lijden


Lijden betekent: geleid worden, tegen de zin iets moeten ondergaan.
Alles om de geest heen wat de geest zelf niet is, is tijdelijk en vergankelijk. Alleen uit onwetendheid omtrent de eigen ware, geestelijke aard, is de geest ertoe gekomen zich daar toch aan te hechten. Door deze gehechtheid kan echter teleurstelling ontstaan. Want dat, wat vergankelijk is, zal ook eens vergaan; wat tijdelijk is, zal eens ophouden te bestaan; wat stuk kan, gaat ook stuk; wat men kan verliezen, zal ooit verloren gaan.
Als de geest zich hecht aan wat tijdelijk is, zal die zich er onvermijdelijk eens van moeten onthechten. Maar daarnaast is de geest, door zich te hechten aan het vergankelijke, tegelijkertijd ook voorbij gegaan aan het ontwikkelen van het duurzame en blijvende van zichzelf: namelijk zichzelf als de vermogende geest. Daardoor heeft de geest dit bestaan niet leren zien in het licht van de eeuwigheid. Daardoor heeft de geest niet leren bouwen en vertrouwen op het wezenlijke van zichzelf en is niet gaan leven vanuit het onvergankelijke in het hart; noch heeft die zich van daaruit kunnen herenigen met de goddelijke oorsprong, om op die wijze het eigen, geestelijke bestaan een vaste, duurzame grondslag te geven.

Als echter de binding aan het tijdelijke, wat het ook zij, wordt doorgesneden door de onafwendbare loop van het lot, dan betekent dat teleurstelling en leed. Verdriet is een begrijpelijk gevolg van tegenslagen, van ingrijpende gebeurtenissen en veranderingen, zeker als het menselijke verhoudingen betreft. Hoe onaangenaam dat echter ook klinkt, toch is dat verdriet ontstaan door eigen vereenzelviging. Het is veroorzaakt door de eigen verknochtheid, de eigen verkleefdheid aan wat vergankelijk is - en door het als gevolg daarvan ontbreken van het wezenlijke, van een krachtig, innerlijk leven, verbonden met de geestelijke werkelijkheid van de goddelijke oorsprong.
Als de geest zo lijdt, dan lijdt die in feite aan zichzelf. De geest lijdt aan de eigen geestesgesteldheid, die van gehechtheid, voortgekomen uit de toestand van onbewuste vereenzelviging met het vergankelijke. De geest lijdt aan het eigen zelfbeeld en aan alles wat daarmee is verbonden, doordat dat is gebouwd op wat vergankelijk is. Ook is het daardoor, dat de geest zelf als het ware innerlijk kan overkomen, wat er uiterlijk met datgene gebeurt, waaraan die zich heeft gehecht.

Wat de geest dan overkomt, is echter het gevolg van de éigen geestesgesteldheid. De diepste oorzaak van het lijden is, dat de geest door onbewuste vereenzelviging en gehechtheid op het wezenloze is gericht, de verkeerde kant opkijkt, van onwezenlijke maatstaven uitgaat en waarden omkeert. Dat de geest zich innerlijk tracht te verenigen met wat het verst van het eigen wezen af staat, namelijk met het stoffelijke en met wat slechts tijdelijk bestaat. Dit is immers het meest onwezenlijke ten opzichte van zichzelf als geest.
De grondoorzaak van leed is tweevoudig: door niet-zelfbewustzijn tracht de geest zich wél te verenigen met wat de geest zelf niet is en streeft daardoor níet naar zelfverwerkelijking en hereniging met datgene, waarmee de geest wezenlijk overeenstemt: de geestelijke bron, God, waaruit de geest oorspronkelijk is voortgekomen!


Het doel van karma
In het begin is de mens te vergelijken met een klein kind, onbewust van het bestaan van goddelijke wetten en zonder enige levenservaring. Een kind moet zelf leren zitten, staan en lopen, leren eten en spelen, en zich dan door verstandelijke ontwikkeling door ervaringen te verwerken, bepaalde feiten omtrent het leven eigen maken, om ten slotte tot volle wasdom uit te groeien.
De geest van een mens heeft een soortgelijk verloop, dat begint bij de geboorte uit de Vader-Moeder-God en dat door de groei van het geestelijke bewustzijn en de terugkeer, uitmondt in de hereniging of eenwording met God.
Zonder de ervaring van lijden - fysiek, mentaal of geestelijk - zou er voor de geest geen ontwikkeling van het bewustzijn volgen, geen groei van de onbewuste naar de zélfbewuste toestand, en dan verder naar het Christus-bewustzijn. Zolang een geest zelf geen lijden ervaart, is hij zich niet bewust van het lijden van zijn broeder en dus niet in staat om zijn wonden te verbinden en te genezen. Pijn brengt verlichting, mededogen, begrip. De mens leert meer door pijn en lijden, dan door door geluk en vreugde.
White Eagle - Geestelijke ontwikkeling, blz. 148


terug naar de woordenlijst






^