zinnen


De zinnen zijn de geestelijke vermogens als de zin voor de werkelijkheid (waarnemen), waarheidszin (denken), saamhorigheidszin (voelen), ondernemingszin (willen), gemeenschapszin (de uitgekeerde instelling) en 'zelfzin' (de ingekeerde instelling). Door zich te bezinnen op de gebeurtenissen om zich heen en die met de geestelijke vermogens, de zinnen, te verwerken en daardoor te groeien, vervult de geest de zin van dit bestaan.

Dat het woord 'zinnen' de geestelijke vermogens aanduidt, blijkt uit het volgende. Als de geest ergens 'de zinnen op heeft gezet', dan betekent dat, dat die door waar te nemen en dat te overdenken en te doorvoelen een bepaald besluit heeft genomen en dat wil uitvoeren. Wanneer de geest echter geen opwekkende gedachten of gevoelens meer heeft, dan 'heeft die er geen zin meer in' en 'ontbreekt het aan de zin' om iets te gaan doen. Gaat datgene wat er gebeurt 'niet naar de zin', dan komt het gebeurde niet overeen met de gedachten, gevoelens en besluiten. Kan de geest die tegenslag niet goed verwerken, dan kan die 'eigenzinnig' worden, niet van die tegenslag willen leren en 'de eigen zin', de eigen gedachten, gevoelens en besluiten willen doordrijven. De geest stelt dan alleen vertrouwen in de eigen vermogens en wil niet luisteren naar wat anderen te vertellen hebben. Lukt het dan nog niet, dan kan de geest zelfs 'buiten zinnen raken', niet meer goed kunnen nadenken, ongevoelig en onbeheerst worden. Totdat de geest, zo nodig door ingrijpen van anderen, weer 'tot bezinning komt', weer tot zichzelf en alle vermogens en zich op het vraagstuk 'gaat bezinnen' door de vermogens erop te richten. Heeft de geest door te denken en te voelen de betekenis van het gebeurde begrepen, dan heeft die 'de zin ervan' ingezien en kan er dan een 'zinvol antwoord' op geven.
Lijdt iemand aan verstandsverbijstering, dan wordt die persoon 'krankzinnig' genoemd.

De wijze waarop de geest van de vermogens gebruik maakt, komt tot uitdrukking in de gezindheid. De gezindheid is de richting waarin het denken, voelen en willen van de geest zich beweegt. In geestkunde gaat het om de poging van de geest zelf de gezindheid af te wenden van het vergankelijke en om te vormen in de richting van het geestelijke. Eerst als dat is gelukt, kan de geest zich uiteindelijk 'op zichzelf gaan bezinnen' door 'zelfbezinning' te oefenen, door als geestelijke oefening alle aandacht en toewijding op het innerlijke in zichzelf te richten en van daaruit op hereniging met de oorsprong. Door die hereniging is de geest het meest zichzelf en daardoor kan 'de zin van het bestaan' worden gevonden. Tijdens die hereniging kan de geest 'in zinsverrukking geraken' en van daaruit 'het meest zinnig' weer werkzaam zijn in het tijdelijke bestaan.
blijkt Door de onbewuste vereenzelviging met de stoffelijke vorm, het lichaam, is de geest zich niet duidelijk bewust van het onderscheid tussen de eigen zinnen als de vermogens en de zintuigen van het lichaam, die de stoffelijke werktuigen zijn, waarmee de geest zich met de buitenwereld verbindt. Daardoor wordt de betekenis van deze woorden door elkaar gehaald en wordt over 'zinnelijkheid' gesproken als 'zintuiglijkheid' wordt bedoeld.


terug naar de woordenlijst






^