ongeluk


Het verschijnsel 'ongeluk' hangt als volgt samen met de groei van de menselijke geest naar innerlijke volwassenheid. In de ongevormde oertoestand is de menselijke geest in wezen een vonk van geestelijk licht en geestelijke warmte in de goddelijke algeest. De menselijke geest is rechtstreeks uit de goddelijke algeest ontstaan, doordat de algeest in zichzelf in een punt van zichzelf het eigen licht en daarna de eigen warmte verdichtte tot de geestvonk, die de menselijke geest is. De menselijke geest is een algeestvonk. Daardoor is de menselijke geest voor zijn bestaan in feite alléén afhankelijk van de algeest, God.
In de gevormde toestand doet de algeest zich in de verpersoonlijkte vorm voor als de heilige geest van God. Gods heilige geest is in wezen een tweelinggeest, twee lichtwezens, die als éénheid verschijnt als God de vader, die God de moeder in zich heeft opgenomen en die als twééheid voor de menselijke geest verschijnt als de goddelijke vader en de goddelijke moeder. De menselijke geest zelf ervaart zichzelf als hun beider kind, als hun godenkind. De ervaring van de verbondenheid met God is het grootste geluk. Het is de ervaring van het wezenlijke van zichzelf als Gods godenkind, verbonden met God als vadermoeder.

De menselijke geest als kind maakt echter een ontwikkeling door naar volwassenheid, een groei naar een toestand als volwassen godenzoon en godendochter. Die ontwikkeling vindt plaats in een toestand van schijnbare afgescheidenheid van God. Die afgescheidenheid is noodzakelijk, omdat de algeest zelf één is, daardoor bij niemand te rade kan gaan en geheel op zichzelf is aangewezen. Om geheel zichzelf te kunnen worden als godenkind moet de menselijke geest tijdens de groei naar volwassenheid in een zelfde toestand als God komen te verkeren, een toestand waarin de menselijke geest schijnbaar aan zichzelf is overgeleverd. Die toestand is het tijdelijke bestaan als geest in een stoffelijke vorm, het lichaam in de stoffelijke wereld. Daardoor is de geest verbonden met het volstrekte tegendeel van zichzelf, de stof, waardoor de geest onbewust is van zichzelf en zijn afkomst en daardoor vereenzelvigd met het tijdelijke bestaan.
Daardoor is de menselijke geest niet alleen niet meer zichzelf, maar bovendien ook nog in een toestand van afhankelijkheid gekomen van het stoffelijke bestaan door vereenzelviging ermee. Deze toestand van afgescheidenheid van God, onbewustheid van zichzelf en vereenzelviging met het stoffelijke bestaan, is de oorzaak van ongeluk.

Door deze toestand van afhankelijkheid heeft de menselijke geest de leiding over het eigen leven niet meer geheel in eigen hand, maar wordt door de vereenzelviging en afhankelijkheid geleid door de tijd als stroom van gebeurtenissen, die de geest overkomt. Daardoor wordt de geest geleid door de gebeurtenissen en is niet meer zelfstandig en vrij. Dit 'geleid worden' betekent 'lijden'; het betekent leed, pijn, ongeluk. Het lijden is een wezenlijk kenmerk van het stoffelijke bestaan. Het gebrek aan beheersbaarheid van het eigen bestaan dat met de tijdelijkheid ervan samenhangt, veroorzaakt bestaansangst, met faalangst en angst voor de toekomst als gevolg.
Het ongeluk dat de geest kan treffen, zet de geest onder druk om naar een uitweg te zoeken en naar een oplossing voor het lijden. Door de aandrang leed te vermijden of te boven te komen, wordt de menselijke geest ertoe aangezet de eigen geestelijke vermogens te gaan gebruiken om een oplossing te vinden voor de moeilijkheden en wederwaardigheden, die de mens tegemoet kunnen komen op de weg door dit bestaan. De mens wordt daardoor gedwongen bij zichzelf te rade te gaan, zoals ook God door Gods éénzijn alleen maar bij zichzelf te rade kan gaan. Daardoor komt de geest tot bezinning en kan zo ten slotte tot zichzelf komen. Daardoor neemt de menselijke geest toe in het zelfstandige gebruik dat die van de eigen geestelijke vermogens maakt en alleen daardoor groeit de geest op zelfstandige wijze naar de geestelijke volwassenheid van het godenkind, dat de menselijke geest in wezen is.
Het ongeluk dat de geest in het stoffelijke bestaan kan treffen, is vaak onbegrijpelijk, doordat de geest door eigen onbewustheid dit bestaan niet meer ziet als leerschool. Doordat het een leerschool is, heeft alles, wat hier zo onaanvaardbaar is, betekenis voor het eeuwige leven en zal later een duurzame verrijking blijken te zijn voor de menselijke geest. In het tijdelijke ongeluk zit het eeuwige geluk verborgen, maar het kost hier door de onwetendheid veel moeite dit bestaan te blijven zien in het licht van de eeuwigheid en in God te blijven vertrouwen.


terug naar de woordenlijst






^