kracht


Een kracht is het vermogen van een zelfstandigheid om tot rust te komen en om arbeid te verrichten - arbeid verrichten is werkzaam zijn; een kracht heeft ook het vermogen om aan die werkzaamheid een richting te geven.
De geest als kracht kan werkzaam zijn door zijn geestelijke vermogens. Zijn de vermogens met elkaar in evenwicht, dan wordt de geestesgesteldheid gekenmerkt door innerlijke rust. Hoe krachtiger en evenwichtiger de geest is, hoe dieper die rust. Door de kracht van het innerlijke evenwicht laat deze rust zich door niets verstoren.
De toestand is te vergelijken met een stromende bron. Het water dat uit een bron stroomt die 'in werking' is, gaat gelijkmatig en rustig voort; toch is er een grote kracht in verborgen.

Aan het geestesoog doet geestkracht zich voor als warmte. Deze warmte is in een voortdurende toestand van beweeglijkheid, die wordt gezien als trilling. Deze beweeglijkheid is: leven.
De geest is een kracht, die de eigenschap bezit zich bewust te kunnen zijn. De toestand van bewustzijn doet zich aan het geestesoog voor als licht. Dat licht komt voort uit de warmte. Dat is er de oorzaak van dat de geest als líchtende warmte een bewúste kracht is.
Met de geest als kracht die zich als geestelijke warmte voordoet, is het vermogen om te willen verbonden; met de geest als bewustzijnstoestand die zich als geestelijk licht voordoet, is het vermogen om waar te nemen verbonden.

De kérn van het al is de geest als de bewuste levenskracht. De geest als die bewuste levenskracht is ook de brón van het al.
De stelling: De geest is de bewuste levenskracht, die zich voordoet als een zelfvormende en vormbare lichtende warmte, met welke eigenschappen de geestelijke vermogens samenhangen, is het kernbegrip van geestkunde.
Van daaruit zijn de geestelijke vermogens te beschrijven en daaruit is vervolgens al het andere af te leiden:
de werkzaamheid van de vermogens veroorzaakt de uitstraling om de geest heen: de ziel;
de eigenschappen van de vermogens veroorzaken de vorm van de ziel: de geestgedaante;
de geestgedaante is op aarde de mal waar de stoffelijke levensvorm, het lichaam, naar is gevormd;
de ontwikkelingstoestand van de vermogens komt tot uiting in de persoonlijkheid, in het gedrag;
het leren gebruiken van de vermogens leidt tot: geestelijke ontwikkeling;
in de ontwikkelde toestand vormen de vermogens het geweten en de deugden: de zelfverwerkelijkte toestand;
door die zelfverwerkelijking komt de geestestoestand in overeenstemming met die van de algeest en is hereniging mogelijk.

Energie
In sommige levensbeschouwingen duidt het woord 'energie' een kernbegrip aan. Er wordt daardoor bijvoorbeeld wel gesteld: "Alles is energie" of: "Er is daar veel energie!" Als echter wordt gevraagd wat 'energie' is, blijkt het begrip vaag, onduidelijk te zijn; niemand kan goed uitleggen wat het woord betekent.
Het woord 'energie' is afkomstig van het Griekse 'en ergon': in werking. In de 16e eeuw werd dit begrip geleend uit de natuurkunde. Als er echter ergens sprake is van 'in werking', dan moet er íets zijn, wat 'in werking' is! Want als wordt gezegd: "Er is 'in werking'." (of zoals nu gebruikelijk: "Er is 'energie'."), dan kan de vraag worden gesteld: "Wát is er 'in werking'?" Het enige echter wat 'in werking' kan zijn en daardoor 'arbeid kan verrichten', is een kracht; maar een kracht kan zowel 'in beweging zetten', 'in werking' zijn ('energie') als ook 'tot rust brengen'(!).
Het woord 'energie' op zich zegt niets over de zelfstandigheid die als eigenschap heeft dat die 'in werking' kan zijn, namelijk een kracht. Het woord 'energie' duidt daarmee op een afgeleid begrip, dat volkomen denkbeeldig en abstract is, namelijk alleen het verschijnsel: 'in werking zijn'. Bovendien vertegenwoordigt het slechts één aanzicht van 'kracht': alleen beweging, want de rust ontbreekt eraan; terwijl een kracht zowel kan versnellen als vertragen, zowel in beweging als tot rust kan brengen. Het begrip 'kracht' is daarom wezenlijker dan het afgeleide begrip 'energie'.
Het woord 'energie' duidt 'werkkracht' aan, als tegenstelling tot 'rustende kracht'.
Energie is een afgeleid, eenzijdig begrip, maar het klinkt erg goed en wetenschappelijk, want in de natuurkunde wordt het immers ook gebruikt; en alleen om die reden neemt iedereen het in de mond, blijkbaar zonder te weten wat men zegt, want men heeft er alleen een vage voorstelling van. Op dezelfde wijze wordt er ook over 'trillingen' ('vibraties' klinkt beter) gesproken, maar als ergens een trilling is, moet er íets zijn, wat trilt. Het enige, wat in Gods schepping kan trillen en ergens anders trillingen kan veroorzaken, is de vermogende geest als de levenskracht.

