overlijden


Tijdens het overlijden treedt de geest voorgoed uit het tijdelijke lichaam doordat de levensdraad wordt verbroken en gaat weer naar huis, naar de geestelijke wereld. Overlijden betekent volgens de oude betekenis: 'overgeleid worden'. De geest wordt door de geestelijke begeleiders over de grens tussen de stoffelijke en geestelijke wereld geleid.
Pas door het voorgoed uittreden van de geest gaat de stoffelijke vorm, het lichaam, 'dood', het wordt levenloos doordat de geest, het levende, eruit verdwijnt. Dat is te zien doordat het lichaam dan 'sterft', wat betekent: verstijft.
Zie ook: dood.


Overwegingen bij het overlijden

"Wanneer iemand is overleden dan betekent dat,
dat hij/zij als geest is overgeleid naar de geestelijke wereld.
Zijn/Haar taak voor déze leergang door dit tijdelijke bestaan,
was op dat ogenblik door hem/haar volbracht.
Het was zijn/haar levensbestemming, maar ook die van ons,
dat hij/zij op die dag dit aardse bestaan zou beëindigen
en ons, weliswaar tijdelijk, zou gaan verlaten
om weer terug te keren naar ons geestelijke vaderland;
het vaderland, van waaruit wij allen
aan onze reis door dit tijdelijke bestaan zijn begonnen
en waar wij allen elkaar weer terug zullen zien,
maar dan in de eeuwige, geestelijke vorm van werkelijkheid.

Bestaan na bestaan zetten wij stappen op ons geestelijke pad
en leven na leven gaan wij voort op onze levensweg,
die ons zeker voert naar de ontwikkelde toestand van geestelijk zijn.
Wij als menselijke geest zijn het zelf, die, zoveel als mogelijk is,
zelfstandig aan die ontwikkeling werken
op eigen kracht en schijnbaar zonder steun of beloning.
Het is vanwege die beoogde zelfstándigheid,
dat wij hier ónbewust zijn van die gééstelijke vorm van werkelijkheid
en hier schijnbaar aan onszelf zijn overgeleverd.
Het is daardoor dat wij er geen weet van hebben,
ooit zelf uit die geestelijke wereld naar hier te zijn gekomen
en, door het overlijden, daar weer naar terug zullen gaan.

Heen en weer gaat de weg, tussen 't vaderland en de aarde
en in de tijd dat wij hier zijn, kunnen wij werken aan onszelf.
Daardoor kunnen wij ons steeds meer bewust worden
van onze mogelijkheden als menselijke geest,
en van het bewuste en beheerste gebruik
dat wij van onze geestelijke vermogens kunnen leren maken.

Die toenemende beheersing verwerven wij
door zo veel als ons mogelijk is
alle ervaringen die wij hier opdoen, te verwerken.
Dáárdoor leren wij onze vermogens
bewust en beheerst te gebruiken;
en alleen daardoor groeien zij uit tot ons gewéten
en tot onze déugden, tot: aandacht en begrip, liefde en geduld,
die de eigenschappen worden van onze persoonlijkheid.
Uit líefde wordt ons gedrag dan gekenmerkt
door áándacht, begríp en gedúld, voor onszelf en voor elkaar.
Als wij onze levens zó leven,
worden zij als treden tot een trap aaneengevoegd;
een trap van geestelijke groei, een stijgende levensweg,
die ons omhoog voert naar het uiteindelijke, verheven doel.

Want door onze vermogens te ontwikkelen,
nemen ons geweten en onze deugden zodanig toe,
dat onze geestesgesteldheid steeds meer
met die van Gods geest in overeenstemming komt;
met de goddelijke algeest die de oorsprong is,
waar wij ooit als menselijke geest uit zijn ontstaan;
de algeest als onze vadermoeder,
waar wij als Gods godenkinderen ooit uit zijn voortgekomen.

Uiteindelijk zullen wij, door de weg van onze geestelijke groei
met volharding tot het einde toe te volgen,
de hereniging met onze God kunnen verwerkelijken
en eeuwig leven in een volmaakte, geestelijke vorm van zijn."


terug naar de woordenlijst






^