden van de inhouden ervan: gedachten, kennis en ervaringen. Tegenover de meeste staat de geest zonder een uitgesproken oordeel, zij worden aanvaard als feiten. Over sommige andere inhouden heeft de geest een gunstig of een ongunstig oordeel. Sommige onaangename, onverwerkte ervaringen tracht de geest zo mogelijk van zich af te zetten en te verdringen, aan andere, aangename ervaringen of denkbeelden hécht de geest zich en daardoor wordt er juist naar gestreefd ze levendig voor de geest te houden.
Met het laatste hangt inbeelding samen. Inbeelding is het verschijnsel, dat de gehechtheid van de geest aan die aangename inhoud van de eigen ziel zich tot een bepaalde persoon in de buitenwereld gaat uitstrekken, zonder dat dit gebeuren door de geest wordt beseft. Dit verschijnsel kan ontstaan als de geest ernaar verlangt en daardoor het vermoeden krijgt, dat de aard van de ander die in de buitenwereld wordt ontmoet, in overeensteming is met het denkbeeld of de gedachtenwereld waaraan de geest zich heeft gehecht. Onbewust door die gehechtheid beïnvloed, méént de geest dan bij de ander iets waar te kunnen nemen, waardoor het vage vermoeden ontstaat dat de aard van de ander zodanig is, dat hij of zij in de belangstellingskring kan worden opgenomen.

Dit gebeurt doordat er door de houding of uitspraken van de ander een verlangen naar saamhorigheid wordt gewekt, dat echter onbewust uitgaat van de éigen wens (terwijl de ander zich van niets bewust is). Daardoor wordt die persoon niet gezien zoals hij of zij zelf ís, maar zoals wordt gewénst dat die persoon is. Door de gehechtheid beïnvloed wordt de persoonlijkheid van de ander niet gezien, waardoor de ander als het ware leeg is.
Door deze onbewust veronderstelde 'leegheid' van de ander kan, zonder dat de geest beseft wat er gebeurt, het lege beeld van de ander in de eigen binnenwereld met eigen verlangens, denkbeelden of gevoelens worden ingevuld. Dit heet inbeelding (Latijn 'introjectie', letterlijk: naar binnen werpen). Het gevolg is, dat de ander niet meer wordt gezien zoals de persoon zelf is, maar dat de geest zich ínbeeldt hoe de ander is, daarbij onbewust geleid door eigen verlangens. De wens is hierbij de vader van de gedachte, niet de zuivere waarneming van de ander als zelfstandige persoon.
De geest vormt zich naar eigen verwachtingen in het innerlijk een eigen innerlijk beeld, een 'ingebeelde' voorstelling. De ander wordt voor de geest een inbeelding, die alleen in de eigen gedachtenwereld, de ziel bestaat. De geest heeft zich van de ander een wensbeeld gevormd, zonder dat dat wordt beseft. Onbewust wordt de ander 'geïdealiseerd', letterlijk: van de eigen 'ideeën', van de eigen 'beelden' voorzien. Die inbeelding schuift in de ziel tussen de geest en het gewaarwordingsbeeld van de uiterlijke werkelijkheid, zodat de ander achter de inbeelding schuil gaat. De geest hecht zich dan niet alleen zelf aan de eigen gedachten, gevoelens en verwachtingen, maar hecht de ander er door de inbeelding ook aan.

De geest gaat hierdoor bij voorbaat van de veronderstelling uit, dat de ander verlangt, denkt en voelt, zoals de geest dat zelf ook doet. De geest voelt zich gelukkig met de eigen gedachten en gevoelens - daarom heeft hij of zij zich eraan gehecht. Maar daarnaast wordt een innerlijke verbondenheid met de ander gevoeld. Die moet daarom ook met deze inhouden, met de eigen verlangens, denkbeelden en voorstellingen, gelukkig worden. Door de denkbeeldige leegheid van de ander wordt van de veronderstelling uitgegaan, dat de ander zelfs de eigen gedachten en gevoelens nódig heeft om tot leven te kunnen komen. Deze worden dan ook overvloedig en soms met aandrang geschonken.
De geest breidt de gehechtheid als het ware uit naar de ander, waardoor de eigen levenshouding en opvattingen in de ander aanwezig worden verondersteld of wordt gemeend ze daar tot leven te moeten brengen. De zich inbeelden geest beeldt zich in dat de ander is, zoals hij of zij zelf is. De ander wordt opgenomen in saamhorigheidsverbeeldingen, die alleen in de geest zelf bestaan. Daardoor wordt de ander niet meer gezien, zoals hij of zij werkelijk is. Integendeel, aan de eigen persoonlijkheid en zelfstandigheid van de ander wordt, zonder het te beseffen, eenvoudig voorbij gegaan. De ander wordt als het ware omkleed of ingevuld met de eigen opvattingen en inzichten.
In wezen is inbeelding zelfgenot door middel van een ander.
Inbeelding is het tegendeel van overdracht (zie aldaar); daarbij gaat het juist om een inhoud van de ziel, waarvan de geest zich door verdringing níet meer bewust is.


terug naar de woordenlijst






^