taal


Als de menselijke geest in zichzelf werkzaam is, is de kracht om werkzaam te kunnen zijn afkomstig van de rustige, eeuwige beweging van de geestelijke warmte in de geest. Door die kracht is de geest in staat vorm te geven aan de beweging van het geestelijke licht in zichzelf, waardoor in de geest lichtbeelden worden gevormd. Deze lichtbeelden zijn denkbeelden, die niet alleen worden gekenmerkt door licht, maar ook door geluid. De geest als levenskracht is een warmtetrilling, die niet alleen een lichttrilling kan voortbrengen, maar ook een geluidstrilling, een innerlijke klank.
Als de geest een taal heeft geleerd, dan wordt deze klank gevormd naar de woordenschat van die taal. Ieder denkbeeld dat de geest in zichzelf vormt, doet zich dan voor als een lichtbeeld met een erbij behorende klank, een woord. Het vormen van denkbeelden met de begeleidende woorden is een wezenlijke, geestelijke werkzaamheid. Woorden zijn een onmiddellijke weergave van de scheppende werkzaamheid van de geest. Doordat de menselijke geest dit vermogen rechtstreeks uit de goddelijke geest heeft ontvangen, heeft het verschijnsel taal ook een goddelijke betekenis.

Door gebruik te maken van de stembanden, de tong en de mond is de geest in staat de klanken, die de geest eerst in zichzelf heeft gevormd, vervolgens naar buiten toe te uiten en ook tot klinken te brengen in de ruimte van de stoffelijke wereld. Wat door het spreken in de buitenwereld hoorbaar is, is een onmiddellijke weergave van wat er een ogenblik daarvoor in het innerlijk van de geest door het denken en het voelen heeft geklonken als de eigen, innerlijke stem.
Het vermogen om een taal te spreken en te schrijven is een goddelijke gave en is het daarom waard, er zorgvuldig mee om te gaan.


terug naar de woordenlijst






^