leek


Het woord 'leek' komt van het Latijnse 'laicus': 'tot het volk behorend', van 'laos': volk.
Dit woord is door kerkelijke gezagsdragers ingevoerd met de betekenis: zij die niet tot de geestelijke stand behoren, zij die oningewijd zijn, ondeskundig zijn. Een ontkennende omschrijving, want er wordt níet gezegd wat ze wél zijn, waardoor leken een vaag, hulpbehoevend bestaan gingen leiden. Daarmee werd een afstand geschapen tussen de bestuurders van het instituut 'kerk', de priesters en de 'gewone' gelovigen, het 'kerkvolk'.

In de begintijd van het christendom was dat geheel anders, getuige Handelingen 2:41-47. De eerste christengemeenschappen leefden gemeenschappelijk, wijdden zich voortdurend aan godsdienstoefeningen, verkondigden Jezus' leer en hielpen elkaar met geld en goederen. Zij leefden in feite als een kloosterorde. Meerdere malen is in de geschiedenis door leken getracht naar die oorspronkelijke toestand terug te keren (bijvoorbeeld de Broeders des Gemeenen Levens van Geert Grote in Deventer).
De christelijke gnostici hadden in hun tijd hun leefgemeenschap democratisch ingericht. Vóór iedere godsdienstoefening werd er door het lot uit hun midden een voorganger gekozen, waarbij zij geen onderscheid maakten tussen man en vrouw. Wel onderscheidden de gnostici drie soorten mensen, namelijk: de zintuiglijk ingestelden (de 'hylikoi'), zij die zich alleen bezighielden met kennis (de 'psychikoi') en zijzelf, de gnostici, die geestelijk inzicht hadden en daar naar leefden (de 'pneumatikoi').
Hun democratische instelling stond echter haaks op die van het exoterische christendom, dat in die tijd bezig was het hiërargische instituut 'kerk' op te richten naar Romeins model; de gnostici werden dan ook op hardhandige wijze de mond gesnoerd en hun boeken verbrand. Het onderscheid echter dat de gnostici hadden gemaakt, werd in een iets gewijzigde vorm wel een kenmerk van de jonge kerk: het werd het onderscheid tussen de priesters als de 'geestelijke stand', de 'ingewijden' en 'geleerden' (de pneumatikoi en psychikoi), en het gewone, ongeletterde kerkvolk, de leken (de hylikoi).

Tijdens het 4e concilie van Konstantinopel in de jaren 869-870 werd in Canon 11 vastgelegd: 'De mens heeft een intellectuele en rationele ziel.' Die vaststelling versterkte het onderscheid tussen leken en priesters; van de leken kon nu worden gezegd dat zij in ieder geval wel een 'ziel' hadden, maar de priesters, die immers tot de 'geestelijkheid' behoorden, vertegenwoordigden de geest. De priesters als de 'geestelijken' op aarde konden zich daardoor opwerpen als de bemiddelaars tussen God in de hemel, die een geest was en de ongeestelijken, de leken, die 'zielig' waren en die genoegen moesten nemen met een ziel.

Deze verhoudingen verstoorden het inzicht in de ware verhouding tussen geest, ziel en lichaam.
De kern van ieder mens is de menselijke geest, door verdichting uit de goddelijke algeest voortgekomen. De eigenschappen van de geest zijn de vier geestelijke vermogens, het waarnemen, denken, voelen en willen. Als de geest in zichzelf met zijn vermogens werkzaam wordt, straalt de geest de ziel uit als een uitstraling om zich heen, waarin de voortbrengselen van de vermogens (kennis, gedachten, wilsbesluiten) kunnen worden bewaard (het geheugen).
In de loop van de eeuwenoude ontwikkeling hebben ook de eigenschappen van de vermogens vanuit de geest op de ziel ingewerkt, waardoor die de vorm van de geestgedaante kreeg, de menselijke gestalte. De vorm van de geestgedaante komt op aarde tot uitdrukking in het menselijke lichaam.


terug naar de woordenlijst






^