kwaad


Het kwade in Gods schepping komt voort uit de noodzaak de menselijke geest vrijheid van handelen te geven, hóe de ontwikkelingstoestand van die geest ook is: ontwikkeld of onontwikkeld.
1. Die vrijheid van handelen is nodig om de geest in omstandigheden te brengen waarin die zelf kan kiezen hoe zich te gedragen. De gevolgen van dat gedrag komen rechtstreeks of langs een omweg altijd weer bij de mens terug en die komt zo zichzelf tegen. Daardoor kan de mens uit eigen ondervinding leren wat de gevolgen zijn van het eigen gedrag, wat de oorzaak kan zijn van zelfbewustwording en daarop volgende zelfbeheersing. Door de vrije keuze en het leren door eigen ondervinding is de mens op aarde zijn eigen leermeester.
2. Die vrijheid van handelen is ook nodig om de geest in de gelegenheid te stellen naar eigen keuze te kunnen kiezen voor geestelijke ontwikkeling, dat wil zeggen: te kunnen kiezen voor een toegroeien naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing, en naar hereniging met God... of te kiezen voor zichzelf.

Die vrijheid van keuze is een onvermijdelijk vereiste voor geestelijke groei, doordat alleen datgene wat de geest zich uit vrije keuze en op eigen kracht éigen maakt, een onvervreemdbaar eigendom van de geest wordt. Alleen wat de geest zélf tot stand heeft gebracht, voegt blijvende waarde toe aan de eigenheid en aan de geestesgesteldheid van die geest. Alleen wat de geest op eigen kracht heeft bereikt, wordt tot eigendom en betekent een blijvende verrijking van de geest. Wat de geest van anderen heeft geleend of wat door anderen is aangegeven of aangeleerd, blijft alleen een bezit wat verloren kan gaan en wordt nooit een eigendom; of de geest moet het zich alsnog eigen maken.
Alleen wat de geest zélf heeft geschapen, is het eigendom van de geest. Dat geldt in het bijzonder voor geestelijke groei. Geestelijke groei is de zelfverwerkelijking. Het is het herscheppen van de geest van zichzelf door al die eigenschappen, die in aanleg in de geest aanwezig zijn, uit eigen vrije keuze en op eigen kracht zelf tot ontwikkeling te brengen. Die eigenschappen zijn: de geestelijke vermogens.

Zolang de geest hier niet voor kiest, blijft de geestesgesteldheid die van de aanvangstoestand van de geestelijke ontwikkeling. Het kwade komt uitsluitend voort uit de menselijke geest, zolang die in de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging, gehechtheid en eenzijdigheid blijft staan.
In de toestand van onbewuste vereenzelviging verkeren de vermogens in de toestand van de onbeheerste werkzaamheid, waarbij de geest wordt geboeid door gewaarwordingen en voorstellingen, en wordt gedreven door aandoeningen en aandriften.
In de toestand van gehechtheid is de werkzaamheid van de vermogens op zelfzuchtige wijze op zichzelf gericht. In die zelfgerichte toestand wordt de werkzaamheid van de geest gekenmerkt door hebzucht (waarnemen) en regelzucht (denken), door eerzucht (voelen) en heerszucht (willen).
In de toestand van eenzijdigheid wordt de persoonlijkheid erdoor gekenmerkt, dat de eigenschappen van één der vermogens op overdreven wijze aanwezig zijn, maar de eigenschappen van het tegendeel van dat vermogen juist op pijnlijke wijze in de persoonlijkheid ontbreken.

Deze ontwikkelingstoestanden van onbewuste vereenzelviging, gehechtheid en eenzijdigheid van de menselijke geest, zijn de oorzaak van al het kwade, van al het leed en verdriet, dat mensen elkaar en zichzelf aandoen. Maar de ongunstige, kwade gevolgen van deze ontwikkelingstoestand zijn ook een onvermijdelijk vereiste om de geest een prikkel te geven ten slotte uit zichzelf te kiezen voor het goede, voor de weg van zelfverwerkelijking en hereniging, om zo een einde te maken aan de oorzaak van het kwade, de aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging.
De weg van zelfverwerkelijking en hereniging, de levensweg, leidt naar het goede. Het goede hangt samen met die geestestoestand, waarin de geest de eigen vermogens zodanig heeft ontwikkeld, dat zij een eenheid zijn geworden van elkaar aanvullende en evenwichtig met elkaar samenhangende tegendelen. Het gedrag, dat vanuit deze kern door de persoonlijkheid heen naar buiten komt, wordt gekenmerkt door het geweten en de deugden (zie aldaar). Het is het gedrag van een goed mens.


terug naar de woordenlijst






^