In God en in de mens is het uitsluitend de géést die over de kracht beschikt iets in beweging te zetten of tot rust te brengen en wel door de geestelijke vermogens. Uitsluitend de geest is de werkzame levenskracht door middel van de vermogens. Daarmee kan de geest iets 'in beweging zetten' (is: 'energie'). In de geest en in God is rust echter een even belangrijke eigenschap als werking, beweging. Rust is onontbeerlijk. Beweging en rust zijn twee tegendelen, die elkaar in evenwicht moeten houden. De een kan niet zonder de ander bestaan. De aanname dat 'alles energie is', berust op een eenzijdige vereenzelviging met het begrip 'beweging', 'energie'.
In de stoffelijke schepping waar de mens tijdelijk in verblijft, komt Gods denken tot uitdrukking in de stoffelijke vormen die de mens hier aantreft en komt Gods wilskracht tot uitdrukking in vormen van kracht, die de mens hier nu 'energie' noemt, zoals: zonlicht, zonnewarmte (stralingsenergie), chemische energie (b.v. glucose, aardolie), bewegingsenergie (wind, eb en vloed) en elektrische energie (een stroom van elektronen) die de mens zelf opwekt. Van al deze stoffelijke vormen en energievormen mag de mens hier vrij gebruik maken voor eigen doeleinden in de leerschool, die deze schepping voor de mens is; een leerschool waarin de mens vrijheid van handelen heeft met als doel zichzelf om te vormen tot geestelijke zelfstandigheid.

Dat het eenzijdige begrip 'energie' tegenwoordig door iedereen wordt gebruikt, is kenmerkend voor dit tijdsgewricht. Met 'energie' wordt het gevólg van de werkzaamheid van een kracht aangeduid, die de óórzaak is van de werking, van het 'in werking zijn', m.a.w. van 'energie'. Die oorzaak, de geest als levenskracht, blijft daardoor onbenoemd.
Op dezelfde wijze ziet niemand de geest als werkzame levenskracht die de oorzaak is van bijvoorbeeld het uiten van woorden of van schrijven. De woordenstroom is het 'in beweging zijn', m.a.w. is de 'energie', de bron daarvan, de geest, blijft onzichtbaar.

Gezien in het licht van de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid wordt de huidige beschaving, de Westerse, door de uitgekeerde instelling gekenmerkt: aandacht en toewijding zijn geheel op de buitenwereld gericht. De uitgekeerde instelling is een kenmerk van de mannelijke geest, waardoor deze beschaving óók door het denken en het willen, door ondernemingszin en arbeiden, door werken ('in werking zijn': 'energie') wordt gekenmerkt. Het is daardoor dat aan deze maatschappij de vrouwelijke rust en inkeer geheel ontbreekt... het evenwicht is zoek. Daardoor wordt deze maatschappij door een overal aanwezige onrust, drukte en lawaai gekenmerkt, waar tegenwoordig ook door vrouwen aan wordt meegewerkt, waardoor de rust geheel is verdwenen. Een goed voorbeeld is de zondagsrust die is vervangen door winkelen om de veelal overbodige gebruiksvoorwerpen te kunnen kopen, die door anderen in fabrieken in overmaat worden geproduceerd.
De volgende beschavingsperiode zal door het tegendeel, de ingekeerde instelling, worden gekenmerkt, waardoor de noodzakelijke, vrouwelijke rust het evenwicht zal herstellen.


terug naar de woordenlijst






^