De temperatuur op een planeet en de afstand tot de Zon


De temperatuur van de atmosfeer van een planeet hangt niet alleen samen met de afstand tot de Zon, maar veel meer nog met de druk die in de atmosfeer van die planeet heerst. Volgens de Algemene Gaswet hangt de temperatuur namelijk evenredig samen met de druk: hoe hoger de druk, hoe hoger de temperatuur.
Het is de luchtdruk van de atmosfeer die bepaalt (in vergelijkbare omstandigheden) hoe hoog de temperatuur ervan is. Met deze gegevens - druk en temperatuur van de atmosfeer - als maatstaf, kunnen we naar de omstandigheden op de vier binnenplaneten en de Maan kijken.

Mercurius en de Maan zijn vergelijkbare hemellichamen omdat beide een verwaarloosbare atmosfeer hebben, waardoor ook de (veronderstelde) invloed van CO2 wegvalt: bij beide is daardoor alleen de afstand tot de Zon bepalend hoe koud (’s nachts) of hoe heet (overdag) het er is.


Venus, Aarde en Mars hebben wel een atmosfeer en kunnen met elkaar worden vergeleken. Op Venus heerst een hoge luchtdruk en het is er zeer warm, op de Aarde heerst een gemiddelde luchtdruk en de temperatuur is aangenaam, op Mars heerst een zeer lage luchtdruk en het is er koud. De omstandigheden in hun atmosferen voldoen aan de Algemene Gaswet.


Mercurius staat dichter bij de Zon dan Venus en toch is Venus gemiddeld warmer dan Mercurius. Daaruit blijkt de grote invloed van de druk in de atmosfeer op de temperatuur op een planeet.

Met de samenstelling van de atmosfeer, in bijzonder het CO2-gehalte, kunnen de temperatuurverschillen niet worden uitgelegd. De atmosferen van zowel Venus en Mars bestaan voor meer dan 95% uit CO2 en toch is Venus erg warm, maar Mars juist erg koud, terwijl de atmosfeer van de Aarde vrijwel geen CO2 bevat (0,04%) en de temperatuur hier aangenaam is.
De enige factor die wel de temperatuur kan verklaren is de luchtdruk, wat bij de vergelijking van Venus, Aarde en Mars duidelijk is te zien.

De atmosferen van de buitenplaneten, de gasreuzen Jupiter (152 K) en Saturnus (140 K) bestaan voornamelijk uit waterstofgas (90-95%) en wat helium (5-10%). Rondom de vaste kernen zijn deze elementen vloeibaar en naar de buitenkant toe steeds meer gasvormig. Zij hebben geheel andere eigenschappen dan de atmosferen van de vier binnenplaneten en zijn daar niet mee te vergelijken.
De hoeveelheid warmte die de beide planeten afgeven ondanks dat zij zeer koud zijn, wordt veroorzaakt door de samentrekking door de zwaartekracht, waardoor zij voortdurend krimpen.


terug naar het antropisch principe

terug naar de woordenlijst

terug naar het weblog







^