opvoeding


Opvoeding is de vorming van de geest. De geest is de 'bewuste' 'levenskracht'; opvoeding is de omvorming van het vermogen om 'bewust te zijn' van een toestand van onbewustheid naar een toestand van zelfbewustzijn en het is de omvorming van de 'levenskracht' van een toestand van onbeheerstheid naar een toestand, waarin de geest meester is over de eigen kracht, de toestand van zelfbeheersing. Opvoeding is daardoor de groei naar zelfbewustzijn en zelfbeheersing door een bewust en beheerst gebruik te leren maken van de geestelijke vermogens. Het gebruik leren maken van de eigen geestelijke vermogens is het enige, wat kan worden aangeleerd door opvoeding.

De menselijke geest begint dit bestaan niet alleen in de toestand van onbewustheid van zichzelf, maar ook als een ontwikkelingsmogelijkheid. De geest bezit namelijk zoals gezegd een geestelijke vormbaarheid, waarmee het vermogen om te leren samenhangt. Door dit leervermogen is de geest niet alleen opvoedbaar, maar ook in staat zichzelf op te voeden en zich uit de remmende aanvangstoestand van onbewuste vereenzelviging te bevrijden.
Zelfopvoeding, zowel als opvoeding, is de menselijke werkzaamheid bij uitstek. Het is immers een werk, dat niets dan menselijkheid tot gevolg heeft en is daardoor het meest zinvolle werk. Als het werk aan het wezenlijke, dat de menselijke geest zelf is, betekent zelfopvoeding het omvormen van de eigen geesteshouding, door middel van de ontwikkeling van de vermogens; terwijl opvoeding het voorleven is aan het kind van het bewuste en beheerste gebruik, dat de opvoeder zelf van de eigen vermogens maakt.
Hoe kunnen de geestelijke vermogens - en daarmee de persoonlijkheid - worden ontwikkeld? De vermogens kunnen alleen in de persoonlijke omgang met medemensen in het alledaagse bestaan, tot ontwikkeling worden gebracht. De mens kan alleen mens worden door de levende omgang met de medemens. Alleen die persoonlijke omgang heeft opvoedende waarde.
Opvoeding is een gebeuren dat kan worden begeleid door de ouders of andere opvoeders (opvoeding) of kan worden geleid door de geest zelf (zelfopvoeding), door zichzelf als werk ter hand te nemen.

Er zijn in grote lijnen twee soorten van opvoeding: opvoeding tot plichtmatigheid en tot zelfstandigheid. Bij de opvoeding tot plichtmatigheid worden - en dat kan gebeuren met goede bedoelingen - door de opvoeders hún meningen, gewoonten, zeden en levensbeschouwing op gehoorzaamheid eisende wijze aan de geest in het kind duidelijk gemaakt. Daardoor worden zij in de ziel (het geheugen) van het kind op een zodanig krachtige wijze ingeprent, dat zij de rest van het leven als een innerlijke stem het gedrag van de geest vanuit de achtergrond blijven beïnvloeden. De geest kan daardoor weliswaar een ordelijk leven leiden, maar blijft onzelfstandig doordat nog steeds de opvoeders het gedrag bepalen. Het gedrag blijft plichtmatig doordat dwingende gedragsregels van buitenaf zijn ingescherpt.
Bij de opvoeding tot zelfstandigheid gaan de opvoeders bij voorbaat uit van de zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van de geest, die in het jonge kind bij hen is komen wonen. Door het eigen gedrag als voorbeeld te stellen, wekken zij het overeenkomstige in het kind op. Door het kind op schoonheid te wijzen, ontwikkelen zij het waarnemingsvermogen; door het kind kennis te laten maken met hoe zij denkend met gebeurtenissen omgaan, wekken zij het denken op; door het kind hun liefde te laten ervaren, wekken zij het voelen op; door vastberaden hun wilsbesluiten uit te voeren, leren zij het kind ook de eigen wil te gebruiken. Hierdoor leert het kind hoe het zelfstandig zijn weg kan vinden door het tijdelijke bestaan, op een gewetensvolle en deugdzame wijze, door een bewust en beheerst gebruik te maken van de eigen geestelijke vermogens.
Daartussen bevindt zich een groep opvoeders die bij voorbaat denken al met een volwassen persoon van doen te hebben en als zodanig met het kind omgaan. Zij begeleiden niet en voeden niet op, maar laten het kind aan zichzelf over. Daardoor wordt de aanvankelijk onbeheerste geestkracht niet in goede banen geleid, wat leidt tot bandeloosheid en onmaatschappelijkheid. Een kind verlangt naar begeleiding en als het dat niet krijgt, gaat het dit uitlokken door wanordelijk gedrag.

Door zelfopvoeding als zelfverwerkelijking, als de ontwikkeling van de vermogens tot het geweten en de deugden, ontstaat er niet alleen een hechte samenhang met de medemenselijke geest, maar kan de geestestoestand ook met die van de algeest in overeenstemming komen. Zelfopvoeding heeft die geestestoestand tot gevolg, waardoor er ook een hechte samenhang met de algeest kan ontstaan en de hereniging ermee mogelijk wordt. Zelfverwerkelijking door zelfopvoeding, door zichzelf als werk ter hand te nemen, is daardoor de kern van geestkunde; het is de beslissende stap op de levensweg en de zin van dit tijdelijke bestaan.


terug naar de woordenlijst






^